ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.772 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IADe vordering, ingesteld op 24 februari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Hulpverleningszone Oost Vlaams Brabant dd. 25.01.2017 en ter kennis gebracht aan de verzoekende partij met brief dd. 09.02.2017 waarin enerzijds beslist wordt om de opdracht „aankoop tankwagen 8000L – 4x4‟ (op
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.772 · Conseil d'État: In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25 van de wet van 15 juni 2006, het “patere legem quam ipse fecisti beginsel”, de “beginselen van behoorlijk bestuur” en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 237.772 van 23 maart 2017
in de zaak A. 221.573/XII-8324
In zake: de NV VANASSCHE FIREFIGHTING ENGINEERING
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nele Vercruysse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
HULPVERLENINGSZONE OOST VLAAMS-BRABANT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
de NV FIRE TECHNICS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gerard Soete kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 8 bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 24 februari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Hulpverleningszone Oost Vlaams Brabant dd. 25.01.2017 en ter kennis gebracht aan de verzoekende partij met brief dd. 09.02.2017 waarin enerzijds beslist wordt om de opdracht „aankoop tankwagen 8000L – 4x4‟ (op
XII-8324-1/23
basis van het bestek HVZ-2016-196) te gunnen aan de nv Fire Technics en waarin anderzijds de impliciete weigeringsbeslissing in ligt vervat om deze opdracht niet te gunnen aan de verzoekende partij”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Met een verzoekschrift van 8 maart 2017 heeft de nv Fire Technics gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017, om 10.00 uur.
Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Nele Vercruysse, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Johan Vanstipelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bruno Dessin, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De Hulpverleningszone Oost, Vlaams-Brabant, schrijft een overheidsopdracht voor de aanneming van leveringen uit met als voorwerp “aankoop tankwagen 8000L – 4 X 4”.
XII-8324-2/23
Als gunningsprocedure wordt gekozen voor de open offerteaanvraag.
3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 19 september 2016 en in het Publicatieblad van de Europese Unie van 22 september 2016.
3.3. De volgende gunningscriteria worden in het bijzonder bestek met nr. HVZ-2016-196 bepaald: prijs (op 40), technische waarde (op 40), garanties (op 40) en levertermijn (op 10).
De technische eisen zijn opgenomen in deel III “Technische bepalingen” van het bestek.
3.4. Vier inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij en de nv Fire Technics.
3.5. De verwerende partij trekt haar eerste gunningsbeslissing in.
3.6. In het verslag van nazicht van 16 januari 2017 worden alle inschrijvers geselecteerd. De offerte van de nv Garage Dias & Zn wordt substantieel onregelmatig bevonden en aldus geweerd. De offertes van de overige drie inschrijvers worden getoetst aan de gunningscriteria, welke beoordeling leidt tot de volgende finale rangschikking:
Naam Score
Fire Technics NV 118,40
Vanassche FFE NV 104,43
Somati Vehicles NV 96,59
Als bijlage 1 bij het verslag van nazicht is een overzichtstabel gevoegd van de eigenschappen die geleid hebben tot een meerwaarde in het kader van de beoordeling van het tweede gunningscriterium “technische waarde”.
XII-8324-3/23
In het verslag van nazicht wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de nv Fire Technics.
3.7. Op 25 januari 2017 beslist het Zonecollege om de opdracht overeenkomstig het verslag van nazicht te gunnen aan de nv Fire Technics.
Met een aangetekend schrijven van 9 februari 2017 wordt de verzoekende partij van de voormelde beslissing in kennis gesteld.
IV. Tussenkomst
4. De nv Fire Technics blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
5. De tussenkomende partij werpt in een exceptie de onbevoegdheid van de Raad van State op omdat het bestek zou bepalen dat voor alle geschillen enkel de rechtbanken van het arrondissement binnen het ambtsgebied van de aanbestedende overheid bevoegd zouden zijn.
