Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.799 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.799 Généré par l'IA

Belgian Council of State dismisses prisoner's appeal against disciplinary isolation for possession of USB stick and DVDs.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.799
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Belgian Council of State rejected Johan Devriendt's appeal against a disciplinary sanction of seven days of isolation imposed by the Leuven Central Prison director. The court found the initial fifteen-day sanction for possessing a USB stick and scanning documents lawful, and the subsequent seven-day penalty for possessing DVDs containing games and music was a proportionate response to repeated rule violations. Consequently, the court dismissed the request to annul the decision and ordered the appellant to bear the litigation costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 10 and 11 of the Prison Act; A disciplinary sanction for possession of unauthorized media in a prison is lawful if proportionate to the breach and does not constitute double jeopardy for the same offense.

Mots-clés

Généré par l'IA
prison disciplinary sanction proportionality principle possession of unauthorized media double jeopardy rule administrative annulment appeal saisie de données informatiques extrait du casier judiciaire dénonciation spontanée

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 10 and 11 of the Prison Act
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.799 van 28 maart 2017

in de zaak A. 212.602/XIV-35.652

In zake : Johan DEVRIENDT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Van Der Linden kantoor houdend te 3010 Leuven Koning Albertlaan 186

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel, Willebroekkaai 33

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 27 mei 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de directeur van de strafinrichting Leuven Centraal genomen op 28 maart 2014 […] waarbij aan verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd […]: de afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte; 7 dagen afzondering van 30.03.2014 tem 05.04.2014”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld.

XIV-35.652-1/16

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Tom Van Der Linden, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is op het ogenblik van de feiten opgesloten in de gevangenis te Leuven.

3.2. Op 13 november 2013 worden lastens verzoeker twee rapporten aan de directeur opgesteld die betrekking hebben op het bezit van een USB-stick en het aantreffen van ingescande documenten op zijn pc. Wegens deze feiten wordt op 16 november 2013 aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van vijftien dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte.

3.3. Op 26 maart 2014 wordt lastens verzoeker een rapport aan de directeur opgesteld met de volgende inhoud:

“Er werden mij 42 dvd-r’s (gevonden in werkhuis C3) bezorgd ter controle.

XIV-35.652-2/16

Bij nazicht bleken deze eigendom te zijn van Devriendt Johan.

Hieronder een beknopte oplijsting van de aangetroffen data:

- 14 blanco.

- 1 game + porno.

- 15 muziek.

- 1 image huurpc - 1 video ‘openingen’ i.v.m. poëziewedstrijd opgenomen in cel Leuvenc.

- 1 met wetenschappelijke boeken.

- 1 met bestandsexistentie .daa, kan niet met de ons beschikbare software uitgelezen worden - 1 met diverse geluidsfragmenten (Spaans of portugees)

- 1 software ‘systran’ (vertaalprogramma).

- 1 persoonlijk dossier en briefwisseling - 1 diverse software - 1 game ‘SH4’ - 1 software ‘windowsxp’.

- 1 Franstalige juridische teksten.

- 1 allerlei documenten zoals tuchtverslagen, observatienota’s, rapportbriefjes en zelfs het draaiboek van vleugel c.

Globaal genomen gaat het hier over honderden (!) ingescande documenten.

De vraag dient gesteld te worden hoe betrokkene deze enorme hoeveelheid aan documenten kan ingescand en op usb-stick gezet hebben (om ze daarna op dvd te branden) zonder de hulp of medeweten van iemand die toegang heeft tot de scan en pc faciliteiten van Leuven centraal.”

3.4 Op 29 maart 2014 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van zeven dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte “van 30.03.2014 tem 05.04.2014”, wegens “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” (inbreuk van de tweede categorie). Deze beslissing steunt op de volgende motivering:

“In het werkhuis C4 werden 42 DVD-r’s aangetroffen. Een aantal DVDr’s bevatten persoonlijke gegevens van betrokkene o.a. persoonlijke dossier, briefwisseling, tuchtverslagen, observatienota’s, rapportbriefjes… Over bepaalde andere DVDr’s weet betrokkene toelichting te geven.

