Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.787 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.787 Généré par l'IA

Belgian administrative court dismisses appeal where lower court correctly answered student's procedural complaint about grading report format.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.787
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the administrative cassation appeal filed against a lower court decision regarding a student's grade. The student argued that her external promotor's report did not follow the required format, yet the lower court upheld the grade. The court determined that the lower court properly addressed the student's procedural objection and that the appeal lacked factual basis.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles II.307, third paragraph, of the Code of Economic Law; The duty to provide reasons is a formal obligation requiring the court to respond to the applicant's arguments, and a decision is valid if the lower court adequately addresses the submitted means.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative cassation appeal duty to provide reasons procedural compliance student grading dispute formal obligation lower court decision administrative review mémoire de recours insuffisant

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article II.307, third paragraph, of the Code of Economic Law
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 237.787 van 27 maart 2017

in de zaak A. 217.555/IX-8757

In zake: Mieke DE RUYCK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Vande Moortel kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de VZW KATHOLIEKE HOGESCHOOL VIVES ZUID

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Nick Goetschalckx kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het administratief cassatieberoep

1. Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 13 november 2015, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 2464 van 13 oktober 2015 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij beschikking nr. 11.629 van 30 november 2015 is het cassa-

tieberoep toelaatbaar verklaard.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

IX-8757-1/18

Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord.

De verwerende partij heeft een laatste memorie “met verzoek tot voortzetting in het cassatieberoep” ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 februari 2017.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Michelle Decruy, die loco advocaat Sofie Logie ver-

schijnt voor de verwerende partij, is gehoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin-

gen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten ge-

geven:

“Verzoekster is in het academiejaar 2014-2015 ingeschreven in de oplei-

ding Bachelor na bachelor Zorgmanagement.

Voor het opleidingsonderdeel ‘Managementstage m.i.v. organisatiege-

bonden project’ behaalt verzoekster in de tweede examenkans een exa-

IX-8757-2/18

mencijfer van 9/20 – het is het enige opleidingsonderdeel dat zij nog diende af te leggen.

Dit is de eerste bestreden beslissing.

Op 14 september 2015 tekent verzoekster tegen dit examencijfer intern beroep aan.

De interne beroepscommissie hoort verzoekster in zitting van 15 septem-

ber 2015, en komt tot de volgende beslissing:

‘Uw bezwaar handelt over de toegekende score (9/20) voor het or-

ganisatiegebonden project. Na grondige beraadslaging en her-

overweging van het administratief dossier heeft de examencom-

missie beslist de eerder genomen beslissing te handhaven.

De score is tot stand gekomen volgens het vooropgestelde beoor-

delingsproces en is voldoende gemotiveerd. De motivering kreeg u reeds mondeling en wordt u nu ook in bijlage bezorgd. De be-

roepscommissie hoopt dat dit voor u verduidelijkt waarom dit werk alsnog tekortschoot. Bijkomend gaat de beroepscommissie hieronder kort in op een aantal bezwaren die u in uw verzoek-

schrift naar voor bracht:

- De commissie begrijpt dat een laattijdig kennen van het uur van de verdediging, alsook het verlaat starten vervelend voor u was, maar dit heeft geen implicaties gehad op uw score;

- Het onderwerp is afgesproken met uw externe promotor maar u [diende] dit zelf ook aan uw intern promotor te bezorgen;

- De link met lean management stond wel degelijk verwoord in de opdracht;

- De score van uw extern promotor (zij diende te scoren op het luik zelfwerkzaamheid) werd wel degelijk mee in rekening geno-

men bij de evaluatie.’ Dit is de tweede bestreden beslissing.”

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4. De verwerende partij heeft een laatste memorie “met verzoek tot voortzetting in het cassatieberoep” ingediend. In de cassatieprocedure echter zijn laatste memories niet gekend, terwijl enkel de verzoekende partij in de huidi-

ge zaak na het voor haar ongunstig auditoraatsverslag moest vragen om gehoord te worden. De laatste memorie van de verwerende partij wordt bijgevolg niet in het debat ontvangen.

