Court remands case for new report on whether a waste management association can bid for soil waste processing contracts.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State remanded the case for a supplementary report regarding the validity of a waste management association's bid for soil waste processing. The applicant argued the association lacked capacity, while the respondent claimed the activity fell within its statutory powers and represented efficient resource use. The court found the specific ground of inadmissibility unproven and ordered a new audit to fully examine the legal basis for the association's participation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1 and 2 of the Law of 16 April 1994 on the Council of State; where an administrative act is challenged on grounds of inadmissibility, the court must verify if the applicant has substantiated the legal defect, and if not, the debate must be reopened for a fresh examination of the merits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 237.577 van 7 maart 2017
in de zaak A. 216.339/XII-7910
In zake: de NV SITA TREATMENT & RECYCLING
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Martens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen: de INTERGEMEENTELIJKE OPDRACHTHOUDENDE
VERENIGING VOOR HUISVUILVERWERKING
MEETJESLAND OV (IVM)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bettina Poelemans kantoor houdend te 9051 Gent (Sint-Denijs-Westrem)
MG Building II - Kortrijksesteenweg 1144 G
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 14 augustus 2015, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van [de Intergemeentelijke Opdrachthoudende Vereniging voor Huisvuilverwerking Meetjesland (IVM)] van 16 juni 2015 tot gunning van de opdracht „Verwerken bodemassen‟ aan de Intergemeentelijke Maatschappij voor Openbare Gezondheid in Zuid-West-Vlaanderen (IMOG), en derhalve niet aan [de nv Sita Treatment & Recycling]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-7910-1/14
Eerste auditeur Jos Stevens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017.
Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Bob Martens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bettina Poelemans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Jos Stevens heeft een advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De verwerende partij schrijft een open offerteaanvraag uit voor de opdracht van diensten met als voorwerp “Verwerken bodemassen” volgens het bijzonder bestek met nummer 2015/11.
De opdracht werd bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 23 april 2015 en in het Publicatieblad van de Europese Unie van 28 april 2015.
3.2. De omschrijving van het voorwerp van de opdracht is in het bestek als volgt:
“De aanneming heeft tot doel het verwerken/verwijderen van bodemassen afkomstig van de afvalenergiecentrale van de IVM.
XII-7910-2/14
De inschrijver geeft zijn prijs op voor de verwijdering / verwerking van de bodemassen, exclusief de logistiek vanaf de IVM naar zijn verwerkingsplaats.
Het transport van de assen zal in principe gebeuren met trekker en opleggers met een MTM van 44 ton. Een stabiele en voldoende ruime losplaats dient voorzien te worden. In de offerte zal de inschrijver [e]en plan of foto met beschrijving van de losplaats toevoegen. In uitzonderlijke gevallen kunnen de assen ook aangeleverd met een containerwagen met aanhangwagen. Voor de manipulatie van de containers en de aanhangwagen dient ook voldoende plaats ter beschikking te worden gesteld.
De assen komen uit het verbrandingsproces van huishoudelijk of hiermee gelijkgesteld afval. De ovens bestaan uit 2 roosters en een uitbrandtrommel.
De assen worden uit de oven verwijderd via een natte ontslakker.
De assen worden in de installatie ontdaan van ferro metalen.
Uitzonderlijk, bij defect van de magneet kan het voorkomen dat het schroot in de assen blijft zitten.”
3.3. Er dienen twee inschrijvers een offerte in, namelijk de verzoekende partij en IMOG. De openingszitting grijpt plaats op 8 juni 2015.
3.4. Op 10 juni 2015 wordt het nazichtsverslag opgesteld. De beide inschrijvers worden geselecteerd. De beide offertes worden formeel en materieel regelmatig verklaard.
De offerte van de verzoekende partij krijgt in het totaal 91 punten en die van IMOG 98 punten.
3.5. De raad van bestuur van de verwerende partij beslist op 16 juni 2015, de motieven van het verslag van nazicht integraal bijvallend, de opdracht te gunnen aan IMOG. Dit is de bestreden gunningsbeslissing.
