Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.752 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.752 Généré par l'IA

Flemish court annuls environmental permit denial due to flawed reasoning on animal welfare and procedural errors.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.752
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Flemish Council of State annulled the Minister's decision rejecting NV Moerwegel Mink's request to expand its mink farm. The court found the Minister's reliance on the applicant's distance from Brussels as a justification for animal welfare concerns was legally flawed and insufficient. Consequently, the court ordered the Minister to issue a new decision within thirty days while rejecting the applicant's request for a specific order.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 100, § 1, 1st paragraph; 101, § 1, 1st paragraph of the Code of Administrative Justice: An administrative decision must be based on relevant and sufficient reasons; a decision rejecting a permit application based on a mere assertion of distance without concrete analysis of animal welfare risks is vitiated by a lack of reasoning.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative annulment environmental permit animal welfare lack of reasoning procedural error mink farming spatial planning autorisation dérogatoire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 100, § 1, 1st paragraph of the Code of Administrative Justice
Article 101, § 1, 1st paragraph of the Code of Administrative Justice
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 237.752 van 23 maart 2017

in de zaak A. 220.922/VII-39.856.

In zake : de NV MOERWEGEL MINK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 9 december 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 oktober 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 7 april 2016, houdende het verlenen aan de NV Moerwegel Mink van de vergunning voor de verandering van een nertsenkwekerij, gelegen aan de Moerwegel 8 te Moerbeke-Waas, gegrond wordt verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgesteld.

VII-39.856-1/8

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Erika Rentmeesters, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij exploiteert een nertsenfokkerij te Moerbeke-Waas.

3.2. Op 30 november 2015 dient zij een aanvraag in tot voortijdige hernieuwing en uitbreiding, voor een nieuw totaal van 18.198 dieren (waarvan 3.033 moederdieren).

3.3. Bij besluit van 7 april 2016 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de vergunning voor de uitbreiding van de inrichting, weliswaar enkel voor de lopende vergunningstermijn van 20 jaar.

3.4. Tegen deze beslissing stelt de VZW GAIA bestuurlijk beroep in.

3.5. Met het thans bestreden besluit van 20 oktober 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep gegrond en

VII-39.856-2/8

weigert zij de vergunning voor de verandering van de inrichting door onder andere “het vermeerderen van het aantal plaatsen voor nertsen van 11.400 met 6.798 tot 18.198”.

Dit besluit is als volgt gemotiveerd:

“[...]

Overwegende dat de beroepsindiener gezien de grote afstand (ongeveer 42 km in vogelvlucht) tussen de maatschappelijke zetel te Brussel en de exploitatiezetel te Moerbeke-Waas geen visuele, geur- of geluidshinder kan waarnemen van de nertsenkwekerij; dat de beroepsindiener vzw GAIA volgens haar eigen website zich tot doel heeft gesteld dieren te beschermen en op te komen voor de rechten van de dieren; dat de vzw GAIA volgens haar eigen website geen melding maakt van het doel om mensen te beschermen tegen milieuhinder; dat de beroepsindiener wat betreft de visuele, geur- of geluidshinder ten opzichte van omwonende personen geen belang heeft; dat hierna in ondergeschikte orde aanvullende argumenten in verband met visuele, geur- of geluidshinder volgen;

[…]

Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening;

Overwegende dat de hinder en de effecten voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;

Overwegende dat dierenwelzijn sinds de zesde staatshervorming een gewestelijke bevoegdheid is; dat de Vlaamse minister, bevoegd voor dierenwelzijn, in zijn beleidsnota stelt: ‘Concreet maak ik volgende keuzes: (...)

Een verbod op de oprichting van nieuwe pelsdierhouderijen en op uitbreiding van bestaande pelsdierhouderijen.’; dat deze beleidskeuze mee in rekening moet genomen worden bij het beoordelen van voorliggend dossier; dat bijgevolg de uitbreiding moet worden geweigerd;

[...]”.

IV. Onderzoek van de middelen

Uiteenzetting van het eerste middel

4. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke

VII-39.856-3/8

motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Volgens de verzoekende partij werd de vergunning geweigerd “op grond van een manifest onwettig motief, met name de maatschappelijk-etische bezwaren tegen het opkweken en slachten van pelsdieren en een eventueel toekomstig verbod”.

Het middel wordt onder meer als volgt toegelicht:

“[…] Men verwijst enkel en alleen naar de keuze van de Vlaamse Minister van dierenwelzijn in zijn beleidsnota om in de toekomst een verbod in te voeren op nieuwe pelsdierhouderijen en op de uitbreiding van bestaande pelsdierhouderijen.

