Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.716 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.716 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for disciplinary sanctions due to lack of urgency and prima facie merit.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.716
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of disciplinary sanctions imposed for participation in a strike. The applicant argued that the sanctions would irreparably harm his promotion prospects and that he had acted diligently, but the court found no evidence of urgency. The court determined that the applicant failed to meet the cumulative statutory requirements for granting a suspension, specifically the existence of an urgent need and a prima facie valid ground for annulment.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension of enforcement requires the cumulative fulfillment of urgency and prima facie merit, which were not met here as the alleged irreparable harm was unsubstantiated and the disciplinary measure appeared legally sound.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement disciplinary sanctions lack of urgency prima facie merit cumulative conditions administrative law public service droit de grève

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE IXe KAMER

nr. 237.716 van 20 maart 2017

in de zaak A. 220.816/IX-8967

In zake: Christophe DE BRABANTER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ludo Vermeulen kantoor houdend te 2230 Herselt Kerkstraat 65

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 12 november 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van:

- de beslissing van de onmiddellijke chef van Christophe De Brabanter van 25 augustus 2016 waarbij wordt voorgesteld hem de tuchtstraf van de strenge vermaning en de administratieve maatregel van de afhouding van 12,50 euro op de productiviteitspremies op te leggen;

- de beslissing van de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef waarbij de voormelde tuchtstraf en administratieve maatregel ten aanzien van Christophe De Brabanter worden behouden.

IX-8967-1/9

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 januari 2017.

Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Leen Putman, die loco advocaat Ludo Vermeulen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Vingerhoets, die loco ad-

vocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-

coördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is als vastbenoemd personeelslid in dienst van de verwerende partij. Hij oefent de functie van opsteller uit.

3.2. Tijdens de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016 neemt verzoeker deel aan een stakingsactie. Volgens de verwerende partij gaat het om een “niet-legitieme werkonderbreking”.

IX-8967-2/9

3.3. Met een e-mail van 6 juni 2016 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat er voor een aantal dagen vόόr 31 mei 2016 “geen prikkin-

gen/afwezigheid” of “een oneven aantal prikkingen” werden geregistreerd, waardoor niet kan worden nagegaan of hij die dagen afwezig dan wel aanwezig was. Verzoeker wordt verzocht de nodige correcties te doen.

Verzoeker reageert met de vraag welke actie hij moet onder-

nemen.

Hij ontvangt hierop het volgende antwoord:

“De dagen van 25, 26 en 27 mei staan nog als niet aanwezig voor jou. Op die dagen mag je geen code 65 AS (staking) inbrengen, wel verlof. Indien je niets aanvraagt worden door B-HR (volgens richtlijnen die we ontvangen hebben)

deze dagen automatisch in het systeem ingebracht als OA onwettig afwezig +

P88 ‘strenge vermaning’ die wordt opgemaakt (maar dat weet je ondertussen zeker wel).

Dus gelieve uw dagen te regulariseren en te laten goedkeuren door uw OC, morgen 7/06 wordt de maand mei afgesloten.”

3.4. Op 25 augustus 2016 ontvangt verzoeker een ‘formulier P88’ waarop zijn onmiddellijke chef de volgende “voorgestelde straf” heeft genoteerd:

“Als tuchtsanctie ingevolge uw deelname aan de niet-legitieme werkonder-

breking in de periode van 25 mei 2016 tot 30 mei 2016 wordt de strenge ver-

maning voorgesteld. Bij deze tuchtsanctie past een administratieve maatregel die bestaat uit een afhouding van 12,50 € op de productiviteitspremies. Als bijlage 1 vindt u de gedetailleerde motivering van de voorgestelde straf en de administratieve maatregel.”

Dit is de eerste bestreden beslissing.

3.5. Op 8 september 2016 dient verzoeker zijn argumenten ter rechtvaardiging in.

Op 12 september 2016 adviseert verzoekers onmiddellijke chef om de straf te behouden.

IX-8967-3/9

3.6. Vervolgens beslist de hiërarchische overste van verzoekers onmiddellijke chef:

“Akkoord met advies O.C.

Straf wordt behouden en toegepast zoals voorzien.”

Dit is de tweede bestreden beslissing.

IV. Ontvankelijkheid

4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de ontvanke-

lijkheid van de vordering uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over eventuele ontvankelijkheidsexcepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zouden zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

Uiteenzetting door verzoeker

6. Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van zijn vordering in zijn verzoekschrift als volgt:

“Verzoeker vraagt de schorsing van de bestreden beslissingen omdat de zaak spoedeisend is voor een enkele behandeling in een beroep tot nietigverklaring.

IX-8967-4/9

De spoedeisendheid dient in concreto ingevuld waarbij traditioneel reke-

ning wordt gehouden met:

- de concrete omstandigheden die al dan niet spoedeisend zijn, met name of het uitblijven van een beslissing ernstige nadelen zou opleveren;

- een belangenafweging en beoordeling van de opportuniteit van de maatregel;

- het (proces)gedrag van de verzoekende partij.

Huidige klacht is hoogdringend daar de uitvoering van de genomen be-

slissingen reeds is gebeurd nu de opgelegde tuchtsanctie, zijnde de strenge vermaning, werd opgenomen in het biografisch overzicht van verzoeker.

Verzoeker neemt momenteel deel aan het bevorderingsexamen naar de graad van administratieve secretaris. […] Dat examen bestaat uit een schrifte-

lijke proef en een mondelinge proef. De jury die verzoeker dient te beoordelen, heeft toegang tot het biografisch overzicht van verzoeker. Het spreekt voor zich dat de vermelding van een tuchtstraf een negatieve invloed heeft op de deel-

name van verzoeker.

