Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.769 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.769 Généré par l'IA

Court annuls Flemish minister's decision due to insufficient motivation regarding planning compatibility and industrial scale assessment.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.769
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the Flemish Minister's decision to grant a waste recycling permit to Baldewijns & Co, declaring the underlying administrative decision void. The applicants argued the minister failed to properly assess the facility's compatibility with the KMO zone plan and incorrectly classified the activities as non-industrial. The court ruled that the motivation was legally insufficient because it did not explain how the specific scale and nature of the activities were weighed against planning objectives, distinguishing urban planning from mere environmental technicality.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 2 and 3 of the Motivation Act; The administrative decision must provide a reasoned assessment of the facility's compatibility with the spatial plan, specifically addressing the scale and nature of activities, rather than merely stating environmental impacts are acceptable.

Mots-clés

Généré par l'IA
insufficient motivation spatial planning compatibility waste recycling permit KMO zone designation administrative review autorisation dérogatoire de construire équipement de détail terrain propre à la construction

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 2 and 3 of the Motivation Act
Article 8.2.1.3 of the Installation Decree

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 228.881 van 23 oktober 2014
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.769 van 23 maart 2017

in de zaak A. 212.382/VII-39.115.

In zake : 1. Marleen DENDAS

2. Peter BRAUNS

3. Tom THEUNISSEN

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de BVBA BALDEWIJS & CO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 5 mei 2014, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 19 februari 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 1 september 2011, houdende het weigeren van de vergunning aan de BVBA Baldewijns & Co voor de

VII-39.115-1/15

exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale, gelegen aan de Albertkanaalstraat te Hasselt, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de milieuvergunning onder voorwaarden wordt verleend.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 228.881 van 23 oktober 2014 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld.

De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Veerle Huysman, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt

VII-39.115-2/15

voor de verwerende partij, en advocaat Philippe Van Wesemael, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 10 februari 2011 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor de exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale.

Deze aanvraag heeft betrekking op een nieuwe exploitatie voor de recuperatie van bouw- en sloopafval afkomstig van het bouwen, renoveren en slopen van gebouwen en constructies of van de aanleg en opbraak van wegen.

Indien er zich voldoende puin op de betrokken terreinen zou bevinden, zou er een breek- en zeefinstallatie worden gehuurd voor verdere sortering en afbraak van het puin. De betoncentrale dient voor de aanmaak van mager beton en het mengen van toevoegstoffen aan de gerecupereerde grond. Ook snoeihout zal worden aangevoerd, waarvoor een verhakselaar zal worden gehuurd. Voorts is er nog voorzien in een garageherstelwerkplaats voor onderhoud aan het rollend materieel en in een brandstofverdeelinstallatie voor de verdeling van mazout en diesel.

3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden 25 bezwaarschriften ingediend.

3.3. Op 1 september 2011 weigert de deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde vergunning.

VII-39.115-3/15

3.4. De tussenkomende partij dient hiertegen beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. De minister verleent de gevraagde vergunning mits naleving van een aantal bijzondere voorwaarden ter voorkoming van stofhinder, geluidshinder, bodem- en grondwaterverontreiniging en maatregelen in verband met de natuur.

3.5. De Raad van State vernietigt bij arrest nr. 224.588 van 10 september 2013 deze beroepsbeslissing.

3.6. In het kader van het nieuwe onderzoek van het beroep tegen de beslissing van de deputatie worden nogmaals de adviesinstanties geraadpleegd:

a) op 10 oktober 2013 handhaaft de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij haar gunstig advies;

b) het departement Ruimte Vlaanderen, afdeling Gebieden en Projecten geeft op 29 oktober 2013 een negatief advies:

“[…]

Het ministerieel besluit van 20 februari 2013 gaf mits voorwaarden, onder meer inzake de aanleg van buffers op het terrein, de milieuvergunning. De Raad van State heeft bij arrest nr. 224.588 van 10 september 2013 deze beslissing vernietigd om reden van onvoldoende motivering tot planologische en technisch-stedenbouwkundige verenigbaarheid. Het arrest verwijst ook naar het ongunstig advies van 8 december 2011 van de toenmalige afdeling Stedenbouwkundig Beleid.

Dit advies nam de argumentatie over van de vraag tot vernietiging die gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar op 14 december 2010 bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft ingesteld tegen de stedenbouwkundige vergunning van de deputatie.

