Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.751 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.751 Généré par l'IA

Belgian court dismisses urgent injunction request against administrative penalty due to lack of urgency proof.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.751
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected an urgent injunction request by Bruno Drieskens against a Flemish minister's decision confirming an administrative penalty for operating a helicopter maintenance hangar without a valid environmental permit. The applicant argued that immediate enforcement would cause irreparable harm by halting operations, but failed to provide concrete evidence of such specific consequences. Consequently, the court ruled that the statutory conditions for granting an urgent injunction were not met, leading to the dismissal of the request.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1, second paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State; An urgent injunction request is only granted if the applicant concretely demonstrates the urgency of the case based on the specific consequences of enforcement, rather than relying on general assertions.

Mots-clés

Généré par l'IA
urgent injunction administrative penalty environmental permit irreparable harm Council of State procedural standing Flemish region liberté aérienne

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 17, § 1, second paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 237.751 van 23 maart 2017

in de zaak A. 221.080/VII-39.872.

In zake : de NV HELI SERVICE BELGIUM

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8210 Zedelgem Spoorwegstraat 11

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

Bruno DRIESKENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 27 december 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 24 oktober 2016 waarbij het beroep tegen de beslissing van de afdeling Milieu-inspectie van 12 juli 2016, waarbij aan de NV Heli Service Belgium een bestuurlijke maatregel wordt opgelegd, ongegrond wordt verklaard en de bestuurlijke maatregel wordt bevestigd.

VII-39.872-1/11

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Astrid Lippens, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Yannick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. De verzoekende partij exploiteert een helihaven aan de Pepingsesteenweg te Sint-Pieters-Leeuw. Op de site bevindt zich een loods waar de helikopters worden onderhouden en gestald. Met betrekking tot de in die loods uitgeoefende activiteiten heeft de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant op 7 mei 1998 een milieuvergunning verleend voor “een inrichting voor het

VII-39.872-2/11

onderhouden van helikopters” omvattende “een werkplaats voor het onderhoud van helikopters”.

3.2. Op 11 februari 2016 richt Bruno Drieskens aan de afdeling Milieu-inspectie een verzoek om aan de verzoekende partij bestuurlijke maatregelen op te leggen. Hij is van mening dat de onderhoudswerkplaats zonder geldige milieuvergunning wordt geëxploiteerd.

3.3. De afdeling Milieu-inspectie beslist op 29 februari 2016 om het verzoek niet in te willigen. Deze afwijzende beslissing steunt op de volgende motieven:

“Nu de stedenbouwkundige vergunning voor het „bouwen van een loods‟, waarin vanaf het beëindigen van de bouwwerken tot op heden helikopters worden gestald en onderhouden, reeds op 4 september 1984 werd afgeleverd en de door u ingeroepen decreetbepaling (i.c. art. 5 van het Milieuvergunningsdecreet) inzake de actuele koppeling tussen de stedenbouwkundige en milieuvergunningen in haar initiële versie slechts in werking trad op 1 september 1991, geldt deze koppeling niet in onderhavig dossier.

In die optiek treedt de afdeling Milieu-inspectie dan ook het reeds eerder uitgevaardigd standpunt van de afdeling Milieuvergunningen bij dat de NV HELI SERVICE BELGIUM voor de exploitatie van haar installatie voor de bouw en reparatie van helikopters (VLAREM rubriek 42.3) op haar site te St-Pieters-Leeuw tot 7 mei 2018 over een rechtsgeldige milieuvergunning beschikt.

Aangezien er geen schending wordt vastgesteld van de in uw hoger vermeld verzoekschrift aangehaalde decretale bepalingen, wordt uw verzoek van 11 februari 2016 tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen dan ook ongegrond geacht en niet-ingewilligd”.

3.4. Tegen voormelde beslissing stelt Bruno Drieskens op 10 maart 2016 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister.

3.5. Met een besluit van 27 mei 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep gegrond.

Overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995

VII-39.872-3/11

houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (milieuhandhavingsbesluit)

wordt het dossier teruggestuurd naar de afdeling Milieu-inspectie teneinde het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen.

3.6. Op 12 juli 2016 doet de afdeling Milieu-inspectie opnieuw uitspraak over het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen en beveelt zij met onmiddellijke ingang de stopzetting van de exploitatie van de werkplaats voor het onderhoud van helikopters, de bovengrondse opslag van 400 liter thinner, de ondergrondse opslag van 5.000 liter mazout en de bovengrondse opslag van 450 liter olie.

3.7. Vervolgens stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing beroep in.

3.8. Met het thans bestreden besluit van 24 oktober 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het beroep ongegrond en bevestigt zij de bestuurlijke maatregel.

