Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.782 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.782 Généré par l'IA

Cassation dismissed for failure to prove that email notification of exam sanction invalidates the five-day appeal period.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.782
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the cassation appeal challenging a university's decision to exclude a student from further exams. The student argued that the exam sanction was only communicated via email, violating the requirement for registered mail, and thus the five-day appeal period had not started. The court held that while the university failed to use registered mail, the student had acknowledged receipt of the decision via email, which legally triggered the appeal period regardless of the formal defect.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 118 § 3 of the Education and Examination Regulations 2014-2015; Article II.283 § 2 of the Higher Education Code: The appeal period for an exam sanction begins upon the student's knowledge of the decision, and a notification via email constitutes sufficient knowledge even if the statutory requirement for registered mail was not met.

Mots-clés

Généré par l'IA
exam sanction notification appeal period commencement registered mail requirement email notification validity university disciplinary procedure délais de recours licenciement immédiat pour escroquerie forclusion de l'action

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 118 § 3 of the Education and Examination Regulations 2014-2015
Art. 118 §2 onderwijs- en examenreglement 2014-2015 bepaalt dat de be-
Article II.283 § 2 of the Higher Education Code
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 237.782 van 27 maart 2017

in de zaak A. 218.713/IX-8839

In zake : Mimount EL ABBOUDI

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Fernand Keuleneer kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain François en Erika Leenknecht kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 2825 van 11 februari 2016 van de Raad voor be-

twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 maart 2016.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-

diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

IX-8839-1/15

Auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017.

Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-

bracht.

Advocaat Egidius Van Heddeghem, die loco advocaat Fernand Keuleneer verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Kristof Caluwaert, die loco advocaat Alain François verschijnt voor de verwerende partij, zijn ge-

hoord.

Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend ad-

vies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Het bestreden arrest vat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt samen:

“Verzoekster is in het academiejaar 2014-2015 ingeschreven in de oplei-

ding „Schakelprogramma: Master of Science in het management en het beleid van de gezondheidszorg‟.

Op 19 juni 2015 legde de decaan aan verzoekster als examentuchtsanctie de uitsluiting van verdere deelname aan de juni-zittijd op. Voor de oplei-

dingsonderdelen waarbij onregelmatigheden werden vastgesteld, werd een eindcijfer van 0 op 20 toegekend.

IX-8839-2/15

In de septemberzittijd behaalde verzoekende partij voor geen van de op-

leidingsonderdelen waarvoor ze examen aflegde een credit.

Verzoekende partij stelde op datum van 26 november 2015 tegen beide voormelde beslissingen een intern beroep in bij de interne beroepsinstantie van de onderwijsinstelling.

Bij beslissing van de interne beroepsinstantie op datum van 7 december 2015 werd het intern beroep onontvankelijk verklaard.

De interne beroepsbeslissing stelde het volgende:

„A. In zoverre het beroep wordt ingesteld tegen de examentuchtbeslissing:

Overeenkomstig artikel 118 §7 van het onderwijs- en examenreglement 2014-2015 dient het beroep ingesteld te worden binnen een vervaltermijn van vijf kalenderdagen, die ingaat op de dag na deze waarop de student heeft kennis genomen van de beslissing.

In haar verzoekschrift haalt (verzoekster) aan dat „de beslissing van de examencommissie (…) nooit op een geldige wijze ter kennis (werd) ge-

bracht aan verzoekster‟. De interne beroepscommissie stelt vast dat de be-

slissing van de decaan (en niet de examencommissie) per e-mail werd be-

zorgd aan (verzoekster) op 19 juni 2015. Dit werd niet per aangetekend schrijven aan de student bezorgd, hoewel in artikel 118 §3 Onderwijs- en examenreglement 2014-2015 bepaald staat dat de beslissing bij aangete-

kend schrijven aan de student wordt bekendgemaakt. De interne beroeps-

commissie wijst er echter op dat uit het dossier blijkt dat aan de doelstelling van het vereiste toch is voldaan. De interne beroepscommissie is dan ook van oordeel dat het niet aangetekend versturen van de beslissing in casu niet kan leiden tot het niet ingaan van de beroepstermijn.

