Court partially annuls Flemish energy decree clause limiting investments to pre-2013 dates due to legal certainty breach.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State partially annulled a specific clause in the Flemish energy policy decree that restricted additional investments to expenditures occurring before January 1, 2013. The applicants argued this retroactive limitation violated the principle of legal certainty, while the government contended the measure was necessary for market stability. The court agreed that the clause's retroactive effect severely impacted legal certainty and rejected the government's request to maintain its consequences.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 14ter of the Coordinated Council of State Laws; The Council of State must exercise caution when maintaining consequences of annulled provisions and may only do so if annulment would severely harm legal certainty.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.667 van 16 maart 2017
in de zaak A. 208.138/VII-38.764.
In zake : 1. de VZW FEDERATIE BELGISCHE
BIOGASINSTALLATIES
2. de BVBA AMPOWER
3. de BVBA BIO-ELECTRIC
4. de NV GREEN POWER PITTEM
5. de BVBA BIO-GAS BOEYE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroen De Coninck kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans, Damien Verhoeven en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 1 maart 2013, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 2012 tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong (Belgisch Staatsblad 31 december 2012 en het erratum Belgisch Staatsblad 18 januari 2013).
VII-38.764-1/38
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jeroen De Coninck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Amaury Verhoustraeten, die loco advocaat Damien Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Dieter Decock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Wettelijk kader en feiten
A. Wettelijk kader
3.1. Het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna: Energiedecreet) vervangt onder meer het
VII-38.764-2/38
decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, waarin voor het Vlaamse Gewest is geopteerd voor een stelsel van groenestroomcertificaten ter bevordering van de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
Een groenestroomcertificaat is een uniek, verhandelbaar, elektronisch en overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een bepaalde productie-installatie in een bepaalde periode een hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
3.2. Behoudens voor wat de productie van zonne-energie betreft, werd er tot vóór de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie (hierna: decreet van 13 juli 2012) geen tijdsbeperking gekoppeld aan de toekenning van groenestroomcertificaten aan producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.
Uitgaande van de vaststelling dat het stelsel een aantal ongewenste neveneffecten had, onder meer omdat het leidde tot een overschot van certificaten op de markt, waardoor het investeringsklimaat onzeker werd, de kosten in de nettarieven terechtkwamen, de kosten voor de eindgebruikers toenamen en het maatschappelijke draagvlak voor groene energie afnam, heeft de decreetgever het nodig geacht het stelsel bij te sturen. Hij heeft ervoor geopteerd om de steun aan de producenten van groene energie te beperken in de tijd en af te stemmen op wat nodig is om de productie-installaties rendabel te maken.
3.3. Artikel 4 van het decreet van 13 juli 2012 vervangt artikel 7.1.1
van het Energiedecreet en voert met betrekking tot het toekennen van groenestroomcertificaten aan producenten van groene energie een onderscheid in tussen installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 en installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013.
VII-38.764-3/38
3.4. Voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 geldt de volgende regeling in verband met steunperiodes.
Voor dergelijke installaties worden in beginsel enkel groenestroomcertificaten toegekend gedurende een periode van tien jaar na de eerste ingebruikname (artikel 7.1.1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet). Dit is de reguliere periode.
Onder bepaalde voorwaarden kunnen de producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen een verlenging van de steunperiode aanvragen bij het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA) (artikel 7.1.1, § 1, derde tot zesde lid, van het Energiedecreet). Dit zijn de verlengde periodes.
Er is een verlenging van de steunperiode mogelijk indien binnen de reguliere steunperiode het aantal vollasturen niet werd gehaald en de aanvraag voldoet aan de in artikel 7.1.1, § 1, derde lid, van het Energiedecreet opgelegde voorwaarden.
Op grond van artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet kan voor een periode van vijf jaar aanvullende steun worden verleend voor het deel van de oorspronkelijke investering of van eventuele extra investeringen in de installatie, dat op het ogenblik van het verstrijken van de reguliere periode of de aanvullende steunperiode op grond van vollasturen, nog niet is afgeschreven. De extra investeringen hebben betrekking “op installaties die in gebruik genomen worden vóór 1 januari 2013 en waarbij de extra investeringen zijn uitgevoerd voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken”. De steunperiode van vijf jaar kan eenmalig met vijf jaar worden verlengd (art. 7.1.1, § 1, vijfde lid, van het Energiedecreet).
Bij zijn arrest nr. 8/2014 van 23 januari 2014 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “en waarbij de extra investeringen zijn uitgevoerd voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken” in
VII-38.764-4/38
artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, tweede zin, van het Energiedecreet vernietigd. Daarbij overwoog het Grondwettelijk Hof:
“Vóór de inwerkingtreding van het bestreden decreet konden de exploitanten van installaties tot opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen niet weten dat het ogenblik waarop zij een extra investering uitvoeren, bepalend zou worden in het kader van het in aanmerking komen, na de inwerkingtreding van het bestreden decreet, voor een verlenging van de steunperiode. De in artikel 7.1.1, §1, tweede en derde lid, van het Energiedecreet bedoelde periodes (de reguliere steunperiode en de verlengingsperiode op basis van niet-gepresteerde vollasturen) waren overigens nog niet gedefinieerd.
Ten aanzien van de met de in artikel 7.1.1, §1, vierde lid, van het Energiedecreet bedoelde verlengingsperiode nagestreefde doelstelling om de rendabiliteit van installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 te waarborgen, is het criterium van het ogenblik waarop een extra investering wordt uitgevoerd niet relevant, zodat het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling niet redelijk is verantwoord”.
Bij artikel 3 van het decreet van 28 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake energie werd artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet gewijzigd. De zin “[d]e extra investeringen hebben betrekking op installaties die in gebruik genomen worden vóór 1 januari 2013 en waarbij de extra investeringen zijn uitgevoerd voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken” werd vervangen door de zin “[d]e extra investeringen zijn uitgevoerd en in gebruik genomen voor 1 juli 2013 en voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken”.
Met arrest nr. 176/2014 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “en voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken”
van de voormelde decreetswijziging van 28 juni 2013 vernietigd.
3.5. Voor installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 worden groenestroomcertificaten enkel toegekend “gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top voor die hernieuwbare energietechnologie wordt gehanteerd” (artikel 7.1.1, § 2, derde lid, van het Energiedecreet). De onrendabele top betreft “het productieafhankelijk gedeelte van de inkomsten dat nodig is om de netto contante waarde van een investering op
VII-38.764-5/38
nul te doen uitkomen en die berekend wordt aan de hand van een cashflowberekening” (artikel 1.1.3, 95°, van het Energiedecreet). Krachtens artikel 7.1.4/1, § 1, van het Energiedecreet worden de onrendabele toppen jaarlijks berekend en geactualiseerd voor representatieve projectcategorieën volgens een procedure en methode die door de Vlaamse regering wordt vastgelegd.
Subsidiëring op basis van de onrendabele top houdt in grote lijnen in dat de hoogte van de steun afhankelijk wordt gemaakt van de rendabiliteit van de installaties.
3.6. Wat de installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 betreft, wordt een groenestroomcertificaat toegekend voor iedere 1.000 kWh elektriciteit die in de installatie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (artikel 7.1.1, § 1, eerste lid, van het Energiedecreet). Voor de certificaten toegekend tijdens de verlenging van de reguliere steunperiode, geldt evenwel een regeling die vergelijkbaar is met die welke geldt voor de installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 (artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en artikel 7.1.4/1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet).