IV. Tussenkomst

4. Met een op 12 januari 2017 ingediend verzoekschrift vraagt Bruno Drieskens om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

V. Ontvankelijkheid van de vordering

5. De tussenkomende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering.

6. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie

VII-39.872-4/11

dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is.

VI. Onderzoek van de vordering

7. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

Spoedeisendheid

Uiteenzetting van de verzoekende partij

8. De verzoekende partij staaft de spoedeisendheid van haar vordering als volgt:

“[…] In huidig geval is het zo dat door de bestreden beslissing, niettegenstaande een verwijzing naar afdeling Milieu-Inspectie werd opgelegd tot heroverweging van het ingestelde verzoek tot opleggen van de bestuurlijke maatregel, zijnde de integrale stopzetting van de exploitatie, wordt bevolen aangezien wordt aangenomen dat de koppelingsregeling van artikel 5 § 2 van het Milieuvergunningsdecreet van toepassing is en dat deze regeling tot gevolg heeft dat de milieuvergunning van 7 mei 1998 is komen te vervallen.

De bevolen stopzetting in de bestreden beslissing, is een loutere bevestiging van de bestuurlijke maatregelen die werden opgenomen in het besluit van 12 juli 2016, dat een integrale stillegging van de activiteiten behelst, niettegenstaande het eigenlijk opstijgen en landen van helikopters niet het voorwerp van het besluit uitmaakt.

Dit blijkt duidelijk uit het besluit bestuurlijke maatregelen van 12 juli 2016

volgens artikel 16.4.5 DABM lastens Heli Service Belgium NV, Gaasbeeksesteenweg 140 te 1500 Halle (kenmerk: V/8644/201601217). In het genoemd besluit bestuurlijke maatregelen van 12 juli 2016 wordt aan de exploitant opgelegd om tot onmiddellijke stopzetting van volgende hinderlijke activiteiten over te gaan:

- een werkplaats voor het onderhoud van helikopters, zonder gebruik te maken van schouwputten

VII-39.872-5/11

- een bovengrondse opslag van 400 l thinner in 2 vaten van 200 l - een opslag van 5.000 liter stookolie geplaatst in een ondergrondse, dubbelwandige houder - een bovengrondse opslag van 450 1 olie, omvattende 2 vaten van 200 l en 50 l in bussen van 1 liter Ingevolge het besluit van 12 juli 2016 wordt elke exploitatie onmogelijk gemaakt. Daarenboven heeft een administratief beroep ingesteld op grond van artikel 16.4.1 DABM geen schorsende werking, zodat het besluit van 12 juli 2016 van onmiddellijke werking is.

Het is dan ook duidelijk dat huidige vordering tot schorsing van de bestreden beslissing is gekoppeld aan een spoedeisendheid die gerelateerd is aan de feiten. Immers zal de schorsing van de bestreden beslissing tot gevolg hebben dat verzoekende partij niet langer zal worden geconfronteerd met de opgelegde bestuurlijke maatregelen. Dat de noodzaak hiertoe voorligt kan niet worden betwist. Door de opgelegde bestuurlijke maatregelen wordt elke exploitatie onmogelijk gemaakt. Een schorsing van de bestreden beslissing zal een vrijwaring voor de rechten van verzoekende partij kunnen uitmaken.

De spoedeisendheid kan niet worden ontkend. Verzoekende partij kan immers niet het resultaat van de vernietigingsprocedure van de huidige bestreden beslissing afwachten, aangezien zij zich op dat ogenblik in een toestand zal bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Deze onherroepelijke schadelijke gevolgen kunnen enkel worden vermeden door een schorsing te bevelen van de bestreden beslissing.

[…] Daarenboven is het thans opleggen van een Besluit Bestuurlijke Maatregelen waardoor de exploitatie de facto integraal wordt stilgelegd, in tegenspraak met het opzet zoals beoogd bij het verlenen van de milieuvergunning van 19 november 2015 (ter bevestiging van de verleende vergunning in eerste administratieve aanleg door de gemeente Sint-Pieters-Leeuw).

In deze milieuvergunning werd immers een vergunningstermijn bepaald tot 7 mei 2018, een termijn die erop gericht is om aan de exploitant de tijd en de mogelijkheid te bieden om in samenspraak met de bevoegde administraties een definitieve oplossing te bewerkstelligen voor planologische problematiek waarin zij terecht gekomen is. Door thans, midden in de opstart van de opmaak van een nieuw planologisch kader, de exploitatie stil te leggen, wordt uiteraard het planningsproces doorkruist.