3.6. De verzoekende partij dient een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen de beslissing van 16 juni 2015.
Bij arrest nr. 231.989 van 24 juli 2015 wordt de vordering verworpen.
XII-7910-3/14
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
4.1. De verwerende partij werpt op dat het beroep tegen de impliciete weigeringsbeslissing om de opdracht te gunnen aan de verzoekende partij onontvankelijk is. Hier gaat het volgens haar niet om een uitzonderlijk geval zoals de Algemene Vergadering van de Raad van State bedoelde in haar arresten met nummers 222.357 en 222.358 van 1 februari 2013.
4.2. De verzoekende partij merkt hiertegenover op dat gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, namelijk het feit dat er slechts twee inschrijvers zijn, dat zij aantoont dat de opdracht niet mocht worden gegeven aan IMOG en dat de verwerende partij in geval van vernietiging van de gunningsbeslissing de opdracht niet kan weigeren te gunnen aan haar, zij aantoont dat het hier om een dergelijk uitzonderlijk geval gaat.
4.3. De Raad stelt vast dat de exceptie de grond van de zaak betreft.
V. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
5.1.1. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift de schending aan van “artikel 41 van de Belgische Grondwet, artikel 2 van het Gemeentedecreet, artikelen 3, 12, § 2, 3°, en 38, 2. van het Decreet Intergemeentelijke Samenwerking, artikel 1 van het Wetboek Vennootschappen alsmede het statutair doel zoals omschreven in artikel 3 van de Statuten van de „Opdrachthoudende Intergemeentelijke Maatschappij voor Openbare Gezondheid in Zuid-West-Vlaanderen‟ (hierna „IMOG‟) nu door de toewijzing van de Opdracht aan IMOG deze intergemeentelijke vennootschap bedrijfsafvalstoffen zal verwerken die [van] buiten het werkingsgebied van de intergemeentelijke vennootschap afkomstig zijn, terwijl de territoriale beperking van het optreden van een opdrachthoudende intergemeentelijke vennootschap alsmede de beperkte doelomschrijving van IMOG een dergelijk commercieel optreden uitsluiten, zodat de in aanvang van het middel opgenomen bepalingen houdende het
XII-7910-4/14
territorialiteitsbeginsel en de bevoegdheidsbegrenzing van een intergemeentelijke vereniging geschonden zijn”.
Naast het aanklagen dat IMOG statutair enkel bevoegd is voor het uitvoeren van de gemeentelijke bevoegdheden die betrekking hebben op het beheer en de verwijdering van huishoudelijk afval in de deelnemende gemeenten en dus niet voor bedrijfsafvalstoffen waar het hier volgens de verzoekende partij om gaat, hekelt de verzoekende partij het feit dat IMOG met de overheidsopdracht territoriaal buiten haar bevoegdheid treedt.
Wat dit laatste aspect betreft, merkt zij op dat “IMOG […] een intergemeentelijk samenwerkingsverband [is] [dat] middels een beheersoverdracht enkele gemeentelijke bevoegdheden inzake afvalbeheer en afvalverwijdering verkreeg vanwege de aangesloten gemeentes-vennoten, zijnde Anzegem, Avelgem, Deerlijk, Harelbeke, Kortrijk, Kruishoutem, Kuurne, Spiere-
Helkijn, Waregem, Wielsbeke en Zwevegem”. De afvalenergiecentrale van IVM
“bevindt […] zich in de Oost-Vlaamse gemeente Eeklo, zijnde gelegen buiten het territorium van de elf gemeentes-vennoten van IMOG”. “[D]e statuten van IMOG
[bepalen] expliciet dat de bevoegdheden van de intergemeentelijke maatschappij gelimiteerd worden tot het territorium van de elf aangesloten Zuid-West-Vlaamse gemeentes-vennoten en tot het uitvoeren van de door de gemeentes overgedragen bevoegdheid om in te staan voor de ophaling en verwerking van de in de gemeenten stand gekomen afval. In artikel 3 van het Voorontwerp van het Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking dd. 6 juli 2001 en in het bijhorende advies van de Raad van State wordt expliciet bevestigd dat het werkingsgebied van samenwerkingsverband beperkt is tot het grondgebied van de deelnemende gemeenten. In het initieel ontwerp van artikel 3 werd immers expliciet bepaald dat het werkingsgebied wordt bepaald door het grondgebied van de deelnemende gemeenten. In het advies van de Raad van State wordt dan gereageerd dat dit een evidentie bevestigt en kan worden weggelaten. Ook de Memorie van Toelichting bevestigt dit.”