Deze exceptie inzake de rechtsmacht van de Raad van State is ongegrond. In tegenstelling tot de veronderstelling waar de verzoekende partij van lijkt uit te gaan, mag het bestek niet afwijken van de in artikel 24 van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten‟ (hierna: de wet van 17 juni 2013) bepaalde regeling inzake de bevoegde verhaalinstantie.
6. De overige excepties betreffende de ontvankelijkheid die de tussenkomende partij opwerpt, dienen niet te worden onderzocht noch dient er over uitspraak te worden gedaan. Zoals hierna zal blijken zijn immers de grond-
voorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing niet vervuld.
XII-8324-4/23
VI. Schorsingsvoorwaarden
7.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
7.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 van toepassing.
Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissingen in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.
Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen verantwoorden.
VII. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
8. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25 van de wet van 15 juni 2006 „overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten‟ (hierna: de wet van 15 juni 2006),
XII-8324-5/23
het “patere legem quam ipse fecisti beginsel” en de “beginselen van behoorlijk bestuur”.
Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden:
“Doordat in het lastenboek voorzien wordt dat voor de beoordeling van het tweede gunningscriterium „technische waarde‟ de bepalingen aangeduid in het bestek met [W] [wenselijk] leiden tot een hogere score indien het voorstel hieraan voldoet, terwijl bij de effectieve beoordeling van het tweede gunningscriterium ook een aantal bepalingen aangeduid met een [O] [onontbeerlijk] beoordeeld worden in het verslag van nazicht dus in strijd met de opdrachtdocumenten en zonder dat bepaald werd welke bepalingen aangeduid met [O] beoordeeld zouden worden bij het gunningscriterium technische waarde.
Doordat verweerster naast de vereisten aangeduid met [W] ook een aantal na opening van de offertes willekeurig gekozen vereisten aangeduid met [O] beoordeeld heeft.
Doordat ingevolge die beoordeling van een aantal elementen aangeduid met [O] de puntenscore voor het criterium „technische waarde‟ foutief gebeurde en een correcte score in het voordeel van verzoekende partij zou zijn.
Terwijl het beginsel van patere legem quam ipse fecisti [...] bepaalt dat de aanbestedende overheid bij de beoordeling van de offertes gebonden is door datgene wat zij in haar bestek voorziet en het lastenboek niet voorziet dat enkele bepalingen aangeduid met [O] beoordeeld zouden worden bij het criterium technische waarde en helemaal niet voorziet welke specificaties aangeduid met [O] dan beoordeeld zouden worden.
Terwijl art. 25 Wet 15 juni 2006 voorziet dat de opdracht gegund moet worden aan de economisch meest voordelige en verzoekende partij vaststelt dat de beoordeling van het criterium „technische waarde‟ foutief gebeurde zodat er geen zekerheid is dat de offerte Fire Technics de economisch meest voordelige offerte is.”
Beoordeling
9. Het eerste middel heeft betrekking op de beoordeling van het tweede gunningscriterium “technische waarde” dat in het bestek als volgt wordt omschreven:
“2. Technische waarde:40
De technische waarde zal beoordeeld worden aan de hand van de toegevoegde documentatie en de technische bepalingen.
XII-8324-6/23
Om verder beoordeeld te worden, dient het voorstel te voldoen aan de eisen zoals toegelicht bij de technische bepalingen.
Technische eigenschappen die beter zijn dan de minimu[m]eis die gesteld wordt, kunnen leiden tot een hogere score, indien dit een meerwaarde betekent voor de aanbestedende overheid.
De gevraagde bepalingen aangeduid met [W] leiden tot een hogere score, indien het voorstel hieraan voldoet.
Per eis wordt de volgende regel toegepast:
- voldoen : 1 punt - beter: 2 punten - beste: 3 punten De totale score wordt dan herleid tot een score op 40 punten.”