Onderwijl is het bijzonder plan van aanleg ‘KMO zone Ronste Weyer’ nog steeds in stadium van ontwerp, er zijn dus geen wijzigende juridische omstandigheden ten opzichte van december 2010.

Het departement ziet geen reden tot wijzigend standpunt en blijft bij zijn ongunstige beoordeling zoals verwoord in het eerder advies en in het beroepschrift bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen”;

c) de afdeling Operationeel Waterbeheer deelt op 28 oktober 2013 mee dat het beroep geen elementen bevat die rechtstreeks betrekking hebben op rubrieken waarvoor zij advies geeft;

VII-39.115-4/15

d) de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert (voorwaardelijk) gunstig wat betreft de lozing van 1 m³/uur - 5 m³/dag - 400 m³/jaar bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater “indien voldaan aan de algemene voorwaarden voor het lozen van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater”;

d) het advies van 5 november 2013 van de afdeling Milieuvergunningen is voorwaardelijk gunstig. Er worden bijzondere voorwaarden opgelegd in verband met stofhinder, geluidshinder, bodem- en grondwaterverontreiniging en in verband met de natuur, met de mobiliteit en de lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater;

e) de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 12 november 2013 voor om de milieuvergunning te verlenen mits het opleggen van een reeks bijzondere voorwaarden ter voorkoming van stofhinder, geluidshinder, bodem- en grondwaterverontreiniging, betreffende maatregelen in verband met de natuur, maatregelen in verband met de mobiliteit en de lozing van bedrijfsafvalwater op oppervlaktewater;

f) het Agentschap voor Natuur en Bos deelt op 14 november 2013 het volgende mee:

“[...]

Op basis van de ongewijzigde dossierinhoud heeft het ANB geen bijkomende opmerkingen om het al verleende advies (11-08482) voor de (ingevolge vernietiging van het MB door Raad van State) te hernemen beroepsprocedure te wijzigen. Er zijn geen elementen die aanleiding geven tot een herziening van eerder gegeven adviezen. Van bijzonder belang zijn de mitigerende maatregelen die meegenomen zijn in het uiteindelijke advies en de passende beoordeling (11-06098).

Aangezien de argumenten en de bespreking door de Raad van State niet handelen over zaken van het Agentschap voor Natuur en Bos maar ingaan op het aanpassen van de milieuvergunning in de stedenbouwkundige bestemming geeft het ANB geen specifiek advies over de inhoud en de gevolgtrekkingen van het arrest van 10 september 2013 van de Raad van State”;

g) het departement Mobiliteit en Openbare Werken, Beleid Mobiliteit en verkeersveiligheid, besluit zijn advies als volgt:

“Door de nieuwe activiteiten van de aanvrager in de KMO-zone wordt buiten de locatie verkeershinder en omgevingshinder veroorzaakt zowel aan de laad-

en loskade aan de kerk van Stokrooie als in de kernen op de routes naar en van

VII-39.115-5/15

het bedrijf. Er is ook hinder voor het fietsverkeer op de functionele fietsroute op het jaagpad”.

3.7. Op 19 februari 2014 verleent de minister de gevraagde vergunning mits het opleggen van een aantal bijzondere voorwaarden ter voorkoming van stofhinder, ter preventie van geluidshinder, ter voorkoming van bodem- en grondwaterverontreiniging en omtrent maatregelen in verband met de natuur.

Dit is de bestreden beslissing, die onder meer als volgt luidt:

“Overwegende dat de gebieden voor ambachtelijke bedrijven of gebieden voor KMO’S, overeenkomstig artikel 8.2.1.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bestemd zijn voor kleine en middelgrote ondernemingen mede bestemd zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard;

Overwegende dat een individuele beoordeling van het bedrijf aan de orde is, rekening houdend met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten;

Overwegende dat het ontwerp voorziet in het bouwen van kantoren met conciërgewoning en een loods voor de opslag van materialen; dat het gebouw met een breedte van ongeveer 24,50 m en een lengte van ongeveer 134 m een dakrandhoogte heeft van 8,10 m voor het kantoorgedeelte en het eerste gedeelte van de loods en een dakrandhoogte van 12,10 m voor het tweede deel van de loods; dat de loods ten noorden ingeplant wordt tegen de perceelsgrens; dat aan de linker perceelsgrens een groenzone over een breedte van 15 m behouden blijft; dat de overige perceelsoppervlakte verhard wordt; dat aan de voorzijde van het gebouw aan de straatkant een parking en een in- en uitrit wordt voorzien; dat in het verlengde van de toegang een weegbrug geplaatst wordt met links ervan een betoncentrale en sleufsilo’s voor de opslag van grondstoffen;