“De overheidsopdracht in kwestie bedraagt daarentegen het commercieel verwerken van bodemassen afkomstig van een afvalenergiecentrale van verwerende partij, gelegen in de Oost-Vlaamse gemeente Eeklo, Sint-
XII-7910-5/14
Laureinsesteenweg 29. De gemeente Eeklo is evenwel geen deelnemende vennoot in IMOG.”
De verzoekende partij concludeert, wat het territoriaal aspect betreft, dat “IMOG zich dus buiten de haar krachtens toegewezen gemeentelijke bevoegdheden [begeeft] wanneer zij aanspraak maakt op de gunning van de Opdracht en […] zij haar statutair doel zoals omschreven in artikel 3 van de Statuten van IMOG [overschrijdt]”. “Krachtens het beginsel van de wettelijke specialiteit kan een vennootschap enkel drager van rechten en plichten zijn in de mate waarin de aangegane verbintenissen verenigbaar zijn met het werkterrein dat de wetgever voor deze specifieke categorie van rechtspersonen heeft bepaald.
Handelingen verricht met miskenning van deze wettelijke specialiteit kunnen op verzoek van iedere belanghebbende worden nietig verklaard. De wettelijke specialiteit wordt immers geacht de openbare orde te raken. De handeling in kwestie is absoluut nietig. Aldus heeft de aanbestedende overheid onterecht de Opdracht gegund aan IMOG en heeft ze hierbij bepalingen die van openbare orde zijn met de voeten getreden.”
5.1.2. De verwerende partij merkt in de eerste plaats op dat de verzoekende partij niet aanvoert hoe een eventuele overschrijding van het statutair of wettelijk doel van een inschrijver bij het indienen van een offerte meteen leidt tot de onwettigheid van de gunning. Hierbij wijst zij erop dat het niet aan een aanbestedende overheid toekomt de regelmatigheid van een beslissing van een andere administratieve overheid te controleren op wettigheid.
Ondergeschikt betoogt de verwerende partij wat de ingeroepen schending van de territoriale bevoegdheid van IMOG betreft, dat deze het verwerken van de assen van de verwerende partij uitvoert in haar installatie te Zwevegem-Moen, dit is op het grondgebied van één van haar deelnemende gemeenten.
Het feit dat het gaat om assen van buiten het werkingsgebied van IMOG kan volgens de verwerende partij geen bezwaar zijn; het is volgens de verwerende partij geenszins verboden dat IMOG grondstoffen, zoals steenpuin, aankoopt voor de exploitatie van haar stort of installatie, die afkomstig zijn van
XII-7910-6/14
buiten haar werkingsgebied. Voorts toont de verzoekende partij, aldus de verwerende partij, niet aan dat de door haar ingeroepen artikelen van de Grondwet en van het decreet Intergemeentelijke Samenwerking op algemene wijze een intergemeentelijke vereniging verbieden om diensten te verstrekken op het grondgebied van gemeenten die er geen deel van uitmaken met dien verstande dat de relaties met de gebruikers in dat geval van contractuele aard zijn terwijl ze op het grondgebied zelf van reglementaire aard kunnen zijn.
