Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.797 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.797 Généré par l'IA

Court dismisses appeal for abandonment of proceedings due to failure to file continuation request within 30 days.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.797
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the applicant's abandonment of proceedings after she failed to file a continuation request within 30 days of the rejection of her interim measures. Although the applicant argued for cost increases due to the urgency and prior finding of illegality, the court upheld the procedural default. Consequently, the suspension order was lifted, and the defending party was awarded costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 7 and 30/1, § 2 of the Council of State Rules; Abandonment of proceedings is presumed when no continuation request is filed within 30 days of rejection of interim measures, though cost adjustments may be made for unreasonable circumstances.

Mots-clés

Généré par l'IA
abandonment of proceedings interim measures rejection continuation request deadline procedural default costs allocation Council of State Rules suspension order lifted modalités d'évaluation

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 7 of the Council of State Rules
Article 30/1, § 2, first paragraph, point 3 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 237.797 van 28 maart 2017

in de zaak A. 220.494/IX-8941

In zake: Elien BEUCKELAERS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Vanbrabant kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 363 bus 4

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW VRIJ KATHOLIEK ONDERWIJS OPWIJK

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 3 december 2016, strekt tot de nietig-

verklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Vrij Katholiek Onderwijs Opwijk van 6 oktober 2016 waarbij het oriënteringsattest C van Elien Beuckelaers voor het tweede jaar van de derde graad verzorging (BSO) wordt gehandhaafd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 is bij uiterst drin-

gende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen.

IX-8941-1/8

Bij arrest nr. 236.730 van 12 december 2016 is de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen.

Het laatstgenoemde arrest is op 15 december 2016 aan de ver-

zoekende partij ter kennis gebracht.

Op 1 februari 2017 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partij ter kennis gebracht dat “de kamer, overeenkomstig de regeling die thans vervat is in artikel 11/3 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de afstand van het geding zal uitspreken, tenzij [zij] vraagt te worden gehoord”.

De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Leen Vanbrabant, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat het bedrag van de kosten be-

treft.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

IX-8941-2/8

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voor-

lopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de rechtsple-

ging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.

Verzoekster heeft na arrest nr. 236.730 van 12 december 2016

waarbij haar vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd verworpen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

Ter terechtzitting betwist zij niet dat het vermoeden van afstand van geding in casu van toepassing is.

De afstand van geding moet dan ook worden vastgesteld.

4. Uit het voorgaande volgt, overeenkomstig artikel 17, § 10, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de schorsing van de tenuit-

voerlegging van de bestreden beslissing die bij uiterst dringende noodzakelijk-

heid bevolen werd bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016, moet worden op-

geheven.

IX-8941-3/8

IV. Kosten

Standpunt van verzoekster

5. In haar brief van 13 februari 2017, waarin zij vroeg om door de Raad van State te worden gehoord, argumenteert verzoekster als volgt over de tenlastelegging van de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding:

“Bij brief van 16 januari 2017 liet verzoekende partij weten dat zij geen verzoek tot voor[t]zetting zal indienen gelet op de intrekking van de bestreden beslissing.

Door de intrekking van de bestreden beslissing dient echter de verzoekende partij als de in het gelijk gestelde partij te worden beschouwd en de verweren-

de partij tot de kosten worden veroordeeld, rechtsplegingsvergoeding inbegre-

pen.

Verzoekende partij vraagt overeenkomstig 30/1 ju. 67 § 1 van het besluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling be-

stuursrechtspraak de toekenning van het maximum van het bedrag van 1.400,00 EUR aan rechtsplegingsvergoeding.

Artikel 67 § 2 van het besluit vindt geen toepassing want een verhoging wordt niet verzocht.

Welnu, in de voorliggende procedure werd bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 van Uw Raad de schorsing bevolen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 oktober 2016, en voorwerp van huidige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Vervolgens was verzoekende partij genoodzaakt door het stilzitten van de verwerende partij zonder gerechtvaardigde reden om op 3 december 2016 een bijkomende vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen met verzoek tot het opleggen van voorlopige maatregelen alsook een verzoek-

schrift tot nietigverklaring.

Eén dag voor de terechtzitting over de vordering tot voorlopige maatregelen nam de verwerende partij een nieuwe beslissing en werd zodoende de voorlig-

gende procedure doelloos bij gebrek aan voorwerp. Bij arrest nr. 236.730 van 12 december 2016 werd dan ook de vordering verworpen en de uitspraak be-

treffende de kosten voorbehouden.

Deze aanvullende vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen zou niet nodig zijn geweest indien verwerende partij zou gedaan hebben wat van een zorgvuldig handelende instantie kan worden verwacht binnen het on-

derwijscontentieux, namelijk met de nodige voortvarendheid een nieuwe be-

slissing nemen na een schorsingsarrest van uw Raad.