Het aantal groenestroomcertificaten dat voor de installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 voor iedere 1.000 kWh elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen wordt toegekend gedurende de afschrijvingsperiode die in de berekeningsmethodiek van de onrendabele top wordt gehanteerd, is gelijk aan 1, vermenigvuldigd met de van toepassing zijnde bandingfactor (artikel 7.1.1, § 2, vierde lid, van het Energiedecreet). De bandingfactor wordt in artikel 1.1.3, 13°/2, van het Energiedecreet gedefinieerd als de “onrendabele top gedeeld door de bandingdeler”. De bandingdeler is gelijk aan “97 euro per groenestroomcertificaat voor de berekening van de bandingfactor voor de toekenning van groenestroomcertificaten” (artikel 1.1.3, 13°/1 van het Energiedecreet). Het begrip bandingfactor wordt in de parlementaire voorbereiding (Parl. St. Vl. Parl, 2011-2012, nr. 1639/1, 4) verduidelijkt als volgt:
“Het begrip bandingfactor wordt in de nieuwe steunregeling geïntroduceerd met de bedoeling de financiële ondersteuning beter af te stemmen op de steun die nodig is om het project voldoende rendabel te maken.
VII-38.764-6/38
De invoering van de bandingfactor leidt ertoe dat niet voor iedere 1000 kWh groene stroom nog een groenestroomcertificaat zal worden toegekend. Een projecttype dat bij een vooropgestelde marktwaarde (bandingdeler) van het groenestroomcertificaat van 97 euro maar een onrendabele top heeft van 48,5 euro, zal maar voor iedere productie van 2000 kWh een groenestroomcertificaat ontvangen”.
En (Parl. St. Vl. Parl., 2011-2012, nr. 1639/1, 7-8):
“Een belangrijke vernieuwing betreft de invoering van het bandingprincipe waarbij de steun wordt gedifferentieerd per technologie (en, waar relevant, naar schaalgrootte of projecttype) door meer of minder certificaten toe te kennen per geproduceerde MWh groene stroom en de steun daardoor beter af te stemmen op de OT-berekening.
De groenestroomcertificaten worden toegekend door de VREG op basis van een bandingfactor die voor een bepaalde representatieve technologie en schaalgrootte wordt berekend”.
Krachtens artikel 7.1.4/1, § 1, vijfde lid, van het Energiedecreet worden de bandingfactoren door het VEA berekend op basis van de onrendabele toppen. Krachtens artikel 7.1.4/1, § 4, eerste lid, van het Energiedecreet bepaalt de Vlaamse regering de methodiek voor de berekening van de onrendabele top waarbij rekening wordt gehouden met bepaalde parameters. Krachtens artikel 7.1.4/1, § 4, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet kan de Vlaamse regering in het kader van de berekeningsmethodiek van de onrendabele top maximumwaarden opleggen voor de parameters waarmee rekening moet worden gehouden en voor de bandingfactor, en kan die bandingfactor in elk geval nooit meer bedragen dan 1,25.
B. Feiten
3.7. In het kader van de hervorming van de steunregeling voor groene stroom en groene warmte door het decreet van 13 juli 2012, stelt de Vlaamse regering een aantal uitvoeringsbesluiten vast. De hervorming van de decretale steunregeling impliceert onder andere dat nieuwe bepalingen moeten worden uitgevaardigd voor de garanties van oorsprong.
VII-38.764-7/38
3.8. Op 21 december 2012 neemt de Vlaamse regering het besluit tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong. Dit is het bestreden besluit.
Het besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2012. Krachtens artikel 37 treedt dit besluit in werking op 1 januari 2013 met uitzondering van de artikelen 1, 1° tot 4° en 6°, 21, 34 en 36 die in werking treden op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en artikel 1, 5°, dat in werking treedt op 1 januari 2014.
Op 18 januari 2013 verschijnt in het Belgisch Staatsblad een erratum.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie nopens het belang van de verzoekende partijen
Standpunt van de partijen
4. In het verzoekschrift wordt inzake het belang van de eerste verzoekende partij aangevoerd dat zij een maatschappelijk doel van bijzondere aard heeft dat te onderscheiden is van het algemeen belang. Zij groepeert exploitanten van Belgische biogasinstallaties en heeft tot doel een belangenvereniging te zijn voor alle exploitanten van Belgische biogasinstallaties.
Zij is weliswaar recent opgericht, maar wenst evenwel op lange termijn betrokken te zijn als “stakeholder” in het kader van het vastleggen van de onrendabele top.
Daarnaast is het ook de bedoeling om via uitgekozen actiepunten de biogassector verder te versterken. Zo heeft zij een procedure opgestart tegen het decreet van 13 juli 2012. De bestreden normen doen afbreuk aan haar maatschappelijk doel. Zij streeft daadwerkelijk haar maatschappelijk doel na. Ze pleegt geregeld overleg met
VII-38.764-8/38
verscheidene Vlaamse ministeriële kabinetten, de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna: VREG), het VEA en diverse overheidsadministraties. Betreffende de andere verzoekende partijen wordt in het verzoekschrift verduidelijkt dat zij private ondernemingen en producenten van hernieuwbare energie zijn. Zij zijn exploitant van biogasinstallaties die voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten in aanmerking komen. Door de bestreden wijziging van het groenestroomcertificatensysteem worden zij persoonlijk geraakt.
5. De verwerende partij werpt op dat de eerste verzoekende partij niet aantoont dat haar belang verschilt van de individuele belangen van haar leden.
Zij toont evenmin haar “concrete en duurzame werking” aan, aan de hand van bewijskrachtige stukken, zoals verslagen van werkzaamheden en duurzame erkenning van haar werking door de overheid. De timing van de oprichting van de eerste verzoekende partij wekt de indruk dat zij slechts is opgericht met het doel om de aangepaste regeling in rechte te bestrijden. Voor wat de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij betreft, stelt de verwerende partij dat weliswaar in het algemeen zou kunnen worden aangenomen dat zij belang zouden kunnen hebben bij de nietigverklaring van specifieke bepalingen van het bestreden besluit, maar dat zij - zoals zal blijken uit haar verweer ten gronde - geen belang aantonen met betrekking tot elk van de aangevoerde middelen.
6. Inzake de duurzame werking van de eerste verzoekende partij wordt in de memorie van wederantwoord verwezen naar haar website, initiatieven om in samenspraak met het VEA en de VREG de administratieve afhandeling te vereenvoudigen, briefwisseling daaromtrent met de betrokken administraties en haar recente realisatie om de uitbetalingen van de groenestroomcertificaten vlotter te laten verlopen. Daarnaast legt zij verslagen neer van haar raad van bestuur die de grote “slagkracht” van de vereniging moeten aantonen. Ook wijst zij erop recent te zijn geconsulteerd door het VEA in het kader van het stakeholdersoverleg betreffende de onrendabele toppen en de bandingfactor voor groene stroom- en WKK-projecten. Uit de statuten zou blijken dat haar doelstelling verder reikt dan het behartigen van de individuele belangen van de leden.
VII-38.764-9/38
7. Bij hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen bijkomende stukken waaruit moet blijken dat de eerste verzoekende partij over het rechtens vereiste belang beschikt.
Beoordeling
8. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang, dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
9. Artikel 3 van de statuten omschrijft het doel van de eerste verzoekende partij onder meer als volgt:
“De vereniging heeft tot doel een belangenvereniging te zijn (onder meer op juridisch vlak) voor alle exploitanten van Belgische biogasinstallaties (zowel agrarisch als industrieel) met het oog op het geven van een identiteit aan de biogassector in België.
Om het doel te realiseren tracht de vereniging onder andere de bestaande belangen te verdedigen van de exploitanten, door de creatie van een structuur die ééndrachtig naar buiten kan komen. […]”.
Deze statutaire doelstellingen zijn voldoende duidelijk, van bijzondere aard en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. Het bestreden besluit heeft een reglementaire draagwijdte waarbij niet de individuele rechtstoestand van een identificeerbare (rechts)persoon wordt bepaald. Het belang om tegen een reglementair besluit op te komen, valt bijgevolg niet samen met de
VII-38.764-10/38
persoonlijke belangen van de leden. De eerste verzoekende partij toont aan dat zij door een bestendige werking en met concrete initiatieven haar maatschappelijk doel werkelijk nastreeft.
De exceptie wordt verworpen.