IX-8757-3/18

V. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5.1. Een eerste middel put verzoekster uit de schending van de arti-

kelen II.291, II.298, § 1 en II.299 van de Codex Hoger Onderwijs (VCHO).

Geen van de partijen, zo stelt verzoekster, heeft het onderwijs-

en examenreglement (OER) van de verwerende partij aan de Raad voor betwis-

tingen inzake studievoortgangsbeslissingen voorgelegd, noch heeft de voorzitter van die Raad erop toegezien dat het administratief dossier door de secretaris van de Raad correct en volledig werd samengesteld.

De bestreden beslissingen zijn door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen dan ook niet getoetst aan het OER.

5.2. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoekster dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen verplicht is om de door de student bestreden ongunstige studievoortgangsbeslissing “te allen tijde”

te toetsen aan het geldende OER, desnoods ambtshalve.

De “stukken op grond waarvan de beslissing is genomen” die de hogeronderwijsinstelling conform artikel II.298, § 1, VCHO verplicht ter be-

schikking moet stellen omvatten uiteraard, aldus verzoekster, het van toepassing zijnde OER:

“Aangezien iedereen – en in het bijzonder de Raad voor Betwistingen in-

zake Studievoortgangsbeslissingen uiteraard – verondersteld wordt de wet te kennen, wordt van de hogeronderwijsinstelling niet verwacht dat zij aan de Raad kopie van de decretale en reglementaire bepalingen overmaakt.

Aangezien de Raad daarentegen niet geacht kan worden op de hoogte te zijn van het OER van elke hogeronderwijsinstelling dienen deze laatste wel kopie over te maken van hun OER.”

IX-8757-4/18

Beoordeling

6. Luidens artikel II.291 VCHO beoordeelt de Raad voor betwis-

tingen inzake studievoortgangsbeslissingen of studievoortgangsbeslissingen in overeenstemming zijn met “1° de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenreglement” en “2° de algemene administratieve beginse-

len”.

Luidens artikel II.298, § 1, eerste lid, VCHO stelt de onderwijs-

instelling de Raad en de verzoekende partij “onverwijld in het bezit van de stuk-

ken op grond waarvan de beslissing is genomen”.

De secretaris is overeenkomstig artikel II.299 VCHO “onder het gezag van de voorzitter belast met de samenstelling van het dossier”.

7. Met betrekking tot het procedureverloop voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, waarop dit middel ziet, preci-

seert artikel II.300 VCHO vervolgens:

“Zodra het dossier is samengesteld, wordt dit door de secretaris via het meest gerede communicatiemiddel aan de partijen gemeld. De secretaris geeft het lokaal aan waar het dossier door de partijen en/of hun raadsman kan worden geraadpleegd.”

Luidens artikel II.302, § 1, eerste lid, 2°, VCHO wordt de ver-

zoekende partij in staat gesteld een wederantwoordnota aan de Raad en het be-

stuur voor te leggen.

Later volgt een zitting, zo blijkt uit artikel II.305 VCHO, waarop de zaak op tegenspraak wordt behandeld.

8. Het OER is door de decreetgever bij artikel II.273 VCHO ge-

kwalificeerd als één van de documenten waarin de algemene voorwaarden zijn

IX-8757-5/18

vastgelegd van de toetredingsovereenkomst die de student heeft gesloten met de onderwijsinstelling.

Terecht stelt verzoekster dan ook dat de bodemrechter niet wordt geacht op de hoogte te zijn van het OER dat specifiek in de hem voorge-

legde zaak toepasbaar is. Dit betekent dat het OER door de partijen aan de rechter moet worden voorgelegd opdat hij het na een tegensprekelijk debat in zijn beoor-

deling zou kunnen betrekken.