De technische eisen, opgenomen in deel III “Technische bepalingen” van het bestek, worden onderverdeeld in verschillende categorieën, waaronder [W], een “wenselijke eis die zal leiden tot een meerwaarde bij de evaluatie van de offertes”, en [O], een “onontbeerlijke eis waaraan de levering moet voldoen vanaf het indienen van de offerte op straffe van niet conform te worden verklaard en uitgesloten te worden voor de overeenkomst”.
10. De verzoekende partij leidt uit de voormelde besteksbepalingen af dat bepalingen aangemerkt met een [O] niet in aanmerking komen voor een hogere score en niet in aanmerking mogen komen om beoordeeld te worden in het kader van het gunningscriterium technische waarde.
Op het eerste gezicht lijkt die interpretatie echter afbreuk te doen aan de duidelijke tekst van de besteksbepalingen zelf betreffende dat gunnings-
criterium waarin uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat “technische eigenschappen die beter zijn dan de minimu[m]eis die gesteld wordt, kunnen leiden tot een hogere score, indien dit een meerwaarde betekent voor de aanbestedende overheid”.
Waar in het bestek gesteld wordt dat “[o]m verder beoordeeld te worden, […] het voorstel [dient] te voldoen aan de eisen zoals toegelicht bij de technische bepalingen”, lijkt de verwerende partij enkel te benadrukken dat eerst de conformiteit van de offerte met de technische specificaties dient te worden nagegaan, alvorens de technische kwaliteit van de conform bevonden offertes kan worden vergeleken.
XII-8324-7/23
Het bestek lijkt wel degelijk de toekenning van punten in het kader van de beoordeling van het gunningscriterium “technische waarde” toe te laten indien, wat de [O]-eisen betreft, meer wordt geboden dan de gestelde minimumeisen, voor zover dit een meerwaarde betekent voor de aanbestedende overheid.
De technische vereisten aangemerkt met een [W] leiden volgens het bestek daarentegen steeds tot een hogere score, indien het voorstel hieraan voldoet.
Overigens dient prima facie te worden vastgesteld dat het bestek slechts drie specificaties bevat die als wenselijke eis [W] worden omschreven. Het betreft meer bepaald de volgende eisen:
- de bedieningen van de brandweeropbouw in de cabine is gemonteerd op een digitaal bedieningsbord met aanraaktoetsen en/of touchscreen. Alle bedieningen zijn goed aangeduid, - in verplichte optie wordt een pomp aangeboden vervaardigd in brons, - een aanzuigpomp afzonderlijk gemonteerd van de eigenlijke pomp, met andere woorden de pomp moet niet gedemonteerd worden als de aanzuig-
pomp defect is, is een beduidend voordeel.
De verzoekende partij maakt in het licht van voormelde besteksbepalingen ook niet aannemelijk dat een normaal oplettende inschrijver de draagwijdte van voormelde bepalingen zou kunnen begrijpen in deze zin dat de technische waarde van de offertes uitsluitend beoordeeld zou worden in het licht van de drie voormelde elementen.
Dit onderdeel van het middel lijkt dan ook niet ernstig.
11. Vervolgens voert de verzoekende partij in dit middel nog aan dat de verwerende partij bij het tweede gunningscriterium slechts zes [O]-vereisten zou hebben beoordeeld, terwijl het bestek bij het criterium technische waarde helemaal niet bepaalt welke specificaties aangemerkt met [O] zouden worden beoordeeld.
XII-8324-8/23
De verwerende partij repliceert in haar nota dat zij een aantal “O”-bepalingen heeft opgenomen ter beoordeling, zoals weergegeven in bijlage 1
bij het verslag van nazicht. Dit is volgens haar geenszins willekeurig gebeurd, zoals de verzoekende partij stelt, maar wel op grond van “O”-bepalingen waar een beter voorstel dan het minimum – uitgedrukt in een minimale of maximale waarde voor een bepaalde “O”-bepaling – een meerwaarde betekent voor de aanbestedende overheid zoals was bepaald in het bestek aangaande de beoordeling van het tweede gunningscriterium. Voor de overige “O”-bepalingen werden de diverse offertes als gelijkwaardig beschouwd door de verwerende partij en gaven zij volgens haar geen aanleiding tot een verschillende beoordeling. Zij verwijst daarbij ook naar de in het verslag van nazicht bij de beoordeling van dit gunningscriterium opgenomen motivering waarin gesteld wordt dat “[o]p een groot aantal technische bepalingen […] de voorstellen gelijkwaardig [zijn]”.
