Belgian court dismisses annulment appeal where applicant lost interest without fault, bearing all costs.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's appeal to annul a decision excluding him from a police inspector position. The applicant argued for cost relief despite losing his legal interest, but the court held that the opposing party cannot be deemed successful if the applicant voluntarily lost his standing. Consequently, the applicant was ordered to bear the full costs of the proceedings.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 30/1 and 68(5) of the Coordinated Laws on the Council of State; the Council of State is not obliged to examine the merits if the applicant loses his legal interest without fault, meaning the opposing party cannot be considered successful and must not bear the costs.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.802 van 28 maart 2017
in de zaak A. 214.561/XIV-36.146
In zake : Kurt VAN CAUTEREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A
Tussenkomende partij :
Jan DENDOOVEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Brys kantoor houdend te 9031 Drongen Kroonprinsstraat 1
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 22 december 2014, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van ongekende datum waarbij HINP Dendooven is weerhouden als kandidaat in het kader van een betrekking als hoofdinspecteur van politie bij de federale spoorwegpolitie, afdeling Gent, meer bepaald hoofdinspecteur lid coördinator 203 240 200 in het kader van de mobiliteit oproep 2014.03 van 25-07-2014 (…)” en van “de impliciete weigering om ver-
zoeker in deze plaats te benoemen.”
XIV-36.146-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 1346
van 10 maart 2015. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoeker, adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Francine Lemaire, die loco advocaat Nathalie Brys verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
XIV-36.146-2/7
III. Feiten
3.1. Verzoeker is als hoofdinspecteur van politie verbonden aan de lokale politie HAMME-WAASMUNSTER.
3.2. Op 25 juli 2014 wordt de mobiliteit 2014-03 “oproep tot kandidaten” intern verspreid. Deze oproep bevat onder meer een plaats van hoofdinspecteur van politie bij de algemene directie van bestuurlijke politie -
spoorwegpolitie, afdeling Gent (hierna: DGA/SPC Gent).
3.3. Deze oproep vermeldt dat de kandidaatstellingen uiterlijk op 14 augustus 2014 moeten worden ingediend.
3.4. Op 13 augustus 2014 dient verzoeker zijn kandidaatstelling in.
3.5. Op 4 september 2014 stelt HINP V.D.C, diensthoofd algemene directie van het middelenbeheer en de informatie - directie personeel - dienst personeelsbeheer (hierna: DGR/DRP/P), verzoeker ervan in kennis dat zijn kandidaatstelling ongeldig is omdat hij niet beschikt over de vereiste aanwezigheidstermijn van vijf jaar in zijn huidige betrekking.
3.6. Op 15 september 2014 verklaart verzoekers korpschef zich akkoord met de deelname van verzoeker aan de mobiliteitscyclus na een aanwezigheidstermijn van drie jaar.
3.7. Op 16 september 2014 maakt de selectiecommissie haar beslissing over. Zij stelt daarbij dat verzoeker de meest geschikte kandidaat is, maar dat er vragen rijzen rond de geldigheid van zijn kandidaatstelling.
3.8. Op 25 september 2014 stelt de directeur DGS/SPC Gent eveneens vast dat verzoekers kandidaatstelling ongeldig is.
XIV-36.146-3/7
3.9. Op 29 oktober 2014 wordt de tussenkomende partij aangewezen voor de betrekking van hoofdinspecteur van politie bij DGS/SPC Gent met ingang van 1 januari 2015.
Dit is de bestreden beslissing.
De resultaten van de mobiliteitscyclus werden gepubliceerd in het personeelsbulletin van 9 december 2014.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
4. In het auditoraatsverslag heeft verzoeker kunnen lezen, wat hij in zijn laatste memorie bijtreedt, dat hij niet langer doet blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging te benaarstigen van de bestreden beslissing.