De milieuvergunning d.d.15 juni 2015 zoals initieel verleend door de gemeente Sint-Pieters-Leeuw en in graad van administratief beroep bevestigd door de deputatie Vlaams-Brabant bij beslissing van 19 november 2015 voor het landen en opstijgen van helikopters, werd verleend tot 7 mei 2018 en is tevens de eindtermijn van de milieuvergunning van 7 mei 1998 voor de onderhoudsloods voor helikopters. Deze einddatum werd vastgelegd met de betrachting om Heli Service Belgium de mogelijkheid te bieden om de bestemming van de gronden waarop de inrichting is gevestigd tegen 2018 te kunnen wijzigen en bestendigen.

In navolging hiervan heeft beroepsindiener de nodige initiatieven genomen om de opmaak van het gemeentelijk RUP te benaarstigen.

Ondermeer vond een driepartijenoverleg plaats op 18 januari 2016 […].

VII-39.872-6/11

Op basis van dit overleg werden volgende conclusies getrokken […]:

- Ruimte Vlaanderen ziet geen ruimtelijke problemen om Heli Service Belgium op deze locatie te bestendigen en is van oordeel dat dit mogelijk is door middel van het opstarten van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;

- Vanuit gemeentelijk standpunt is de activiteit van Heli Service Belgium verenigbaar met de omgeving, maar dat het bedrijf niet in overeenstemming is met de huidig geldende planologische bestemming;

Een vervolgvergadering vond plaats bij de gemeente Sint-Pieters-Leeuw op 29 februari 2016. Op dit overleg met HSB werden de eerste verkennende gesprekken gevoerd aangaande de mogelijkheid om tot opmaak van een gemeentelijk RUP over te gaan. Hiertoe werden reeds de eerste preliminaire afspraken gemaakt.

Uit dit laatste gesprek is gebleken dat de opmaak van een gemeentelijk RUP in elk geval noodzakelijk is, waarbij de gemeente op basis van een intentienota en plaatsbezoek een definitieve beslissing zal nemen over de opstart van een gemeentelijk RUP. De intentienota wordt tijdens een overleg op 8 augustus 2016 op locatie van Heli service Belgium besproken met het College van Burgemeester en Schepenen en de gemeentelijke diensten. Hiertoe zal een precollege worden gehouden waarbij de volgende te nemen stappen in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zullen worden bepaald.

Bij Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 17 oktober 2016 werd beslist tot de opmaak van het RUP „Helihaven‟ voor het helikopterbedrijf Heliservice Belgium […].

In deze beslissing wordt er op gewezen dat de inrichting van Heliservice Belgium verenigbaar is met het gemeentelijk RSP en dat door de opmaak van het gemeentelijk RUP er precies zal zorgen voor een goede ruimtelijke inpassing van het bedrijf in haar omgeving en een verantwoorde planologische oplossing.

Bij Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 27 oktober 2016, werd besloten tot het goedkeuren van het bijzonder bestek met nr. 2016-086 en de raming voor de opdracht „Opmaak RUP Helihaven‟ […].

Niettegenstaande de gemeente Sint-Pieters-Leeuw, hierin gevolgd door de deputatie in haar beslissing van 19 november 2015, een milieuvergunning heeft verleend tot 2018 voor de exploitatie van de helihaven (termijn samenlopend met de milieuvergunning voor de onderhoudsloods van 1998) wat precies de exploitant de mogelijkheid zou geven om in samenspraak met de gemeente over te gaan tot een gemeentelijk RUP voor de site, werd het huidig besluit bestuurlijke maatregelen genomen.

De maatregelen zijn bijzonder verstrekkend aangezien aan de exploitant wordt opgelegd om tot onmiddellijke stopzetting van volgende hinderlijke activiteiten over te gaan [:] een werkplaats voor het onderhoud van helikopters, zonder gebruik te maken van schouwputten, een bovengrondse opslag van 400 1 thinner in 2 vaten van 200 1, een opslag van 5.000 liter stookolie geplaatst in een ondergrondse, dubbelwandige houder en een bovengrondse opslag van 450 1 olie, omvattende 2 vaten van 200 1 en 50 1 in bussen van 1 liter.

VII-39.872-7/11

Het vliegen (opstijgen en landen van de helikopters op zich) kan verder gebeuren ingevolge de toegekende vergunningen. Het is echter ondenkbaar helikopters in de lucht te houden zonder dat deze onderhouden worden. De toestellen dienen onderhouden te worden volgens de vigerende reglementering en volgens de voorschriften van de constructeur. Dit alles voor de veiligheid van personeel, piloten en passagiers.

Het voorliggend besluit houdende bestuurlijke maatregelen houdt dan ook een de facto stillegging van de integrale activiteit in.

