Court dismisses appeal against administrative fine for hunting near private land without permission.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the cassation appeal filed by François Floré against an administrative fine imposed by the Flemish Region. The court confirmed that Floré violated hunting regulations by using a hunting hut less than 200 meters from private land and hunting on another's territory without explicit consent. Although Floré claimed he had permission from the landowner, the court found this assertion contradicted by the landowner's own written email confirming no such permission existed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 2 of the Hunting Hut Regulation of 17 August 1964; Article 7 of the Hunting Decree of 24 July 1991: An administrative fine is validly imposed when a hunter uses a hunting hut within 200 meters of private land or hunts on another's property without the owner's explicit written consent.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.770 van 23 maart 2017
in de zaak A. 219.382/VII-39.686.
In zake : Fran çois FLORÉ
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. MHHC/M/1516/0106 van het Milieuhandhavingscollege van 21 april 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit van 31 maart 2015, houdende het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete wegens schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 augustus 1964 tot regeling van het gebruik van jachtkansels met het oog op de uitoefening van de jacht (hierna: Jachtkanselbesluit) en van artikel 7 van het jachtdecreet van 24 juli 1991, ongegrond wordt verklaard.
VII-39.686-1/7
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 9 juni 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stijn Van Hulle, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-39.686-2/7
III. Feiten
3.1. Op 19 juni 2013 stelt de toezichthouder voor het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: ANB) vast dat verzoeker verschillende jachthutten heeft geplaatst. In totaal zijn er vijf hutten, op ongeveer 100, 30, 25, 6, en 3 meter van het bos. De toezichthouder treft verzoeker met jachtkarabijn en telescopische kijker aan in één van de jachthutten. Deze vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 1 juli 2013.
3.2. De toezichthouder voor het ANB treft op 19 mei 2014 verzoeker aan in zijn voertuig op de Wolfsvenweg, in bezit van een jachtkarabijn. Deze vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 22 mei 2014.
3.3. De gewestelijke entiteit legt op 31 maart 2015 voor beide vaststellingen samen een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 660 euro (110 euro vermeerderd met de toe te passen opdeciemen).
3.4. Verzoeker dient beroep in bij het Milieuhandhavingscollege.
Bij het bestreden arrest van 21 april 2016 wordt verzoekers beroep ongegrond bevonden. Het voorliggende cassatieberoep viseert de volgende overweging uit het arrest:
“Evenmin wordt betwist dat het gebruik van een jachtkansel op het ogenblik van de feiten verboden was. Het gegeven dat artikel [2] van het Jachtkanselbesluit nadien vervangen is door artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend […] is ter beoordeling van de feiten die zich hebben voorgedaan in juni 2013 niet relevant”.
VII-39.686-3/7
IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
4. Het verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord, bevat eveneens onder meer een aantal argumenten ten gronde.
Aangezien de procedureregeling inzake de cassatieberoepen niet in deze mogelijkheid voorziet, wordt het stuk uit het debat geweerd in de mate dat het meer inhoudt dan het loutere verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord.
V. Onderzoek van het enig middel
Standpunt van verzoeker
5. In een enig middel voert verzoeker aan dat het arrest met de genoemde overweging artikel 2 van het strafwetboek schendt, door te oordelen dat het gegeven dat artikel 2 van het Jachtkanselbesluit na de feiten werd opgeheven en werd vervangen door artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend (hierna: Jachtvoorwaardenbesluit), irrelevant is “ter beoordeling van de feiten die zich hebben voorgedaan in juni 2013”.
Verzoeker betoogt dat het in juni 2013 geldende artikel 2 van het Jachtkanselbesluit bepaalde dat het bij de uitoefening van de jacht verboden is om zich met een jachtwapen te bevinden op of gebruik te maken van jachtkansels gelegen op minder dan 200 meter van elk terrein waarvan het jachtrecht aan een ander toebehoort - wat impliceert dat men geen jachtkansel mocht plaatsen op een afstand van minder dan 200 meter van andermans eigendom, terwijl het op 1 juli 2014 in werking getreden artikel 5 van het Jachtvoorwaardenbesluit inhoudt dat het verboden is zich met een jachtwapen te bevinden op jachtkansels die op minder dan 150 meter liggen van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder.
VII-39.686-4/7
Hij vervolgt dat de feiten die hem worden verweten op het ogenblik van de uitspraak van de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer van 31 maart 2015 gedepenaliseerd waren, en bijgevolg niet langer een milieumisdrijf vormden in de zin van artikel 16.1.2.2°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De bestuurlijke overheid heeft volgens hem bijgevolg ten onrechte geoordeeld dat het milieumisdrijf vaststaat en heeft op die grondslag een bestuurlijke geldboete opgelegd.
Beoordeling
6. Uit de stukken waarop de Raad van State als cassatierechter vermag acht te slaan blijkt dat de beslissing van de gewestelijke entiteit van 31 maart 2015 stelt:
“Overwegende dat het toenmalige artikel 2 van het Jachtkanselbesluit bepaalt dat bij de uitoefening van de jacht het verboden is om zich met een jachtwapen te bevinden op of gebruik te maken van jachtkansels, gelegen op minder dan 200 m van:
1° elk terrein waarvan het jachtrecht aan een ander toebehoort, met uitzondering van de terreinen die gelegen zijn binnen of grenzen aan een erkende wildbeheereenheid, na onderling schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouders indien het jachtrecht wordt uitgeoefend of van de betrokken terreinbeheerders indien het jachtrecht niet wordt uitgeoefend en van de eigenaar van dit terrein;
2° [...]
Overwegende dat vermoedelijke overtreder gebruik maakte van een jachtkansel, i.c. een jachthut, die hem in staat stelde te kunnen schieten boven het normale niveau van de grond; dat deze jachthut zich bevond op minder dan 200 m van een terrein waarvan het jachtrecht toebehoort aan de heer Aerden.
Overwegende dat artikel 7 van het Jachtdecreet bepaalt dat het verboden is te eniger tijd en op enigerlei wijze te jagen op andermans grond zonder uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar of rechthebbende.
Overwegende dat vermoedelijke overtreder zich op 19 mei 2014 gewapend op de Wolfsvenweg bevond en hij antwoordde „ik kom jagen‟ op de vraag van verbalisant wat hij daar kwam doen; dat vermoedelijke overtreder niet gemachtigd was om te jagen op het jachtterrein van een derde.
Overwegende dat vermoedelijke overtreder betwist dat hij gejaagd heeft op het terrein van een derde zonder toestemming; dat hij toestemming had van de heer Aerden om te jagen op zijn jachtterrein.
Overwegende dat dit echter tegengesproken wordt door de heer Aerden die
VII-39.686-5/7
uitdrukkelijk schriftelijk bevestigt in een e-mail dd. 21 mei 2014 dat vermoedelijke overtreder geen toestemming had om op zijn jachtterrein te jagen.
Overwegende dat bovenvermelde feiten een schending uitmaken van het toenmalige artikel 2 van het Jachtkanselbesluit en van artikel 7 van het Jachtdecreet.
Overwegende dat bovenvermelde feiten vallen onder de definitie van milieumisdrijf conform artikel 16.1.2.2° DABM waarvoor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
Overwegende dat het milieumisdrijf vaststaat in hoofde van de overtreder”.
Het middel dat ervan uitgaat dat de bestuurlijke geldboete werd opgelegd omdat de jachtkansel zich te dicht bij het domein Wolfsheuvel, eigendom van het Vlaamse Gewest, zou hebben bevonden, mist feitelijke grondslag.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
VII-39.686-6/7
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.686-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.770