De interne beroepscommissie merkt op dat in de beslissing van de decaan geen beroepsmodaliteiten vermeld zijn. Uit artikel 35 van het Openbaar-

heidsdecreet volgt dat de beroepstermijn voor een voor beroep vatbare be-

slissing slechts begint te lopen wanneer op die beslissing of de individuele kennisgeving ervan de beroepsmodaliteiten correct en volledig zijn ver-

meld. In casu is dit niet het geval. De beroepsmodaliteiten zijn niet regel-

matig aan (verzoekster) ter kennis gebracht. Overeenkomstig artikel 35

Openbaarheidsdecreet heeft dit tot gevolg dat de termijn om het intern beroep in te stellen pas begint te lopen vier maanden na de kennisgeving van het resultaat.

Onderhavig beroep is ingediend op 26 november 2015; dit is buiten de voormelde vervaltermijn.

Het beroep, in zoverre ingesteld tegen de examentuchtbeslissing, is dan ook onontvankelijk.

(…)‟.

De beslissing op intern beroep werd per e-mail en bij aangetekend schrijven van 10 december 2015 aan verzoekende partij overgemaakt.

Bij aangetekend schrijven van 15 december 2015 diende verzoekende partij een verzoekschrift in bij de Raad.”

IX-8839-3/15

3.2. Met het thans bestreden arrest van 11 februari 2016 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen het beroep van ver-

zoekster.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Het eerste middel is geput uit de “schending [van de] motive-

ringsplicht door gebrekkige motivering”. Verzoekster voert aan dat de bodem-

rechter het middelonderdeel met betrekking tot het ontbreken van een handteke-

ning op de kennisgeving van de examentuchtbeslissing van 19 juni 2015, onont-

vankelijk heeft verklaard en aldus van oordeel is dat de formulering van het middel in haar verzoekschrift tot intern beroep dat de beslissing van de examencommissie nooit op een geldige wijze ter kennis gebracht werd, geen “voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden” bevat. De enkele overweging dat het middelonderdeel onontvankelijk is levert, aldus verzoekster, “onvoldoende inzicht in de gedachtegang van de Raad. De Raad geeft immers niet aan waarom dit middelonderdeel expliciet opgenomen diende te worden in het verzoekschrift tot intern beroep”. Verzoekster besluit:

“Door slechts op een deel van het middel te antwoorden en het andere middelonderdeel onontvankelijk te verklaren, terwijl beide onderdelen onlosmakelijk verweven zijn met elkaar, geeft de Raad een verkeerde in-

vulling […] aan het begrip „middel‟ en miskent de Raad de motiverings-

plicht die ex art. 149 GW en art. II.307 lid 3 Codex Hoger Onderwijs op hem rust.”

IX-8839-4/15

Beoordeling

5.1. Het middel gaat terug op het eerste middel dat verzoekster heeft aangevoerd voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, namelijk:

“Er werd geen rechtsgeldige beslissing aan verzoekster medegedeeld.”

5.2. In haar verzoekschrift voor de bodemrechter verwijst verzoek-

ster in haar uiteenzetting van het middelonderdeel met betrekking tot het ontbreken van een handtekening op de kennisgeving van de examentuchtbeslissing naar haar standpunt over de ontvankelijkheid van het beroep, dat als volgt is verwoord (voetnoten weggelaten):

“18. Deze e-mail, die niet eens verzonden werd door de Decaan zelf, maar door zijn secretaresse, ontbeert ook de handtekening van de Decaan. Het verzenden via elektronische post van stukken waarvoor wettelijk of admi-

nistratief is voorzien in een aangetekende zending, die een termijn doet lopen, is uitgesloten. De Raad van State oordeelde hierover:

[…]

19. Als volgens de Raad van State een ingescande handtekening geen rechtsgeldige handtekening uitmaakt, dan is, a fortiore ad minus, het com-

plete gebrek aan een handtekening in deze e-mail al zeker een substantieel vormgebrek. In wezen werd er dus niet eens een beslissing van de Decaan medegedeeld, gezien de e-mail behept is met een substantieel vormgebrek.

Verzoekster werd bijgevolg nooit […] op correcte wijze in kennis gesteld van de examentuchtbeslissing die de Decaan zou hebben genomen.”

6. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen beoordeelt dit middelonderdeel als volgt (voetnoten weggelaten):

“Verzoekende partij gaat vooreerst in op de e-mail van 19 juni 2015. De Raad leest hieromtrent in het verzoekschrift het volgende:

[…]

Verwerende partij stipt aan dat verzoekende partij dit middel pas voor het eerst opwerpt in de externe procedure voor de Raad. In haar wederant-

woordnota benadrukt verzoekende partij dat zij zich er in haar verzoek-

schrift tot intern beroep wel reeds over bekloeg dat de beslissing van de examencommissie nooit op een geldige wijze ter kennis werd gebracht. Ze verwijst hiervoor naar stuk 3, punt 1, pagina 2.