Op de vraag waar en hoe de digitale gegevens verwerkt en verborgen werden, stelde betrokkene niet te kunnen antwoorden. Het verhaal van betrokkene is op die manier verre van transparant. Betrokkene verwijst naar een medegedetineerde die reeds de inrichting verliet en in zijn opdracht zijn gegevens digitaal ter beschikking stelde om op zijn PC te kunnen plaatsen. Dit betekent dat er nog steeds DVDR’s/DVD-RW’s of USB-sticks boven water zouden kunnen komen met persoonlijke gegevens van betrokkene (in de versie van betrokkene). Dit verhaal is echter niet controleerbaar.

Hiermee liep betrokkene in ieder geval een groot risico en nam hij zeker en vast geen verstandige beslissing en werden geldende regels overtreden. Dit alles was de keuze van betrokkene en is nog steeds zijn eigen verantwoordelijkheid.”

XIV-35.652-3/16

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de materiële- en de formelemotiveringsplicht. Hij stelt dat hij uit de motivering van de bestreden beslissing geenszins kan afleiden wat hem nu precies wordt verweten. Er wordt weliswaar gesteld dat hij “geldende regels” zou hebben overtreden, doch er wordt niet gespecificeerd welke die regels zouden zijn. Verzoeker stelt geen weet te hebben gehad van het bestaan van de dvd-r’s en zelfs als dat wel het geval was geweest, bestaat er geen enkele bepaling in het huishoudelijk reglement die verbiedt kennis te hebben van het bestaan van bestanden op externe digitale dragers. Alleszins werden geen van die dragers in zijn cel teruggevonden. Uit de motivering had minstens moeten blijken welke handeling als tuchtfeit werd gekwalificeerd en waarom.

In de memorie van wederantwoord verwijst verzoeker naar een nota die hij bij de aanvang van de hoorzitting op 28 maart 2014 aan de gevangenisdirecteur zou hebben overhandigd. In de bestreden beslissing worden de punten in die nota niet besproken. Verzoeker wijst daarbij op de druk van het penitentiair personeel op de directie om op elk rapport aan de directeur een sanctie te laten volgen en hij stelt zich ook vragen bij de objectiviteit van de gevangenisdirecteur. Door niet in te gaan op de duidelijke bezwaren opgenomen in de overhandigde nota, gaat de directeur voorbij aan de taak om uitdrukkelijk te motiveren. Uit die nota blijkt volgens verzoeker ook dat hij steeds de positie hanteerde dat hem geen enkele inbreuk kan worden aangewreven zodat de verwerende partij ten onrechte stelt dat hij de feiten waarvoor hij wordt gesanctioneerd niet betwist. Verzoeker betoogt dat de verklaring van een gedetineerde gelijkwaardig is aan die van het penitentiair personeel aangezien geen van beiden beëdigde verklaringen kan afleggen. Verzoeker ontwaart in de

XIV-35.652-4/16

memorie van antwoord weinig respect voor de waarde van zijn verklaringen en voor zijn rechtspositie.

Wat de feiten betreft, kan volgens verzoeker onmogelijk worden gesteld dat het aantreffen van een stapel dvd-r’s op een niet afgesloten en door tientallen gedetineerden en personeelsleden gefrequenteerde plaats zomaar als een vastgesteld “feit” aan hem worden aangewreven. Er is een gebrek aan juridische logica bij het verbinden van verzoeker aan de gevonden materialen en zijn verweer daartegen wordt van tafel geveegd. Het verslag van de hoorzitting herneemt op geen enkele wijze de uitgebreide verweermiddelen die verzoeker nochtans tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht. De impact van een tuchtsanctie wordt volgens verzoeker op die wijze gebagatelliseerd door het beperken van tegensprekelijke debatten, van aan een hoorzitting toegewezen tijd en van de opstelwaarde van het verslag. Het niet toekennen van een voldoende waarde aan de opgelegde sancties kan volgens verzoeker de gedetineerde dan weer beperken in zijn mogelijkheden om een strafuitvoeringsmodaliteit te bekomen. De negatie van de tuchtprocedure en de hieraan verbonden sancties door de leden van de penitentiaire overheid verstoren volgens verzoeker ook het geloof dat de gedetineerde nog kan hebben in de overheid en in de samenleving. Daarom moet een deontologisch belang worden gehecht aan de afdoende motivering van een sanctie.