12. In de mate dat de verwerende partij aldus geoordeeld heeft dat enkel voor de zes in de bijlage 1 bij het verslag van nazicht opgenomen “O”-bepalingen er sprake was van verschillen tussen de offertes die een meerwaarde betekende voor de aanbestedende overheid en de offertes wat de overige “O”-bepalingen betreft als gelijkwaardig heeft beschouwd, lijkt zij op het eerste gezicht dan ook te hebben gehandeld in overeenstemming met de hiervoor aangehaalde besteksbepalingen.
De verzoekende partij blijft prima facie ook in gebreke om in haar verzoekschrift op concrete wijze uiteen te zetten met betrekking tot welke [O]-eisen haar offerte beter was dan de gestelde minimumeis en een meerwaarde betekende voor de aanbestedende overheid waarmee de verwerende partij ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden bij haar beoordeling van dit gunningscriterium.
In de mate dat de verzoekende partij nog aanvoert, zij het in de nadere “toepassing” van het middel, dat de verwerende partij in de eerste ingetrokken beslissing slechts vier posten met [O]-specificaties opnam, terwijl dat er ondertussen zes geworden zijn in de nieuwe beslissing, valt op te merken dat een intrekkingsbeslissing tot gevolg heeft dat de eerste gunningsbeslissing wordt
XII-8324-9/23
geacht nooit te hebben bestaan en dat de verwerende partij dan ook in principe niet gebonden lijkt door de motieven waarop deze steunde.
Aldus lijkt ook deze grief niet ernstig.
13. De verzoekende partij bekritiseert ten slotte nog cijfermatig de quoteringswijze bij het tweede gunningscriterium.
Deze grief is echter door de verzoekende partij niet duidelijk in verband gebracht met de in het hiervoor aangehaalde middel geschonden geachte bepalingen en beginselen zodat de grief niet ontvankelijk is.
14. Het eerste middel lijkt bijgevolg te moeten worden verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
15. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25 van de wet van 15 juni 2006, het “patere legem quam ipse fecisti beginsel”, de “beginselen van behoorlijk bestuur” en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟.
Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden:
“Doordat uit het verslag van nazicht blijkt dat de offerte van verzoekster verkeerd beoordeeld werd zowel voor een [W] specificatie als voor enkele [O] specificaties die zoals in het hiervoor uiteengezette middel zelfs niet in aanmerking zouden kunnen komen voor beoordeling.
Dat ingevolge die verkeerde beoordeling door verweerster de puntenscore voor offerte van verzoekster nadelig werd beïnvloed.
Terwijl ingevolge het patere legem beginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur de aanbestedende overheid gebonden is door datgene wat zij in haar bestek voorziet.
Terwijl art. 25 van de wet van 15.06.2006 voorziet dat de opdracht moet gegund worden aan de economisch meest voordelige offerte en verzoekende partij vaststelt dat haar offerte voor het gunningscriterium 2
XII-8324-10/23
„technische waarde‟ niet correct beoordeeld werd zodat er geen zekerheid is dat de opdracht aan Fire Technics moest gegund worden.”
Beoordeling
16. Ook het tweede middel, nader uitgewerkt over niet minder dan 16 bladzijden, heeft uitsluitend betrekking op de beoordeling van het tweede gunningscriterium “technische waarde”.
