Belgian court dismisses student's appeal against school grading due to procedural failure in suspension request.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the student's request to suspend the enforcement of a school board's orientation certificate decision. The court found the student failed to meet suspension requirements by not addressing specific grievances in her initial application and submitting new evidence late at the hearing. Consequently, the administrative body's evaluation was upheld as the court declined to re-examine the facts in a suspension procedure.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; The Council of State cannot re-examine facts in a suspension procedure and requires a prima facie case of illegality with a clear causal link between the alleged breach and the decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE IXe KAMER
nr. 237.689 van 16 maart 2017
in de zaak A. 220.693/IX-8961
In zake: Louise LAMBRECHTS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Minnen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Ballaarstraat 69-71 bus 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VZW SCHEPPERS-MECHELEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jim Deridder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bus 10
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 10 november 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van het Scheppersinstituut van 13 september 2016 om het aan Louise Lambrechts toegekende oriënteringsattest B te handhaven.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld.
IX-8961-1/29
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Kris Lambrechts en advocaat Hilde Minnen, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Jim Deridder, die verschijnt voor de ver-
werende partij, zijn gehoord.
Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eenslui-
dend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2015-2016 leerling in het tweede jaar van de tweede graad ASO humane wetenschappen in het Scheppers-
instituut te Mechelen.
3.2. De over haar delibererende klassenraad beslist op 28 juni 2016
om aan verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering van alle ASO-richtingen. De motivering verwijst naar de jaartekorten voor Duits (48,3%), Frans (39,5%) en geschiedenis (47,2%), alsook naar de resultaten van de toetsen in juni (het rapport vermeldt tekorten voor aardrijkskunde, chemie, Duits, Engels, Frans, fysica en geschiedenis en 51% voor wiskunde).
Na overleg beslist de directeur om de opmerkingen van de ou-
ders van verzoekster voor te leggen aan de delibererende klassenraad.
IX-8961-2/29
Op 29 augustus 2016 beslist de delibererende klassenraad bij zijn beslissing te blijven en verzoekster een oriënteringsattest B toe te kennen, met clausulering van alle ASO-richtingen.
3.3. Na het horen van alle betrokken partijen op 13 september 2016, beslist de beroepscommissie op dezelfde dag met de thans bestreden beslissing om het oriënteringsattest B met clausulering ASO te handhaven.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepscommissie tot haar oordeel komt op grond van de volgende motivering:
“- Het B-attest met een clausulering ASO houdt in dat betrokkene geslaagd is en mag overgaan naar een hoger leerjaar behalve in de onderwijsvorm ASO. De clausuleringsuitspraak is correct in functie van de blijvende zwakke uitslagen in alle periodes van het schooljaar.
- Het B-attest met een clausulering ASO wordt gegeven op basis van het gehele dossier van de leerling. De klassenraad heeft in zijn beslissing niet ‘alle vakken gelijk laten doorwegen om te antwoorden op de vraag of een leerling een schooljaar met vrucht beëindigt’. De klassenraad heeft zich niet enkel gebaseerd op de tekorten zonder rekening te houden met de goede resultaten, laat staan met het gehele dossier.
- Het B-attest met een clausulering ASO is het gevolg van het feit dat de klassenraad ‘rekening moet houden met alle concrete gegevens van het dossier van de leerling, waaronder voorzeker de resultaten van de examens, maar evenzeer de resultaten van het dagelijks werk, de evolutie van deze resultaten, de inzet van de leerling, de vaststellingen, beslissingen en aan-
bevelingen van de begeleidende klassenraad en de mate waarin de leerling daaraan is tegemoet gekomen’. Er zijn dan ook verschillende argumenten aan te voeren om niet te pleiten voor een A-attest of B-attest dat de richting Humane Wetenschappen niet uitsluit:
• Elke klassenraad heeft uitgebreid de tijd genomen om Louise te bespreken. Telkens opnieuw kwam daarin naar voren dat Louise een harde werker is en een doorzetter.
• Zoals u in de vakgebonden motiveringen in bijlage kan lezen, namen verschillende leerkrachten de tijd om Louise buiten de les-
uren extra te ondersteunen d.m.v. één of meerdere inhaallessen of haar te helpen haar studievaardigheden te verbeteren.
• De klassenraad was op de hoogte van het feit dat Louise naast extra ondersteuning op school ook een beroep kon en wilde doen op externe hulp (= buiten school) in de vorm van bijles en intensieve begeleiding door haar ouders. Zowel van Louise als van haar ouders vernam de school immers meermaals dat ze externe bijles volgde voor Frans en Engels, en zich liet helpen door haar ouders. Toch
IX-8961-3/29
bleek de extra ondersteuning op school en daarbuiten én de enorme motivatie en ambitie van Louise onvoldoende om – op regelmatige basis – goede resultaten te behalen in het 4e jaar Humane Weten-
schappen.
• Zowel op basis van de resultaten voor dagelijks werk als voor de examens stelt de beroepscommissie vast dat de leerling behoorlijk wat tekorten en lage cijfers neerzet. Er is ook geen sprake van een globale positieve evolutie.
• Daarenboven bewijst Louise op geen enkel rapport dat ze vol-
doende leerplandoelstellingen gerealiseerd heeft voor Frans om door te stromen naar een 5de jaar ASO. (zie bijlage 1) Het aantal lesuren, de leerplannen en dus ook de leerplandoelstellingen voor Frans zijn in het 4e jaar voor alle richtingen ASO dezelfde en zijn dus minimumdoelstellingen om door te stromen naar elke studie-
richting [van] de 3e graad ASO.
• Het tekort voor het vak Frans is geen nipt tekort (39,5%) en ook niet het resultaat van één heel slecht examen, maar wel het gevolg van herhaaldelijk lage cijfers voor dit vak, ondanks de inspanningen van de leerling.
• Daarnaast ontbreekt het de leerling ook voor verschillende andere vakken aan de nodige kennis en/of vaardigheden die cruciaal zijn om het 5e jaar ASO aan te vatten. Het probleem ligt dus niet enkel bij de talen. Een uitgebreide motivering vanuit verschillende vak-
ken vindt u in de bijlagen bij deze brief.
• De kritiek dat de lage cijfers voor Frans en Geschiedenis of het niet realiseren van voldoende leerplandoelstellingen voor deze vakken vermoedelijk te wijten zou zijn aan ‘de moeilijkheidsgraad van lesgeven en examineren van de leerkracht’ is niet terecht. Er dient in beschouwing genomen dat de resultaten in andere klas-
groepen met dezelfde lesgevers voor Frans en Geschiedenis een stuk hoger liggen.
De school heeft tevens net een positieve doorlichting achter de rug voor het vak Frans in het 4e jaar Wetenschappen. Gezien het leer-
plan, het lesmateriaal, de leerstof en het testmateriaal in alle 4des dezelfde zijn, kunnen we stellen dat de moeilijkheidsgraad voor deze vakken dus conform de vereisten van de onderwijsinspectie en de leerplannen is.
• Ook is de kritiek in verband met het vak Duits niet terecht. Eerst en vooral is Duits voor alle leerlingen in het 4e jaar een nieuw vak en voor de meesten dus ook een nieuwe taal. Door de afwezigheid van de vakleerkracht moesten de leerlingen drie keer vijftig minu-
ten les missen, maar de leerstof van het betreffende schooljaar was op dat moment al verwerkt.