10. De vraag of de verzoekende partijen belang hebben bij de aangevoerde middelen, wordt beoordeeld bij het onderzoek ervan.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
11. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 78 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna: BWHI), van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet, en van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
Zij betogen dat in artikel 34 van het bestreden besluit wordt bepaald dat de bijkomende investeringen enkel in aanmerking komen voor zover de uitgaven zijn gebeurd vóór 1 januari 2013. Dit gaat in tegen de tekst van artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet die een verlenging mogelijk maakt van de steunperiode voor een periode van vijf jaar voor het deel van de oorspronkelijke investering of van eventuele extra investeringen die op het moment van het verstrijken van de periode, vermeld in het tweede en derde lid, nog niet is afgeschreven. De extra investeringen hebben betrekking op installaties die in gebruik worden genomen vóór 1 januari 2013 en waarbij de extra investeringen zijn uitgevoerd voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken. De waarde van de extra, nog niet volledig afgeschreven, investeringen
VII-38.764-11/38
wordt enkel in rekening gebracht indien die minstens: a) 20 % van de oorspronkelijke investering en b) 100.000 euro bedraagt en c) uitsluitend essentiële componenten betreft met het oog op groenestroomproductie. Een tweede verlengingsperiode van nogmaals vijf jaar is voorzien onder artikel 7.1.1, vijfde lid, van het Energiedecreet. Het Energiedecreet geeft geen bevoegdheid aan de Vlaamse regering om de decretaal vastgestelde steunregeling te beperken.
Minstens moet, volgens de verzoekende partijen, worden vastgesteld dat bij de bekendmaking van het wijzigingsdecreet van 13 juli 2012
alle biogasinstallaties erop konden vertrouwen dat de regeling voorzien in het Energiedecreet niet nog meer zou worden afgezwakt.
12. De verwerende partij werpt op dat de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij niet aantonen op welke wijze zij concreet zouden worden benadeeld door de regeling die zij bekritiseren. Zij tonen niet aan dat zij een installatie exploiteren die dateert van vóór 1 januari 2013 en die in aanmerking zou komen voor de verlenging van de steun met toepassing van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet.
Voorts zet de verwerende partij uiteen dat de bepaling waarbij bijkomende investeringen enkel in aanmerking komen voor zover de uitgaven zijn gebeurd vóór 1 januari 2013, niet in strijd is met het Energiedecreet. Artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet moet immers zo worden geïnterpreteerd dat bijkomende investeringen enkel in aanmerking komen voor zover de uitgaven vóór 1 januari 2013 zijn gebeurd. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt ondubbelzinnig dat het van meet af aan de bedoeling was om enkel rekening te houden met de investeringen die daadwerkelijk vóór 1 januari 2013 werden uitgevoerd.
13. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat er, voor wat de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij betreft, geen twijfel bestaat dat het gaat om installaties met startdatum vóór 1 januari 2013.
VII-38.764-12/38
Bij het verzoekschrift tot nietigverklaring zit een lijst waarop de startdata van de installaties worden vermeld. Het nadeel dat partijen kunnen ondervinden, betreft net de beperking die het Energiebesluit heeft ingevoerd dat met name bijkomende investeringen na 1 januari 2013 niet in aanmerking kunnen komen voor bijkomende groenestroomcertificaten, terwijl dit volgens het Energiedecreet wel mogelijk is.
Met betrekking tot de grond van de zaak verwijzen de verzoekende partijen naar het advies van de Raad van State nr. 52.980/3 van 8 april 2013 over een voorontwerp van decreet houdende diverse bepalingen inzake energie waarin een vergelijkbare bepaling was opgenomen.
Beoordeling
Belang bij het middel
14. De biogasinstallaties van de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij hebben - zoals blijkt uit de lijst van de VREG met de productie-installaties waaraan groenestroomcertificaten worden toegekend - een startdatum vóór 1 januari 2013 en het is niet uitgesloten dat zij in aanmerking komen voor aanvullende steun voor een periode van vijf jaar zoals bepaald in artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet.
De exceptie wordt verworpen.
Gegrondheid van het middel
15. De Vlaamse regering heeft overeenkomstig artikel 78 BWHI
geen andere macht dan die welke de Grondwet en de wetten en decreten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen. Overeenkomstig artikel 20 BWHI maakt de regering de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de decreten nodig zijn, zonder ooit de decreten zelf te
VII-38.764-13/38
mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen. De uitvoeringsbevoegdheid zoals bepaald in artikel 20 BWHI houdt in dat de regering, bij stilzwijgen van de wet, de vrije keuze van de middelen heeft om het door de decreetgever gestelde doel te bereiken zonder de draagwijdte van het decreet te verruimen of te beperken.
16. Artikel 34 van het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 21 december 2012 strekt tot de verdere uitwerking van artikel 7.1.1, § 1, van het Energiedecreet. Het decreet bevat ter zake geen machtiging aan de Vlaamse regering om aanvullende voorwaarden op te leggen. Voor het nemen van artikel 34
van het bestreden besluit van 21 december 2012 steunt de Vlaamse regering bijgevolg op haar algemene uitvoeringsbevoegdheid zoals bepaald in artikel 20
BWHI.
17. In de mate dat artikel 34 van het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 21 december 2012 een nieuw artikel 12.3.2 toevoegt aan het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid (hierna: Energiebesluit) waarin wordt bepaald dat “[d]e bijkomende investeringen […] enkel in aanmerking [komen] voor zover de uitgaven gebeurd zijn vóór 1 januari 2013”, wijzigt de Vlaamse regering in beperkende zin de draagwijdte van artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet.
In artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet, in de versie die gold op het ogenblik dat de Vlaamse regering het bestreden besluit van 21 december 2012 heeft genomen, wordt onder meer gesteld dat “de extra investeringen […] betrekking [hebben] op installaties die in gebruik genomen worden vóór 1 januari 2013 en waarbij de extra investeringen zijn uitgevoerd voordat de periode, vermeld in het tweede en derde lid, is verstreken”. Uit deze bewoordingen blijkt dat de investeringen na 1 januari 2013 kunnen gebeuren. De enige voorwaarde die wordt gesteld, is dat de investeringen zijn gebeurd tijdens de reguliere periode of de verlenging op basis van niet-gepresteerde vollasturen. Uit
VII-38.764-14/38
de bewoordingen in het Energiedecreet blijkt niet dat de uitgaven van de bijkomende investeringen enkel in aanmerking komen voor zover de uitgaven gebeurd zijn vóór 1 januari 2013. Deze voorwaarde beperkt - zoals hiervoor reeds werd gesteld - de draagwijdte van artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet en is er bijgevolg mee strijdig.
Het eerste middel is gegrond.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
18. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 7.1.4/1, § 4, voorlaatste lid, van het Energiedecreet, van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel al dan niet in combinatie met het redelijkheidsbeginsel. Het middel is gericht tegen artikel 21 van het bestreden besluit waarbij onder meer artikel 6.2./1.1, eerste en tweede lid, in het Energiebesluit wordt ingevoegd.
De verzoekende partijen stellen dat per projectcategorie aan de hand van parameters een bandingfactor wordt bepaald op basis waarvan het totaal aantal toe te kennen groenestroomcertificaten wordt berekend, opdat de installatie van een rendabiliteitsgarantie zou kunnen genieten. De Vlaamse regering kan bij de berekening van de onrendabele top van biogasinstallaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 een maximale bandingfactor opleggen, zodoende dat de rendabiliteit van de betreffende nieuwe installatie niet langer wordt gegarandeerd.
Voor het jaar 2013 heeft de Vlaamse regering voorzien in een maximale bandingfactor van 1. Vanaf het jaar 2014 zal er een nieuw systeem worden ingevoerd waarbij de maximaal toegelaten bandingfactor zal worden bepaald op basis van het rapport van het VEA en op basis van de verhouding tussen
VII-38.764-15/38
het aantal beschikbare certificaten en het aantal in te leveren certificaten bij de vorige inleveringsronde.