17. Wat de beweerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, toont de verzoekende partij niet concreet aan waarom zij niet in de mogelijkheid was om, op grond van de bestreden gunningsbeslissing en het bijgevoegde verslag van nazicht, deze beslissing met kennis van zaken te betwisten. Het tegendeel blijkt overigens uit haar verzoekschrift waarin zij de motieven inhoudelijk betwist. Aldus lijkt prima facie te zijn voldaan aan de formelemotiveringsplicht, minstens aan de ratio legis ervan.
18. De Raad van State valt voorts, wat de overige grieven betreft, de vaststellingen en conclusies bij van het optredend lid van het auditoraat, die ter terechtzitting in haar mondelinge advies onder meer doet gelden hetgeen volgt.
● Wat de inhoudelijke beoordeling van de [W]-specificatie aangaande de aanzuigpomp betreft, voert de verzoekende partij aan dat haar offerte geheel ten onrechte slechts één punt voor deze eis krijgt toegekend met als motivering “gaat maar voor een stuk”. Deze vermelding impliceert volgens haar dat de verwerende partij erkent dat de pomp zelf niet moet worden gedemonteerd als er zich een probleem zou stellen met de aanzuigpomp.
Zij bevestigt dat er in haar offerte vier aanzuigpompen aangeboden worden, doch werpt op dat de verwerende partij haar offerte niet of niet goed bekeken heeft. Volgens haar toont haar offerte wel degelijk aan dat de pomp niet gedemonteerd moet worden als een aanzuigpomp defect is, zoals gevraagd in het bestek om een betere evaluatie te krijgen. Zij verwijst daarbij naar verschillende bladzijden uit haar offerte waaruit volgens haar blijkt dat alle aanzuigpompen (vier stuks in totaal) kunnen worden gedemonteerd zonder dat de pomp zelf gedemonteerd moet worden. Voorts merkt zij op dat uit de documenten voorgelegd door de nv Fire Technics daarentegen blijkt dat het demonteren van de aanzuigpompen niet zo evident is als in de offerte van de verzoekende partij.
De verwerende partij wijst er op dat ook indien aan de verzoekende partij drie punten zouden zijn toegekend in de plaats van één punt, de offerte van de nv Fire Technics nog altijd de beste zou zijn.
XII-8324-11/23
De verwerende partij verduidelijkt voorts dat een aanzuigpomp louter dient om water aan te zuigen (bijvoorbeeld voor het vullen van de tankwagen) en de eigenlijke pomp ervoor zorgt dat het water dat zich in de tankwagen bevindt, wordt gepompt naar waar het nodig zou zijn. Het is volgens haar dan ook een voordeel wanneer die aanzuigpomp afzonderlijk gemonteerd is van de eigenlijke pomp zodat een defect aan de aanzuigpomp niet verhindert dat de eigenlijke pomp kan blijven werken en niet moet worden gedemonteerd hetgeen de buitengebruikstelling van de tankwagen zou impliceren gedurende het defect.
Bij de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij werd gesteld dat het voorstel van de verzoekende partij maar gedeeltelijk tegemoet komt aan de “W”-eis. Deze beoordeling is volgens de verwerende partij terecht omdat op grond van de tekeningen opgenomen op bladzijden 198 en 199
van de offerte van de verzoekende partij duidelijk blijkt dat de aanzuigpomp aan het pomphuis van de lagedrukpomp wordt gemonteerd en rechtstreeks wordt aangedreven door de hoofdas van de lagedrukpomp.
De trokomats (aanzuigpompen) en de lagedrukpomp zitten op dezelfde as.
Het aandrijfmechanisme van de trokomat zit dus op dezelfde as als de lagedrukpomp. Als het aandrijfmechanisme defect is, moet de pomp worden gedemonteerd. De verwerende partij voegt ook de detailschetsen van de Rosenbauer pomp, aangeboden door de tussenkomende partij, toe waaruit volgens haar blijkt dat de aanzuigpomp volledig los staat van de eigenlijke pomp. De bewering in het verzoekschrift van de verzoekende partij dat haar aanzuigpomp beter zou zijn dan de aanzuigpomp van Fire Technics is volgens de verwerende partij een louter eenzijdige bewering van de verzoekende partij die nergens wordt aangetoond en die geenszins wordt bijgevallen door de verwerende partij.