Op basis van het bovenstaande is het dus onterecht te stellen dat de klas-
senraad geen rekening zou gehouden hebben met het hele dossier en de beslissing van de delibererende klassenraad zou falen naar recht.
- Bovenstaande argumentatie weerlegt niet dat Louise zou voldoen aan een humaan profiel. Een B-attest met clausulering ASO hoeft haar toekomst-
IX-8961-4/29
plannen dan ook niet in de weg te staan om door te groeien in het domein van de menswetenschappen. Een technische richting met humane inslag lijkt immers geschikt voor Louise en geeft haar de mogelijkheid om na haar middelbare studies hoger onderwijs aan te vatten in de richting die ze zelf wenst.
- De bewering dat de school geen inspanningen doet om leerlingen met leerstoornissen te begeleiden en op geen enkele manier rekening gehouden heeft met de leerstoornis dyspraxie/DCD is onterecht. Er werd wel degelijk rekening gehouden met de afspraken die in het begeleidingsplan van Louise zijn gemaakt. De school organiseert begin september een extra oudercontact voor ouders van leerlingen met leer- of ontwikkelingsstoor-
nissen. Ook de leerlingen zelf zijn welkom. Op die avond maken alle vakleerkrachten tijd om samen met de ouders (en eventueel de leerling) te bekijken welke maatregelen nodig zijn om de desbetreffende leerling zo goed mogelijk te begeleiden. De school gaat er dus niet van uit dat alle leerlingen met eenzelfde leerstoornis exact dezelfde begeleiding nodig hebben, maar tracht de begeleiding aan te passen aan de specifieke noden van iedere leerling. In januari worden ouders en leerlingen opnieuw uit-
genodigd. Ook deze keer gaat het om een extra oudercontact waarop de school openstaan voor feedback. Ook buiten deze oudercontacten is er de mogelijkheid om het hele jaar door contact op te nemen met de directie, de zorgcoördinator, de titularis of de vakleerkracht indien er bepaalde be-
zorgdheden zijn. Op beide extra oudercontacten waren de ouders van Louise aanwezig, alsook Louise zelf op het tweede oudercontact. Tijdens het eerste oudercontact werd er een begeleidingsplan opgesteld. Tijdens het tweede oudercontact werd dit begeleidingsplan geëvalueerd. Op dat mo-
ment hadden Louise en haar ouders weinig bemerkingen op de begeleiding.
GON-begeleiding voor leerlingen met DCD is eerder uitzonderlijk. De onderwijsbehoefte moet bovendien vooral gerelateerd zijn aan de motori-
sche beperking. Bij Louise valt DCD net op te merken in het cognitieve aspect. Extra begeleiding bij het cognitieve aspect werd dan ook door de school opgevangen: leren leren, bijlessen vakleerkrachten, ingesproken teksten, meer tijd, etc. Hiermee heeft de school gewerkt binnen het wette-
lijk kader van het M-decreet.”
Deze beslissing wordt aan de ouders van verzoekster verzonden “[g]ezien de urgentie […] zowel per gewone als per aangetekende” brief van 13 september 2016, die zij ontvangen op 14 september 2016. Deze kennisgeving vermeldt de mogelijkheid om binnen zestig dagen een beroep in te stellen bij de Raad van State en verwijst ten overvloede naar de website van de Raad van State voor bijkomende informatie.
3.4. Met een schrijven van 26 oktober 2016 meldt de raadsvrouw van verzoekster dat verzoekster voor het schooljaar 2016-2017 is ingeschreven “als
IX-8961-5/29
vrije leerling van het Busleyden Atheneum (campus Pitzemburg) te Mechelen in de richting 5 Humane Wetenschappen”. Bij de brief gaat het eerste rapport, waaruit volgens de raadsvrouw blijkt dat verzoekster goede resultaten behaalt, ook voor de vakken waarvoor zij vorig jaar niet slaagde. Voorts wordt een brief toegevoegd van de huidige school waarin wordt gesteld dat “[d]e klassenraad […] de overtuiging [heeft] dat Louise over alle capaciteiten en voorkennis beschikt om wel degelijk in het vijfde jaar te zitten”. De raadsvrouw vraagt de beroepscommissie om haar beslissing te heroverwegen en aan verzoekster “alsnog een A-attest toe te kennen”.
Uit een brief van 7 november 2016 blijkt dat de voorzitter van de beroepscommissie niet ingaat op de vraag; hij stelt dat de beslissing van de be-
roepscommissie enkel voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de Raad van State.
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte prima facie kan verant-
woorden.
V. Spoedeisendheid
Uiteenzetting in het verzoekschrift
5. Verzoekster betoogt dat “de zaak spoedeisend is zodat het noodzakelijk is om te samen met het beroep tot nietigverklaring een vordering tot schorsing in te dienen”. Zij voert in het inleidend verzoekschrift de volgende feiten aan die, volgens haar, de spoedeisendheid staven:
IX-8961-6/29
“Verzoekster wordt geconfronteerd met een onwettige beslissing van de beroepscommissie van verwerende partij tot toekenning van een oriënte-
ringsattest B met clausulering voor het ASO. Op die manier kan verzoek-
ster de richting Humane Wetenschappen niet verder zetten en zou zij zich principieel ofwel in het vijfde jaar TSO moeten inschrijven ofwel het vierde jaar ASO moeten overdoen.
Aangezien verzoekster thans het vijfde jaar van de richting Humane We-
tenschappen heeft aangevat als vrije leerling in een andere school en zij ook volgens de huidige school voldoende slaagkansen heeft om dit jaar met vrucht te beëindigen, kan zij het resultaat van deze procedure niet af-
wachten om een beslissing te verkrijgen. De zaak is dan ook spoedeisend omdat zij zich anders in een toestand dreigt te bevinden met onherroepe-
lijke schadelijke gevolgen.
Aldus lijdt verzoekende partij een moreel en materieel nadeel, dat bij een latere nietigverklaring niet kan worden hersteld, tenzij voorafgaand ook de schorsing wordt bevolen.”
Beoordeling
6. Het dreigende verlies van een schooljaar in geval van toeken-
ning van een oriënteringsattest B kan in beginsel de spoedeisendheid aantonen.
Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voor-
lopig van aard, moet worden opgevat als een aansporing aan de beroepscommissie om haar onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere af-
wikkeling van de annulatieprocedure af te wachten, te heroverwegen en om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen. Het recht van een leerling op een vaststaande uitslag zet die aansporing nog kracht bij.
7. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, RvSt-Wet).
Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid.
IX-8961-7/29
Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking.
Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussen-
komt.
Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd.
Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Dit betekent onder meer dat zij in functie van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt.