Nieuwe installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 worden, zo stellen de verzoekende partijen, ongelijk behandeld ten aanzien van nieuwe installaties met startdatum vanaf 1 januari 2014. Het besluit van de Vlaamse regering voorziet in geen enkele verantwoording voor deze ongelijke behandeling en er zijn ook geen andere redelijke redenen voorhanden waarom de installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 anders zouden moeten worden behandeld dan installaties met startdatum vanaf 1 januari 2014.
Uit het rapport van het VEA 2012 van 8 januari 2013 blijkt dat er geen rendabiliteitsgarantie voorhanden is voor de nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013. De aftopping op factor 1 wordt nergens verantwoord en is willekeurig. Van een zorgvuldige overheid kan worden verwacht dat deze aftopping wordt verantwoord, minstens had zij hiertoe de nodige onderzoeken moeten doen om na te gaan of deze bijkomende aftopping wel verantwoord was, gelet op de door haar opgenomen Europeesrechtelijke verplichtingen in het kader van de energiemix tegen 2020. Nergens blijkt dat de biogassector niet afdoende gesteund zou moeten worden. Het Energiedecreet heeft al in een aftopping voorzien van de bandingfactor. Het verder naar beneden aftoppen kan dan ook niet op een redelijke wijze worden verantwoord.
19. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij opnieuw op dat de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij niet aantonen op welke wijze zij zouden worden benadeeld door de regeling die zij bekritiseren.
Bijkomend stelt zij dat de verzoekende partijen niet toelichten op welke wijze artikel 7.1.4/1, § 4, voorlaatste lid, van het Energiedecreet werd geschonden, zodat het middel niet ontvankelijk is.
Voorts zet de verwerende partij uiteen dat de Vlaamse regering - overeenkomstig de door het Energiedecreet gestelde doelstelling - onder meer
VII-38.764-16/38
heeft willen remediëren aan het zeer grote overschot op de certificatenmarkt, dat de verantwoording voor de aftopping van de bandingfactor op 1 wordt verantwoord in de nota aan de Vlaamse regering waarbij wordt verwezen naar de doelstelling om het zeer grote certificatenoverschot sterk te verminderen, dat voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2014 de bandingfactoren zullen worden vastgesteld rekening houdend met de rapporten van het VEA, dat niet valt in te zien hoe deze regeling in strijd kan komen met het gelijkheidsbeginsel, dat, aangezien de bandingfactor voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2014 op dit ogenblik nog niet bekend is, het op zijn minst voorbarig is om van een schending van het gelijkheidsbeginsel te gewagen, dat de verschillende systemen voor de vaststelling van de bandingfactor berusten op een objectief criterium, namelijk het tijdstip van de startdatum van de bedoelde projecten, dat wat betreft de projecten met startdatum tussen 1 januari 2013 en 31 december 2013, de Vlaamse regering in het kader van de opmaak van het wijzigingsbesluit van 21 december 2012
trouwens geen rekening kon houden met de rapporten van het VEA, zoals dit vanaf 2014 wel het geval zal zijn en dat voor het jaar 2013 de regeling duidelijk bedoeld is als een overgangsmaatregel. Er moge trouwens, aldus de verwerende partij, aan worden herinnerd dat niets zich er tegen verzet dat “een overheid gebruik maakt van een tijdelijke ‘experimentele’ regelgeving om eerst te kunnen evalueren hoe die nieuwe regelgeving in de praktijk uitwerking zal hebben, alvorens een meer stabiele en weloverwogen regeling uit te werken”, werkwijze die zou passen “in de toenemende tendens tot verwetenschappelijking van het wetgevingsproces”.
20. In hun memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen vooreerst op dat de verwerende partij niet concretiseert waarom de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij geen belang zouden hebben bij het middel.
Zij benadrukken er belang bij te hebben om een regeling voor nieuwe productie-installaties aan te vechten. Alleszins staat het vast dat de eerste verzoekende partij over het vereiste belang beschikt om het middel in te roepen.
VII-38.764-17/38
Ten gronde dupliceren zij dat de verwerende partij niet ingaat op de schending van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, dat er wel degelijk sprake is van een ongelijke behandeling omdat er voor het jaar 2013 geen procedure wordt gevolgd om de maximale bandingfactor vast te stellen en voor het jaar 2014 wel, en dat elke verantwoording ontbreekt waarom in het kader van een overgangsmaatregel in een aftopping op 1 zou moeten worden voorzien terwijl de in het Energiedecreet voorziene aftopping niet als overgangsmaatregel kan worden aangehouden.
21. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat het aftoppen van de bandingfactor op 1 in tegenspraak is met wat de Vlaamse regering volgens de parlementaire voorbereidingen (Parl. St. Vl. Parl.
2011-12, nr. 1639/1, 4) beoogde met de introductie van die bandingfactor, met name om “de financiële ondersteuning beter af te stemmen op de steun die nodig is om het project voldoende rendabel te maken”. Het feit dat ook de in het Energiedecreet bepaalde maximale bandingfactor van 1,25 geen rendabiliteitsgarantie biedt doet hieraan geen afbreuk. Een aftopping op 1,25 zou alleszins meer rendabiliteit bieden aan de biogasinstallaties in vergelijking met een aftopping op 1. Ook vestigen ze er de aandacht op dat het verschil in procedure wel degelijk kan leiden tot een verschil in behandeling van de projecten. Voor het jaar 2013 heeft de Vlaamse regering de maximale bandingfactor in afwijking van het Energiedecreet discretionair bepaald op 1 zonder rekening te houden met concrete cijfers of wetenschappelijke studies. Voor het jaar 2014 en de daaropvolgende jaren is het wel mogelijk daarmee rekening te houden.
Beoordeling
Belang bij het middel
22. De tweede tot en met de vijfde verzoekende partij zijn exploitant van biogasinstallaties en komen bijgevolg in aanmerking voor de toekenning van groenestroomcertificaten. Zij hebben er belang bij dat bij de
VII-38.764-18/38
berekeningsmethodiek van het aantal groenestroomcertificaten waarop zij aanspraak kunnen maken een bandingfactor van 1,25 wordt toegepast, terwijl door artikel 21 van het bestreden besluit de maximaal toegelaten bandingfactor wordt vastgelegd op 1.
De exceptie wordt verworpen.
Gegrondheid van het middel
23. Op grond van artikel 7.1.4/1, § 4, van het Energiedecreet is de Vlaamse regering bevoegd om de methodiek voor de berekening van de onrendabele top vast te stellen waarbij minstens rekening wordt gehouden met de in deze bepaling omschreven parameters. Voormeld artikel bepaalt onder meer:
“De Vlaamse regering kan in het kader van de berekeningsmethodiek van de onrendabele top maximumwaarden opleggen voor de parameters, vermeld in het eerste lid, of voor de bandingfactor.
De bandingfactor bedraagt in elk geval nooit meer dan 1,25”.
Behoudens dat de bandingfactor maximaal 1,25 mag bedragen, beschikt de Vlaamse regering over een beleidsmarge bij de vaststelling van de bandingfactor.
De vaststelling van een maximale bandingfactor kadert in de door de decreetgever erkende noodzaak om het overschot van groenestroomcertificaten weg te werken (Parl. St. Vl. Parl 2011-2012, nr. 1639/1, 2-3). Het begrip bandingfactor wordt in de steunregeling geïntroduceerd met de bedoeling de financiële ondersteuning beter af te stemmen op de steun die nodig is om het project voldoende rendabel te maken. De invoering van de bandingfactor leidt ertoe dat niet voor iedere 1.000 kWh groene stroom nog een groenestroomcertificaat zal worden toegekend.
VII-38.764-19/38
Uit de parlementaire voorbereiding bij het decreet van 13 juli 2012 tot wijziging van het Energiedecreet (Parl. St. Vl. Parl 2011-2012, nr. 1639/1, 2) blijkt dat de decreetgever een bijstelling van het beleid inzake hernieuwbare energie wenste te bewerkstelligen waarbij Europese doelstellingen voor 2020
inzake hernieuwbare energie worden verzoend met kostenefficiëntie en economische belangen. Zo kan de bandingfactor in zijn geheel worden beperkt omdat de Vlaamse regering van oordeel is dat het boven een bepaalde plafondprijs niet meer in haar beleidsvisie past om de groenestroomproductie te ondersteunen.