De verwerende partij merkt op dat in het bestek niet gevraagd werd naar vier aanzuigpompen, die volgens haar risico geven op nog meer slijtage (vier mechanismen tegenover één). Zij wijst erop dat de verzoekende partij de pomp met vier aanzuigpompen uitrust om te kunnen voldoen aan de normen EN 1028-1 en EN 1028-2, terwijl de pomp van Fire Technics maar één aanzuigpomp nodig heeft om te voldoen aan de normen.Ten slotte wijst zij erop dat hier bovendien een puur technische discussie aan de orde is die alleszins het betoog in het kader van een uiterst dringende procedure voor de Raad van State overstijgt en daar geenszins thuishoort nu dit eerder een gespreksonderwerp zou kunnen zijn voor ingenieurs doch niet voor juristen.
De tussenkomende partij legt bovendien als stavingsstukken twee offertes voor herstellingen neer, uitgaande van de verzoekende partij, waarbij volgens haar uitdrukkelijk wordt aangegeven dat de pomp moet worden gedemonteerd en geopend.
Het bestek bevat onder meer de volgende wenselijke eis [W]: een aanzuigpomp afzonderlijk gemonteerd van de eigenlijke, met andere woorden de pomp moet niet gedemonteerd worden als de aanzuigpomp defect is, is een beduidend voordeel.
Deze wenselijke eis wordt in de bijlage 1 bij het verslag van nazicht als volgt beoordeeld:
XII-8324-12/23
Vanassche Fire Technics Somati Voldoet: 1 p Beter: 2 p Beter: 2p Gaat maar Pomp moet niet Pomp moet niet voor een gedemonteerd gedemonteerd stuk worden worden
De Raad van State lijkt niet bij machte de technische argumentaties in dit onderdeel van het middel op hun merites te beoordelen zonder deskundig advies, laat staan dat dit zou kunnen in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zoals de onderhavige.
Een beoordeling van deze grief in het verzoekschrift, lijkt de Raad van State immers te verplichten tot interpretatie van een technische besteksbepaling, evenals van diverse technische omschrijvingen en afbeeldingen in de offertes van beide inschrijvers. Het middelonderdeel heeft dan ook een dermate technische inslag dat het zich niet meteen aandient als een gegeven dat prima facie de Raad van State moet overtuigen van het ernstig karakter van het middel.
● Wat de inhoudelijke beoordeling van de [O]-specificatie aangaande de beschikbare massareserve betreft, voert de verzoekende partij in essentie aan dat de offerte van de nv Fire Technics ten onrechte beter werd beoordeeld dan haar offerte omdat bij de offerte van de nv Fire Technics een volledige, correcte gewichtsberekening zou ontbreken, terwijl die absoluut noodzakelijk zou zijn om de „beschikbare massareserve‟ correct te kunnen berekenen en dus om dit criterium correct te kunnen beoordelen.
Zij wijst erop dat die berekening in het bestek als [D]-specificatie – een eis waarvan de conformiteit moet worden aangetoond met de gepaste bewijsstukken – wordt vermeld, evenals op de in het bestek bepaalde sanctie bij gebrek aan de gevraagde documenten of de onvolledigheid ervan.
Volgens de verzoekende partij blijkt uit de offerte van de nv Fire Technics dat er belangrijke tekorten zijn in haar gewichtsberekening. Zo zou onder meer het gewicht van de uitrusting voor 500 kg minder in rekening gebracht zijn dan het reëel gewicht van die noodzakelijk vereiste uitrusting.