8. Aangenomen kan worden dat de diligentie waarmee een ver-
zoekende partij tegen een haar grievende rechtshandeling opkomt met een vorde-
ring tot schorsing of een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, niet noodzakelijk is af te lezen uit het tijdsverloop tussen de kennisname van de be-
streden handeling en het instellen van die vordering. De situatie is denkbaar dat een zaak door gewijzigde omstandigheden pas dringend wordt – of zelfs uiterst drin-
gend – nádat reeds eerder een annulatieberoep aanhangig werd gemaakt. Het is met andere woorden vanaf het ogenblik waarop de spoedeisendheid of de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat van een verzoekende partij een pro-
ceshouding wordt verwacht die de door haar ingestelde procedure niet tegen-
spreekt. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik waarop het voor haar griefhoudende besluit is genomen en dus vanuit het stand-
punt van de verzoekende partij, het ogenblik waarop zij er kennis van krijgt.
IX-8961-8/29
Welnu, in de huidige zaak wist verzoekster, zodra zij kennis kreeg van de handhaving van het B-attest, namelijk vanaf 14 september 2016, dat zij haar schoolloopbaan niet langer kon voortzetten in het ASO tenzij door een jaar over te doen.
Op dat ogenblik dus stond het verlies van een schooljaar vast en was de zaak voor haar spoedeisend.
9. Verzoekster heeft na de kennisname van de bestreden beslissing medio september 2016 ervoor geopteerd haar eerste rapport van 18 oktober 2016 af te wachten om daarna op 26 oktober 2016 aan de beroepscommissie te vragen de bestreden beslissing te herzien en om pas na de ontvangst van het negatieve ant-
woord op 7 november 2016, huidige vordering in te stellen.
Het loutere gegeven dat dit nog binnen de verjaringstermijn van het annulatieberoep valt, vermag op zich een talmen niet te verontschuldigen – zoals gezien is er geen band tussen de beroepstermijn en de mogelijkheid om, binnen die termijn of erna, een schorsingsvordering in te leiden. De omstandigheid dat een vordering is ingediend binnen de wettelijke beroepstermijn, en meer be-
paald op het einde ervan, is een gegeven dat de spoedeisendheid op zich noch bevestigt, noch ze tegenspreekt.
10. Dit is bovendien niet zomaar een beslissing die plots of onver-
wachts over verzoekster is genomen. Ze is het resultaat van een beroepsprocedure die verzoekster heeft ingesteld nadat de klassenraad haar reeds na heroverweging een tweede maal een B-attest had toegekend, waarbij zij haar argumenten reeds in een gemotiveerd bezwaarschrift aan de beroepscommissie had uitgeschreven en waarvan zij in de ene of andere zin het antwoord mocht verwachten.
Het opstellen van een verzoekschrift vereist in die context geen nieuwe, laat staan tijdrovende opzoekingen naar de feitelijke toedracht of naar de toepasselijke rechtsregels.
IX-8961-9/29
De voorgeschiedenis van het dossier reikt bijgevolg geen ele-
menten aan die doen begrijpen dat verzoekster de beslissing nog aan een grondig onderzoek moest onderwerpen om haar argumentatie volledig te kunnen ontwik-
kelen. Verzoekster beweert dat overigens ook niet.
11. Het diligent handelen van verzoekster mag worden afgemeten naar de aard van de schade die de gevorderde schorsing geacht wordt te kunnen afweren, namelijk het dreigende verlies van een schooljaar.
Opdat de beroepscommissie nog nuttig tot een heroverweging zou worden aangespoord en het verlies van een schooljaar wordt vermeden, is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken.
Dit betekent niet dat het een verzoekende partij verboden zou zijn om, na een inschatting van de omstandigheden, te opteren voor de gewone schorsingsprocedure.
12. Naast de tijd die is verstreken om de vordering daadwerkelijk in te stellen, vergt het verloop van de gewone schorsingsprocedure de tijd voor de verwerende partij om het administratief dossier en eventueel een nota met op-
merkingen in te dienen, de tijd die het auditoraat nodig heeft voor het opstellen van een beredeneerd verslag over de zaak en de tijd die de Raad van State vervolgens nodig heeft om een terechtzitting te organiseren en over de vordering na beraad uitspraak te doen. Een inwilliging ervan zou daarna nog niet tot gevolg hebben dat verzoekster toelating heeft om haar studieloopbaan ongehinderd voort te zetten.
Vervolgens immers zou de verwerende partij nog een nieuwe beslissing moeten nemen.
Een verzoekende partij die afziet van de rechtsbescherming die de uiterst dringende noodzakelijkheid haar kan bieden én daarenboven talmt om de vordering in te stellen volgens de gewone schorsingsprocedure, stelt zich bijgevolg
IX-8961-10/29
bloot aan een risico, namelijk om haar vordering afgewezen te zien worden wegens die weinig voortvarende proceshouding omdat de Raad van State, en vervolgens het schoolbestuur, dan immers noodzakelijk slechts uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar reeds verschillende maanden gevorderd is en het ver-
lies van het schooljaar niét meer zo evident kan worden geweerd.
13. Verzoekster geeft hiervoor als enige rechtvaardiging dat zij als vrije leerling momenteel reeds de lessen volgt in het eerste jaar van de derde graad;
zij wijst voorts erop dat zij een goed eerste rapport heeft en dat de nieuwe school haar betere begeleiding geeft.
Die gegevens doen vooreerst geen afbreuk aan het ogenblik waarop zij, met haar eigen woorden, “geconfronteerd [werd] met een onwettige beslissing” en waarop het voor haar duidelijk was dat er haast mee gemoeid was om de tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen.
De Raad van State valt voorts deze verantwoording van ver-
zoekster niet bij.
Verzoekster kan bezwaarlijk aan de rechter vragen voor de be-
oordeling van de spoedeisendheid ermee rekening te houden dat zij zich aan het civiel effect van het B-attest heeft onttrokken en zich eigener beweging in een andere school als vrije leerling heeft ingeschreven in het volgende jaar. Die bij-
zonder precaire situatie had voor haar des te méér reden geweest moeten zijn om voor de rechter een uitspraak bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen.
Daarbij moest verzoekster zich er rekenschap van geven dat zij slechts tot 15 januari van het lopende schooljaar van onderwijsvorm of studierichting mag veranderen.
14. In casu heeft verzoekster na de kennisgeving van de bestreden beslissing op 14 september 2016 – wanneer het nieuwe schooljaar dus al een tweetal weken van start is gegaan – gewacht tot 10 november 2016 om bij de Raad
IX-8961-11/29
van State een vordering tot schorsing in te dienen, zonder zich daarbij te beroepen op de uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit leidt ertoe dat over haar vordering pas in de loop van de maand maart 2017 uitspraak wordt gedaan. Zelfs een voor haar gunstig arrest geeft maar tegen de paasvakantie uitzicht op een nieuwe be-
slissing van de beroepscommissie.
Die vaststelling staat haaks op de eis dat een verzoekende partij zelf alles wat in redelijkheid van haar verwacht mag worden moet ondernemen om de gevreesde gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te milderen. Tot dit verwachtingspatroon behoort ook haar proceshouding.
15. Met de voorgaande gegevens voor ogen, moet worden besloten dat verzoekster niet met de vereiste spoed is opgetreden. De aard van de schade die met de gevorderde schorsing moet worden afgeweerd en de graad van urgentie die door haar aan de zaak wordt toegeschreven, vallen niet te verzoenen met haar proceshouding, die de negatie inhoudt van de beweerde spoedeisendheid van de vordering.
Aan de eerste schorsingsvoorwaarde is niet voldaan.
