Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.800 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.800 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed due to lack of current interest as asylum application now processed in Belgium.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.800
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the cassation appeal inadmissible because the applicants no longer possessed a current interest in the proceedings. The applicants had previously sought to suspend a rejection of their stay based on a Polish asylum application, but that application was subsequently transferred to Belgian authorities for processing. The court ruled that since the primary objective of the suspension request was achieved, the applicants failed to demonstrate any ongoing legal interest in challenging the earlier decision.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 16 and 17 of the Royal Decree of 30 November 2006 on cassation procedure; A cassation appeal is inadmissible if the applicant fails to demonstrate a current interest in the outcome of the challenged decision throughout the entire procedure.

Mots-clés

Généré par l'IA
cassation appeal current interest asylum application procedural admissibility suspension of execution lack of standing Council of State demande d'asile d'une famille turque

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 16 of the Royal Decree of 30 November 2006 on the cassation procedure before the Council of State
Article 30/1, Section 2, second paragraph of the coordinated laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.800 van 28 maart 2017

in de zaak A. 217.362/XIV-36.733

In zake : 1. XXX

2. XXX

3. XXX

4. XXX

5. XXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten De Feyter kantoor houdend te 9050 Ledeberg Hundelgemsesteenweg 275

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, belast met Administratieve Vereenvoudiging bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Harlekijnstraat 9

I. Voorwerp van het cassatieberoep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 oktober 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 154.358 van 13 oktober 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.693 van 23 december 2015.

XIV-36.733-1/5

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.

De verzoekershebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Maarten De Feyter, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Laurent Bracke, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij,zijn gehoord.

Eerste auditeurMarijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Eerste verzoeksterkomt België binnen, naar eigen zeggen op 22 juni 2015, samen met haar echtgenoot, tweede verzoeker, en haar drie kinderen, derde tot en met vijfde verzoekers. Zij dient een asielaanvraag in op 23 juni 2015.

XIV-36.733-2/5

Het blijkt dat zij reeds in 2015 een asielaanvraag in Polen heeft ingediend. Op 29 juli 2015 wordt een terugnameverzoek gericht aan de bevoegde Poolse instanties, die op 31 juli 2015 instemmen met dat verzoek. De staatssecretaris voor Asiel en Migratie neemt op 29 september 2015 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten omdat “België […] niet verantwoordelijk [is] voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Poolse autoriteiten toekomt”.

Eerste verzoekster stelt op 10 oktober 2015 tegen deze laatste beslissing een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 13 oktober 2015

verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit is het bestreden arrest.

IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep – belang.

4. Daargelaten de vraag of tweede tot en met vijfde verzoekers over de vereiste hoedanigheid beschikken om op te komen tegen een arrest dat enkel ten aanzien van eerste verzoekster is gewezen, dient het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State niet enkel te bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen.

Met een brief van haar raadsman van 18 februari 2017 deelt de verwerende partij aan de Raad van State mee dat de asielaanvraag van de verzoekers inmiddels in België wordt behandeld, dat het dossier op 13 april 2016

werd overgemaakt aan het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat de asielaanvraag nog in behandeling is. Volgens de verwerende partij beschikken de verzoekers daarom niet langer over een actueel belang bij het huidige cassatieberoep.

XIV-36.733-3/5

Op de ter terechtzitting gestelde vraag naar het actuele belang, verklaart de raadsman van de verzoekers dat er inderdaad geen belang meer is. Hij licht toe dat de overname door Polen niet binnen de termijn van zes maanden is gebeurd.

Vermits de verzoekers het beoogde doel hebben bereikt, met name de behandeling van de asielaanvraag in België, geven zij geen blijk van een actueel belang bij de cassatie van het bestreden arrest, waarmee devordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de aanvankelijk bestreden beslissingwerd verworpen. Zij bevestigen dit ter terechtzitting en tonen dan ook geenszins het behoud van het vereiste belang aan.

Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk.

V. Kosten van het geding – begroting van de rechtsplegingsvergoeding

5. De door de verwerende partij gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro dient overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te worden herleid tot 140 euro vermits de verzoekers als in het ongelijk gestelde partij tweedelijns juridische bijstand genieten en de verwerende partij geen kennelijk onredelijke situatie aantoont.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1000 euro, elk voor een vijfde en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

XIV-36.733-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-36.733-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.800