Court annuls environmental college ruling for misapplying garage classification criteria regarding lift usage.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Environmental Enforcement College's decision declaring the administrative fine against Grigor Penchev valid. The college had incorrectly classified the garage based solely on the presence of a lift or inspection pit, ignoring the specific operational components required for the higher classification. The court ruled that the college failed to determine whether the garage actually utilized the specific equipment mandated by the relevant regulatory schedule, rendering the classification error. Consequently, the appeal was dismissed, the fine was set aside, and the case was remitted to a reconstituted college for a new decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4, § 2 of the Environmental Permitting Decree and Article 2, § 1 of the Flemish Environmental Regulation; The environmental enforcement body must ascertain the actual operational components of a facility to correctly apply the mandatory notification schedule, rather than relying on generic equipment presence.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.768 van 23 maart 2017
in de zaak A. 220.064/VII-39.750.
In zake : het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
Grigor PENCHEV
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 19 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. MHHC/M/1516/0150 van het Milieuhandhavingscollege van 12 juli 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit van 6 juli 2015, houdende het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete wegens het exploiteren van een standaardgarage zonder daarvan melding te hebben gedaan en wegens het niet respecteren van de milieuvoorwaarden daaromtrent, gegrond wordt verklaard.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 7 september 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend.
VII-39.750-1/8
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 5 juni 2012 doet de toezichthouder van de dienst Milieutoezicht van de stad Gent verschillende vaststellingen inzake milieuhygiëne in de autoherstelwerkplaats van de verwerende partij. Deze vaststellingen worden opgenomen in een proces-verbaal van 18 juni 2012. Op 10 juli 2012 en 9 november 2012 stelt de toezichthouder navolgende processen-verbaal op ten laste van de verwerende partij.
3.2. Nadat de gewestelijke entiteit voor deze feiten een alternatieve bestuurlijke geldboete van 1.020 euro had opgelegd, tekent de verwerende partij beroep aan bij het Milieuhandhavingscollege.
VII-39.750-2/8
3.3. Het bestreden arrest is in essentie als volgt gemotiveerd:
“Volgens bijlage 1 VLAREM I 15.5. moet een standaardgarage ten minste één of meer van de volgende onderdelen omvatten:
- Werkplaatsen voor het nazicht, herstellen of onderhouden van motorvoertuigen met:
o Maximum 4 schouwputten of hefbruggen wanneer in ander gebied dan industriegebied o Maximum 10 schouwputten of hefbruggen wanneer in industriegebied - Lak-installatie (Indelingsbesluit: ‘installaties voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen waarmee enkel producten voor het overspuiten van voertuigen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen zoals conform EG-richtlijn 2004/42/EG’) waarvan capaciteit van:
o 5 kw-25 kw wanneer in gebied ander dan industriegebied o 5 kw-60
2. Het proces-verbaal stelt uitdrukkelijk: ‘In de werkplaats zijn geen hefbruggen noch schouwputten aanwezig.’ Evenmin wordt er melding gemaakt van een lak-installatie (enkel wordt melding gemaakt van een compressor van minder dan 5 Kw). Ook in het fotomateriaal zijn deze onderdelen niet te vinden.
Derhalve voldoet de betrokken inrichting niet aan de indelingscriteria van rubriek 15.5. VLAREM I bijlage 1 en kan de inrichting dus niet als ‘standaardgarage’ gekwalificeerd worden.
Werkplaatsen zonder hefbruggen of schouwputten of zonder een lak-installatie vallen onder het toepassingsgebied van bijlage 1 VLAREM
rubriek 15.2:
‘werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegri[p] van carrosseriewerkzaamheden), andere dan deze bedoeld in rubriek 15.3 en 15.5.’ Hierdoor vervalt de rechtsgrond voor alle in de bestreden beslissing ten laste gelegde inbreuken op de milieuhygiëne-wetgeving die betrekking hebben op ‘hoofdstuk 5bis.15.5, inrichtingen bedoeld in rubriek 15.5 van VLAREM II
aangezien deze artikelen milieuvoorwaarden opleggen specifiek voor standaardgarages.
Artikel 5BIS.15.5.1.1 VLAREM II stelt immers dat de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing zijn op de standaardgarages en -carrosseriebedrijven bedoeld in rubriek 15.5 van de indelingslijst.
Het middel is gegrond”.
VII-39.750-3/8
IV. Onderzoek van het enig middel
Standpunt van de verzoekende partij
4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) en van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), iuncto rubriek 15.5
van de Indelingslijst (bijlage 1 bij Vlarem I). Het Milieuhandhavingscollege geeft volgens haar een foutieve lezing aan genoemde rubriek 15.5, en legt bovendien een foutief verband tussen die rubriek en rubriek 15.2.
Ten tijde van de vaststellingen luidde de omschrijving van indelingsrubriek 15.5 als volgt:
“Standaardgarages en -carrosseriebedrijven Garages en/of carrosseriebedrijven die:
1° ten minste één of meer van de volgende onderdelen omvatten:
a) werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (al of niet met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) met gebruik van maximum 4 schouwputten of hefbruggen, wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in een gebied ander dan industriegebied, respectievelijk maximum 10 schouwputten of hefbruggen, wanneer volledig gelegen in industriegebied b) installaties voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen waarmee enkel producten voor het overspuiten van voertuigen worden aangebracht met een maximaal gehalte aan vluchtige organische stoffen, zoals conform de EG-richtlijn 2004/42/EG
bepaald in bijlage 2B van het koninklijk besluit van 7 oktober 2005 inzake de reductie van het gehalte aan vluchtige organische stoffen in bepaalde verven en vernissen en in producten voor het overspuiten van voertuigen (zie B van voetnota onder rubriek 4.3, b)), met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 5 kW tot en met 25 kW wanneer volledig of gedeeltelijk gelegen in gebied ander dan industriegebied, respectievelijk van 5 kW tot en met 60 kW wanneer volledig gelegen in industriegebied 2° en verder, benevens de niet-ingedeelde aanhorigheden, uitsluitend bijkomend één of meer van de volgende onderdelen omvatten:
[...]”.