Het is evident dat dit motief niet afdoende is en manifest strijdig is met de artikels 2 en 3 van de motiveringswet en het motiveringsbeginsel : deze motivering is niet pertinent, heeft niet met de beslissing te maken en is onvoldoende draagkrachtig. Er kan niet aanvaard worden dat een aanvraag tot het bekomen van een milieuvergunning voor een exploitatie, waarvan aanvaard wordt dat zij op milieuhygiënisch vlak geen bovenmatige hinder veroorzaakt, afgewezen wordt op basis van een mogelijk toekomstig verbod dat op het ogenblik waarop de beslissing genomen wordt evenwel nog onbestaande is en niet meer is dan een beleidskeuze van 1 individuele minister, gemaakt bij diens aanstelling.

Geen enkele wetsbepaling of artikel laat toe om een milieuvergunning te weigeren omwille van een beleidsmatig gewenste ontwikkeling, en zelfs indien dit het geval zou zijn, kan een keuze die in een beleidsnota bij het aanvatten van een regeerperiode opgenomen is, bezwaarlijk als een afdoende duidelijke beleidsmatig gewenste ontwikkeling worden beschouwd die de weigering van een milieuvergunning kan verantwoorden. Het gaat hier veeleer om een toekomstige onzekere gebeurtenis die door de verwerende partij als een vaststaand gegeven beschouwd wordt, hetgeen te onderscheiden is van een beleidsmatig gewenste ontwikkeling.[…] Een toekomstige onzekere gebeurtenis kan geen geldig motief vormen om een vergunning te weigeren, temeer daar die toekomstige gebeurtenis betrekking heeft op aspecten van dierenwelzijn die in een milieuvergunningsaanvraag niet beoordeeld worden”.

VII-39.856-4/8

Beoordeling

5. De vergunning voor de uitbreiding van de nertsenkwekerij werd geweigerd op grond van een beleidsvoornemen dat de Vlaamse minister, bevoegd voor dierenwelzijn, heeft uitgedrukt in zijn beleidsnota. De Vlaamse minister van Omgeving behoort intussen te weten dat een milieuvergunningsaanvraag niet mag worden getoetst aan een beleidsvoornemen dat geen normatieve kracht heeft.

Het middel is gegrond.

V. Verzoek tot toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

6. De verzoekende partij vraagt dat de Raad van State zou verduidelijken dat bij het nemen van een nieuwe beslissing over de vergunningsaanvraag “geen argumenten inzake dierenwelzijn in het algemeen, en geen argumenten aangaande toekomstige wetgeving inzake dierenwelzijn in het bijzonder worden betrokken om de vergunning te weigeren”.

Beoordeling

7. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijkt dat deze bevoegdheid tot verduidelijking voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings-

of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd”. Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid”

(Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26).

VII-39.856-5/8

8. Het vernietigingsmotief in randnummer 5, dat gezag van gewijsde heeft, laat aan duidelijkheid niets te wensen over en bijkomende preciseringen zijn dan ook volstrekt overbodig.

VI. Verzoek tot bevel

9. De verzoekende partij vraagt met toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te bevelen dat de verwerende partij binnen een termijn van één maand, ingaand vanaf de betekening van het arrest, beslist over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep en binnen een termijn van vijf maanden over “het beroep zelf […], voor zover dit ontvankelijk bevonden zou worden”.

Beoordeling

10. Aangezien de verwerende partij in het bestreden besluit reeds tot de vaststelling is gekomen dat “de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening” en “de hinder en de effecten voor mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”, moet de verwerende partij in staat worden geacht om binnen een korte termijn rechtsherstel te bieden. Daarom beveelt de Raad van State dat de verwerende partij, na de kennisgeving van het vernietigingsarrest, binnen een dwingende termijn van dertig dagen een nieuwe beslissing neemt over het bestuurlijk beroep.

VII-39.856-6/8

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 20 oktober 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 7 april 2016, houdende het verlenen aan de NV Moerwegel Mink van de vergunning voor de verandering van een nertsenkwekerij, gelegen aan de Moerwegel 8 te Moerbeke-Waas, gegrond wordt verklaard en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd.

2. De Raad van State beveelt de verwerende partij om binnen een termijn van 30 dagen na de kennisgeving van dit vernietigingsarrest een nieuwe eindbeslissing te nemen over het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 7 april 2016, houdende het verlenen aan de NV Moerwegel Mink van de vergunning voor de verandering van een nertsenkwekerij, gelegen aan de Moerwegel 8 te Moerbeke-Waas.

3. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.

4. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij.

VII-39.856-7/8

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.856-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.752