In tegenstelling tot wat de verwerende partij poneert, blijkt volgens verzoeker duidelijk dat eerder het inscannen van documenten de reden voor de opgelegde tuchtsanctie vormt. Het inscannen van documenten is geen tuchtrechtelijke inbreuk voor zover dit niet gebeurt op een scanner van de instelling en het bezit van ingescande documenten is geen tuchtrechtelijke inbreuk voor zover het niet gaat om strafrechtelijk strafbaar bezit. Verzoeker wijst er nog op dat in de penitentiaire inrichting te Leuven het bezit van beschreven of blanco dvd-r’s niet of nauwelijks wordt bestraft. De gevangenisdirectie wil van de ingescande documenten een inbreuk maken die het opleggen van een tuchtsanctie zou kunnen verantwoorden en negeert daarbij elke verwijzing, onder meer in het

XIV-35.652-5/16

verslag, naar een andere gedetineerde of naar medewerking door personeelsleden bij verboden handelingen. Volgens verzoeker wenst de gevangenisdirecteur echter geen onderzoek ten gronde te voeren om de eigen instelling en het al geagiteerde personeel niet in de schijnwerper van de overheid te plaatsen en wordt zodoende zijn eigen rechtspositie ontkend.

Verzoeker meent dat in de voorliggende procedure de gevangenisdirecteur te veel aanwijzingen, niet alleen van verzoeker maar ook van eigen ICT-personeel en van eenvoudig vast te stellen feiten, weigert om nog te kunnen spreken van een grondig onderzoek en afgewogen besluiten. Waar in de memorie van antwoord de rol van de beroepsinstantie vervolgens wordt beperkt tot een marginale toetsingsbevoegdheid, rijst bij verzoeker de vraag of deze beroepsmogelijkheid wel voldoet aan de eisen van de Europese regelgeving ter zake. Wanneer de verwerende partij dan nog stelt dat de tuchtoverheid “op onaantastbare wijze over het bewezen zijn van de feiten” oordeelt, wordt ingegaan tegen de judiciële logica van het hele systeem nu de vervolgende en de beslissende partij niet van elkaar verschillen. Verzoeker vraagt daarom om twee prejudiciële vragen te stellen.

5. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat het hem pas in de loop van de procedure duidelijk is geworden dat hij (ook) wordt gesanctioneerd voor het feit dat hij bepaalde zaken zou hebben meegenomen naar het werkhuis, daar waar volgens het huishoudelijk reglement “enkel eten en drinken om de dag zelf te verbruiken” mag worden meegenomen. Door de bijzonder onduidelijke motivering van de bestreden beslissing had verzoeker er het raden naar welk feit hem precies werd verweten. Pas in de memorie van antwoord verduidelijkt de verwerende partij voor het eerst welke feiten zij als inbreuken beschouwt, namelijk: het misbruik dat verzoeker zou hebben gemaakt van zijn bewegingsvrijheid als werker, het inscannen en branden van gegevens op een dvd-r en het meenemen van ongeoorloofde zaken naar het werkhuis.

XIV-35.652-6/16

Beoordeling

Schending van de formelemotiveringsplicht

6. Verzoeker voert de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Hoewel hij geen geschonden geachte bepaling aangeeft, mag worden aangenomen dat hij aldus de schending aanvoert van de formelemotiveringsplicht vervat in artikel 8, § 1, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet), al dan niet samen gelezen met artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.

Het middelonderdeel wordt daarom vanuit dat oogpunt onderzocht.

7. De formelemotiveringsplicht verplicht de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.

Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.

8. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.4.). Die laat toe in te zien voor welke feiten de tuchtstraf werd opgelegd: de vondst van dvd-R’s in het werkhuis C4, waarvan

XIV-35.652-7/16

enerzijds een aantal met daarop persoonlijke documenten van verzoeker en anderzijds een aantal waarover verzoeker toelichting weet te geven. Tevens wordt in de bestreden beslissing als juridische grondslag meegedeeld dat de feiten een inbreuk van de tweede categorie vormen, met name “het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen” en wordt hierbij uitdrukkelijk verwezen naar artikel 130 van de basiswet. Aangenomen wordt dat verzoeker aldus de reden kent waarom de tuchtstraf werd opgelegd en dat hij er zich inhoudelijk kan tegen verweren, getuige hiervan overigens de inhoudelijke kritiek die verzoeker hiertegen in het middel aanvoert. Dat volstaat in het licht van de geschonden geachte formelemotiveringsplicht. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering, maakt die daarom niet onwettig.

9. In de mate dat verzoeker de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, is het middel ongegrond.

De schending van de materiëlemotiveringsplicht

10. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.

De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze

XIV-35.652-8/16

de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

11. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gevangenisdirecteur het bewijs van die feiten afleidt uit de inhoud van het tuchtrapport waaromtrent verzoeker, in bijzijn van zijn raadsman, tegenspraak heeft kunnen voeren en uit de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd tijdens de hoorzitting die werd georganiseerd voorafgaand aan de bestreden beslissing. In het rapport aan de directeur is te dezen te lezen dat 42 dvd-r’s werden gevonden in het werkhuis en dat die bij nazicht door de dienst ICT, eigendom bleken te zijn van verzoeker. In het verslag van de hoorzitting is dan weer te lezen dat verzoeker heeft toegegeven dat twee van de dvd’s van hem zijn, dat hij ook weet dat de wetenschappelijke boeken in pdf-formaat zijn opgeslagen en dat hij kennis heeft van het aangetroffen vertaalprogramma. Voor het overige heeft verzoeker zich beperkt tot het ontkennen dat de andere dvd’s van hem zouden zijn. Door in die feitelijke context aldus het bewijs van het ten laste gelegde tuchtvergrijp te steunen op het aan tegenspraak onderworpen rapport aan de directeur en de verklaringen van verzoeker, blijft de tuchtoverheid binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid. De blote kritiek en beschouwingen van verzoeker geven weliswaar blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de feiten, maar verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling ervan, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan.

XIV-35.652-9/16

12. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij de grenzen van de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten is gegaan door op grond van de bevindingen gemaakt in het rapport aan de directeur te besluiten dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten een tuchtvergrijp vormen.

In de mate dat verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, is het middel ongegrond.

13. Waar verzoeker pas voor het eerst in zijn memorie van wederantwoord verwijst naar de nota die hij beweerdelijk bij aanvang van de hoorzitting heeft voorgelegd, toont hij niet aan dat hij de er op gesteunde argumenten niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Hetzelfde geldt voor de overige kritiek van verzoeker op de objectiviteit van de gevangenisdirecteur in de tuchtprocedure en op het gebrek aan verder onderzoek ten gronde. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel.

14. Wat het verzoek betreft om twee prejudiciële vragen te stellen, en daargelaten de vraag of het verzoek op ontvankelijke wijze voor het eerst kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, laat verzoeker na te verduidelijken aan welk rechtscollege de vragen moeten worden voorgelegd en preciseert hij evenmin welke wetsbepalingen moeten worden getoetst. Het komt de Raad van State niet toe de vragen op dat stuk te vervolledigen door in de plaats van verzoeker de vereiste preciseringen aan te brengen aangaande een essentieel element van de prejudiciële vraagstelling.

Conclusie

15. Het eerste middel is ongegrond.

XIV-35.652-10/16

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

16. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het legaliteitsbeginsel. Hij verwijst naar de artikelen 129 en 130 van de basiswet die de tuchtrechtelijke inbreuken opsommen en stelt dat geen enkele bepaling enige verplichting of enig verbod oplegt omtrent de vaststellingen die tot de tuchtsanctie hebben geleid.