5.1.3. De verzoekende partij wijst er in haar memorie van wederantwoord in de eerste plaats op dat de Raad van State bevoegd is om bij de beoordeling van de gunningsbeslissing de wettigheid van de offerte van IMOG
wat diens bevoegdheid betreft, te betrekken. De overschrijding van de bevoegdheidsbegrenzing van een inschrijver leidt tot de onwettigheid van de gunningsbeslissing.
Inzake de overschrijding door IMOG van haar territoriale bevoegdheid merkt de verzoekende partij op dat de afvalenergiecentrale van de verwerende partij zich in Eeklo bevindt, dit is buiten het territorium van de elf gemeenten die vennoot zijn van IMOG. “In dit kader bepalen de statuten van IMOG expliciet dat de bevoegdheden van de intergemeentelijke maatschappij gelimiteerd worden tot het territorium van de elf aangesloten Zuid-West-Vlaamse gemeentes-vennoten en tot het uitvoeren van de door de gemeentes overgedragen bevoegdheid om in te staan voor de ophaling en verwerking van de in de gemeenten tot stand gekomen afval.” Te dezen bepalen de statuten van IMOG dat deze instaat voor de verwijdering van afval afkomstig van de deelnemende gemeenten terwijl het hier gaat om bodemassen afkomstig van de centrale gelegen te Eeklo. Dienvolgens staat het volgens de verzoekende partij vast dat IMOG handelt buiten haar wettelijke specialiteit wat de absolute nietigheid van haar offerte tot gevolg heeft.
5.1.4. Na het voor haar negatieve auditoraatsverslag waarin wordt opgemerkt dat zij buiten haar territoriale bevoegdheid is getreden, merkt de verwerende partij in haar laatste memorie, wat dit aspect betreft, het volgende op.
XII-7910-7/14
In de eerste plaats laat zij gelden dat anders dan in de zaak die leidde tot het arrest nr. 190.341 waar er ook een problematiek aan de orde was van een offerte uitgaande van een publiekrechtelijke instelling aangetast met een eventuele territoriale onbevoegdheid, de verzoekende partij hier geen schending van de overheidsopdrachtenregelgeving heeft ingeroepen en zij ook geen voorbehoud tegen die offerte had gemaakt tijdens de gunningsprocedure. Voorts meent de verwerende partij dat de overweging in dat arrest “waarbij enerzijds wordt gesteld dat van een aanbestedende overheid niet mag worden verwacht dat zij in het kader van het onderzoek van ingediende inschrijvingen ook een eventuele statutaire bevoegdheidsoverschrijding onderzoekt, of meer nog, zij zulks zelfs niet mag doen, terwijl uw Raad gevat in een schorsings- of annulatieprocedure zulks wel zou moeten doen, […] echter tot een onaanvaardbare dualistische situatie [leidt]”. “De aanbestedende overheid zou immers niet onwettig handelen door geen bevoegdheidstoets te doen, maar uw Raad zou in een procedure wel kunnen beslissen dat de aanbestedende overheid onwettig handelde door de eventuele bevoegdheidsoverschrijding niet in haar beslissing te betrekken. Dat gaat niet op.”
Vervolgens meent de verwerende partij dat artikel 3, tweede lid, 5°, van de statuten van IMOG waarin wordt vermeld dat IMOG alle verrichtingen zowel geldelijke als andere, die verband houden met het doel van de vereniging, mag doen, wel degelijk een rechtsgeldige grondslag is. De opdracht hier is een bijkomstigheid ten aanzien van de hoofdactiviteit van IMOG.
Ook kadert de opdracht in het doel van IMOG; door het verwerken van de bodemassen worden die ingezet in de uitbating van de stortplaats, namelijk als verharding. Dus, zo beklemtoont de verwerende partij, gaat het om diensten en activiteiten die het doel van IMOG minstens indirect ondersteunen en onder toepassing vallen van artikel 3, tweede lid, 5°, van de statuten van IMOG. In dezelfde gedachtegang wijst de verwerende partij erop dat het beginsel van de specialiteit niet al te eng mag worden opgevat; IMOG mag activiteiten ontwikkelen die winst kunnen opleveren die voor de verwezenlijking van haar doel nuttig is. Dat dit slechts bijkomstig mag zijn, blijkt ook in de feiten; de opdracht gaat om 280.000 euro op een omzet van 24 miljoen euro.