9. Verzoekster, die zelf heeft nagelaten het OER bij haar verzoek-

schrift te voegen, kon overeenkomstig artikel II.298, § 1, eerste lid, VCHO van-

wege de onderwijsinstelling beschikken over de stukken van het door de laatstge-

noemde neergelegde dossier van de zaak. Zij of haar raadsman mocht het dossier raadplegen overeenkomstig artikel II.300 VCHO.

Het ontbreken van het OER in het dossier is een gegeven dat verzoekster dan ook op het enkele zicht van het door de verwerende partij voor de bodemrechter neergelegde administratief dossier kon vaststellen.

Indien verzoekster van oordeel was dat het dossier niet volledig was, inzonderheid omdat het OER ontbrak waaraan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de bestreden beslissingen moest toetsen, dan lag het op haar weg dit euvel aan de feitenrechter kenbaar te maken, inzonderheid in de wederantwoordnota of uiterlijk op de terechtzitting.

Dat blijkt verzoekster, volgens de stukken waarop de Raad acht mag slaan, niet te hebben gedaan.

Voor zover verzoekster betoogt dat het OER niet aan de beoor-

deling van de feitenrechter is voorgelegd, is het middel nieuw en, bijgevolg, on-

ontvankelijk.

IX-8757-6/18

10. Voor zover verzoekster argumenteert dat de feitenrechter zou hebben nagelaten het OER ambtshalve te toetsen, geeft zij in de memorie van wederantwoord aan het middel een nieuwe grondslag en is het eveneens onont-

vankelijk.

11. Het eerste middel is onontvankelijk.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

12. In een tweede middel voert verzoekster de schending aan van artikel II.298, § 1, en artikel II.299 van de Codex Hoger Onderwijs “[d]oordat het bestreden arrest werd geveld zonder kennisname van een afschrift van de over-

zichtsbladen ingevuld door de interne promotor, de externe promotor, de interne lezer en de externe lezer, en zonder kennisname van een afschrift van de schrifte-

lijke verslagen van enerzijds het schriftelijk werk van [verzoekster] en anderzijds de mondeling[e] toelichting door [verzoekster]”.

Deze verslagen, op basis waarvan de bestreden studievoort-

gangsbeslissing volgens de eigen reglementering van de hogeronderwijsinstelling beoordeeld dient te worden, werden niet ter beoordeling voorgelegd aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Evenmin heeft de voor-

zitter van de Raad erop toegezien “dat deze minimaal voor te leggen stukken werden voorgelegd, zodat het bestreden arrest werd genomen zonder kennisname van deze noodzakelijke stukken”.

Beoordeling

13. Verzoekster kon overeenkomstig artikel II.298, § 1, eerste lid, VCHO vanwege de onderwijsinstelling beschikken over de stukken van het door

IX-8757-7/18

de laatstgenoemde neergelegde dossier van de zaak. Zij of haar raadsman mocht het dossier raadplegen overeenkomstig artikel II.300 VCHO.

De samenstelling van het dossier waarover de bodemrechter kon beschikken voor de beoordeling van de regelmatigheid van de door haar be-

streden beslissingen is een gegeven dat verzoekster op het enkele zicht van het door de verwerende partij voor die bodemrechter neergelegde administratief dos-

sier, eventueel aangevuld door de antwoordnota, heeft kunnen vaststellen.

Indien verzoekster van oordeel was dat het dossier niet volledig was, inzonderheid omdat overtuigingsstukken ontbraken die cruciaal waren voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen om de regelma-

tigheid van de bestreden beslissingen te beoordelen, dan lag het op haar weg dit euvel aan de feitenrechter kenbaar te maken, inzonderheid in de wederantwoord-

nota of uiterlijk op de terechtzitting, hetzij door alsnog de neerlegging van die stukken te eisen, hetzij door een bijkomend middel daaromtrent te formuleren.

