Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.747 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.747 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against administrative fine for late EPB filing due to lack of required legal interest.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.747
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Court of State rejected the appeal filed by Kevin Coppieters and Annoeska Bammens against a Flemish Energy Agency fine for late EPB filing. The applicants failed to submit a counter-memorandum within the statutory sixty-day period, resulting in a formal finding that the necessary legal interest to pursue the annulment was absent. Consequently, the court dismissed the complaint and ordered the applicants to bear the litigation costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 7 and 21 of the Rules of Procedure of the Council of State; A party's failure to submit a counter-memorandum within the prescribed period results in a finding that the requisite legal interest for annulment is lacking, leading to the dismissal of the appeal.

Mots-clés

Généré par l'IA
lack of legal interest failure to submit counter-memorandum administrative fine annulment EPB filing deadline litigation costs allocation paiement tardif des frais impôt sur l'énergie paiement de l'amende

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 7 of the Rules of Procedure of the Council of State
Article 21, second paragraph, of the Rules of Procedure of the Council of State
Article 14bis, paragraph 1, of the Decree of the Governor of 23 August 1948
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 237.747 van 23 maart 2017

in de zaak A. 219.608/VII-39.700.

In zake : 1. Kevin COPPIETERS

2. Annoeska BAMMENS

wonende te 3520 Zonhoven Waardstraat 151

alwaar woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Dirk Lindemans en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 10 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap van 2 februari 2016 waarbij aan Kevin Coppieters en Annoeska Bammens een administratieve geldboete van 1.438,30 euro wordt opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de EPB-aangifte.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partijen ter kennis werd gebracht op 24 november 2016.

Op 8 februari 2017 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partijen en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in

VII-39.700-1/3

artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Bij het versturen van een kopie van de memorie van antwoord aan de verzoekende partijen heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

De verzoekende partijen hebben binnen de termijn van zestig dagen, gesteld in artikel 7 van voormeld besluit van de Regent, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd. Krachtens voornoemd artikel 21, tweede lid, dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt.

De hoofdgriffier heeft de partijen medegedeeld, met toepassing van artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer uitspraak zou doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. Geen van de partijen heeft gevraagd om te worden gehoord.

Er bestaat aanleiding om het beroep te verwerpen.

VII-39.700-2/3

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.700-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.747