VI. Ernst van de middelen
A. Eerste middel
16. In het inleidend verzoekschrift voert verzoekster drie middelen aan. Op de terechtzitting doet zij uitdrukkelijk afstand van het eerste middel.
IX-8961-12/29
B. Tweede middel
Uiteenzetting
17. Verzoekster ontleent een tweede middel aan de schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de be-
stuurshandelingen’ en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in-
zonderheid van het formele en materiële motiveringsbeginsel en het redelijk-
heidsbeginsel”.
Verzoekster herinnert eraan dat de motivering van een oriënte-
ringsattest B de redenen kenbaar moet maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend jaar, in de ogen van de klassenraad (versta: de beroeps-
commissie) toch toegang tot welbepaalde richtingen – in casu zelfs tot het geheel van ASO-richtingen – moet worden ontzegd. Daarbij moet rekening worden ge-
houden met het gehele dossier, inzonderheid, zo stelt verzoekster, met haar leer-
stoornis dyspraxie/DCD en haar harde werk en inzet.
Wat haar jaartekorten voor de vakken geschiedenis, Frans en Duits betreft, voert verzoekster aan dat voor Frans en geschiedenis blijkt dat de algemene klasresultaten een vermoeden geven van de moeilijkheidsgraad van lesgeven en examineren van de betrokken leerkracht. Het vak Duits betreft een nieuwe taal en daarenboven was de vakleerkracht de laatste drie weken afwezig waardoor de leerlingen terugvielen op zelfstudie.
Verzoekster stelt dat het niet redelijk is verantwoord dat zij een clausulering krijgt voor het geheel van de ASO-richtingen, hoewel het duidelijk is dat haar probleem bij de taalvakken ligt. Volgens verzoekster blijkt uit de bestre-
den beslissing niet dat de beroepscommissie de aangehaalde summiere tekorten ernstig heeft overwogen. Daarenboven voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet laat begrijpen waarom de goede resultaten, in het bijzonder voor de
IX-8961-13/29
“hoofdvakken” – cultuurwetenschappen en gedragswetenschappen – niet door-
wegen ten opzichte van de tekorten die niet enorm zijn en gerelativeerd dienen te worden. Weliswaar wordt in de bestreden beslissing zeer algemeen aangegeven dat er rekening wordt gehouden met alle concrete gegevens van het dossier maar er wordt niet aangegeven in welke mate, zodat de bestreden beslissing niet draag-
krachtig is.
Daarnaast stelt verzoekster vast dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepscommissie meent dat verzoekster de leerplandoelstellingen voor Frans onvoldoende zou hebben bereikt om door te stromen naar een vijfde jaar ASO, alsook dat voor verschillende andere vakken de nodige kennis of vaar-
digheid zou ontbreken die cruciaal is om het vijfde jaar aan te vatten. Verzoekster duidt aan dat zij voor alle vakken behalve voor Frans, geschiedenis en Duits ge-
slaagd is. Ook stelt zij vast dat voor Duits geen toelichting is gevoegd waaruit zij afleidt dat met dit resultaat geen rekening is gehouden, in acht genomen dat ver-
zoekster dit vak in het vijfde jaar niet meer heeft.
Verzoekster meent dat niet is aangetoond dat de beroepscom-
missie zich de bijlagen met daarin een toelichting van de vakleerkrachten Frans, Engels, Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde en chemie en de daarin opgegeven motivering eigen heeft gemaakt, zodat deze bijlagen niet kunnen gelden als motivering. Verzoekster verduidelijkt dat de bijlagen, behalve voor het vak Nederlands, uitgaan van vakleerkrachten die geen deel hebben uitgemaakt van de beroepscommissie. Uit de bestreden beslissing blijkt ook niet dat de beroeps-
commissie deze motivering voorafgaandelijk aan het nemen van haar beslissing heeft gekregen en bijgevolg de beslissing daarop zou zijn gesteund. Volgens ver-
zoekster is het niet uitgesloten dat de bijlagen naderhand zijn gevoegd om de be-
streden beslissing meer draagkracht te geven.
Voor zover de bijlagen als motivering van de bestreden beslis-
sing moeten worden aangenomen, meent verzoekster dat die niet overtuigen. Er wordt slechts aangehaald dat verzoekster de beoogde doelstellingen niet heeft
IX-8961-14/29
behaald en zij weinig tot geen kans maakt in het vijfde jaar ASO. Er wordt niet aangetoond waarom verzoekster de toegang tot het geheel van ASO-richtingen moet worden ontzegd.
Verzoekster wijst erop dat de beslissing over het al dan niet slagen in het vijfde jaar toevalt aan de delibererende klassenraad van dat jaar. Door zich in de plaats te stellen van deze delibererende klassenraad, gaat de beroeps-
commissie haar bevoegdheid te buiten. Verzoekster stelt dat de bestreden beslis-
sing niet steunt op objectieve elementen maar hoofdzakelijk een hypothetische blik vormt op de toekomst, wat een subjectief gegeven is.
Tot slot argumenteert verzoekster dat zij met het eerste rapport dat zij in het huidige schooljaar kreeg en met de brief van de huidige school bewijst dat de veronderstellingen van de beroepscommissie fout zijn – minstens dat die commissie verkeerd overweegt dat zij zowel voor Frans als voor andere vakken de nodige kennis of vaardigheden ontbeert die cruciaal zijn om het vijfde jaar ASO
aan te vatten – en dat zij wel degelijk slaagkansen heeft in het vijfde jaar humane wetenschappen.
Beoordeling
a. de plicht tot formele motivering
18. Aan de Raad van State is geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bekend dat de verwerende partij een formelemotiveringsplicht oplegt. Net om die reden overigens, leggen de regelgevers deze plicht normatief – inzon-
derheid bij de wet van 29 juli 1991 – aan de besturen op. Voor zover verzoekster de formelemotiveringsplicht zoekt in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is het middel niet ernstig.
19.1. De formelemotiveringswet van 29 juli 1991 staat er niet aan in de weg dat in de motivering wordt verwezen naar andere stukken, voor zover
IX-8961-15/29
cumulatief is voldaan aan de voorwaarden dat de inhoud van het stuk waarnaar wordt verwezen aan de bestuurde ter kennis is gebracht, het stuk waarnaar wordt verwezen zelf afdoende is gemotiveerd, het stuk wordt bijgevallen door de be-
slissende overheid en er geen tegenstrijdige stukken zijn.
19.2. De bestreden beslissing vermeldt “[z]oals u in de vakgebonden motiveringen in bijlage kan lezen” en stelt voorts “[e]en uitgebreide motivering vanuit verschillende vakken vindt u in de bijlagen bij deze brief”. In deze bijlagen geven bepaalde vakleerkrachten een motivering voor het B-attest vanuit hun vak.
Het betreft de vakken Frans (bijlage 1), Engels (bijlage 2), Nederlands (bijlage 3), geschiedenis (bijlage 4), aardrijkskunde (bijlage 5), wiskunde (bijlage 6) en che-
mie (bijlage 7), zijnde zeven van de dertien vakken waarvoor verzoekster is be-
oordeeld in haar dagelijks werk en op haar examens.