De Vlaamse regering kan voor de berekening van de onrendabele toppen prioriteiten leggen, bijvoorbeeld om te garanderen dat in de eerste plaats het potentieel van de goedkoopste technieken volledig wordt benut door daarvoor de grootste stimulans te bieden, en voor duurdere technieken een lagere rendabiliteit te bepalen.
24. Bij artikel 21 van het bestreden besluit wordt in het Energiebesluit een artikel 6.2/1.1 toegevoegd dat luidt als volgt:
“Het Vlaams Energieagentschap gaat voor de toepassing van de aftopping van de bandingfactoren, vermeld in artikel 7.1.4/1, §4, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 uit van een onrendabele top berekend met een beleidsperiode, termijn van de banklening en afschrijvingstermijn van 10 jaar.
Indien de bandingfactor die op deze manier berekend is hoger ligt dan de maximaal toegelaten bandingfactor, wordt de bandingfactor, die berekend is volgens dit hoofdstuk, vermenigvuldigd met de maximaal toegelaten bandingfactor en gedeeld door de bandingfactor berekend met een beleidsperiode, termijn van de banklening en afschrijvingstermijn van 10 jaar.
De maximaal toegelaten bandingfactor bedraagt voor nieuwe projecten met startdatum in 2013 1. De maximaal toegelaten bandingfactor wordt voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 2014 jaarlijks door de minister vastgelegd. De aldus jaarlijks bepaalde maximaal toegelaten bandingfactor blijft voor installaties met startdatum in het betreffende jaar geldig gedurende de volledige periode waarbinnen de installatie certificaten ontvangt. De maximaal toegelaten bandingfactor voor nieuwe projecten vanaf 2014 wordt bepaald in het kader van het vastleggen van de bandingfactoren, zoals vermeld in artikel 6.2/1.6, op basis van het rapport van het Vlaams Energieagentschap en op basis van de verhouding tussen het aantal beschikbare certificaten en het aantal in te leveren certificaten bij de vorige inleveringsronde”.
VII-38.764-20/38
In de nota aan de Vlaamse regering wordt volgende duiding gegeven bij het voornemen om vanaf het jaar 2013 de maximaal toegelaten bandingfactor op 1 vast te leggen:
“Voor installaties met startdatum in 2013 zullen deze berekeningen de eerste maal gebeuren. De steunberekening en de steunhoogte dient daarom best ook vergeleken te kunnen worden met de aanpak volgens de vroegere steunregeling en steunberekening, ook om aan te sluiten bij een level playing field ten opzichte van bestaande installaties. De Vlaamse Regering wil ook op korte termijn het zeer grote certificatenoverschot sterk verminderen. Daarom zullen de berekende en ter goedkeuring voorgelegde bandingfactoren voor installaties met startdatum in 2013 afgetopt worden op bandingfactor 1 volgens de hogerbeschreven methode”.
25. De door de Vlaamse regering uitgedrukte beweegreden kan volledig ingepast worden in de doelstellingen van de decreetgever. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de Vlaamse regering haar bevoegdheid op onzorgvuldige wijze of kennelijk onredelijke wijze zou hebben uitgeoefend. In zoverre de verzoekende partijen met verwijzing naar de vork van bandingfactoren die vermeld worden in het rapport van het VEA van 8 januari 2013, poneren dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat voor bepaalde projecten die opgestart worden na 1 januari 2013 geen rendabiliteitsgarantie meer bestaat, geldt de vaststelling dat alle categorieën van biogascentrales, met inbegrip van de minst efficiënte, evenmin kunnen rekenen op een dergelijke garantie bij toepassing van de in het Energiedecreet vastgestelde maximale bandingfactor van 1,25.
26. Zo opgevat dat de verzoekende partijen de schending van het gelijkheidsbeginsel uitsluitend zien in het feit dat tot 2013 de maximale bandingfactor wordt vastgesteld door de Vlaamse regering en vanaf 2014 door de bevoegde minister wordt “gevalideerd” op basis van het rapport van het VEA en op basis van de verhouding tussen het aantal beschikbare certificaten en het aantal in te leveren certificaten bij de vorige inleveringsronde, is hun kritiek ongegrond.
Immers, de wijze waarop de maximaal toegelaten bandingfactor wordt vastgesteld, leidt er in principe niet toe dat projecten met startdatum vanaf 2013 of later anders worden bejegend. De verzoekende partijen voeren geen elementen aan die
VII-38.764-21/38
aannemelijk maken dat het bestaan van verschillende procedures leidt tot een verschil in behandeling tussen de projecten als dusdanig.
Het tweede middel is ongegrond.
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
27. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet alsook van het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatiebeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het middel is gericht tegen artikel 21 van het bestreden besluit waarbij onder meer de artikelen 6.2/1.2 tot en met 6.2/1.4 in het Energiebesluit worden ingevoegd.
De verzoekende partijen zetten uiteen dat de Vlaamse regering voor biogasinstallaties en WKK-installaties representatieve projectcategorieën heeft samengesteld, dat de representatieve projectcategorieën voor biogasinstallaties allemaal installaties zijn tot en met 5 MWe, dat een installatie van 5 MWe en een kleinere installatie van bijvoorbeeld minder dan 1 MWe echter niet vergelijkbaar zijn waardoor de berekening van een onrendabele top op basis van deze projectcategorie een schending van het gelijkheidsbeginsel meebrengt omdat ongelijke situaties alsnog gelijk worden behandeld.
Zij verwijzen naar het “kritisch” advies nr. 52.361/3 van 27 november 2012 van de afdeling wetgeving van de Raad van State en stellen dat voor de sector van de biogasinstallaties deze ongelijkheid ook technisch kan worden aangetoond. In dit verband beklemtonen de verzoekende partijen dat de meest kostenefficiënte installatie op zich niet representatief is voor alle installaties.
Zij vergelijken de kostenefficiëntie van een biogasinstallatie van 930 kWe die niet groter kan worden gebouwd om vergunningtechnische redenen met een installatie
VII-38.764-22/38
van 2.978 kWe en klagen aan dat in het bestreden besluit enkel uitgegaan wordt van een algemene projectcategorie tot 5 MWe. De verzoekende partijen stellen voorts vast dat, ondanks het feit dat de SERV en de MINA-raad in hun adviezen van september 2012 duidelijk hadden aangetoond dat er geen enkele visie achter de projectcategorieën steekt, deze categorieën toch werden behouden in de regelgeving. De huidige regeling benadeelt sterk de kleine installaties ten aanzien van de grotere installaties in de projectcategorie. De Vlaamse regering heeft in geen enkele verduidelijking hieromtrent voorzien. Uit het advies van de SERV en de MINA-raad kan tussen de regels worden gelezen dat het verder uitwerken van projectcategorieën te veel vertraging met zich mee zou brengen. Zulks vormt, aldus de verzoekende partijen, evenwel geen redelijke verantwoording.
28. De verwerende partij werpt andermaal op dat de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij niet aantonen op welke wijze zij zouden worden benadeeld door de bekritiseerde regeling. Mogelijks zullen zij er zelfs door bevoordeeld worden. Zij wijst er voorts op dat in het verzoekschrift nergens wordt aangegeven op welke wijze artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet wordt geschonden.
Ook is er volgens haar evenmin een schending van het gelijkheidsbeginsel. Aangezien biogasprojecten op basis van de historische projecten geregistreerd bij de VREG eerder kleinschalig zijn, werd de eerste grens op 5 MWe (artikel 6.2/1.2, 3°, van het Energiebesluit) en vervolgens op 20 MWe (artikel 6.2/1.2, 4°) gelegd. Installaties groter dan 5 MWe zijn immers zeldzaam (een tweetal) terwijl er echter wel tientallen pocketvergisters en installaties van 1 tot 4 MWe zijn. Voor installaties vanaf 20 MWe zijn er, enerzijds, geen gegevens beschikbaar om een representatieve categorie te maken waardoor de projectspecifieke benadering noodzakelijk is, en anderzijds, zijn dergelijke projecten dermate groot dat de realisatie ervan een groot gevolg heeft voor het halen van de groenestroomquota en het aantal op de markt aanwezige certificaten.