IX-8839-5/15

De Raad leest in het verzoekschrift op intern beroep onder punt 1 het vol-

gende:

„1. De beslissing van de examencommissie werd nooit op een geldige wijze ter kennis gebracht aan verzoekster.

Art. 118 §2 onderwijs- en examenreglement 2014-2015 bepaalt dat de be-

slissing van de examencommissie bij aangetekend schrijven ter kennis wordt gebracht van de student. Er werd evenwel nooit een aangetekend schrijven van (verwerende partij) aangeboden bij verzoekster. Bijgevolg is de beroepstermijn van 5 kalenderdagen van art. 118 §7 onderwijs- en examenreglement nog niet van start gegaan. Het beroep is dus tijdig inge-

diend.‟.

De Raad stelt vast dat de omvang van dit middel op intern beroep beperkt blijft tot het feit dat de beslissing niet, zoals nochtans voorgeschreven in artikel 118, §2 OER, bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht is van de student. Hierdoor is de vervaltermijn nog niet van start gegaan en is het intern beroep volgens verzoekster tijdig ingediend. Nergens verwijst ver-

zoekende partij hier naar het feit dat in de e-mail van 19 juni 2015 een handtekening ontbreekt. Ook elders in het verzoekschrift op intern beroep leest de Raad hieromtrent niets.

In haar wederantwoordnota merkt verzoekende partij ook op dat het gaat om een onderdeel van de totaalargumentatie met betrekking tot de ken-

nisgeving van de beslissing. De Raad volgt verzoekende partij hierin.

Immers, in de interne beroepsbeslissing van 7 december 2015 antwoordt de interne beroepsinstantie op dit eerste punt uit het verzoekschrift op intern beroep het volgende:

„In haar verzoekschrift haalt (verzoekende partij) aan dat „de beslissing van de examencommissie (…) nooit op een geldige wijze ter kennis (werd)

gebracht aan verzoekster‟. De interne beroepscommissie stelt vast dat de beslissing van de decaan (en niet de examencommissie) per e-mail werd bezorgd aan (verzoekende partij) op 19 juni 2015. Dit werd niet per aan-

getekend schrijven aan de student bezorgd, hoewel in artikel 118 §3 On-

derwijs- en examenreglement 2014-2015 bepaald staat dat de beslissing bij aangetekend schrijven aan de student wordt bekendgemaakt. De interne beroepscommissie wijst er echter op dat uit het dossier blijkt dat aan de doelstelling van het vereiste toch is voldaan. De interne beroepscommissie is dan ook van oordeel dat het niet aangetekend versturen van de beslissing in casu niet kan leiden tot het niet ingaan van de beroepstermijn.‟.

Op extern beroep wil verzoekende partij verder aantonen dat zij niet op correcte wijze in kennis is gesteld van de examentuchtbeslissing. Vermits de interne beroepscommissie van oordeel is dat wel voldaan is aan de doelstelling van het vereiste van de aangetekende zending uit artikel 118 §3

OER door de kennisgeving per e-mail op 19 juni 2015, gaat verzoekende partij argumenten aanbrengen om deze stelling te ontkrachten. De hierbo-

ven aangehaalde argumentatie dient dus, zoals verzoekster aanhaalt in haar wederantwoordnota, gelezen te worden in het licht van de al dan niet cor-

recte kennisgeving van de beslissing van de decaan per e-mail.

Voor zover dit gelezen zou kunnen worden als zou het ontbreken van de handtekening in de e-mail van 19 juni 2015 ertoe leiden dat er helemaal

IX-8839-6/15

geen sprake is van een geldige examentuchtbeslissing, is het middelon-

derdeel onontvankelijk. Dit werd namelijk nergens op intern beroep aan-

gehaald, maar was wel reeds ter kennis van verzoekster bij het indienen ervan. Waar verzoekende partij in haar verzoekschrift op extern beroep verwijst naar een arrest van de Raad van State, stelt de Raad vast dat dit arrest handelt over de vraag of de bestreden beslissing nietig is wegens „het gebrek aan een handgeschreven ondertekening van de persoon gemachtigd tot het nemen van een dergelijke beslissing en dat de handtekening die op de bestreden beslissing voorkomt evenmin kan worden beschouwd als een elektronische handtekening‟. De Raad volgt verzoekende partij aldus niet in zoverre ze stelt dat deze verwijzing betrekking heeft op de kennisgeving van de beslissing. Dit arrest betreft immers de mogelijkheid na te gaan wie de werkelijke auteur is van de beslissing en diens hoedanigheid. De verdere uiteenzetting van verzoekende partij in haar wederantwoordnota omtrent de handtekening (onderaan p.8) kan eveneens niet in aanmerking genomen worden door de Raad.”