Overwegende dat de inrichting een totale oppervlakte van ongeveer 3,9 ha heeft, waarvan ongeveer 0,5 ha wordt bebouwd en ongeveer 1,3 ha wordt uitgevoerd in waterdoorlatende verharding;

Overwegende dat de verwerking van een deel van het puin, het bouwafval en de grond op de site zal plaatsvinden: dat eveneens een betoncentrale wordt voorzien;

Overwegende dat het bedrijf een 32-tal werknemers tewerkstelt; dat er stalplaatsen zijn voor 42 voertuigen waarvan de helft van deze voertuigen gedurende langere periodes niet aanwezig is op het bedrijf;

Overwegende dat de activiteiten die zullen uitgevoerd worden, niet als grootschalige industrie kunnen worden aangemerkt; dat er bijgevolg inzake schaal van gebouwen en terreinoppervlakten geen doorverwijzing naar

VII-39.115-6/15

industriegebied nodig is; dat het geheel nog steeds als middelgrote onderneming kan aangemerkt worden; dat het bedrijf bijgevolg past in de gewestplanbestemming ‘gebied voor KMO’s’;

Overwegende dat de activiteiten van de bvba Baldewijns en co aansluiten bij deze van het naastgelegen bedrijf in de KMO-zone; dat het buurbedrijf leverancier is van bouwmaterialen en een opslagplaats voor allerhande bouwmaterialen exploiteert in de KMO-zone waarbij eveneens vrachtwagenverkeer wordt gegenereerd om de verhandelde bouwmaterialen te transporteren”.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de verwerende partij

4. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partijen als voorwerp van het beroep de beslissing van 20 februari 2013 aanduiden, die reeds door de Raad van State werd vernietigd, zodat het beroep manifest geen voorwerp heeft.

5. De tussenkomende partij voert aan dat de verzoekende partijen hun belang niet concreet aantonen. Er zouden volgens haar voldoende waarborgen voorhanden zijn ter beperking van de geluids- en stofhinder, en de toename van de verkeershinder is volgens haar “al even hypothetisch”.

Beoordeling

6. Zoals de verwerende partij ook zelf aangeeft, hebben de middelen betrekking op de nieuwe beslissing van 19 februari 2014, die overigens als bijlage bij het verzoekschrift is gevoegd. De verzoekende partijen hebben geen verwarring gecreëerd over het voorwerp.

In arrest nr. 224.588 van 10 september 2013 inzake de schorsing heeft de Raad van State het rechtens vereiste belang van de verzoekende partijen aanvaard. De tussenkomende partij brengt geen elementen aan om het belang bij de nietigverklaring anders te beoordelen.

VII-39.115-7/15

De excepties worden verworpen.

V. Onderzoek van het eerste middel, eerste onderdeel

Standpunten van de partijen

7. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel de schending aan van artikel 17, eerste lid, van het decreet van 28 juni 1985

betreffende de milieuvergunning, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), artikel 21, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, de artikelen 8.2.1.3, 12.4.2 en 13.4.3.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), van het koninklijk besluit van 3 april 1979 houdende vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

In het eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen in essentie dat de aanvraag geen ambachtelijk bedrijf of KMO betreft, maar wel een industriële onderneming, en dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet kan worden opgemaakt dat het wel om een ambachtelijk bedrijf of een KMO gaat.

Dit klemt volgens hen des te meer nu de deputatie, de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar en het departement Mobiliteit de wenselijkheid van een industriële onderneming in een KMO-zone in vraag stellen.

8. De verwerende partij stelt hier tegenover dat de planologische toetsing in het kader van de milieuvergunning niet absoluut mag worden opgevat, maar dient te gebeuren vanuit de specifieke opdracht om de hinder voor mens en dier op het milieu tot een aanvaardbaar niveau te beperken, en dat deze toets niet

VII-39.115-8/15

samenvalt met de beoordeling in het kader van een bouwvergunningsaanvraag.