XII-7910-8/14
Ook benadrukt de verwerende partij hier nog dat de opdracht hoogst vergelijkbaar is met het aankopen van materialen of grondstoffen voor de exploitatie van haar stortplaats, activiteit die helemaal niet ter discussie staat. De verwerende partij meent dat het onderscheid in het auditoraatsverslag tussen de het sluiten van overeenkomsten en het indienen van een offerte bij een overheidsopdracht niet dienstig is; zij merkt op dat een overheidsopdracht een overeenkomst is.
Ten slotte merkt de verwerende partij op dat, zoals blijkt uit ‟s Raads arresten nrs. 177.029 en 190.341, er geen enkele bepaling op algemene wijze een intergemeentelijke vereniging verbiedt om diensten aan te bieden op het grondgebied van gemeenten die er geen deel van uitmaken, “met dien verstande dat de relaties met de gebruikers in dat geval van contractuele aard zijn, terwijl ze op het grondgebied zelf van reglementaire aard kunnen zijn”. De beperking tot het grondgebied geldt enkel voor diensten en activiteiten van reglementaire aard en de relatie tussen IMOG en de verwerende partij is van contractuele aard, “ook al kwam de overeenkomst tot stand d.m.v. een overheidsopdracht”.
5.1.5. De verzoekende partij merkt in haar laatste memorie op dat de Raad van State hoe dan ook bevoegd is om de bevoegdheid van IMOG na te gaan; de overschrijding van die bevoegdheid maakt de gunningsbeslissing onwettig.
Voorts wijst zij erop dat de opdracht van IMOG in het kader van de overheidsopdracht niet enkel bestaat uit het inzetten van bodemassen afkomstig uit niet-deelnemende gemeenten bij de uitbating van de stortplaats, voor wegenis, stortfront of tussenafdek, doch ook uit het opschonen van die assen, het scheiden van de ferro en de non-ferro metalen en het recupereren van deze materialen. Deze volledige opdracht is niet te rijmen met haar maatschappelijk doel. De laatste drie activiteiten van de opdracht hebben geen rechtstreekse band met het doel en de bevoegdheid van IMOG. Ze zijn ook niet inpasbaar in artikel 3, tweede lid, 5°, van haar statuten omdat de activiteiten in het kader van dit artikel evenzeer in overeenstemming moeten zijn met het doel en de bevoegdheid. Hieruit volgt dat de volledige opdracht in hoofde van IMOG
XII-7910-9/14
niet in overeenstemming is met het doel en de bevoegdheid van IMOG, wat betekent dat er bevoegdheidsoverschrijding is.
Beoordeling
5.2.1. Het middel is in het auditoraatsverslag onderzocht enkel wat de territoriale bevoegdheid van IMOG betreft. Bijgevolg is de huidige beoordeling hiertoe beperkt. Dit houdt dan ook in dat de vraag naar de aard van het te verwerken afval, huishoudelijk afval of daarmee gelijkgesteld afval dan wel een bepaald soort bedrijfsafval, die dus niet aan bod is gekomen in het verslag en die volgens de verzoekende partij voorafgaat aan het door het auditoraat onderzochte probleem, hier geen deel uitmaakt van de beoordeling. De beoordeling hierna mag dan ook niet worden beschouwd als een expliciet of impliciet antwoord op die vraag.
5.2.2. Het komt aan de Raad van State toe om de bestreden gunningsbeslissing op haar rechtmatigheid te toetsen, welke toetsing geenszins beperkt is tot de regelgeving betreffende de overheidsopdrachten. De overeenstemming met onder meer artikel 3 van het decreet van 6 juli 2001
„houdende de intergemeentelijke samenwerking‟ en met de statuten van de administratieve overheid die IMOG is, is een voorwaarde waaraan de offerte van IMOG moet voldoen.