7. Daarmee verneemt verzoekster op duidelijke en ondubbelzin-

nige wijze waarom het middelonderdeel als niet-ontvankelijk wordt afgewezen: in de interne beroepsprocedure heeft verzoekster alleen aangevoerd dat zij niet bij aangetekend schrijven op de hoogte werd gebracht van de examentuchtbeslissing die tegen haar werd genomen en niet dat op de kennisgeving een handtekening zou ontbreken, terwijl die grief niet voor het eerst voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen kan worden aangevoerd.

Hiermee is voldaan aan de rechterlijke motiveringsplicht.

8. Verzoekster is ook van oordeel dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “een verkeerde invulling” geeft aan het be-

grip „middel‟ “[d]oor slechts op een deel van het middel te antwoorden en het andere middelonderdeel onontvankelijk te verklaren, terwijl beide onderdelen onlosmakelijk verweven zijn met elkaar”.

Hiervόόr is reeds gebleken waarom de bodemrechter het thans ter discussie staande middelonderdeel onontvankelijk heeft verklaard. Verzoekster maakt geheel niet duidelijk op welke wijze hierbij een verkeerde invulling aan het begrip „middel‟ wordt gegeven.

IX-8839-7/15

In die mate is het middel niet ontvankelijk.

9. Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

10. In de samenvattende memorie van wederantwoord put verzoek-

ster een tweede middel uit “miskenning van de bewijskracht van geschriften, in casu van het verzoekschrift tot intern beroep”. Zij betoogt dat zij in haar ver-

zoekschrift tot intern beroep heeft aangevoerd dat de beslissing van de examen-

commissie haar nooit op een geldige wijze ter kennis werd gebracht en dat daar-

onder ook moest worden begrepen het ontbreken van een rechtsgeldige handte-

kening. Door er anders over te oordelen miskent de bodemrechter de bewijskracht van het verzoekschrift tot intern beroep.

Beoordeling

11.1. Verzoekster heeft de schending van de bewijskracht van de akte niet in haar verzoekschrift tot cassatie als cassatiemiddel aangevoerd, maar pas voor het eerst in haar samenvattende memorie van wederantwoord.

11.2. Het tweede middel is derhalve onontvankelijk.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

12. Het derde middel is geput uit de schending van artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs. Verzoekster voert aan dat de bodem-

rechter “het middelonderdeel dat aanvoert dat het ontbreken van een handtekening

IX-8839-8/15

in de e-mail van 19 juni 2015 ertoe leidt dat er helemaal geen sprake is van een geldige examentuchtbeslissing die aan verzoekster ter kennis werd gebracht, on-

ontvankelijk” heeft verklaard en dat hij zich daardoor niet over het gehele verzoek heeft uitgesproken, hoewel hij daartoe krachtens de aangevoerde bepaling toe gehouden is. In het argument dat de beslissing van de examencommissie haar nooit op een geldige wijze ter kennis is gebracht ligt immers reeds de kritiek vervat dat er bij gebrek aan een handtekening geen geldige beslissing werd meegedeeld. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat zij voor de bodemrechter haar argumentatie uitbreidde, moet erop worden gewezen dat geen enkele bepaling zich daartegen verzet. Het tegendeel aannemen zou de dynamiek van een procedure ondermijnen en een schending inhouden van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens, zo stelt verzoekster.

Beoordeling

13. Artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs luidt:

“De Raad doet als administratief rechtscollege uitspraak over de beroepen die door studenten of personen op wie de beslissing betrekking heeft, worden ingesteld tegen studievoortgangsbeslissingen, na uitputting van de in afdeling 2 bedoelde interne beroepsprocedure. […]”

14. Nog daargelaten de vraag of uit de aangehaalde bepaling volgt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen “zich over het gehele verzoek diende uit te spreken”, zoals verzoekster beweert, moet in elk geval worden vastgesteld dat de bodemrechter door het middelonderdeel onontvankelijk te verklaren, er wel degelijk uitspraak over heeft gedaan.