Volgens de stukken waarop de Raad acht mag slaan, blijkt ver-

zoekster dat niet te hebben gedaan.

14. Het tweede middel is nieuw en, bijgevolg, niet ontvankelijk.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

15. Een derde middel is geput uit de schending van artikel II.298, § 3, VCHO.

Verzoekster herhaalt dat de verwerende partij heeft nagelaten het onderwijs- en examenreglement en de “relevante verslagen ter beoordeling van het opleidingsonderdeel ‘Managementstage m.i.v. organisatiegebonden pro-

IX-8757-8/18

ject’” in de procedure voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs-

beslissingen voor te leggen. Volgens haar verplicht de afwezigheid van die stuk-

ken de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen om de door haar aangehaalde feiten als bewezen te achten.

Beoordeling

16. Verzoekster beroept zich op de sanctie die de decreetgever in artikel II.298, § 3, tweede lid, VCHO koppelt aan het niet of niet tijdig overleg-

gen, door de onderwijsinstelling, van “de stukken en inlichtingen”. In dat geval “worden de door de verzoeker aangehaalde feiten als bewezen geacht, behoudens indien deze feiten kennelijk onjuist zouden zijn of worden tegengesproken door de door verzoeker overgelegde overtuigingsstukken”.

17. Verzoekster betwist niet dat de verwerende partij tijdig een stukkenbundel aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin-

gen heeft bezorgd. Zij voert thans alleen aan dat het dossier dat aan die Raad ter beschikking werd gesteld, niet volledig is.

18. Zoals hiervóór is vastgesteld, heeft verzoekster nagelaten om in haar wederantwoordnota voor de bodemrechter aan te voeren dat het OER ont-

breekt. Zij heeft evenmin het ontbreken van andere “stukken en inlichtingen”

opgeworpen.

Daargelaten de vraag of verzoekster in die omstandigheden dit middel voor het eerst in graad van administratieve cassatie mag aanvoeren – laat verzoekster na in het middel of de toelichting bij het middel de “door de verzoe-

ker aangehaalde feiten” aan te wijzen die volgens haar ten onrechte door de fei-

tenrechter niet “als bewezen” zijn geacht, welke vaststelling volstaat om te be-

sluiten dat zij zich thans hoe dan ook niet ontvankelijk op dat eventuele gebrek beroept.

IX-8757-9/18

19. Het derde middel is onontvankelijk.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

20.1. In een vierde middel voert verzoekster de schending aan van artikel 3.2.2, § 3, van het onderwijs- en examenreglement van de verwerende partij en de artikelen II.277 en II.281 van de Codex Hoger Onderwijs.

Zij betoogt dat bedoelde bepaling van het OER de samenstel-

ling van de interne beroepscommissie regelt en voorschrijft dat die commissie de student op diens verzoek hoort en informatie vraagt aan alle betrokken partijen en in elk geval aan de titularis van het betrokken opleidingsonderdeel. Uit de voor de bodemrechter bestreden beslissing kan niet afgeleid worden of aan die voorwaar-

den is voldaan en uit het bestreden arrest blijkt evenmin dat de bodemrechter dit heeft nagegaan.

Voorts wijst zij erop dat de onderwijsinstelling luidens artikel II.277 VCHO optreedt als bestuursinstantie voor wat betreft de toepassing van het decreet van 26 maart 2004 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’ en dat con-

form artikel II.281 VCHO eenzijdige rechtshandelingen met individuele strek-

king die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer studenten in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden waarop ze zijn gegrond. Uit niets blijkt volgens verzoekster dat de verplichte informatie door de beroepscommissie werd ingewonnen bij de titularis van het opleidingsonderdeel, zodat niet is voldaan aan de openbaarheid van bestuur ex artikel II.277 noch aan de verplichting op afdoende wijze te motiveren ex artikel II.281 VCHO. Uit het bestreden arrest blijkt evenmin dat de bodemrechter dit heeft nagegaan.