Die controle over de correctheid van berekening die de grondslag is voor de berekening van de beschikbare massareserve zou nog worden bemoeilijkt door het feit dat er in de offerte van de nv Fire Technics zelfs geen duidelijke inventaris is van de uitrusting waarin effectief wordt voorzien hetgeen impliceert dat het onmogelijk is die uitrusting met haar gewicht te bepalen.
Het bestek bevat onder meer de volgende onontbeerlijke eis [O]:
Beschikbare massareserve o Op het totaal minstens 3 %
o Op de vooras minstens 3 %
o Op de achteras minstens 3 %.
Deze eis wordt in de bijlage 1 bij het verslag van nazicht als volgt beoordeeld:
XII-8324-13/23
Vanassche Fire Technics Somati voldoet: 1 p beste: 3 p beter: 2p 3,6 % 9,6 % 9%
3,75 % 3,2 % 17,6 %
3,7% 14 % 3,1 %
Betere gewichtsverdeling dan bij de firma Somati
In de mate dat de verzoekende partij in dit middelonderdeel laat uitschijnen dat in de offerte van de nv Fire Technics een gedetailleerde gewichtsberekening zou ontbreken, lijkt het middelonderdeel feitelijke grondslag te missen, nu uit de stukken van het administratief dossier op het eerste gezicht blijkt dat de offerte wel degelijk een gedetailleerde gewichtsberekening bevat. Deze gewichtsberekening lijkt op het eerste gezicht tevens het gewicht van de uitrusting te omvatten aangezien onder meer wordt verwezen naar de belading van de cabine voor, de belading van de kasten voor en achter en het dak. In de mate dat de verzoekende partij nog opmerkt dat de offerte van de gekozen inschrijver geen duidelijke inventaris inzake de uitrusting zou bevatten, valt op het eerste gezicht op te merken dat een uitgebreide inventaris inzake de vereiste uitrusting reeds werd opgenomen in het bestek, die ook expliciet werd overgenomen in de offerte van de nv Fire Technics.
Het standpunt van de verzoekende partij dat de voor de nv Fire Technics in aanmerking genomen percentages voor massareserve niet controleerbaar zouden zijn door de aanbestedende overheid, lijkt op het eerste gezicht dan ook niet te kunnen worden gevolgd. Er wordt niet met de prima facie vereiste ernstig aangetoond dat de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld zou hebben door met deze gewichtsberekening rekening te houden.
In de mate dat de verzoekende partij daarnaast ten overvloede nog opmerkt dat de gewichtsberekening van inschrijver Somati zeer onvolledig zou zijn, toont zij op het eerste gezicht niet aan welk belang zij heeft bij deze kritiek.
● Wat de inhoudelijke beoordeling van de [O]-specificatie aangaande de statische kantelhoek betreft, voert de verzoekende partij in essentie aan dat zij uit jarenlange ervaring weet dat een kantelhoek van 29,5° niet haalbaar is, laat staan van een kantelhoek van 36,53° zoals voorzien in de offerte van de inschrijver Somati. Het resultaat van de kantelhoekberekening in de offerte van de nv Fire Technics is volgens haar een direct gevolg van de te lage gewichtsberekening. Ook de proef uit 2006 in de offerte van nv Fire Technics zou niet bruikbaar zijn omdat het zou gaan over een proef op een ander onderstel.
Bij gebrek aan nuttige informatie hadden aan de nv Fire Technics volgens haar geen punten mogen worden toegekend.
Volgens de verzoekende partij is de kantelhoek die zij in haar offerte heeft vermeld bovendien evenwaardig aan deze van de nv Fire Technics aangezien zij in haar offerte ook een kantelhoek van 29,3° heeft vermeld.