Verzoeker postuleerde immers in het kader van een volgende mobiliteitscyclus 2014-05 voor een gelijkaardige betrekking als degene waarvan hij thans de invulling bestrijdt. Met een door verzoeker bijgebrachte brief van 5 mei 2015 is hem ter kennis gebracht dat hij is aangewezen voor die betrekking met ingang van 1 juli 2015. Uit die brief blijkt dat verzoeker met een beslissing van 30 april 2015 van de directeur-generaal van de ondersteuning en het beheer werd aangewezen voor de functie van “Hoofdinspecteur Lid bij SPC Gent” en aldus heeft bekomen wat hij met het onderhavig beroep betrachtte. Verzoeker heeft deze aanstelling aanvaard en is dus zoals hij zelf aangeeft “zonder actueel belang […]
gevallen”.
5. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk.
V. Kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding
6. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat de kosten van de vernietigingsprocedure hem ten laste dienen te worden gelegd. Hij heeft zich
XIV-36.146-4/7
kandidaat gesteld voor de mobiliteitscyclus 2014-05 en heeft die betrekking bekomen doch dat is geen reden om nu de kosten ten laste van verzoeker te leggen wat volgens hem leidt tot een onbillijke situatie. Had hij zich immers niet opnieuw kandidaat gesteld zou hij het risico hebben gelopen dat hem zou worden verweten geen volgehouden belangstelling te betonen in dergelijke betrekking.
Volgens verzoeker moet de vraag wat de tenlastelegging van de kosten betreft, worden bekeken vanuit de vraag of verzoeker de bestreden beslissing op goede gronden heeft bestreden. Verzoeker meent dat het de Raad van State derhalve toekomt om een beoordeling te maken van de door verzoeker ontwikkelde middelen en “dit ter beslechting van het vraagstuk ten laste van welke partij de kosten dienen te worden gelegd: verzoeker of verwerende partij”. Tot slot meent verzoeker dat ook artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorzien dat de rechtsplegingsvergoeding slechts ten gunste kan zijn van de “in het gelijk gestelde partij”. Het is niet omdat verzoeker zonder belang is komen te vallen dat de verwerende partij per definitie in het gelijk is gesteld. Tot slot, vraagt verzoeker minstens de rechtsplegingsvergoeding te milderen tot het voorziene minimum van 140 euro eensdeels omwille van de geringe complexiteit van de zaak (door het gebrek aan belang is de procedure de facto ingekort en vereenvoudigd) en anderdeels omwille van de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
7. De verwerende partij repliceert in haar laatste memorie, verwijzend naar artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding kan toekennen die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De omstandigheid van het verliezen door verzoeker van het actueel belang bij de ingestelde vordering is niet aan de verwerende partij te wijten. Verzoeker heeft op eigen initiatief deelgenomen aan een volgende mobiliteitscyclus waarvan hij laureaat is en aangewezen werd in de vacante betrekking. Zij besluit dat de kosten ten laste moeten worden gelegd van verzoeker.
XIV-36.146-5/7
Beoordeling
8. De verwerende partij, die overigens niet wordt bijgestaan door een advocaat, verzoekt niet om een rechtsplegingsvergoeding zodat deze ook niet kan worden “gemilderd”. Zij vraagt enkel de kosten ten laste van verzoeker te leggen.
Zoals reeds blijkt uit het genoemde artikel 30/1 van de eerder genoemde gecoördineerde wetten, blijkt ook nog uit artikel 68, vijfde lid, van de algemene procedureregeling dat het geheel van de kosten die verband houden met het beroep tot nietigverklaring waaronder het rolrecht ten laste worden gelegd van “de partij die ten gronde in het ongelijk [wordt] gesteld”.
Anders dan verzoeker meent, is de Raad van State noch zijn auditoraat ertoe verplicht de middelen van het beroep te onderzoeken en te beoordelen indien inmiddels het belang van verzoeker bij het ingestelde annulatieberoep is teloorgegaan zonder dat dit aan de verwerende partij kan worden verweten. De verwerende partij kan in die omstandigheden niet worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij.
BESLISSING
1. Raad van State verwerpt het beroep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
3. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
XIV-36.146-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.146-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.802