Aangezien het opzet van de verleende milieuvergunning van 19 november 2015 er precies in bestond om de exploitatie mogelijk te maken tot 2018, heeft HSB de nodige initiatieven genomen om de opmaak van het gemeentelijk RUP

te benaarstigen.

Alle betrokken partijen (met o.a. de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar) zijn samen overeengekomen met het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw om in een geëigend planologisch kader te voorzien tegen 2018. Hiertoe worden de nodige gesprekken gevoerd en werd reeds een vervolgvergadering gepland op 8 augustus 2016.

Uiteraard neemt de opmaak van een gemeentelijk RUP de nodige tijd in beslag en moeten alle procedurestappen gevolgd worden. Zoals aangegeven werd de milieuvergunning voor de helihaven dan ook verleend tot mei 2018, precies om de bestendiging van Heli Service door middel van de opmaak van een RUP te realiseren.

Het thans opleggen van een besluit bestuurlijke maatregelen dat de facto neerkomt op een stillegging van de exploitatie, doorkruist dan ook integraal het opzet van de eerder genomen vergunningsbeslissingen.

Dit alles sluit ook aan bij het verzoek van verzoekende partij tot het opleggen van de schorsing van de bestreden beslissing tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, zijnde de stopzetting van de exploitatie lastens verzoekende partij. Door de schorsing van de bestreden beslissing zal het opzet van de verleende milieuvergunning van 19 november 2015 kunnen worden nagestreefd en zal een planologisch kader worden opgesteld voor de site. Dit zal in de toekomst mogelijke discussies aangaande de bestemming kunnen ondervangen en rechtszekerheid bieden aan de exploitatie. Doordat de bestreden beslissing een besluit bestuurlijke maatregelen mogelijk maakt waarbij de exploitatie wordt stilgelegd, en dat effectief reeds werd genomen, zullen verdere stappen tot opmaak van het planologisch kader worden gehypothekeerd en minstens ondermijnen.

De schorsing van de bestreden beslissing zal deze hypotheek echter wegnemen en zal aan de exploitant toelaten verdere stappen te zetten jegens de gemeente tot opmaak van het gemeentelijk RUP, zoals ook werd beoogd in de beslissing van de deputatie van 19 november 2015. Immers zal door de schorsing van de bestreden beslissing verdere stappen in de opmaak van het gemeentelijk RUP mogelijk worden”.

VII-39.872-8/11

Beoordeling

9. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit.

10. Samen met de verzoekende partij wordt vastgesteld dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing meebrengt dat de onderhoudswerkplaats niet langer kan worden geëxploiteerd. Volgens de verzoekende partij kan de spoedeisendheid “niet worden ontkend” omdat zij “immers niet het resultaat van de vernietigingsprocedure […] [kan] afwachten, aangezien zij zich op dat ogenblik in een toestand zal bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen”. Zij duidt echter geen concreet “onherroepelijk schadelijk gevolg” aan, zodat haar uiteenzetting in wezen beperkt is tot algemeenheden waarin geen enkele indicatie kan worden gevonden waarom een later tussen te komen nietigverklaring geen genoegdoening meer kan verschaffen. Hetzelfde geldt voor de bewering dat de bestreden beslissing de facto leidt tot de stopzetting van de “integrale activiteit”. Met geen enkel gegeven maakt de verzoekende partij immers aannemelijk dat de helihaven enkel kan worden geëxploiteerd indien de helikopters ook ter plaatse kunnen worden onderhouden.

In zoverre de verzoekende partij wijst op het “opzet” van de milieuvergunning van 19 november 2015 voor de exploitatie van de helihaven en de “eerste preliminaire afspraken” in verband met de opmaak van een gemeentelijk RUP, kan niet worden ingezien hoe de bestreden beslissing daaraan afbreuk kan doen. Met die beslissing wordt immers enkel het verval vastgesteld

VII-39.872-9/11

van de op 7 mei 1998 verleende milieuvergunning voor de exploitatie van de onderhoudsloods. Voorts kan het beweerde opzet van de op 19 november 2015

verleende milieuvergunning er hoe dan ook niet toe leiden dat de verzoekende partij bepaalde onderdelen van de inrichting zonder de vereiste vergunning verder mag exploiteren. Tot slot houden de rechtsgevolgen van de bestreden beslissing niet in dat de procedure tot opmaak van een gemeentelijk RUP moet worden afgebroken.

De spoedeisendheid van de vordering is niet aangetoond.

11. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen.

VII. Kosten

12. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

BESLISSING

1. Het verzoek van Bruno Drieskens tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State verwerpt de vordering.

VII-39.872-10/11

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.872-11/11

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.751