Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.666 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.666 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against building permit refusal citing lack of evidence for legal justification of demolition.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.666
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the cassation appeal challenging a building permit refusal for reconstructing a detached house. The applicants argued that the lower court erred in rejecting their claim that damage to one corner of the building constituted a 'foreign cause' justifying demolition under specific zoning regulations. The court held that the applicants failed to prove the damage caused total destruction or that the lower court's assessment was arbitrary, noting the refusal was based on the lack of justification for demolition. Consequently, the appeal was dismissed and the applicants were ordered to pay legal costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 4.4.10 and 4.4.21 VCRO; The court established that a refusal to grant a regularization permit requires proof that the alleged damage constitutes a valid foreign cause justifying demolition, and a mere assertion without evidence of total destruction or arbitrary reasoning does not constitute a violation of these provisions.

Mots-clés

Généré par l'IA
building permit refusal zone foreign house foreign cause doctrine demolition justification zoning regulation violation cassation appeal dismissal procedural regularity qualité pour recourir contre permis

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Articles 4.4.10 and 4.4.21 VCRO
Article 149 of the Constitution
Article 6 ECHR
Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for cassation before the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.666 van 16 maart 2017

in de zaak A. 219.646/VII-39.705.

In zake : 1. Liesbeth VERGAELEN

2. Aris SPANOUDIS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jeroen De Coninck kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD

VAN VLAAMS-BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1516/1128 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 mei 2016 in de zaak 1314/0384/A/4/0370.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 17 augustus 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

VII-39.705-1/8

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jeroen De Coninck, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur An Van Den Broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Met een besluit van 19 december 2013 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan de verzoekende partijen voor “het herbouwen van een eengezinswoning”.

VII-39.705-2/8

3.2. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 19 december 2013.

IV. Regelmatigheid van de rechtspleging

4. De verzoekende partijen hebben een “laatste memorie met verzoek tot voortzetting” ingediend waarin zij de memorie van wederantwoord integraal hernemen en een repliek geven op het auditoraatsverslag. Het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit) voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen.

Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten.

V. Onderzoek van het enige middel

Standpunt van de verzoekende partijen

5.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6

van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC), alsook van “de bewijskracht van de akte” en artikel 4.4.2.1 (lees: 4.4.21) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO).

VII-39.705-3/8

De verzoekende partijen betwisten de beoordeling van hun eerste middel door de RvVb. Zij wijzen op het feit dat zij tijdens de hoorzitting bij de deputatie bijkomende stukken hebben neergelegd, waaronder een verklaring over de stabiliteit. Uit dit stuk blijkt dat het uitvoeren van verbouwingswerken door de aannemer een “calamiteit” tot gevolg had, met als gevolg dat de stabiliteit niet meer gegarandeerd was om nog over te gaan tot verbouwen. Doordat in het bestreden arrest wordt geoordeeld dat dit standpunt bij een loutere bewering blijft en dit niet aantoont dat de beschadiging van één hoek van het gebouw de vervanging van alle overige buiten- en binnenmuren kan rechtvaardigen, wordt de bewijskracht van het bijgebrachte stuk geschonden. De RvVb kon niet zonder schending van de bewijskracht van dat stuk “besluiten dat de beschadiging aan één hoek van het gebouw, de volledige vervanging van alle overige buiten- en binnenmuren niet tot gevolg had”.

De verzoekende partijen stellen dat rechtscolleges overeenkomstig artikel 6 EVRM, artikel 149 en artikel 32 DBRC verplicht zijn om hun uitspraken te motiveren. Gelet op de miskenning van de bewijskracht van het bewijsstuk, zijn deze principes geschonden.

Dezelfde redenering geldt volgens de verzoekende partijen “voor het tweede [door de RvVb] verworpen middel” omdat de RvVb “voor de verwerping van het tweede middel” verwijst “naar het eerste verworpen middel”.

5.2. De verzoekende partijen repliceren op de stelling van de verwerende partij dat de schending van de bewijskracht van een akte geen in artikel 14 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wet of substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm is, dat uit vaste rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de schending van de bewijskracht van een akte, zij het als een algemeen rechtsbeginsel, telkenmale onderzocht wordt en dat derhalve ook deze schending an sich staat. Bovendien wordt deze schending “eveneens in combinatie met de overige aangeduide beginselen, dan wel wettelijke bepalingen”, aangehaald. Zij bevestigen “dat de Raad van State niet over de feiten

VII-39.705-4/8

kan gaan” en benadrukken dat zij “een juridisch punt ter discussie [stellen] waarbij de feiten niet ter discussie worden gesteld. Het twistpunt in deze is […] dat er geen rekening werd gehouden met de bewijskracht van de [...] akte, waarbij er gesteld wordt dat de redenering niet onredelijk en dergelijke meer zou zijn…. Hoe het stuk an sich wordt beoordeeld en wat de bewijswaarde van dit stuk is, betreft een feitelijke discussie die in deze niet gevoerd wordt. Slechts in zoverre dit punt beslecht wordt, zal er nagegaan kunnen worden of [de verzoekende partijen]

vervolgens konden overgaan tot het herstel van de zonevreemde woning, waarbij het feit of het hier om een herbouwen of een verbouwen gaat volledig irrelevant is, nu dit geen criterium vormt onder artikel 4.4.21 VCRO. Het eerste wat er nagegaan diende te worden is, of er inderdaad een calamiteit had plaatsgevonden. Hiervoor diende er rekening gehouden te worden met de stukken voorhanden in het rechtsplegingsdossier. In deze wordt enkel de discussie gevoerd inzake de bewijskracht, waardoor de aangehaalde elementen van de verwerende partij niet dienstig zijn in huidige discussie”.