De vraag of de bodemrechter terecht het middelonderdeel on-

ontvankelijk heeft verklaard, is dan weer vreemd aan artikel II.285, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs.

15. Het derde middel faalt.

IX-8839-9/15

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

16. Een vierde middel is geput uit de schending van artikel II.283, tweede lid, 2°, van de Codex Hoger Onderwijs en van “art. 118 § 3 jo. 7 OER”, waarbij verzoekster stelt met de afkorting “OER” te refereren aan “Onderwijs- en Examenreglement van de VUB”.

In een eerste onderdeel van het middel zet verzoekster uiteen dat haar alleen ter kennis werd gebracht dat de decaan een examentuchtbeslissing had genomen. De beslissing zelf werd haar niet meegedeeld, ofschoon dit wordt vereist door artikel II.283, tweede lid, 2°, van de Codex Hoger Onderwijs juncto artikel 118, §§ 3 en 7, OER. Hierdoor kon de beroepstermijn om intern beroep in te stel-

len, geen aanvang nemen.

Verzoekster betoogt in het tweede onderdeel van het middel dat in de e-mail van 19 juni 2015 de handtekening van de decaan ontbrak, hetgeen een “substantieel vormgebrek” is. Het “mag dan wel zo zijn”, aldus verzoekster, “dat noch de Codex Hoger Onderwijs en noch [het] OER vereisen dat de beslissing van de Decaan ondertekend werd, maar deze vereiste volgt uit de algemene draag-

wijdte en het belang dat het Belgisch recht eraan toekent”. Verzoekster argumen-

teert tevens dat “[h]et verzenden via elektronische post van stukken waarvoor wettelijk of administratief is voorzien in een aangetekende zending, die een termijn doet lopen, […] uitgesloten [is]”.

In het derde onderdeel van het middel stelt verzoekster dat de e-mail van 19 juni 2015 louter als een “informatieve kennisgeving” kan worden beschouwd en dat de echte, ondertekende beslissing haar niet werd meegedeeld, zodat de beroepstermijn geen aanvang kon nemen. Zij benadrukt dat de verzending van een beslissing per aangetekende post het eenvoudig maakt om vast te stellen wanneer de beroepstermijn tegen die beslissing aanvangt, dat dit bij een verzen-

IX-8839-10/15

ding per e-mail onmogelijk is en dat het daarom is dat een auteur in de rechtsleer stelt dat “het verzenden via elektronische post van procedurestukken die een ter-

mijn doen lopen vooralsnog uitgesloten is”.

Beoordeling

a. In het middel aangevoerde bepalingen

17.1. Artikel II.283, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs luidde ten tijde van de bestreden beslissing:

“De student stelt een verzoek tot heroverweging van de studievoort-

gangsbeslissing in binnen een vervaltermijn van 5 kalenderdagen, die in-

gaat op:

1° in het geval van een examenbeslissing: de dag na deze van de procla-

matie;

2° in het geval van een andere studievoortgangsbeslissing: de dag na deze waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing.”

17.2. Het examenreglement is blijkens artikel II.273, § 2, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs één van de documenten waarin de algemene voorwaarden zijn vastgelegd van de toetredingsovereenkomst die de student heeft gesloten met het bestuur van de onderwijsinstelling.

Wat de bepalingen van artikel 118, §§ 3 en 7, OER betreft, moet worden vastgesteld dat de partijen het onderwijs- en examenreglement van de verwerende partij niet als stuk aan de Raad voor betwistingen inzake studie-

voortgangsbeslissingen hebben voorgelegd. De bodemrechter citeert in de be-

streden beslissing wel artikel 118, § 3, OER als volgt:

“Indien de feiten worden bewezen, beslist de decaan, eventueel na overleg met de Voorzitter van de examencommissie, over het al dan niet opleggen van een examentuchtbeslissing. De beslissing wordt bij aangetekend schrijven aan de student bekendgemaakt. In afwachting van een beslissing van de decaan mag de student zijn deelname aan de examens voortzetten.”

IX-8839-11/15

Over artikel 118, § 7, OER wordt in de bestreden beslissing alleen gesteld dat het “de implementatie is” van artikel II.283 van de Codex Hoger Onderwijs.

b. Eerste onderdeel van het middel

18.1. Verzoekster voert aan dat de examentuchtbeslissing haar niet werd meegedeeld, enkel werd haar het feit meegedeeld dat een examentuchtbe-

slissing was genomen.