VII-39.750-4/8
De tenlastegelegde inbreuken hebben betrekking op inbreuken tegen bepalingen uit hoofdstuk 5bis.15.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) die gelden voor de exploitant van inrichtingen als bedoeld in de voormelde rubriek 15.5.
De verzoekende partij argumenteert dat de term “maximum” van cruciaal belang is: het gaat volgens haar om een drempelwaarde die een bovengrens afbakent, maar de indelingsrubriek bepaalt geen ondergrens. Een inrichting ressorteert onder rubriek 15.5 als ze een werkplaats voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (al of niet met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) omvat, en bovendien minstens één van de onder artikel 15.5.2° opgesomde onderdelen. Opdat er sprake zou zijn van zulk een werkplaats is volgens haar niet de aanwezigheid van minstens één hefbrug of schouwput vereist. Als een inrichting niet de onder 1°, b), bedoelde installatie omvat, en geen hefbruggen en/of schouwputten in een aantal waardoor zij zou ressorteren onder rubriek 15.3, zal de werkplaats volgens haar wanneer er minstens één van de onder het 2° opgesomde onderdelen bestaan, ressorteren onder rubriek 15.5, en anders onder rubriek 15.2.
Beoordeling
5. Tot 31 januari 2007 kent de Indelingslijst rubriek 15.2
(meldingsplicht als inrichting klasse 3) “Werkplaatsen voor het herstellen van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) andere dan bedoeld in rubriek 15.3” en rubriek15.3 (vergunningsplicht als inrichting klasse 2)
“Werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen met gebruik van meer dan één schouwput of brug (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden)”.
VII-39.750-5/8
Met inwerkingtreding op 1 februari 2007 wordt voor deze werkplaatsen de grens tussen de meldingsplicht klasse 3 en de vergunningsplicht klasse 2 verschoven. Rubriek 15.3 (klasse 2) betreft vanaf dan:
“Werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden), andere dan deze bedoeld in rubriek 15.5, met gebruik van meer dan:
1° 10 schouwputten of hefbruggen, wanneer de inrichting volledig is gelegen in een industriegebied 2° 4 schouwputten of hefbruggen, wanneer de inrichting volledig of gedeeltelijk is gelegen in een gebied andere dan het sub 1° vermelde industriegebied”.
Rubriek 15.2 (klasse 3) blijft (in essentie) behouden:
“Werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden), andere dan deze bedoeld in rubriek 15.3 en 15.5”.
Rubriek 15.5 (klasse 3) is nieuw voor werkplaatsen, en betreft, met “standaardgarages en -carrosseriebedrijven” als verzamelnaam, de inrichtingen als hoger bij de weergave van die indelingsrubriek aangegeven.
De rubrieken 15.2 en 15.5 behoren beide tot klasse 3 inrichtingen waarvoor enkel de meldingsplicht geldt. Wat dat betreft wordt geen onderscheid gemaakt naargelang er al dan niet een hefbrug of een schouwput wordt gebruikt.
Het onderscheid vindt zijn reden in de onder rubriek 15.5, 2°, opgesomde onderdelen. De Vlaamse regering heeft er voor geopteerd om het verhogen van de vergunningsdrempel gepaard te laten gaan met waarborgen voor de bescherming van mens en leefmilieu. Daartoe werd in Vlarem II een deel 5bis “Pakketten milieuvoorwaarden voor bepaalde ingedeelde inrichtingen derde klasse”
ingevoegd, waaronder een hoofdstuk 5bis.15.5, voor de inrichtingen van rubriek 15.5. Deze gedetailleerde milieuvoorwaarden hebben geen betrekking op het gebruik als zodanig van hefbruggen of schouwputten, maar op de exploitatie van de onder rubriek 15.5, 2°, opgesomde onderdelen. Het is dan ook het al dan niet
VII-39.750-6/8
exploiteren van minstens één van die onderdelen dat bepaalt of een inrichting ressorteert onder rubriek 15.2 of onder rubriek 15.5.
Het middel is gegrond inzoverre het aanvoert dat het Milieuhandhavingscollege rubriek 15.5 van de Indelingslijst heeft miskend door voor het indelen van een werkplaats voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen in rubriek 15.2 dan wel 15.5, als criterium het al dan niet gebruiken van een hefbrug of schouwput te hanteren.
Aangezien het Milieuhandhavingscollege zich niet heeft uitgesproken over de vraag of de inrichting ook een onder rubriek 15.5, 2°, opgesomd onderdeel omvat, kan uit de vastgestelde miskenning van die rubriek geen schending van artikel 4, § 2, van het milieuvergunningsdecreet of van artikel 2, § 1, van Vlarem I worden afgeleid.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt arrest nr. MHHC/M/1516/0150 van het Milieuhandhavingscollege van 12 juli 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de gewestelijke entiteit van 6 juli 2015, houdende het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete wegens het exploiteren van een standaardgarage zonder daarvan melding te hebben gedaan en wegens het niet respecteren van de milieuvoorwaarden daaromtrent, gegrond wordt verklaard.
2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van het Milieuhandhavingscollege en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
3. De zaak wordt verwezen naar het Milieuhandhavingscollege, anders samengesteld.
VII-39.750-7/8
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.750-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.768