Volgens haar blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing duidelijk dat de inrichting te beschouwen is als middelgrote onderneming en niet in strijd is met de planologische voorwaarden. Zij wijst erop dat in de bestreden beslissing verschillende criteria worden aangehaald en besproken als de omvang van het bedrijf, de aard van de eigen activiteit en de aard van de activiteit van het buurbedrijf in de KMO-zone. De bestreden beslissing is volgens haar dus getroffen met respect voor het motief dat het arrest van 10 september 2013 schraagde. Ook zou de planologische verenigbaarheid duidelijk en formeel zijn gemotiveerd aan de hand van relevante criteria zoals oppervlakte van inrichting en hinder van de activiteiten. Het negatieve advies van het departement Mobiliteit en Openbare werken is volgens haar impliciet maar afdoende weerlegd. Voorts wijst de verwerende partij op een arrest waarin de Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk bedrijf niet onverenigbaar is met de bestemming KMO.

9. De tussenkomende partij betoogt dat artikel 8 van het inrichtingsbesluit geen criteria bevat om uit te maken of een commerciële inrichting een ambachtelijk bedrijf of KMO vormt. Zij wijst op de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de overheid beschikt. Volgens haar heeft de verwerende partij wel degelijk uitgebreid gemotiveerd waarom de activiteiten van de verzoekende partijen verenigbaar zijn met de gewestplanbestemming, door bij die beoordeling verschillende aspecten zoals de schaal, de aard van de activiteiten, het aantal werknemers en vervoersbewegingen te betrekken.

Anders dan in het auditoraatsverslag inzake de schorsing wordt voorgehouden, heeft de minister, steeds volgens de tussenkomende partij, wel degelijk onderzocht of de hinderlijke aard van de activiteiten verenigbaar is met een KMO-zone. De minister gaat daarbij volgens de tussenkomende partij verder dan het opsommen van cijfermatige gegevens, en doorheen de motivering zou het hinderlijk karakter van de inrichting en de bestaanbaarheid ervan met de onmiddellijke omgeving wel degelijk zijn onderzocht. Volgens haar tonen de

VII-39.115-9/15

verzoekende partijen niet aan dat het bedrijf er niet in thuishoort en beperken zij zich tot louter hypothetische kritiek.

10. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij vooreerst dat zij “in het eerste onderdeel van het eerste middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift een aangevoerde schending (leest) van artikel 8 Inrichtingsbesluit op grond van materiële motieven”, en dat in het auditoraatsverslag, doordat de formelemotiveringsvereiste wordt onderzocht en hiervan een schending wordt vastgesteld, een nieuw middel wordt opgeworpen.

Ten gronde stelt de verwerende partij dat uit artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit niet kan worden afgeleid welke criteria determinerend zouden zijn om de verenigbaarheid met de bestemming te toetsen en dat zij dan ook zelf binnen haar discretionaire bevoegdheid bepaalt welke elementen er van belang zijn.

Volgens de verwerende partij kan er geen tegenspraak in de motivering bestaan wat betreft de omvang van de activiteit, aangezien die volgens haar niet determinerend is.

11. De tussenkomende partij merkt in haar laatste memorie op dat de Raad van State meermaals heeft gesteld dat niet zozeer de hinderlijkheid voor de omgeving een rol speelt voor de kwalificatie van een KMO, maar wel de omvang van de productie. Daarnaast haalt zij een aantal aspecten uit de bestreden beslissing aan die de verwerende partij ertoe hebben gebracht de inrichting niet te beschouwen als “grootschalige industrie”.

Beoordeling

12. Luidens de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moeten alle bestuurshandelingen met een individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd, waarbij de juridische en feitelijke overwegingen die aan de basis van

VII-39.115-10/15

de beslissing liggen, moeten worden vermeld en afdoende moeten zijn om de beslissing te verantwoorden. Dit afdoende karakter betekent dat de gegeven motivering pertinent moet zijn, met andere woorden duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en draagkrachtig moet zijn, zodat de aangehaalde redenen volstaan om de beslissing te dragen.

De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in het hem aanbelangende besluit zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan het werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan, of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is het besluit met een annulatieberoep te bestrijden.

In hun verzoekschrift roepen de verzoekende partijen bij het eerste middel onder meer de schending in van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Met betrekking tot het eerste onderdeel citeren zij uit de motivering van de bestreden beslissing en voegen zij toe:

“De Raad zal vaststellen dat uit de motivering wederom niet kan worden opgemaakt waarom de aanvraag kan worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of KMO”.

Hiermee verwijzen zij wel degelijk naar de motiveringswet en de daarin vervatte formelemotiveringsplicht.

De exceptie van de verwerende partij is niet gegrond en het middel is ontvankelijk.