18.2. Daartegenover staat dat de bodemrechter heeft geoordeeld wat volgt:

“De Raad stelt vast dat uit de feiten duidelijk blijkt dat verzoekende partij op 19 juni 2015 kennis genomen heeft van de beslissing van de decaan.”

De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen stelt inzonderheid vast:

“[…] dat haar de sanctie reeds tijdens het gesprek op 19 juni 2015 in de voormiddag was medegedeeld en dat deze nadien bevestigd werd in een mail op diezelfde dag.”

Over deze feitelijkheden oordeelt de bodemrechter soeverein.

18.3. Het eerste onderdeel van het vierde middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden.

c. Tweede onderdeel van het middel

19.1. Het ontbreken van een handtekening op een beslissing kan een middel zijn om voor de bevoegde rechter de nietigverklaring te vorderen van die beslissing. Iets anders is het dat het ontbreken van de handtekening van de steller van die beslissing op de kennisgeving van die beslissing zou betekenen dat de

IX-8839-12/15

beroepstermijn geen aanvang zou nemen of dat de beslissing zelf daardoor ipso facto voor onbestaande moet worden gehouden. Die sancties volgen alvast niet uit de bepalingen waarvan verzoekster in dit middel de schending heeft aangevoerd.

19.2. Voor zover verzoekster in het tweede middelonderdeel het ont-

breken van een handtekening in de kennisgeving per e-mail van de examentucht-

beslissing bekritiseert, faalt het middelonderdeel naar recht.

20.1. Noch uit artikel II.283, tweede lid, van de Codex Hoger On-

derwijs, noch uit artikel 118, § 3, van het onderwijs- en examenreglement van de verwerende partij vloeit voort dat alleen de aangetekende verzending van de las-

tens verzoekster getroffen examentuchtbeslissing de beroepstermijn doet ingaan.

Uit artikel II.283, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs, volgt dat de ken-

nisname van de beslissing bepalend is voor het doen ingaan van de beroepstermijn tegen een examentuchtbeslissing. Artikel 118, § 3, van het onderwijs- en exa-

menreglement bepaalt niets over het ingaan van de beroepstermijn, maar schrijft voor dat de kennisgeving van de examentuchtbeslissing gebeurt “bij aangetekend schrijven”, evenwel zonder in enige sanctie te voorzien bij de miskenning van deze verplichting.

20.2. In die mate is het middelonderdeel evenmin gegrond.

d. Derde onderdeel van het middel

21. Uit artikel II.283, tweede lid, van de Codex Hoger Onderwijs, in de versie van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, blijkt dat voor het ingaan van de beroepstermijn van vijf dagen de dag “waarop de student kennis heeft genomen van de genomen beslissing” bepalend is. Over die kennisname heeft de bodemrechter soeverein geoordeeld dat “duidelijk blijkt dat verzoekende partij op 19 juni 2015 kennis genomen heeft van de beslissing van de decaan”.

IX-8839-13/15

22. Artikel 118, § 3, van het onderwijs- en examenreglement is niet van aard om een ander licht op de zaak te werpen. Deze bepaling houdt de ver-

plichting in tot betekening van een examentuchtbeslissing aan de student met een aangetekende brief, maar stelt geen sanctie op de miskenning van die verplichting.

De feitenrechter heeft daarover als volgt geoordeeld:

“In casu blijkt uit het dossier dat de examentuchtbeslissing niet via aan-

getekend schrijven, doch enkel via e-mail aan verzoekende partij ter kennis is gebracht. Verwerende partij is op deze manier aldus voorbijgegaan aan wat voorgeschreven wordt in artikel 118, § 3 OER, wat betreurenswaardig is, doch de Raad is van oordeel dat deze kennisgeving per e-mail niets af-

doet aan het feit dat de kennisname de beroepstermijn een aanvang doet nemen.”

De verklaring waarom iedere andere kennisgeving dan een kennisgeving per aangetekende brief louter ten informatieve titel zou zijn, zoekt verzoekster niet in artikel 118, § 3, OER – en dit valt daarin ook niet te vernemen –

maar licht zij slechts toe aan de hand van rechtsliteratuur. Op die grond kan de Raad van State evenwel niet overgaan tot vernietiging van de bestreden beslissing.

23. Het derde onderdeel van het vierde middel kan niet tot cassatie leiden.

24. Het middel wordt in zijn geheel verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

IX-8839-14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8839-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.782