Het laat bij een eerste lectuur in de huidige stand van de rechts-
pleging geen twijfel bestaan dat de beroepscommissie zich de bijlagen met kennis van zaken eigen heeft gemaakt en dat die bijlagen geacht moeten worden met de beslissing een geheel te vormen. Het tegendeel beweren, zoals verzoekster doet, mist ernst.
Even weinig ernst heeft het, een beslissing die mede in acht genomen de bijlagen zó uitvoerig is gemotiveerd, te verwijten dat ze niet formeel gemotiveerd zou zijn.
Ten slotte mag worden aangenomen dat verzoekster deze bij-
lagen heeft ontvangen en kennis heeft kunnen nemen van de inhoud ervan, aan-
gezien zij ze toevoegt aan haar verzoekschrift.
20. Voor zover het is geput uit de schending van de formelemoti-
veringswet, is het middel niet ernstig.
IX-8961-16/29
b. de materiëlemotiveringsplicht
21. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat het bestreden besluit moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.
22.1. Wat de jaartekorten voor geschiedenis, Frans en Duits betreft, dient te worden vastgesteld dat verzoekster de kritiek die zij in haar beroepsschrift bij de beroepscommissie heeft geuit, louter herhaalt. Verzoekster lijkt daarmee voorbij te gaan aan de antwoorden die de beroepscommissie daarop heeft gegeven.
Overigens volstaat een loutere referentie aan de klasresultaten en een daaruit af-
geleid “vermoeden van de moeilijkheidsgraad” niet om aan de betrouwbaarheid van de vastgestelde jaartekorten te doen twijfelen.
22.2. De enkele opmerking van verzoekster dat de beslissing rekening dient te houden met het gehele dossier, inzonderheid met haar leerstoornis, harde werk en inzet, toont niet aan dat de beroepscommissie daarmee geen rekening heeft gehouden bij haar beoordeling.
Integendeel overweegt de beroepscommissie dat verzoekster “een harde werker […] en een doorzetter” is. Dit wordt ook zo uitdrukkelijk ver-
meld in de bijlagen geschreven door de vakleerkrachten. Voorts wordt in de be-
streden beslissing, en ook in de bijlagen, verwezen naar de leerstoornis dyspraxie/DCD en de ondersteuning die verzoekster daarvoor heeft gekregen van de school en ook buiten de school.
Ook laat het zich aanzien dat precies deze elementen en het gegeven dat verzoekster geslaagd is voor wat zij de hoofdvakken noemt, de be-
roepscommissie ertoe gebracht hebben om verzoekster, niettegenstaande haar drie jaartekorten, toch geslaagd te verklaren.
IX-8961-17/29
22.3. Die jaartekorten dan weer, leiden de beroepscommissie tot de clausulering voor ASO en inzonderheid voor de richting humane wetenschappen.
Waar verzoekster in dat verband stelt dat de commissie enkel steunt op die tekorten en dat zij nalaat het gehele leerlingendossier in aanmerking te nemen, dat haar probleem bij de taalvakken ligt en dat een clausulering voor het geheel van de ASO-richtingen niet redelijk is verantwoord, gaat zij opnieuw op het eerste gezicht voorbij aan de bestreden beslissing en inzonderheid waar de be-
roepscommissie antwoordt dat het probleem “niet enkel bij de talen [ligt]” omdat verzoekster daarnaast “ook voor verschillende andere vakken [...] de nodige kennis en/of vaardigheden [ontbeert] die cruciaal zijn om het 5e jaar ASO aan te vatten”, dat verzoekster zowel voor dagelijks werk als voor de examens “behoorlijk wat tekorten en lage cijfers neerzet” en dat er “ook geen sprake [is] van een globale positieve evolutie”.
Verzoekster lijkt dan ook niet te kunnen worden gevolgd in haar stelling dat de beroepscommissie niet het gehele dossier zou hebben bekeken en dat de bestreden beslissing niet zou laten begrijpen waarom bepaalde goede re-
sultaten die verzoekster behaalt, inzonderheid voor de vakken cultuurweten-
schappen en gedragswetenschappen, daar niet tegen opwegen, laat staan dat zij aantoont dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet draagkrachtig zou zijn.
Zoals gezien verwijst de beroepscommissie ter ondersteuning van haar beslissing naar de “uitgebreide motivering” van de vakleerkrachten in de bijlagen, die zij zich eigen maakt. Tot een concrete kritiek op die uitvoerige bij-
lagen lijkt verzoekster niet te komen: noch spreekt zij de erin opgenomen feitelijke vaststellingen tegen, noch ontkracht zij de zienswijze van de beroepscommissie dat die vaststellingen, in samenhang met de vastgestelde jaartekorten, een clausulering ASO vermogen te onderbouwen. Om een beweerde schending van de materiële-
motiveringsplicht op ernstige manier te onderbouwen, volstaat het evenwel niet om enkel te verklaren het met de motieven oneens te zijn. In de huidige stand van
IX-8961-18/29
de rechtspleging kan de Raad ter zake de hierna overgeschreven analyse van het auditoraat over wat in de bedoelde bijlagen te lezen is, bijvallen:
“Steunend op de analyse van de vakleerkracht Frans in de bijlage 1, waarbij die op zeer uitgebreide wijze aangeeft op welke punten verzoekster de vooropgestelde leerplandoelstellingen van het vierde leerjaar voor luis-
tervaardigheid, leesvaardigheid, spreekvaardigheid, gesprekvaardigheid en schrijfvaardigheid niet behaalt en bij elk onderdeel beargumenteert waarom verzoekster de leerplandoelstellingen van het vijfde jaar niet zal kunnen halen, wijst de beroepscommissie er vooreerst op dat verzoekster ‘op geen enkel rapport (bewijst) dat ze voldoende leerplandoelstellingen gerealiseerd heeft voor Frans om door te stromen naar een vijfde ASO’. De beroepscommissie stelt dat het aantal lesuren, de leerplannen en dus ook de leerplandoelstellingen voor Frans ‘in het 4e jaar voor alle richtingen ASO
dezelfde (zijn) en (...) dus minimumdoelstellingen (zijn) om door te stro-
men naar elke studierichting (in) de 3e graad ASO’. Waar verzoekster opmerkt dat de jaartekorten ‘niet enorm zijn’, lijkt de beroepscommissie terecht te overwegen dat het tekort voor Frans ‘geen nipt tekort (39,5%) (is)
en ook niet het resultaat van één heel slecht examen, maar wel het gevolg van herhaaldelijke lage cijfers voor dit vak, ondanks de inspanningen’ van verzoekster. Dit vindt op het eerste gezicht steun in de door verzoekster behaalde punten voor dagelijks werk 24 (PW1), 44 (PW2), 44 (PW3), 35
(PW4) en op de examens 45 (T1), 45 (T2) en 32 (T3).
Daarnaast overweegt de beroepscommissie dat het verzoekster ‘voor ver-
schillende andere vakken aan de nodige kennis en/of vaardigheden (ont-
breekt) die cruciaal zijn om het 5e jaar ASO aan te vatten’. De beroeps-
commissie verwijst daarvoor naar de analyse van de vakleerkrachten En-
gels, Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde en chemie.