Beoordeling

5.3. Artikel 95, 2°, DBRC bepaalt dat de beroepen die zijn ingediend bij de RvVb vanaf 1 september 2012 en voor de datum van de inwerkingtreding van het DBRC worden behandeld volgens de procedureregels vermeld in de VCRO en het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

De verzoekende partijen hebben het beroep tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 19 december 2013 ingediend op 24 februari 2014.

Artikel 32 DBRC is overeenkomstig artikel 96 DBRC

samengelezen met artikel 115 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges in werking getreden op 1 januari 2015.

VII-39.705-5/8

Het bestreden arrest overweegt voorafgaandelijk aangaande de toegepaste wet:

“Titel IV, hoofdstuk VIII van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2012 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (Procedurebesluit) zijn toegepast.

De uitdrukkelijke verwijzingen in dit arrest naar artikelen van de VCRO en van het Procedurebesluit hebben betrekking op de tekst van deze artikelen, zoals zij golden op het ogenblik van het instellen van de voorliggende vordering”.

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 32 DBRC is onontvankelijk.

5.4. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.

In zoverre het middel noopt tot een beoordeling van de zaak zelf, is de Raad van State niet bevoegd en is het middel bijgevolg onontvankelijk.

5.5. Het enige middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van artikel 4.4.21 VCRO, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en de materiëlemotiveringsplicht, op grond van volgende overwegingen:

“4.

De verzoekende partijen betwisten niet dat de woning door de haar voorgehouden „calamiteit‟, met name het graven van een sleuf langs de woning, enkel de beschadiging tot gevolg had aan één hoek van de woning. Ze betwisten evenmin dat zij opdracht gaven aan de aannemer tot verdere afbraak. Ze stellen

VII-39.705-6/8

in het verzoekschrift dat zij dat laatste niet hebben ontkend en dat „zij na het voorval (het graven van de greppel) in een paniekreactie de opdracht gegeven hebben aan de aannemer om voort te werken‟.

De verzoekende partij houdt echter voor dat het „voorval‟ tot gevolg had dat de woning niet meer kon beschouwd worden als een bestaande woning, doch volledig ge[de]stabiliseerd was.

Het standpunt van de verzoekende partijen komt er op neer dat door de beschadiging van één hoek van de woning, de stabiliteit van het ganse gebouw in het gedrang was gekomen, waardoor er geen sprake meer was van een bestaande woning en er derhalve geen beroep meer kon gedaan worden „op de basisrechten voorzien in artikel 4.4.10 VCRO‟.

Dit standpunt blijft echter bij een loutere bewering, dat niet aantoont dat het motief in de bestreden beslissing dat „beschadiging van één hoek van het gebouw, (...) echter geenszins de vervanging van alle overige buiten- en binnenmuren (kan) rechtvaardigen‟.

Nog daargelaten de vraag of de door de verzoekende partijen voorgehouden calamiteit van hun aannemer - die overigens in de bestreden beslissing voor waarheid wordt aangenomen - al dan niet kan beschouwd worden als een „vreemde oorzaak‟, tonen de verzoekende partijen niet aan dat de beschadiging die daardoor veroorzaakt is, de vernieling veroorzaakte van het gehele gebouw en dat toepassing kon gemaakt worden van artikel 4.4.21 VCRO

voor het herbouwen van de zonevreemde woning. De verzoekende partijen tonen met andere woorden niet aan dat de verwerende partij foutief of op kennelijk onredelijke wijze tot de conclusie kwam dat de herbouw niet wordt gerechtvaardigd door de beschadiging van één hoek van het gebouw. De verzoekende partijen tonen derhalve ook niet aan dat de verwerende partij de afbraakwerken ten onrechte niet als een (gevolg van de) „vreemde oorzaak‟ beschouwt.

Het gegeven dat de verwerende partij in de bestreden beslissing daar nog aan toevoegt dat de verzoekende partijen vat behoren te hebben op de handelingen van de aannemer, doet geen afbreuk aan de vaststelling in de bestreden beslissing dat de regularisatieaanvraag tot herbouw op grond van artikel 4.4.21 VCRO geen rechtvaardiging kan vinden in de beschadiging veroorzaakt aan één hoek van het gebouw. Deze vaststelling op zich volstaat om regularisatievergunning voor een zonevreemde woning op grond van artikel 4.4.21 VCRO te weigeren.

5. De conclusie van het voorgaande is dat de verzoekende partijen geen schending aantonen van de aangevoerde bepalingen en beginselen”.

5.6. Het middel dat de miskenning aanvoert van de bewijskracht van de als stuk nummer 13 aan de RvVb meegedeelde schriftelijke verklaring van het “ingenieursburo Jaribo bvba” van 15 januari 2013, waarop het bestreden arrest zijn beslissing niet grondt, mist feitelijke grond.

VII-39.705-7/8

5.7. Het bestreden arrest is met de redenen aangehaald in randnummer 5.5 waarop ook de verwerping door de RvVb van het tweede middel van de verzoekende partijen is gesteund, omkleed.

Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM is ongegrond.

5.8. Het enige middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 400 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien maart tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.705-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.666