5.2.3. Artikel 3 van het decreet van 6 juli 2001 luidt:
“Met het oog op de gemeenschappelijke behartiging van doelstellingen van gemeentelijk belang kunnen twee of meer gemeenten, onder de voorwaarden bepaald in dit decreet, samenwerkingsverbanden tot stand brengen met of zonder rechtspersoonlijkheid, met of zonder beheersoverdracht.”
Artikel 3 van de statuten van IMOG luidt:
“In uitvoering van de beheersoverdracht door de deelnemende gemeenten, die zich het recht ontzeggen zelfstandig of samen met derden deze opdracht uit te oefenen, heeft de opdrachthoudende vereniging tot doel de gemeentelijke bevoegdheden uit te voeren die betrekking hebben op het
XII-7910-10/14
afvalbeheer en de afvalverwijdering in de deelnemende gemeenten, met uitsluiting van de bevoegdheden tot vaststellen van retributies en het uitvaardigen van fiscale en politionele maatregelen.
De vereniging heeft in het bijzonder tot doel:
1. De studie, de oprichting en de uitbating van bedrijven voor het verwijderen, verbranden met energierecuperatie, valoriseren recycleren, sorteren en/of verwerken van afval, ingezameld of opgehaald in de deelnemende gemeenten.
2. De afzet van al dan niet verwerkt afval en/of alle producten die voorkomen uit enige verwerking of bewerking.
3. Het ophalen of vervoeren van afval in eigen bedrijf of ter uitvoering gegeven aan derden.
4. Het nemen van alle initiatieven die afvalpreventie, afvalvermindering en een duurzaam afvalbeheer kunnen bevorderen zoals onder meer de sensibilisatie van de bevolking, onverminderd de mogelijkheden die aan de vennoten worden gelaten om hieromtrent eigen initiatieven te nemen.
5. Het doen van alle verrichtingen, zowel geldelijke als andere, die verband houden met het doel van de vereniging.
6. Volgende taken vallen effectief onder de beheersoverdracht vermeld in het document getiteld „bijlage 2‟, welk document blijvend aan onderhavige akte zal worden gehecht om er één ondeelbaar geheel mee te vormen:
6.1. De verwijdering, verwerking en commercialisering van alle afvalsoorten, afkomstig van deelnemende gemeenten.
6.2. Dit geldt voor alle afvalsoorten die vermeld zijn voor verwijdering via de gemeenten in de meest recente uitvoeringsplannen. In het bijzonder gaat het om het „Uitvoeringsplan Huishoudelijke Afvalstoffen‟, het „Uitvoeringsplan Gescheiden Inzameling Bedrijfsafval van Kleine Ondernemingen‟ en het „Uitvoeringsplan Organisch-Biologische Afval‟, inclusief de aanpassingen of vervangingen van deze uitvoeringsplannen.
6.3 Het transport van alle hierboven vermelde afvalsoorten, vanaf de plaats van de inzameling tot op de plaats van de verwerking, verwijdering of eindbestemmingen.
7. De beheersoverdracht kan op vraag van de vennoten uitgebreid worden met volgende opdrachten:
7.1. De inrichting, uitbreiding en uitbating van de containerparken die eigendom zijn van de vennoten, 7.2. De ophaling van huisvuil en daaraan gelijkgesteld afval, op het grondgebied van de vennoten.”
5.2.4. Er moet worden vastgesteld dat de territoriale bevoegdheid van IMOG in de eerste plaats betrekking heeft op de taken die haar zijn overgedragen door de deelnemende gemeenten – dit zijn deze opgesomd in artikel 3, tweede lid, punt 6, van de statuten – en de juridische verhoudingen en gevolgen die
XII-7910-11/14
daaruit voortvloeien. Dit betekent dat in de regel IMOG hier optreedt als administratieve overheid en dat het actieterrein van de intergemeentelijke samenwerking inzake onder meer de verwerking en het beheer van afval afkomstig uit de betrokken gemeenten, beperkt is tot het grondgebied van de betrokken gemeenten.