De verwerende partij benadrukt dat een onderscheid op basis van het vermogen van de installatie een objectief criterium is. Dergelijk criterium is ook pertinent
VII-38.764-23/38
voor de differentiëring van de steun: zo zullen de investeringskosten in principe lager zijn voor een installatie van minder dan 5 MWe ten opzichte van een installatie uit de categorie van 5 MWe tot 20 MWe. Aangezien het hele systeem thans geënt is op een berekening van een onrendabele top en bandingfactor voor representatieve projectcategorieën, houdt dit ook in dat hoe groter/breder de vermogenscategorie is, hoe meer de berekening van de onrendabele top afwijkt van de uiterste in die categorie vervatte installaties. Het is daardoor niet a priori uitgesloten dat de ene installatie relatief gezien meer steun krijgt dan een andere.
Maar dit probleem zal ook rijzen wanneer de categorie van 5 MWe nog verder zou worden opgedeeld. Ook dan zou immers kunnen worden aangevoerd dat een installatie van pakweg 1 MWe anders wordt behandeld dan een installatie van bijvoorbeeld 500 kW. Tevens werd - aangezien de brandstofkost een van de expliciete door de decreetgever in artikel 7.1.4/1, § 4, 3°, van het Energiedecreet vastgelegde determinerende elementen uitmaakt voor de berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren - een indeling gemaakt aan de hand van de gebruikte brandstof. Ook dit is een objectief en pertinent onderscheidingscriterium.
Volgens de verwerende partij komt het bestreden besluit tegemoet aan de doelstelling om te differentiëren in functie van de investeringskosten voor de installaties zonder de administratieve haalbaarheid van de regeling in het gedrang te brengen. Het komt de rechter niet toe om zijn beoordeling in de plaats te stellen over het gekozen differentiatiecriterium, voor zover die keuze niet op een kennelijk verkeerde beoordeling berust. Voorts merkt zij op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies nr. 52.361/3
zelf heeft aangegeven niet over de vereiste technische kennis te beschikken om de volledige impact van de ontworpen regeling te beoordelen. Uit de adviezen van de SERV en de MINA-raad blijkt niet dat de specifieke keuze voor de categorie van installaties tot 5 MWe, die thans door de verzoekende partijen wordt bekritiseerd, (kennelijk) onredelijk zou zijn. In deze adviezen wordt enkel in algemene termen gepleit voor een verdere differentiëring van de verschillende projectcategorieën.
VII-38.764-24/38
De verwerende partij besluit dat niets belet dat de bestaande indeling in de toekomst wordt aangepast indien de noodzaak daartoe zou blijken.
29. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat zij wel degelijk belang hebben bij het middel. Alle biogasinstallaties, behoudens een tweetal, vallen immers onder de projectcategorie tot 5 MWe. Door de huidige indeling wordt geen enkele installatie bevoordeeld. Voorts wijzen zij erop dat uit de uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring duidelijk blijkt dat artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet samen gelezen dient te worden met de ingeroepen schending van het gelijkheidsbeginsel. In het verweer van het Vlaamse Gewest zien zij een erkenning van het feit dat bij het vaststellen van projectcategorieën ongelijkheden kunnen voorkomen. Evenwel kunnen zij dit verweer niet bijtreden in zoverre wordt betoogd dat een objectief en pertinent onderscheidingscriterium zou zijn gehanteerd.
30. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat de Vlaamse regering zich niet heeft vergewist van de representativiteit van de projectcategorieën. De verwerende partij ging ook zonder enige objectieve en redelijke verantwoording voorbij aan de stelling van de SERV en de MINA-raad dat er in meer projectcategorieën moest worden voorzien. Tot op heden vond er nog geen verdere verfijning van de projectcategorieën plaats, ofschoon dit in de voorbereidende werken in het vooruitzicht werd gesteld. Ook voor mogelijke wijzigingen in de toekomst kan geen enkele garantie worden geboden.
Beoordeling
Belang bij het middel
31. De tweede tot en met de vijfde verzoekende partij hebben als exploitant van biogasinstallaties er in beginsel belang bij om op te komen tegen de in hun ogen niet correcte vaststelling van de representatieve projectcategorieën
VII-38.764-25/38
voor biogasinstallaties die van invloed kan zijn op de rendabiliteit van hun eigen installatie.
De exceptie wordt verworpen.
Gegrondheid van het middel
32. Het bandingprincipe leidt ertoe dat de steun wordt gedifferentieerd per technologie en, waar relevant, naar schaalgrootte of projecttype, door meer of minder certificaten toe te kennen per geproduceerde MWh groene stroom. De groenestroomcertificaten worden toegekend door de VREG op basis van een bandingfactor die voor een bepaalde representatieve technologie en schaalgrootte wordt berekend. Artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet bepaalt dat de onrendabele toppen worden berekend voor representatieve projectcategorieën. De Vlaamse regering legt deze representatieve projectcategorieën vast. De Vlaamse regering kan ook projectcategorieën vastleggen waarvoor per project een specifieke onrendabele top wordt bepaald.
33. Artikel 6.2/1.2 van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 21 van het bestreden besluit, legt de representatieve projectcategorieën vast voor de berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor nieuwe groenestroomprojecten. Deze bepaling luidt voor wat de biogasinstallaties betreft, als volgt:
“Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën :
[…]
3° nieuwe biogasinstallaties met een maximaal vermogen tot en met 5 MWe:
a) voor de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen;
b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
c) recuperatie van stortgas;
d) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib;
VII-38.764-26/38
e) overige vergisters;
4° nieuwe biogasinstallaties met een maximaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe :
a) voor de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen;
b) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie;
c) recuperatie van stortgas;
d) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib;
e) overige vergisters.;
[…]
Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking”.
Artikel 6.2/1.3 van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 21 van het bestreden besluit, bepaalt het volgende omtrent de berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor lopende groenestroomprojecten:
“Het Vlaams Energieagentschap herberekent voor lopende projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren, vermeld in artikel 6.2/1.2.
Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/1. Daarbij wordt enkel geactualiseerd in functie van de opbrengst elektriciteit voor projecten zonder brandstofkosten”.
Artikel 6.2/1.4 van het Energiebesluit, zoals ingevoegd bij artikel 21 van het bestreden besluit, legt de representatieve projectcategorieën vast voor wat de berekening betreft van de bandingfactoren voor kwalitatieve warmtekrachtkoppeling voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013. Deze bepaling luidt voor wat de biogasinstallaties betreft, als volgt:
“Het Vlaams Energieagentschap berekent voor nieuwe projecten met startdatum vanaf 1 januari 2013 de onrendabele toppen en bandingfactoren op basis van de meest kostenefficiënte en performante type-installaties voor de volgende representatieve projectcategorieën:
[…]
5° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties op biogas met een maximaal bruto nominaal vermogen tot en met 5 MWe :
a. Nieuwe installaties;
VII-38.764-27/38
b. Ingrijpende wijzigingen;
Telkens bijkomend opgesplitst in subcategorieën voor 1) de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen; 2) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie; 3) voor recuperatie van stortgas; 4) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib, 5) overige vergisters.
6° kwalitatieve warmtekrachtinstallaties op biogas met een maximaal bruto nominaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe :
a. Nieuwe installaties;
b. Ingrijpende wijzigingen;
Telkens bijkomend opgesplitst in subcategorieën voor 1) de vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouwgerelateerde stromen; 2) voor GFT-vergisting bij een bestaande composteringsinstallatie; 3) voor recuperatie van stortgas; 4) voor vergisting van rioolwaterzuiveringsslib, 5) overige vergisters.
[…]
Het Vlaams Energieagentschap gebruikt voor haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/2.