20.2. In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster nog dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen steeds en

IX-8757-10/18

desnoods ambtshalve moet nagaan of de interne beroepscommissie rechtsgeldig was samengesteld. Zij betwist voorts “[v]oor zover nodig”, dat zij gehoord werd door de voltallige beroepscommissie, zoals bepaald in artikel 3.2.2 OER.

Beoordeling

21. Voor zover verzoekster aanvoert dat uit de beslissing van de beroepscommissie niet kan worden afgeleid of deze commissie wettig is samen-

gesteld en verzoekster correct heeft gehoord en dat uit diezelfde beslissing even-

min blijkt dat de verplichte informatie omtrent een opleidingsonderdeel is inge-

wonnen zodat de onderzoeksbevoegdheden van de commissie, de openbaarheids-

verplichtingen en de formelemotiveringsplicht zijn geschonden door de beroeps-

commissie, is het middel onontvankelijk.

Die kritiek is immers niet gericht tegen het bestreden arrest van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen maar tegen de beslissing van de beroepscommissie.

22. De na uitputting van de interne beroepsprocedure tegen studie-

voortgangsbeslissingen ingestelde beroepen worden luidens artikel II.294, § 2, eerste lid, VCHO bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis-

singen ingesteld bij wijze van verzoekschrift, “waarin ten minste een feitelijke omschrijving is opgenomen van de ingeroepen bezwaren”.

23.1. Een middel dat niet aldus aan de feitenrechter is voorgelegd en waarover hij op eigen initiatief niet heeft beslist, ook al is het gegrond op een bepaling die, of op een algemeen rechtsbeginsel dat de openbare orde raakt, kan slechts voor de Raad van State als cassatierechter worden opgeworpen wanneer de feitelijke gegevens die voor de beoordeling noodzakelijk zijn uit de bestreden beslissing of uit de stukken waarop de Raad vermag acht te slaan, blijken.

IX-8757-11/18

23.2. Het door verzoekster ingeroepen onderwijs- en examenregle-

ment is niet neergelegd door de partijen voor de bodemrechter, zodat het zich evenmin bevindt in het rechtsplegingsdossier dat aan de Raad van State is be-

zorgd. De door verzoekster aangevoerde bepaling van het OER is ook niet door de bodemrechter in zijn beslissing overgenomen. Het behoort bijgevolg niet tot de stukken waarop de Raad van State als cassatierechter vermag acht te slaan.

23.3. In zoverre het middel aanvoert dat de beslissing van de eerste rechter een bepaling van een onderwijs- en examenreglement schendt, is het om die reden niet ontvankelijk.

24. Voor zover verzoekster aanvoert dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs-

beslissingen heeft nagegaan of de beroepscommissie overeenkomstig artikel II.277 VCHO opgetreden was als bestuursinstantie inzake de openbaarheid van bestuur of overeenkomstig artikel II.281 VCHO haar beslissing afdoende had gemotiveerd, dient te worden vastgesteld dat niet blijkt dat zij deze bezwaren, die niet de openbare orde raken, aan die rechter heeft voorgelegd.

Voor zover verzoekster de schending van artikel II.277 en II.281 VCHO thans tegen het bestreden arrest aanvoert, is het middel nieuw en, mitsdien, onontvankelijk.

25. Het vierde middel kan in geen van zijn onderdelen tot cassatie leiden.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

26. In een vijfde middel voert verzoekster de schending aan van “de bewijskracht der akten zoals bepaald door artikel 1322 e.v. B.W.”.