Het bestek bevat onder meer de volgende onontbeerlijke eis [O]:
XII-8324-14/23
Statische kantelhoek van het geladen voertuig is conform NBN EN 1846 –
Deze eis wordt in de bijlage 1 bij het verslag van nazicht als volgt beoordeeld:
Vanassche Fire Technics Somati voldoet: 1 p beter: 2 p beste: 3p 27° 29,5° 36,53°
In de mate dat de verzoekende partij ook in het kader van dit onderdeel van het middel wijst op een te lage gewichtsberekening, kan worden verwezen naar hetgeen reeds werd opgemerkt bij de beoordeling van het vorige onderdeel van het middel. De verzoekende partij blijft voorts in het kader van dit onderdeel van het middel in gebreke op een concrete wijze uiteen te zetten met welke delen van de superstructuur de nv Fire Technics in haar gewichtsberekening geen rekening zou hebben gehouden.
Voorts dient op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat de nv Fire Technics in haar offerte vermeldt: Statische kantelhoek bedraagt ca 29,5°.
Zij legt daarbij tevens een testrapport voor van een volgens haar gelijkaardig voertuig als bijlage 3.
De verzoekende partij vermeldt daarentegen in haar offerte bij deze eis uitsluitend Conform, ≥ 27°. Wat de gevraagde test van een gelijkaardig voertuig betreft, merkt zij het volgende op:
Zie gewichtsberekening in bijlage E.
De berekende kantelhoek van 29,32° is een louter indicatieve en theoretische waarde en wordt niet geacht bereikt te worden bij een eventuele praktische kanteltest. Indien gewenst kan een statische kantelproef van het afgewerkte voertuig in onze werkplaatsen uitgevoerd worden. Een kantelhoek van ≥ 27° wordt in alle geval gegarandeerd.
Op het eerste gezicht gaat het dan ook de grenzen van een zorgvuldige beoordeling niet te buiten dat de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij, waarin een kantelhoek van 29,32° louter als indicatieve en theoretische waarde wordt vermeld, terwijl slechts een werkelijke kantelhoek van 27° wordt gegarandeerd, niet gelijkwaardig beoordeeld met een offerte waarin uitgegaan wordt van een effectieve statische kantelhoek van 29,5°, tevens ondersteund door een testrapport. Voorts schrijft het bestek op het eerste gezicht niet voor dat het testrapport betrekking moet hebben op hetzelfde voertuig als het in de offerte aangeboden voertuig, doch slechts dat een test van een gelijkaardig voertuig diende te worden voorgelegd. De verzoekende partij toont op het eerste gezicht niet aan waarom het bij de offerte van de nv Fire Technics gevoegde testrapport niet aan dit vereiste voldoet.
● Wat de inhoudelijke beoordeling van de [O]-specificatie aangaande de maximale belasting betreft, voert de verzoekende partij nog aan dat de verwerende partij zich bij de beoordeling van haar offerte ertoe beperkt om de bevestiging op bladzijden 108 en 109 van haar offerte over te nemen zonder na te gaan wat de precieze maximale belasting volgens de verplicht
XII-8324-15/23
bij de offerte te voegen berekening van de aandrijflijn is, zoals opgenomen op bladzijde 190 van haar offerte (bijlage B). Nochtans verwijst haar offerte op bladzijde 109 expliciet naar haar berekening aandrijflijn en meettabel in bijlage B. Uit die berekening in bijlage B blijkt volgens de verzoekende partij dat in de meest belastende werkingsmodus de belasting van de PTO in haar offerte dus slechts 80 % bedraagt zodat zij hiervoor 3 punten had moeten toebedeeld krijgen, en de nv Fire Technics slechts 2
punten.
Het bestek bevat onder meer de volgende onontbeerlijke eis [O]:
De PTO wordt in maximale belasting maximaal 90 % van de maximale capaciteit belast Deze eis wordt in de bijlage 1 bij het verslag van nazicht als volgt beoordeeld:
Vanassche Fire Technics Somati voldoet: 1 p Beste: 3 p Volgens gegarandeerd 84 % berekening 96 %
onder 90 % dit gaat over de maximum: 0 p
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij in haar offerte in de inventaris van de eisen onder meer opmerkt: De maximale belasting van de PTO is in deze omstandigheden gegarandeerd PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.772