In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het duidelijk is dat het de gevangenisdirecteur gaat om de documenten, zowel om het scannen als om het bezit van het gescande dossier, en niet om het in de instelling nooit bestrafte bezit van de dvd-r’s, waarbij hij een inbreuk op een onbestaande regel in het huishoudelijk reglement fabriceert. Door het opleggen van dergelijke maatregelen ondergraaft de penitentiaire overheid haar eigen systeem en geloofwaardigheid.

Beoordeling

17. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen.

Het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 124, § 1, van de basiswet impliceert dat geen andere tuchtrechtelijke overtreding mag worden erkend of tuchtsanctie mag worden toegemeten dan diegene die in de basiswet worden opgesomd.

Artikel 130 van de basiswet, zoals gewijzigd bij wet van 1 juli 2003, vermeldt het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen als tuchtrechtelijke inbreuken van de tweede categorie.

Met de wetswijziging beoogde de wetgever uitdrukkelijk de niet-naleving van de

XIV-35.652-11/16

regels van het huishoudelijk reglement op algemene wijze strafbaar te stellen en dit niet langer te beperken tot de niet-naleving van de regels met betrekking tot de voorwerpen.

Te dezen bevat het huishoudelijk reglement onder meer de volgende bepalingen:

“6. Als algemene regel geldt dat via bezoek of naar aanleiding van een strafuitvoeringsmodaliteit geen voorwerpen kunnen worden binnengebracht.

[…]

In afwijking van hetgeen vermeld wordt onder punt 3.b. mogen de gedetineerden inzake toegelaten persoonlijke voorwerpen de volgende hoeveelheden op cel hebben:

[…]

- 30 originele cd ’s, dvd ’s en cassettes […]

Gedetineerden mogen enkel eten en drinken meenemen naar het werkhuis om de dag zelf te verbruiken. Het moet zichtbaar meegenomen worden en spontaan ter controle voorgelegd worden. Zakken en draagtassen zijn niet toegelaten.

Gedetineerden mogen niets uit het werkhuis meebrengen.”

Daarbij moet worden aangenomen dat het meenemen en verbergen van dvd-r’s in een werkhuis tot gevolg heeft dat voormelde bepaling van het huishoudelijk reglement niet werd nageleefd. Er blijkt niet dat verzoeker tuchtrechtelijk gestraft zou zijn voor een andere inbreuk dan die welke omschreven wordt door de wet.

18. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot de herhaling van het middel zoals dat in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord werd uiteengezet.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.

XIV-35.652-12/16

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

19. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 126 van de basiswet en van het beginsel non bis in idem. Bij de confrontatie met de inhoud van de op hem betrekking hebbende bestanden heeft verzoeker immers gemerkt dat die overeenstemmen met de ingescande documenten die op zijn computer stonden in november 2013. Voor die feiten heeft hij reeds een tuchtsanctie gekregen. Verzoeker vermoedt dat hij opnieuw gestraft wordt voor het scannen van die documenten, hetgeen strijdig is met de aangehaalde bepalingen.

In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker op uitgesponnen wijze dat het in beide procedures om dezelfde (tucht)feiten gaat waarvoor hij aldus nogmaals worden gestraft. Onder het kopje “3) Bepaling van rechtszekerheid en herstel van geleden schade” van de memorie van wederantwoord, voert verzoeker voorts kritiek aan tegen een ordemaatregel die in navolging van de bestreden tuchtsanctie werd uitgevaardigd die hem het recht ontneemt om penitentiaire arbeid te ondernemen. Deze ordemaatregel werd vervolgens op 29 juli 2014, opnieuw ingetrokken maar hij mocht, aldus verzoeker, zonder opgave van reden, niet opnieuw aan de slag in het werkhuis waar hij zesenhalf jaar ononderbroken werkte. Het feit dat de ordemaatregel werd ingetrokken geeft volgens verzoeker aan dat het inzicht van de directie evolueerde en dat er momenteel een begrip is van de foutieve gevolgtrekkingen in de voorliggende tuchtprocedure. Door de intrekking geeft de directie aan dat de gronden waarop zij zich baseerde om de tuchtsanctie uit te spreken onbestaande zijn zodat de huidige beroepsprocedure en de weinig gegronde poging om de administratieve fouten toch goed te praten eigenlijk vragen om een formele erkenning van de fouten door de Raad van State. Verzoeker verzoekt de Raad van State om in het licht van die ingetrokken maatregel een aantal zaken vast te stellen en om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met het oog op