Deze handelswijze van verwerende partij dwong verzoekende partij niet een maar twee afzonderlijke vorderingen in te leiden met elk hun specifieke finaliteit bij Uw Raad en dus tot het doen van bijkomende uitgaven hetgeen

IX-8941-4/8

verantwoordt dat een rechtsplegingsvergoeding begroot op het dubbele van het basisbedrag wordt toegekend.

Ook betreft het een tweede evaluatiebeslissing ten aanzien van verzoekster waarvan de onwettigheid is aangevoerd en tevens (op het eerste gezicht) vast-

gesteld. (cfr. bvba Faresa nr. 229.668 van 19 december 2014).”

6. Ter terechtzitting herhaalt verzoekster haar standpunt.

Beoordeling

7. Nadat bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestre-

den beslissing werd bevolen, heeft de beroepscommissie van de verwerende partij op 7 december 2016 een nieuwe evaluatiebeslissing over verzoekster genomen, die in de plaats is gekomen van de bestreden beslissing.

Het is in redelijkheid aannemelijk dat verzoekster omwille van deze handelwijze van de verwerende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in de voorliggende zaak heeft ingediend.

Om dezelfde reden is er grond om de kosten van de door ver-

zoekster ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid ten laste van de verwerende partij te leggen, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding die deze partij verschuldigd is aan verzoekster.

8. Artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt:

“De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toe-

kennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.”

IX-8941-5/8

Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings-

vergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:

“De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Ko-

ning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar be-

oordeling houdt ze rekening met:

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het be-

drag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”

Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag.

Deze opsomming is limitatief, zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.

Artikel 67, § 1, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs-

rechtspraak van de Raad van State‟ luidt:

“Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.”

9. In haar zo-even sub 5 aangehaalde brief van 13 februari 2017

vraagt verzoekster de toekenning van het maximumbedrag van de rechtsple-

gingsvergoeding. Ter verantwoording voert verzoekster aan dat zij door het stil-

zitten van de verwerende partij na het schorsingsarrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 ertoe genoodzaakt was om, naast een beroep tot nietigverklaring, een twee-

de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen, namelijk een vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen, zodat zij bijkomende uitgaven heeft moeten doen. Zij wijst er ook op dat de bestreden beslissing de

IX-8941-6/8

tweede evaluatiebeslissing is die ten aanzien van haar werd genomen en waarvan de onwettigheid op het eerste gezicht werd vastgesteld.

10. Met verzoekster moet worden vastgesteld dat de verwerende partij na het schorsingsarrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016 gedurende zes we-

ken geen blijk ervan heeft gegeven dat zij haar geschorste beslissing, die een aan-

gelegenheid betrof waarvan de hoogdringendheid al door de Raad van State was vastgesteld, opnieuw in overweging nam. Pas nadat verzoekster bij de Raad van State een nieuwe vordering had ingesteld die middels de gevraagde voorlopige maatregelen haar belangen beoogde te vrijwaren en één dag voor de terechtzitting waarop die laatstgenoemde vordering zou worden behandeld, heeft de verweren-

de partij een nieuwe beslissing genomen.

In die concrete omstandigheden waarin verzoekster genood-

zaakt werd tot een bijkomende vordering, kan “de kennelijk onredelijke aard van de situatie” zoals bedoeld in artikel 30/1, § 2, eerste lid, 3°, van de gecoördineer-

de wetten op de Raad van State worden aangenomen en is het gerechtvaardigd dat aan verzoekster een verhoogd bedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend.

11. De vaststelling dat verzoekster haar bijkomende vordering me-

de heeft gesteund op de middelen die zij reeds had aangevoerd in haar verzoek-

schrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij ui-

terst dringende noodzakelijkheid, doet de Raad van State evenwel besluiten dat deze tweede vordering van verzoekster in dezelfde zaak minder prestaties heeft gevergd dan de eerste, zodat het de Raad gepast voorkomt een verhoging van het basisbedrag toe te kennen ten belope van 140 euro.

12. De omstandigheid dat de bestreden beslissing de tweede evalu-

atiebeslissing is die ten aanzien van verzoekster werd genomen en waarvan de onwettigheid op het eerste gezicht werd vastgesteld, verantwoordt dan weer, in

IX-8941-7/8

tegenstelling tot wat verzoekster meent, geen grotere verhoging van het basisbe-

drag, aangezien de rechtsplegingsvergoeding geen sanctionerend karakter heeft, maar slechts een forfaitaire tegemoetkoming beoogt te zijn in “de kosten en hono-

raria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij”.

BESLISSING

1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.

2. De Raad van State heft de schorsing op, die werd bevolen bij arrest nr. 236.226 van 25 oktober 2016.

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en de vordering tot het op-

leggen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Bert Thys

IX-8941-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.797