Buiten het vak geschiedenis (47%) zijn dit vakken waarvoor verzoekster inderdaad geen jaartekort behaalt maar, uitgezonderd het vak Nederlands (60%), toch eerder aan de ondergrens van de 50% (respectievelijk 51%, 50%, 55% en 53%) lijkt te liggen.
Uit de bijlage 2 blijkt dat de vakleerkracht Engels, een vak waar verzoek-
ster voor dagelijks werk 55 (PW1), 84 (PW2), 51 (PW3), 54 (PW4) en op de examens 43 (T1) en 49 (T3) behaalt, in detail uiteenzet op welke punten verzoekster niet voldoet aan de vooropgestelde leerplandoelstellingen van het vierde leerjaar voor de communicatieve vaardigheden en het taalkundig component. Daaruit besluit de vakleerkracht dat verzoekster ‘in het 5e jaar ASO weinig kans maakt’. De vakleerkracht verduidelijkt dat ‘(d)e leer-
plandoelen voor Engels in de 3de graad ASO (...) voor een deel hetzelfde (zijn), maar er wordt in de 3e graad een dieper verwerkingsniveau ver-
wacht, alsook het omkunnen met complexe teksten en moeilijkere beeld-/geluidsfragmenten. Het feit dat Louise met haar harde werken hier en daar haar hiaten compenseert met enkele hoge punten, neemt niet weg dat ze voor verschillende leerplandoelen al in het 4e jaar in de problemen komt en dus weinig kans maakt in het 5e jaar ASO’.
IX-8961-19/29
Uit de bijlage 3 blijkt dat de klasleerkracht en vakleerkracht Nederlands, een vak waar verzoekster voor dagelijks werk 69 (PW1), 54 (PW2), 59
(PW3), 67 (PW4) en op de examens 58 (T1) en 60 (T2) behaalt, uiteenzet dat verzoekster het moeilijk heeft met ‘zelfstandig noteren’, ‘nieuwe kennis relatief snel begrijpen en linken aan of aftoetsen aan haar eigen voorken-
nis’, ‘complexe vragen correct interpreteren’ en ‘de gedachtengang in de les kunnen volgen’. Deze problemen linkt de vakleerkracht concreet aan de vooropgestelde leerplandoelstellingen van het vierde jaar en het vijfde jaar.
De vakleerkracht gelooft dat verzoekster ‘(m)its voldoende tijd en ruimte (...) erin zal slagen om bovenstaande doelstellingen uiteindelijk te realise-
ren’ maar ‘(d)oor de moeilijkheden die ze ondervindt voor andere vakken en de moeite die ze heeft om snel iets onder de knie te krijgen’ vreest de vakleerkracht dat verzoekster ‘in een derde graad ASO die tijd en ruimte niet zal hebben en dat een derde graad ASO (haar) dus niet vooruit zal helpen’.
Uit de bijlage 4 blijkt dat de vakleerkracht geschiedenis, een vak waar verzoekster voor dagelijks werk 49 (PW1), 52 (PW2), 49 (PW3), 73 (PW4)
en op de examens 46 (T1) en 41 (T3) behaalt, ook gedetailleerd aangeeft op welke punten verzoekster niet voldoet aan de vooropgestelde leer-
plandoelstellingen van het vierde leerjaar.
Uit de bijlage 5 blijkt dat de vakleerkracht aardrijkskunde, een vak waar verzoekster voor dagelijks werk 36 (PW1), 52 (PW2), 42 (PW3), 64 (PW4)
en op de examens 53 (T1) en 49 (T2) behaalt, eveneens aanhaalt dat ver-
zoekster problemen heeft ‘om complexe relaties te herkennen en pro-
bleemoplossend te denken’, er door haar inzet voldoende in slaagt ‘feite-
lijke kennis te reproduceren’, ‘maar wanneer de vraagstelling minder herkenbaar is’ zij ‘er vaak niet in slaagt haar kennis toe te passen’, ver-
zoekster ‘het moeilijk (heeft) om de relevante informatie uit gegeven bronnen of uit haar eigen kennis te selecteren’ en de goede antwoorden die verzoekster formuleert ‘meestal te danken is aan voldoende begeleiding, herhaling en studie eerder dan aan een dieperliggend inzicht of vaardig-
heid’. De vakleerkracht zet de toenemende moeilijkheidsgraad in de derde graad uiteen en stelt dat dit in combinatie met de ‘beperkte vooruitgang die Louise heeft geboekt doorheen de 2e graad’ hem bezorgd maakt ‘over haar verdere slaagkansen wanneer zij een studierichting binnen het ASO zou verderzetten’.
Uit de bijlage 6 blijkt dat de vakleerkracht wiskunde, een vak waar ver-
zoekster voor dagelijks werk 67 (PW1), 67 (PW2), 65 (PW3), 57 (PW4) en op de examens 37 (T1), 61 (T2) en 51 (T3) behaalt, eveneens in detail verklaart op welke punten verzoekster niet voldoet aan de vooropgestelde leerplandoelstellingen van het vierde leerjaar. Volgens de vakleerkracht beheerst verzoekster ‘de leerstof op het niveau van reproduceren en auto-
matiseren van formules’ maar heeft verzoekster problemen met ‘inzichte-
lijke en probleemoplossende vaardigheden’.
Uit de bijlage 7 blijkt dat de vakleerkracht chemie, een vak waar verzoek-
ster voor dagelijks werk 50 (PW1), 75 (PW2), 54 (PW3), 28 (PW4) en op de examens 62 (T1) en 45 (T2) behaalt, aangeeft aan welke vooropgestelde leerplandoelstellingen van het vierde leerjaar verzoekster niet voldoet. De
IX-8961-20/29
vakleerkracht besluit dat verzoekster hard werkt maar ‘dit blijft op het ni-
veau van van buiten leren’. Verzoekster heeft problemen met ‘(v)erbanden leggen en inzichtelijke vragen’, hetgeen ‘wel van haar verwacht (wordt) in de 3e graad ASO’, alsook met het studeren van ‘grotere gehelen’.
Gelet op de zeer gedetailleerde analyses van de vakleerkrachten, lijkt de enkele opmerking van verzoekster dat deze bijlagen niet ‘overtuigen’ on-
voldoende om deze analyses te ontkrachten.”
22.4. Gelet op wat voorafgaat, overtuigt verzoekster vooralsnog niet dat de beroepscommissie haar prospectieve en noodzakelijk deels subjectieve beoordeling omtrent de opgelegde clausulering niet heeft gerelateerd aan relevante concrete en objectieve gegevens van het leerlingendossier.
22.5. Een eerste rapport van de school waar verzoekster als vrije leerling is ingeschreven kan aan die vaststellingen geen afbreuk doen. In de eerste plaats is dit een gegeven dat niet voorlag voor de beroepscommissie en dat bij-
gevolg geen element was van het leerlingendossier op het ogenblik waarop de bestreden beslissing tot stand kwam. Voorts is een eerste rapport een momentop-
name van dagelijks werk dat door de band genomen, enkel of alleszins grotendeels herhaling is van leerstof van het vorige jaar en dat bovendien nog geen beeld geeft van de prestaties van de leerling bij het verwerken van grotere gehelen. Ten slotte, zelfs als het latere parcours van verzoekster inderdaad succesvol zou blijken, dan nog toont dit prima facie geenszins de onwettigheid aan van de voorheen getroffen beslissing; later succes in studies bewijst met andere woorden geenszins dat toentertijd, aan de hand van de toen voor de beroepscommissie beschikbare ge-
gevens over de kennis, kunde en vaardigheden van verzoekster, een onwettige beslissing tot stand is gekomen. Het bewijst inzonderheid niet dat zij ten tijde van de bestreden beslissing wel de leerstof voldoende beheerste en dat de onvoldoende resultaten niet correct waren vastgesteld.