XIV-35.652-13/16

de schorsing van artikel 84, § 4, van de basiswet. Volgens verzoeker dient de beroepsprocedure als formele grond om enerzijds de penitentiaire administratie te bevelen om de tuchtsanctie tot nul te reduceren, deze reductie op alle gerelateerde documenten te noteren, de interne administratie van de tuchtprocedures van verzoeker te corrigeren en tenslotte om de financiële schade volledig te herstellen.

Beoordeling

20. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen.

Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat op 16 november 2013 aan verzoeker een tuchtsanctie werd opgelegd van vijftien dagen afzondering op eigen cel inclusief bezoek achter glas op basis van de op 13 november opgestelde rapporten aan de directeur. Die hebben betrekking op het bezit van een USB-stick en het aantreffen van ingescande documenten op zijn pc.

De met het voorliggende beroep bestreden tuchtsanctie van 29 maart 2014 werd opgelegd op basis van een op 26 maart 2014 ten laste van verzoeker opgesteld rapport aan de directeur dat betrekking heeft op de vondst van dvd-r’s in de werkplaats waar hij was tewerkgesteld. Beide tuchtstraffen blijken dan ook betrekking te hebben op verschillende inbreuken op het huishoudelijk reglement.

Aldus blijkt niet dat verzoeker voor één en dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk tweemaal zou zijn gestraft.

In de mate dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog een aantal grieven aanvoert tegen een ordemaatregel inzake ontslag en overplaatsing naar een andere werkplaats, valt vooreerst op te merken dat die ordemaatregel werd bestreden met een ander annulatieberoep en noch ratione materiae, noch ratione temporis aan het voorliggend beroep tot nietigverklaring kan worden toegevoegd. Het beroep tegen die ordemaatregel werd verworpen bij arrest nr. 229.978 van 26 januari 2015. Bovendien blijkt dat die werd ingetrokken.

Uitsluitend de tuchtsanctie van 28 april 2014 maakt het voorwerp uit van

XIV-35.652-14/16

voorliggend beroep en de grieven en verzoeken die verzoeker in het kader van het voorliggende beroep tot de Raad van State richt in verband met een ontslag en overplaatsing naar een andere werkplaats zijn dan ook niet ontvankelijk. De gesuggereerde prejudiciële vraag is niet dienstig voor de oplossing van het geschil nu zij geen verband houdt met de bestreden beslissing.

Verzoeker vraagt nog om de verwerende partij “te bevelen om de tuchtsanctie tot nul te reduceren, deze reductie op alle gerelateerde documenten te noteren, de interne administratie van de tuchtprocedures van verzoeker te corrigeren en tenslotte om de financiële schade volledig te herstellen”. Aangezien geen van de middelen gegrond werd bevonden is er, daargelaten de vraag naar de bevoegdheid van de Raad van State ter zake, geen reden om voormelde verzoeken in te willigen. Voor zover verzoeker tevens zou beogen om een schadevergoeding tot herstel te verkrijgen op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, valt eveneens op te merken dat aangezien het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen, er geen grond is om de eis tot betaling van een schadevergoeding in te willigen.

21. Verzoeker betwist die conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel en zijn verzoeken in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot de herhaling van het middel zoals dat in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord werd uiteengezet.

De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond.

BESLISSING

XIV-35.652-15/16

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-35.652-16/16

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.799