Bovendien dient vastgesteld dat verzoeker meer dan diligent heeft gehan-

deld door binnen de gestelde termijnen zijn argumentatie ter rechtvaardiging mee te delen aan zijn onmiddellijke chef. Helaas werd er geen rekening ge-

houden met deze argumenten en blijkt uit het dossier dat men de opgeworpen argumenten niet heeft onderzocht.

Daarnaast hebben de opgelegde sancties een onmiskenbare negatieve in-

vloed op de professionele reputatie van verzoeker die zijn verdere professionele toekomst hypothekeert.

Bijgevolg dient vastgesteld dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid is voldaan.”

Beoordeling

7. Zoals sub 5 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.

In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher-

roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).

IX-8967-5/9

8. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten]

die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder-

steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti-

kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

Ter eerbiediging van de rechten van verweer van de verwerende partij in het administratief kort geding mag bij de beoordeling van de spoedei-

sendheid van de vordering alleen rekening worden gehouden met hetgeen de verzoekende partij in haar verzoekschrift ter verantwoording van die spoedei-

sendheid aanvoert en met de daarbij gevoegde stavingsstukken.

9. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift vooreerst aan dat de be-

streden tuchtstraf reeds uitvoering heeft gekregen, aangezien ze is opgenomen in zijn “biografisch overzicht”. Hij doet gelden dat het voor zich spreekt dat de vermelding van een tuchtstraf een negatieve invloed zal hebben op zijn huidige deelname aan het bevorderingsexamen voor administratief secretaris.

Dit argument van verzoeker mist evenwel feitelijke grondslag.

Uit het “biografisch overzicht” van verzoeker dat door de verwerende partij is opgenomen in het administratief dossier dat zij bij de Raad van State heeft neer-

gelegd, blijkt immers dat daarin géén melding is gemaakt van de tuchtstraf die verzoeker met het voorliggende verzoekschrift bestrijdt. Deze vaststelling spoort overigens met hetgeen in artikel 7 van hoofdstuk XIV (‘Tuchtstatuut’) van het statuut van het personeel van de verwerende partij is bepaald, namelijk dat de tuchtsancties en de gerechtelijke veroordelingen wegens feiten die tijdens of ter gelegenheid van de dienst zijn begaan, worden geregistreerd in het “biografisch overzicht”, maar “[m]et uitsluiting van de terechtwijzing, de eenvoudige verma-

IX-8967-6/9

ning en de strenge vermaning”. Een strenge vermaning, zoals in dit geval aan verzoeker opgelegd, wordt volgens dit voorschrift derhalve niét in het “biografisch overzicht” opgenomen. De omstandigheid dat artikel 122 van ARPS-bundel 550 in een andere zin luidt, verandert niets daaraan, nu de verwerende partij als houding aanneemt – zo wordt bevestigd door het door haar neergelegde “biografisch overzicht” – dat “de bepaling van het Statuut […] hier van toepassing is” en dat ARPS-bundel 550 “op dit punt […] nog niet werd aangepast”, maar dat het “slechts een uitvoeringsreglement van het Statuut [is]”. Verzoeker spreekt dit laatste niet tegen.

Zelfs indien zou worden aangenomen dat de examenjury van het bevorderingsexamen waaraan verzoeker deelneemt, op grond van een ander stuk dan het “biografisch overzicht” kennis zou krijgen van de aan verzoeker opgelegde tuchtsanctie, dan moet worden vastgesteld dat verzoeker niet in het minst uitlegt waarom die tuchtsanctie “van de eerste graad” de beoogde bevordering in de weg zou kunnen staan en, desgevallend, daaraan niet meer op een gepaste wijze zou kunnen worden verholpen na de uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring.

Verzoekers uiteenzetting dat de hem opgelegde tuchtsanctie een negatieve invloed zal hebben op zijn deelname aan het aan de gang zijnde bevor-

deringsexamen kan dan ook niet overtuigen.

10. Voorts betoogt verzoeker dat hij diligent heeft gehandeld door binnen de voorgeschreven termijnen zijn argumenten ter rechtvaardiging van zijn handelwijze te bezorgen aan zijn onmiddellijke chef, maar dat die argumenten niet werden onderzocht en er geen rekening mee werd gehouden.

De omstandigheid dat verzoeker diligent heeft gehandeld bij het bezorgen van zijn argumenten ten aanzien van het voorstel van tuchtstraf dat werd geformuleerd door zijn onmiddellijke chef, verantwoordt nog niet de spoedei-

sendheid van zijn huidige vordering.

IX-8967-7/9

Voor zover verzoeker eraan toevoegt dat zijn argumenten niet werden onderzocht en er geen rekening mee werd gehouden, wat hij ook in zijn eerste middel aanvoert, doelt hij op een eventuele onwettigheid van de bestreden tuchtmaatregel. Een dergelijke beweerde onwettigheid toont echter evenmin aan dat verzoekers vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van de spoed-

eisendheid van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die dient te worden onderscheiden van de andere schorsingsvoorwaarde dat minstens één ernstig middel moet worden aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden.

11. Voor zover verzoeker ten slotte nog stelt dat de opgelegde sancties een onmiskenbare negatieve invloed hebben op zijn professionele repu-

tatie en van aard zijn om zijn verdere professionele toekomst te hypothekeren, moet worden vastgesteld dat dit niet meer dan een loutere bewering is die door verzoeker niet nader wordt gepreciseerd en gestaafd en die dan ook niet vermag aan te tonen dat een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring daaraan niet meer afdoende zou kunnen verhelpen.

12. Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie-

tigverklaring.

13. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumu-

latief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

IX-8967-8/9

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 20 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Bert Thys, staatsraad, waarnemend kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Bert Thys

IX-8967-9/9

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.716