13. De vergunde inrichting is volgens het gewestplan Hasselt-Genk gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen en gedeeltelijk in bosgebied en natuurgebied. In het kader van het

VII-39.115-11/15

onderzoek van de wettigheid van de verleende milieuvergunning moet de Raad van State nagaan of het bestuur naar behoren heeft onderzocht of het bedrijf, gelet op zijn hinderlijke aard, een plaats heeft in dit gebied. Dit onderzoek moet zijn weerslag vinden in de motivering van de beslissing.

De bestreden beslissing verwijst thans naar artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit, dat als volgt luidt:

“Artikel 8

2.1. Voor de industriegebieden kunnen de volgende nadere aanwijzingen worden gegeven:

2.1.1. de gebieden voor vervuilende industrieën.

Deze zijn bestemd voor de vestiging van bedrijven die ter bescherming van het leefmilieu moeten worden afgezonderd;

2.1.2. de gebieden voor milieubelastende industrieën.

Deze zijn bestemd voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd;

2.1.3. de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard”.

De minister overweegt vervolgens dat “een individuele beoordeling van het bedrijf aan de orde is, rekening houdend met de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten”. Vervolgens somt zij een aantal kwantitatieve gegevens op inzake het bouwkundig ontwerp van gebouwen en toebehoren, de ingenomen oppervlakte, en het aantal werknemers en voertuigen.

Tevens wijst zij op de verwerking van puin, bouwafval en grond ter plaatse.

Zij besluit dat “de activiteiten die zullen uitgevoerd worden niet als grootschalige industrie kunnen worden aangemerkt; dat er bijgevolg inzake schaal van gebouwen en terreinoppervlakten geen doorverwijzing naar industriegebied nodig is; dat het geheel nog steeds als middelgrote onderneming kan worden aangemerkt; dat het bedrijf bijgevolg past in de gewestplanbestemming ‘gebied voor KMO’s’”.

VII-39.115-12/15

De minister steunt haar oordeel dat de inrichting past binnen de gewestplanbestemming KMO-zone uitsluitend op een opsomming van kenmerken zoals schaalgrootte van gebouwen en terreinoppervlakten, waarbij de hinderlijke aard van de activiteiten onderbelicht blijft. Dit is nochtans wel een relevant criterium. Uit de formele motivering kan niet worden afgeleid hoe de minister precies tot de conclusie komt “dat de activiteiten die zullen uitgevoerd worden niet als grootschalige industrie kunnen worden aangemerkt”.

Bovendien werd reeds in het aangehaalde vernietigingsarrest onder meer aangegeven dat het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag en de hinderlijke aard van de inrichting een nader onderzoek vergen van de verenigbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming.

De vergunningsaanvraag heeft onder andere betrekking op de opslag en mechanische behandeling van inerte afvalstoffen met een totale omvang van 38.500 m³, de opslag en mechanische behandeling van andere niet-gevaarlijke afvalstoffen voor een totaal van 7.950 ton, opslagplaatsen voor oxiderende, schadelijke, … stoffen (circa 210 ton), opslag van vloeistoffen, ertsen en mineralen, mortel- en betoncentrale, enzovoort.

Uit de motivering blijkt niet hoe het voorwerp, meer bepaald de omvang en de aard van de activiteiten van de vergunningsaanvraag, in de beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting met deze KMO-zone werd betrokken.

De regelgeving op de ruimtelijke ordening en de milieuwetgeving hebben elk een eigen finaliteit. Dit betekent dat een stedenbouwkundige beoordeling niet verengd kan worden tot een louter milieutechnische beoordeling. De afweging of de inrichting, in acht genomen de hinderlijke aard, stedenbouwkundig aanvaardbaar is, is van een andere aard en orde dan de loutere vaststelling dat de hinder tot “een aanvaardbaar niveau” kan worden beperkt.

VII-39.115-13/15

De motivering van de bestreden beslissing voldoet niet aan de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. De toets van de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming in het licht van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit is ontoereikend.

Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 19 februari 2014 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 1 september 2011, houdende het weigeren van vergunning aan de BVBA Baldewijns & Co voor de exploitatie van een inrichting voor transport en recuperatie van bouw- en sloopafval met betoncentrale, gelegen aan de Albertkanaalstraat te Hasselt, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de milieuvergunning onder voorwaarden wordt verleend.

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1.200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, verschuldigd aan de verzoekende partijen.

De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.

VII-39.115-14/15

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.115-15/15

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.769