IX-8757-12/18

Dat middel licht zij in haar verzoekschrift als volgt toe:

“Onterecht oordeelt de Raad voor Betwistingen inzake Studievoortgangs-

beslissingen dat het een gegeven is ‘dat er op de onderwerpkeuze zelf geen kritiek wordt gegeven in de tweede bestreden beslissing’.(zie pagi-

na 9, alinea 2 van het bestreden arrest)

Deze overweging van het bestreden arrest schendt de bewijskracht van de beslissing op intern beroep doordat de bodemrechter een uitlegging geeft aan de beslissing op intern beroep die met de bewoordingen ervan onver-

enigbaar is.

Immers, in de beslissing van de interne beroepscommissie wordt wel de-

gelijk kritiek gegeven op de onderwerpkeuze van de tweede examenkans.

Deze kritiek zit dan wel vervat in het ‘verslag organisatiegebonden project beoordeling 2de zittijd’ dat bij de beslissing van de interne beroepscom-

missie wordt gevoegd. Dit verslag maakt evenwel integraal deel uit van de beslissing op intern beroep, die voor haar motivering expliciet verwijst naar het als bijlage gevoegde verslag.”

Beoordeling

27. De bewijskracht van een akte wordt miskend door de rechter die van die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenig-

baar is.

28.1. Verzoekster mag in de toelichting bij het middel dan wel aan-

geven van welke akte – de “beslissing op intern beroep” en “het ‘verslag organi-

satiegebonden project beoordeling 2de zittijd’” – zij de bewijskracht geschonden acht, zij laat na in haar verzoekschrift uiteen te zetten welke precieze bewoordin-

gen van die akte de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen integendeel tot het oordeel hadden moeten brengen dat er in de tweede bestreden beslissing wel kritiek wordt gegeven op de onderwerpkeuze zelf.

Nochtans staat het niet aan de verwerende partij, noch aan de Raad van State om zelf op zoek te gaan in het betrokken stuk welke passage ver-

zoekster zou kunnen bedoelen.

28.2. Volkomen terecht derhalve brengt de verwerende partij in haar memorie van antwoord tegen dit middel in dat “de verzoekende partij […] niet

IX-8757-13/18

concreet [aangeeft] met welke bewoordingen in het ‘verslag organisatiegebonden project beoordeling 2de zittijd’ […] dit onverenigbaar is”.

Verzoekster kan een en ander niet rechtzetten door in de memo-

rie van wederantwoord voor het eerst wel de bedoelde passage uit het betrokken stuk aan te halen, op gevaar af anders de rechten van verdediging van de verwe-

rende partij te schenden.

28.3. Het middel is niet ontvankelijk.

F. Zesde middel

Uiteenzetting van het middel

29. Een zesde middel is geput uit de schending van de artikelen II.281 en II.307 van de Codex Hoger Onderwijs.

Verzoekster betoogt dat zij voor de bodemrechter heeft aange-

voerd “dat zij nog steeds vragen heeft bij in hoeverre de puntenbespreking en puntentoekenning zijn gebeurd overeenkomstig het bundel rond de management-

stage”. Zij stelt in haar procedurestukken voor de bodemrechter “duidelijk” te hebben gewezen “op een gebrek in zowel de materiële als de formele motivering van de door haar bestreden beslissingen”. Haar “kritiek omtrent de toekenning van de punten was algemeen en werd zeker niet enkel geuit op de vorm waarin de promotor omtrent de toegekende beoordeling heeft gecommuniceerd, zoals ver-

keerdelijk in het bestreden arrest staat te lezen”. De bodemrechter heeft “niet, minstens niet afdoende, op de argumenten” geantwoord.

IX-8757-14/18

Beoordeling

30.1. De motiveringsplicht waarvan sprake in artikel II.281 VCHO

richt zich tot de “eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die beo-

gen rechtsgevolgen te hebben”.

De bestreden beslissing is echter geen individuele administra-

tieve rechtshandeling, maar een jurisdictionele beslissing waarop voormeld arti-

kel bijgevolg niet van toepassing is.

30.2. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt in zoverre naar recht.