Voor projecten die ook groenestroomcertificaten ontvangen, wordt eerst de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van warmtekrachtcertificaten berekend zonder steun via de groenestroomcertificaten. Indien de onrendabele top niet volledig gedekt wordt door de toekenning van warmtekrachtcertificaten, wordt vervolgens de onrendabele top en bandingfactor voor de toekenning van groenestroomcertificaten berekend.
Een aanvraag om bijkomende representatieve projectcategorieën toe te voegen, kan ingediend worden bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking”.
In de nota aan de Vlaamse regering over het ontwerp van het bestreden besluit wordt gesteld dat in eerste instantie wordt voorzien in een niet al te groot aantal (algemene) representatieve projectcategorieën:
“Teneinde operationeel te zijn tegen 1 januari 2013 en gelet op het feit dat het ‘observatorium’ pas zal kunnen worden opgestart vanaf het najaar 2012, wordt in eerste instantie voorzien in een niet al te groot aantal (algemene)
representatieve projectcategorieën. Het is de bedoelding dat in de toekomst in het kader van door het Vlaams Energieagentschap op te stellen rapporten de Vlaamse Regering deze eventueel verder verfijnt. Om de verdere verfijning van de representatieve projectcategorieën, ook voor nieuwe technieken met een interessant potentieel mogelijk te maken, wordt ook voorzien dat het Vlaams Energieagentschap een voorstel kan doen om technologieën die nog niet zijn opgenomen in een van de representatieve projectcategorieën, toch op te nemen als een representatieve projectcategorie als dat relevant zou zijn.
[…]
VII-38.764-28/38
Voorlopig worden, met het oog op de opstart van het nieuwe systeem, de representatieve projectcategorieën bepaald op basis van de technologieën waarvoor op basis van de potentieelinschatting van het VITO groei wordt voorspeld op basis van standaardiseerbare en weerkerende typeprojecten”.
34. De verzoekende partijen bekritiseren in essentie de indeling van de biogascentrales in slechts twee representatieve projectcategorieën:
biogasinstallaties met een maximaal vermogen tot en met 5 MWe en biogasinstallaties met een maximaal vermogen groter dan 5 MWe tot en met 20 MWe. Volgens de verzoekende partijen zijn de verschillen tussen een biogasinstallatie van 5 MWe en een installatie van minder dan 1 MWe dermate groot dat ze niet binnen dezelfde categorie kunnen worden ondergebracht.
35. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen personen. Dezelfde regels verzetten er zich tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
36. De omstandigheid dat er binnen de categorie van biogasinstallaties tot en met 5 MWe verschillen bestaan tussen een installatie van 5 MWe of een kleinere installatie van minder dan 1 MWe, toont op zich niet de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Het niet verder opdelen van de categorie van biogasinstallaties tot en met 5 MWe in meerdere categorieën, behoort tot de beleidsvrijheid van de Vlaamse regering. Het gelijkheidsbeginsel staat er in beginsel niet aan in de weg dat de Vlaamse regering de diversiteit van projectinstallaties vermag op te vangen in vereenvoudigende en benaderende categorieën. Hoewel een verdere opdeling van de verschillende biogasinstallaties een beter aansluitende bandingfactor met zich meebrengt, wordt daarmee op zich niet aangetoond dat het bestreden besluit, dat uitgaat van ruimere categorieën
VII-38.764-29/38
ongelijke situaties gelijk behandeld. Het komt aan de verzoekende partijen toe om met concrete gegevens aan te tonen dat de onrendabele toppen van installaties onderaan de categorie dermate afwijken van die bovenaan de categorie, dat het vaststellen van één enkele waarde voor de hele categorie niet anders dan als een ongelijke behandeling kan worden beschouwd. Met de verwijzing naar een algemene opmerking in het advies nr. 52.361/3 van de afdeling wetgeving van de Raad van State en naar de beschouwingen van de SERV en de MINA-raad omtrent de wenselijkheid op termijn van een verdere differentiatie van de representatieve projectcategorieën, slagen de verzoekende partijen daar niet in.
Het derde middel is ongegrond.
D. Vierde middel
Standpunt van de partijen
37. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan van artikel 78 BWHI en van artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet samen gelezen met artikel 7.1.4/1 van hetzelfde decreet.
Het middel is gericht tegen artikel 21 van het bestreden besluit waarbij een artikel 6.2/1.8 in het Energiebesluit wordt ingevoegd.
Zij betogen dat artikel 6.2/1.8 van het Energiebesluit bepaalt dat voor bestaande installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 de bandingfactor berekend dient te worden aan de hand van de berekeningsmethodiek en de parameters in bijlage III/4 en dat deze bepaling echter niet verwijst naar representatieve projectcategorieën. Nochtans vereist artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet dat de bandingfactoren dienen beoordeeld te worden conform de representatieve projectcategorieën. Ook in de overige bepalingen van het Energiebesluit wordt er niet voorzien in specifieke representatieve projectcategorieën voor bestaande installaties met startdatum vóór 1 januari 2013.
Er is enkel in representatieve projectcategorieën voorzien voor installaties met
VII-38.764-30/38
startdatum na 1 januari 2013. Artikel 6.2/1.8 van het Energiebesluit schendt dan ook het Energiedecreet. Minstens is het uitvoeringsbesluit op de wijze waarop het is opgesteld onuitvoerbaar voor bestaande installaties nu er geen representatieve projectcategorieën voorzien zijn voor de bestaande installaties met startdatum vóór 1 januari 2013.
38. In haar memorie van antwoord herhaalt de verwerende partij dat de tweede tot en met vijfde verzoekende partij niet aantonen op welke wijze zij concreet zouden worden benadeeld door de regeling die zij bekritiseren.
Voort stelt zij dat de vermelding in artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet dat de onrendabele toppen “worden berekend voor representatieve projectcategorieën”, geen algemene verplichting impliceert om voor alle projecten een indeling te maken in “representatieve projectcategorieën”.
Wat de installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 betreft, biedt artikel 7.1.4/1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet een autonome rechtsgrond die los staat van artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid. Er bestond dan ook geen verplichting in hoofde van de Vlaamse regering om in artikel 6.2/1.8 (en de bijhorende bijlage III/4) voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 een indeling te maken in representatieve projectcategorieën.
In ondergeschikte orde merkt de verwerende partij op dat indien zou worden geoordeeld dat artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet wel een algemene verplichting inhoudt ten aanzien van alle installaties waarvoor onrendabele toppen worden berekend, deze bepaling in elk geval in haar geheel dient te worden gelezen. Deze bepaling maakt het immers mogelijk om in plaats van “representatieve projectcategorieën”, ook projectcategorieën vast te stellen waarvoor per project een specifieke onrendabele top wordt berekend. Dergelijke vaststelling “per project” is met name aangewezen voor de projecten met startdatum vóór 1 januari 2013 waarvoor de onrendabele toppen dienen te worden berekend met betrekking tot de verlengde steunperiode(s). De specifieke voorwaarden die artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet
VII-38.764-31/38
koppelen aan de investeringen om in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de onrendabele top dienen geval per geval afgetoetst te worden. Dit soort niet afgeschreven investeringen zijn zowel qua inhoud als omvang zo variabel, dat ze per definitie niet “representatief” kunnen zijn. Dat er specifiek voor de berekening van de onrendabele toppen voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 in artikel 6.2/1.8 van het Energiebesluit geen indeling wordt gemaakt in “representatieve projectcategorieën” is volgens de verwerende partij niet meer dan logisch. Ter zake kan overigens worden verwezen naar artikel 7.1.1, § 1, zesde lid, van het Energiedecreet waar de decreetgever voorziet in een specifieke procedure waarbij het VEA per individuele aanvraag een oordeel moet vellen, wat bij representatieve projectcategorieën uiteraard niet het geval is.
39. In hun memorie van wederantwoord werpen de verzoekende partijen tegen dat de verwerende partij niet concretiseert waarom de tweede tot en met de vijfde verzoekende partij geen belang zouden hebben bij het middel. Zij zijn alle ingedeeld in de betreffende projectcategorieën, doch het Energiebesluit heeft hen niet bij één van deze projectcategorieën ingedeeld. Alleszins wordt niet betwist dat de eerste verzoekende partij over het vereiste belang bij dit middel beschikt.