Naast deze kernbevoegdheden en -taken beschikt IMOG als rechtspersoon ook over de juridische mogelijkheid om buiten dit kader verhoudingen aan te gaan, zoals overeenkomsten die het haar mogelijk moeten maken haar taken uit te oefenen zoals het aankopen van materieel of die de inrichting of optimale exploitatie van haar afvalverwerkingsinstallaties betreffen.
Deze overeenkomsten mag zij ook aangaan met rechtssubjecten van buiten voornoemd territorium en dit ook in het kader van een overheidsopdracht.
Onder meer in die orde van gedachten situeert de verwerende partij de hier in het geding zijnde overheidsopdracht. De tot secundaire grondstof verwerkte bodemassen zouden IMOG in staat stellen afdeklagen en wegen op haar terreinen en stortplaatsen aan te leggen. Tevens zou deze dienstverlening haar toelaten de verwerkingscapaciteit van haar specifieke installatie voor de “opschoning” van bodemassen ten volle te benutten en haar exploitatiekosten te drukken.
Artikel 3 van de statuten van IMOG voorziet ook in de volgende algemene bevoegdheid: “het doen van alle verrichtingen, zowel geldelijke als andere, die verband houden met het doel van de vereniging.” Naast de uitvoering van de haar opgedragen kerntaken in het kader van haar werking, mag in deze geciteerde bevoegdheid de mogelijkheid voor IMOG worden gelezen om bijkomstige activiteiten te verrichten als marktspeler op het terrein van de afvalverbranding en –verwerking en dit binnen de marge dat ze geen afbreuk doen aan de uitvoering van de door haar vennoten opgedragen taken. De verwerende partij betoogt ook, hetgeen door de verzoekende partij niet wordt betwist, dat het om een bijkomstige activiteit gaat die minder dan 1% van de totale jaarlijkse omzet bedraagt.
XII-7910-12/14
In deze context is IMOG gerechtigd om te kandideren en een offerte in te dienen voor een opdracht waarbij gezocht werd naar een bedrijf dat kan instaan voor het verwerken van bodemassen, wat volledig valt onder één van haar reguliere activiteiten, namelijk het verwerken van afval. Het getuigt overigens van een goed economisch beheer om haar capaciteit ten volle te benutten. Artikel 3, punt 4, van de statuten machtigt haar ook tot het nemen van alle initiatieven die afvalpreventie, afvalvermindering en een duurzaam afvalbeheer kunnen bevorderen; de inrichting op haar site van een installatie die een verdere opschoning van bodemassen – restproduct van de verbranding van huishoudelijk afval – toelaat, mag daartoe worden gerekend. Zolang capaciteit overblijft, kan niet worden ingezien waarom zij deze dienst – van afvalverwerking – niet zou mogen aanbieden ten behoeve van andere verbrandingsinstallaties voor de behandeling of opschoning van hun bodemassen.
Ten slotte mag ook hier worden gewezen op artikel 4 van de statuten van IMOG dat haar toelaat samen te werken met andere intergemeentelijke verenigingen ter verwezenlijking van haar doel:
“De vereniging kan haar doel ondermeer verwezenlijken door samen te werken met andere opdrachthoudende verenigingen en/of bedrijven die gelijkaardige activiteiten uitoefenen.”
5.2.5. Gelet op deze overwegingen moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet aantoont dat het middelonderdeel gegrond is.
VI. Besluit
6. Aangezien het verslag van het auditoraat beperkt is tot het hiervoor niet gegrond bevonden middelonderdeel van het eerste middel, dient het debat te worden heropend voor een aanvullend onderzoek.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
XII-7910-13/14
2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met een aanvullend verslag.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 maart 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-7910-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.577