31.1. Artikel II.307, derde lid, van de Codex Hoger Onderwijs luidt:

“De Raad antwoordt in de uitspraken op alle opmerkingen van de partijen die de aan het geschil te geven oplossing kunnen beïnvloeden.”

31.2. Verzoekster haalt twee passages uit haar procedurestukken aan, één uit haar verzoekschrift, een tweede uit haar wederantwoordnota, die volgens haar niet beantwoord werden door de bodemrechter.

De alinea uit het verzoekschrift voor de bodemrechter, waar-

naar verzoekster thans verwijst, luidt:

“Ik heb er nog steeds mijn vragen bij in hoeverre de puntenbespreking en puntentoekenning gebeurd zijn volgens aangegeven in de bundel rond Managementstage m.i.v. organisatiegebonden project. Volgens de interne beroepscommissie werd wel degelijk een score van mijn extern promotor in rekening genomen bij de evaluatie. Mijn extern promotor heeft echter nooit een punt doorgegeven (zie e-mail met korte verslaggeving van mijn extern promotor […] naar mijn intern promotor […].

Er werd ook geen moeite gedaan om te antwoorden op de e-mails van mijn extern promotor.”

IX-8757-15/18

De relevante passus uit de wederantwoordnota van verzoekster luidt:

“Wat betreft de wijze van puntentoekenning Ik ben er mij van bewust dat mijn extern promotor enkel punten toekende op de zelfredzaamheid bij de herkansingsopdracht. Het gaat hem voor mij over de wijze waarop de punten zijn toegekend.

De score werd toegekend door iemand (vermoedelijk mijn intern promo-

tor) op basis van interpretatie van het via mail verstuurde verslagje van mijn extern promotor. Nochtans bestaat er een officieel verslagdocument (zie Procedure Beoordeling OGP (eindwerk)). In de laatste rubriek van dit document staat ‘Indien u niet aanwezig kunt zijn, gelieve dit formulier ten laatste twee dagen voor de presentatie van het werk te mailen naar […]’ […].

Ikzelf was niet in het bezit van dit verslagdocument en dit document is niet doorgemaild naar mijn extern promotor. Men vond dit blijkbaar niet nodig. Normaal moet dit document nochtans gedagtekend en gehandte-

kend worden. Volgens mij zou dit een correcter verloop zijn geweest.”

Samengevat komt de kritiek van verzoekster dus hierop neer dat haar een score werd toegekend op basis van een verslag van haar externe promotor dat niet overeenstemt met het daartoe bestemde model van verslagdo-

cument.

31.3. Daarop heeft de bodemrechter als volgt geantwoord in de be-

streden beslissing:

“Wat de beoordeling door de externe promotor betreft, betwist verzoek-

ster noch de toegekende beoordeling, noch de omvang van wat de externe promotor te beoordelen had. Dat verzoekster in die omstandigheden kri-

tiek heeft op enkel de vorm waarin de externe promotor omtrent de toege-

kende beoordeling heeft gecommuniceerd, kan niet tot de vernietiging van de tweede bestreden beslissing leiden.”

31.4. De jurisdictionele motiveringsplicht, zoals die ook voortvloeit uit artikel II.307, derde lid, VCHO, is een formele verplichting. Ze houdt in dat het rechtscollege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde ge-

IX-8757-16/18

gevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. Bij de beoordeling of de motiveringsverplichting is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer een motivering voorts leidt tot onjuiste gevolg-

trekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op maar geen motive-

ringsgebrek. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting.

31.5. Met de sub 29.3 aangehaalde redengeving heeft de bodemrech-

ter zijn beslissing met redenen omkleed die niet tegenstrijdig zijn en heeft hij het betrokken middel van verzoekster beantwoord.

31.6. In die mate mist het middel feitelijke grondslag.

32. Het middel wordt in zijn geheel verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe-

roep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-8757-17/18

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.

De griffier De voorzitter

Vera Wauters Geert Van Haegendoren

IX-8757-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.787