Voorts stellen zij dat het Energiedecreet in artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, voorschrijft dat in representatieve projectcategorieën moet worden voorzien. Er kan inderdaad voor bepaalde specifieke projecten een specifieke berekening inzake de onrendabele top worden bepaald. Te dezen heeft de Vlaamse regering echter niet in een uitzonderingsregime voorzien voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013, maar heeft zij in een algemeen regime voorzien.
Het gaat hier derhalve niet om een specifieke projectcategorie, maar enkel om projecten die geïnitieerd zijn voor een bepaalde datum. Er bestaat geen enkele dwingende reden waarom vroegere projecten niet in projectcategorieën ingedeeld kunnen worden en latere projecten wel ingedeeld zouden kunnen worden.
VII-38.764-32/38
40. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het niet gaat om een “projectcategorie waarvoor per project een specifieke onrendabele top wordt bepaald”. De biogasinstallaties met startdatum vóór 1 januari 2013 kunnen niet als dusdanig worden beschouwd, nu het enige criterium om tot dezelfde categorie te behoren de startdatum is. Het gaat om een algemeen regime, zodat deze installaties gezien moet worden als een projectcategorie waarvoor een algemene onrendabele top wordt berekend.
Beoordeling
Belang bij het middel
41. Het volstaat te verwijzen naar de beoordeling van het belang bij het eerste middel in randnummer 14.
De exceptie wordt verworpen.
Gegrondheid van het middel
42. Op grond van artikel 7.1.1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet kan voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 aanvullende steun voor een periode van vijf jaar worden verleend voor het deel van de oorspronkelijke investering of van eventuele extra investeringen in de installatie, dat op het moment van het verstrijken van de reguliere periode of de aanvullende steunperiode op grond van vollasturen, nog niet is afgeschreven. Het aantal certificaten toegekend tijdens de verlenging van de steunperiode, wordt berekend op basis van de bandingfactor (artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en artikel 7.1.4/1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet).
43. Artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet bepaalt dat de onrendabele toppen worden berekend voor representatieve projectcategorieën. De Vlaamse regering legt deze representatieve
VII-38.764-33/38
projectcategorieën vast. De Vlaamse regering kan ook projectcategorieën vastleggen waarvoor per project een specifieke onrendabele top geldt.
44. In het door artikel 21 van het bestreden besluit ingevoegde artikel 6.2/1.8 van het Energiebesluit wordt de berekening van de onrendabele toppen en bandingfactoren voor groenestroomprojecten met startdatum vóór 1 januari 2013 geregeld. Dit artikel luidt als volgt:
“Het Vlaams Energieagentschap berekent de onrendabele toppen en bandingfactoren voor projecten met startdatum vóór 1 januari 2013 waarvoor bijkomende groenestroomcertificaten worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7.1.1 § 1, vierde of vijfde lid van het Energiedecreet.
Het Vlaams Energieagentschap gebruikt in het kader van haar berekening de berekeningsmethodiek en de parameters, zoals bepaald in bijlage III/4.
Op eenvoudig verzoek van het Vlaams Energieagentschap stelt de eigenaar van de productie-installatie of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daartoe door hem werd aangewezen binnen een door het Vlaams Energieagentschap gestelde termijn alle noodzakelijke informatie ter beschikking van het agentschap.
Het Vlaams Energieagentschap stelt binnen de maand nadat het dossier volledig is voor deze installatie een bandingfactor vast […]”.
45. Artikel 7.1.4/1, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet legt de verplichting op om voor representatieve projectcategorieën de onrendabele toppen te berekenen. Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat elk individueel project, waaronder de installaties zoals bepaald in artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet onder die representatieve projectcategorieën moet worden gebracht. Zulks volgt evenmin uit de artikelen 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, en 7.1.4/1, § 1, vierde lid, van het Energiedecreet. De Vlaamse regering is haar bevoegdheden dan ook niet te buiten gegaan door voor installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 die in aanmerking komen voor de verlenging van de steunperiode zoals bepaald in artikel 7.1.1, § 1, vierde en vijfde lid, van het Energiedecreet niet in representatieve projectcategorieën te voorzien.
Het vierde middel is ongegrond.
VII-38.764-34/38
VI. Omvang van de vernietiging
Standpunt van de partijen
46. De verwerende partij stelt dat de nietigverklaring in elk geval beperkt moet worden tot die onderdelen van de artikelen 21 en 34 van het bestreden besluit waartegen middelen worden aangevoerd.
47. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat zij niet akkoord gaan met de door de verwerende partij aangehaalde beperking van de omvang van het beroep.
Beoordeling
48. Het beroep tot nietigverklaring wordt enkel gegrond bevonden in de mate het gericht is tegen artikel 34 van het bestreden besluit waarbij aan het Energiebesluit een artikel 12.3.2 wordt toegevoegd, bevattende de zin “De bijkomende investeringen komen enkel in aanmerking voor zover de uitgaven gebeurd zijn vóór 1 januari 2013”. Deze zin is afsplitsbaar van de overige bepalingen van het bestreden besluit. Bijgevolg volstaat een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit.
VII. Handhaving van de gevolgen
Verzoek
49. De verwerende partij verzoekt om in geval tot de nietigverklaring van het bestreden besluit wordt overgegaan, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven voor het verleden. Indien zulks niet zou gebeuren vreest zij dat alle sinds augustus 2012 toegekende groenestroomcertificaten moeten worden herberekend. Een en ander zou leiden tot “een toevloed van het aantal certificaten, wat een aanzienlijk marktverstorend
VII-38.764-35/38
effect zou hebben”, waardoor “de marktprijs [zou] kelderen wegens overaanbod, en […] aanzienlijk meer beroep [zou] moeten worden gedaan op de minimumsteun van de netbeheerders”. Dit zou belangrijke gevolgen hebben voor “de uitgaven van de netbeheerder, en dus uiteindelijk (via de tarieven) voor de eindgebruiker”.
50. In hun memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen gelden dat, in de mate dat er al een rechtsbasis zou voorliggen om aan het verzoek van de verwerende partij te voldoen, de Raad van State de gevolgen voor het verleden niet kan handhaven, zeker niet voor wat betreft het eerste middel waarin de schending van het rechtszekerheidsbeginsel wordt ingeroepen.
Beoordeling
51. Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het van toepassing is op het voorliggende beroep, bepaalt:
“Zo de afdeling administratie dit nodig oordeelt, wijst zij, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde verordenings-
bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die zij vaststelt”.
De bevoegdheid om de gevolgen van een vernietigde verordeningsbepaling te beperken moet met de nodige omzichtigheid worden uitgeoefend en kan slechts worden gehanteerd wanneer vaststaat dat de vernietiging zonder meer van het bestreden besluit zeer zware gevolgen zou hebben op het stuk van de rechtszekerheid.
52. Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State impliceert dat de verwerende partij aanduidt welke gevolgen zij gehandhaafd wenst te zien, al dan niet voorlopig, voor welke termijn en waarom. Te dezen komt het verzoek van de verwerende partij er in essentie op neer de vernietiging van het bestreden besluit van al zijn (financiële) gevolgen te ontdoen, wat evenwel vreemd is aan de rechtszekerheid. Bovendien wordt, zoals aangegeven in randnummer 48,
VII-38.764-36/38
slechts overgegaan tot de gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat een vernietiging van beperkte omvang een grote marktverstorende werking zal hebben.
Het verzoek om de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven wordt afgewezen.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de zin “De bijkomende investeringen komen enkel in aanmerking voor zover de uitgaven gebeurd zijn vóór 1 januari 2013” in artikel 12.3.2, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, zoals ingevoegd bij artikel 34 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 2012 tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de groenestroomcertificaten, de warmtekrachtcertificaten en de garanties van oorsprong.
De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 875 euro.
VII-38.764-37/38
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-38.764-38/38
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.667