23. Voor zover het is geput uit de schending van de materiëlemoti-
veringsplicht, is het middel niet ernstig.
IX-8961-21/29
c. het redelijkheidsbeginsel
24. In de laatste alinea van de toelichting bij het middel herhaalt verzoekster dat de beslissing “niet voldoende gemotiveerd [is]”, maar noemt zij ze bovendien “buitengewoon streng, manifest onredelijk en derhalve onwettig”.
25. Bij evaluatiebeslissingen zoals de voorliggende, beschikt de onderwijsinstelling over een beoordelingsvrijheid. Dit betekent dat verschillende beslissingen mogelijk kunnen zijn, zij het enkel binnen de grenzen van de rede-
lijkheid. De Raad van State kan een leerling niet beschermen tegen strenge be-
slissingen, enkel tegen onwettige.
26. Er is slechts sprake van een schending van het redelijkheidsbe-
ginsel wanneer een beslissing berust op feitelijk juiste en rechtens relevante mo-
tieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. Nog daargelaten dan de vraag of de schending van de motiveringsplicht en de schending van het redelijkheidsbeginsel wegens hun te-
genstrijdige uitgangspunten wel ontvankelijk in één enkel middel aangevoerd kunnen worden, licht verzoekster niet specifiek toe om welke reden het onredelijk moet heten dat de beroepscommissie, staande voor de feitelijke gegevens van het leerlingendossier van verzoekster, tot de thans bestreden beslissing is gekomen. In zoverre voegt de toelichting van het middel niets toe aan wat reeds hiervóór is besproken.
27. Ook in zoverre is het middel niet ernstig.
C. Derde middel
Uiteenzetting
28. Verzoekster ontleent een derde middel aan de schending van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs-
IX-8961-22/29
handelingen’, alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzon-
derheid van “het formele en materiële motiveringsbeginsel”, het beginsel patere legem quam ipse fecisti en het redelijkheidsbeginsel.
Verzoekster stelt dat zij lijdt aan dyspraxie/DCD en hierdoor motorische problemen ervaart die zich vooral manifesteren op het gebied van spraakzin en taalvaardigheden. Voor deze leerstoornis werd met de school een begeleidingsplan opgesteld.
De volgende afspraken werden volgens verzoekster tijdens het schooljaar niet nageleefd:
“- verzoekster heeft de langere teksten nooit op voorhand mogen doorlezen zoals vermeld.
- Ze moest steeds zelf gaan vragen voor bijles tijdens de middag, terwijl het de taak van de leerkracht was om haar naar deze bijlessen te sturen.
- Er werd niet gecontroleerd of zij mee was met noteren gedurende de les.
- Tijdens overhoringen werd er geen rekening gehouden om de extra op-
drachten te verminderen.
- Bij het examen mondeling frans heeft verzoekster geen extra voorberei-
dingstijd gekregen. Ook heeft verzoekster de tekst niet op voorhand mogen doornemen en haar mondeling afgelegd op dezelfde manier als de andere leerlingen van de klas. De ouders van verzoekster hebben voor dit monde-
ling examen een tweede kans gevraagd aan de directie. Echter wou de leerkracht alleen een tweede kans geven wanneer het examen op dezelfde wijze werd afgelegd, namelijk een half uur voorbereiding en geen extra tijd. De leerkracht was van mening dat verzoekster gelijk was aan de andere leerlingen, dit terwijl het begeleidingsplan duidelijk het tegendeel bewijst.
- Wat betreft ‘Leren Leren’ heeft de begeleidster geen concrete en effi-
ciënte informatie gegeven. Deze had geen actuele vakkennis en bood geen extra hulp aan. Ze moest zelf altijd eerst de leerstof onder de knie krijgen terwijl verzoekster zat te wachten.
- Verzoekster stond vaak voor een gesloten deur omdat de begeleidster niet kwam opdagen. De directeur heeft aan de ouders gemeld dat de leerkracht inderdaad heeft toegegeven dat er geregeld iets onverwacht was tussen-
gekomen.
- De ouders van verzoekster hebben hierdoor externe hulp moeten inroepen buiten de school doordat de school deze hulp niet deskundig heeft aange-
bracht. Dit heeft voor onzekerheid en nog meer verwarring gezorgd bij verzoekster.
- Problemen met het begrijpen van Franse en Engelse teksten:
Het examen Geschiedenis, tijdens de periode Kerst werd samengesteld met bronnen in het Engels. Deze waren volgens de leerkracht in eenvoudig
IX-8961-23/29
Engels. Spijt het begeleidingsplan kon verzoekster de teksten niet op voorhand doorlezen. Er werd van uitgegaan dat als dit niet lukt, een 5de jaar ook niet zou lukken. Voor een leerling met een taalprobleem, in een niet bewuste talenrichting werd hier opnieuw geen rekening met haar gehou-
den.
- Problemen melden aan de ouders:
De ouders hebben nooit een seintje ontvangen van de leerkrachten en/of school.
- Rapportcommentaren zijn belangrijk voor verzoekster. Deze werden vaak negatief geformuleerd. Nog vlak voor de laatste examenreeks schrijft een leerkracht ‘Je gebrek aan inzicht blijft nijpend. Wees realistisch in je ver-
wachtingen.’ - Frans leesvaardigheid: 3 x Boek ‘Les Miserables’ Dit is niet van het ni-
veau van het vierde middelbaar ASO. Verzoekster had een eenvoudiger boek als stimulatie moeten krijgen bij de gekende leerstoornis.
- De tijdsindeling voor het afleggen van de examens werd aangepast waardoor de extra tijd voor de leerlingen met een leerstoornis werd ver-
stoord door de begeleidende uren die met de veranderingen teweeg zijn gebracht.
- Bij taalvakken werd ze voor groepswerken vaak samen gezet met een zwakkere leerling.”
Verzoekster zet voorts uiteen dat zij onvoldoende begeleiding heeft gekregen omdat de school voortdurend speculeerde over het volgende schooljaar en zich niet bezighield met het huidige schooljaar en de haar beloofde begeleiding. Volgens verzoekster is er dan ook sprake van een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti.
Daarnaast stelt verzoekster dat de beroepscommissie niet moti-
veert dat er wel voldoende begeleiding is geweest. De bestreden beslissing is ertoe beperkt te verwijzen naar de bijlessen die verzoekster buiten de schooluren zelf organiseerde en volgde, hetgeen een bewijs vormt dat de school dit onvoldoende deed. Voorts argumenteert verzoekster dat de door de school aangeboden bijlessen klassikaal werden aangeboden, zodat dit voor haar geen voldoende begeleiding betrof. Specifiek wat haar leerstoornis betreft, stelt verzoekster dat de bestreden beslissing verwijst naar een info-avond aan het begin van het schooljaar en de oudercontacten die voor alle leerlingen werden georganiseerd. De beroepscom-
missie weerlegt daarmee niet de zeer gedetailleerde lijst van afspraken die volgens
IX-8961-24/29
haar niet zijn nageleefd, zodat de bestreden beslissing niet afdoende is gemoti-
veerd.
Verzoekster stelt dat het zeer goed mogelijk is, minstens niet is uitgesloten, dat zij wel een A-attest zou hebben behaald wanneer in de nodige begeleiding zou zijn voorzien en het begeleidingsplan zou zijn nageleefd.
Wat de mogelijkheid tot GON-begeleiding betreft, stelt ver-
zoekster dat haar huidige school meent dat zij daarvoor in aanmerking komt, ter-
wijl de beroepscommissie dat als een uitzondering beschouwt en deze nooit is aangeboden.
Beoordeling
29. Om de redenen hiervóór vermeld, is de formelemotiverings-
plicht geen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en is het niet ernstig, de formelemotiveringswet geschonden te noemen. Het derde middel brengt geen nieuwe argumenten aan het licht, die toelaten om daar anders over te oordelen.
30. Zoals de Raad van State reeds in tal van arresten heeft overwo-
gen is het, in beginsel, één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar ver-
langde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niet blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Deze laatste kan diegene zijn die haar op het examen heeft voorbereid door bij die voorbereiding in gebreke te blijven.
Zelfs indien een leerling de school terecht zou verwijten niet tijdig over problemen te hebben gecommuniceerd of geïnformeerd, niet in de passende begeleidingsmaatregelen te hebben voorzien of ze niet te hebben toe-
gepast of aangepast, dan kan dat hoogstens betekenen dat de school schuld of mede schuld draagt aan het minder gunstige eindresultaat van die leerling, maar kan
IX-8961-25/29
zulks dit eindresultaat niet meer zo beïnvloeden dat het gunstiger wordt, laat staan dat een A-attest moet worden toegekend.
In zijn algemeenheid kan een verwijt over een gebrek aan be-
geleiding dan ook niet met nuttig gevolg in een procedure voor de Raad van State worden aangevoerd. Verzoekster speculeert dat een betere begeleiding haar mo-
gelijk wel tot een A-attest had geleid. Dat maakt de beoordeling helaas niet anders.
31. Om uitzondering te genieten op dit beginsel – namelijk dat fa-
lende begeleiding inroepen geen nuttig rechtsmiddel is omdat dit hoogstens een (mede-)schuldige aanwijst maar niet vermag de punten beter te maken dan ze uiteindelijk zijn – is vereist dat verzoekster in staat is om, met de nodige precisie, aan te tonen dat de school is tekortgeschoten in welbepaalde vooraf gemaakte afspraken, waarbij dat feilen daarenboven in een rechtstreeks oorzakelijk verband gebracht moet kunnen worden met de wettigheid van de door haar bestreden be-
slissing.
32. In de voorliggende zaak blijkt alvast wel een begeleidingsplan te zijn opgesteld en zijn met andere woorden welbepaalde afspraken gemaakt.
33. Wanneer een school in het kader van het onderwijs aan een leerling met een functiebeperking of een leerstoornis met die leerling of haar ou-
ders afspraken met zogenaamde sticordimaatregelen (stimulerende, compense-
rende, remediërende en dispenserende maatregelen) opneemt in zo een begelei-
dingsplan, dan lijken die afspraken gesitueerd te zijn in de contractuele sfeer, namelijk in de overeenkomst die tussen de onderwijsinstelling en de leerling over het te verstrekken onderwijs is tot stand gekomen.
De Raad ziet niet, en verzoekster zet niet uiteen, wat de uit-
voering van dit plan uitstaans heeft met de regel, vervat in de spreuk patere legem quam ipse fecisti, welke van een bestuur vraagt om de algemene regels die het heeft gesteld correct na te leven bij hun individuele toepassing.
IX-8961-26/29
34. Wat het verwijt van verzoekster betreft dat het begeleidingsplan niet werd nageleefd en dat de beroepscommissie daarop niet antwoordt, dient voorts te worden vastgesteld dat verzoekster zich ervan af maakt door in het in-
leidend verzoekschrift de lijst van beweerde tekortkomingen woordelijk over te nemen die zij had opgenomen in haar bezwaarschrift bij de beroepscommissie. Zij gaat niet na wat daarop is geantwoord in de bestreden beslissing en in de bijlagen.
Nochtans blijkt op het eerste gezicht uit deze bijlagen, zoals de bestreden beslis-
sing stelt, dat verschillende vakleerkrachten vermelden aan verzoekster bijlessen te hebben gegeven, haar notities te hebben opgevolgd, haar de mogelijkheid te heb-
ben geboden om teksten voorafgaand voor te bereiden, positieve rapportcom-
mentaren te hebben gegeven.
De Raad van State is in de eerste plaats geen beroepsinstantie die zich een tweede maal uitspreekt over de grieven van de leerling en daarbij het feitenonderzoek overdoet. Het is evenmin, zeker al niet in een schorsingsproce-
dure, de opdracht van de Raad van State om op eigen houtje de initiële klachten en de daarop door de beroepscommissie gegeven antwoorden te vergelijken, na te gaan waarop mogelijkerwijze niet is geantwoord en na te gaan of de wel gegeven antwoorden deugdelijk zijn.
Voorts is hiervóór reeds aangegeven dat niet elke wanprestatie van de school om afspraken van een begeleidingsplan na te komen, tot de onwet-
tigheid van de evaluatiebeslissing leidt. De Raad stelt vast dat de aangehaalde lijst van grieven en ook de opmerkingen over gemiste bijlessen of GON-begeleiding hoofdzakelijk zien op de wijze van begeleiding tijdens het schooljaar en dat ver-
zoekster nergens precies en duidelijk uitlegt, met terugkoppeling naar een welbe-
paalde en concrete afspraak in het begeleidingsplan, welk rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen een verondersteld niet naleven van die afspraak en de vaststelling van haar resultaten en de daarop gesteunde en bestreden evaluatiebe-
slissing.
IX-8961-27/29
Op de terechtzitting heeft de vader van verzoekster nog wel toegelicht wat er volgens hem is misgelopen bij het kerstexamen geschiedenis, wat de mogelijke weerslag hiervan was op het examenresultaat en waarom het ant-
woord van de beroepscommissie daaromtrent niet adequaat zou zijn. Die uiteen-
zetting had reeds in het verzoekschrift opgenomen kunnen – en moeten – zijn. De Raad mag in de schorsingsprocedure met zulke laattijdige gegevens geen rekening houden.
35. Zoals het gebrek aan passende begeleiding in het middel is aangebracht, en daargelaten of die argumentatie in feite juist is, faalt het prima facie in rechte. Verzoekster lijkt er dan geen belang bij te hebben om aan te klagen dat de beroepscommissie op die bezwaren onvoldoende zou hebben geantwoord.
36. Het middel is niet ernstig.
VII. Conclusie
37. Er is niet voldaan aan de schorsingsvoorwaarden.
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
IX-8961-28/29
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.
De griffier De voorzitter
Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren
IX-8961-29/29
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.689