Court annuls dismissal of department head due to lack of valid organizational reasons for termination.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the decision terminating Nancy De Vogelaere's mandate as department head, ruling the dismissal lacked valid grounds. The court found that the abolition of her former department occurred years prior, and the creation of a new, larger department did not justify ending her specific role. Consequently, the decision was deemed unmotivated and legally flawed.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArt. 5, § 1, 3° of the Flemish Personnel Statute; Art. 10, § 1 of the Administrative Code: The termination of a public servant's mandate requires a valid organizational reason; a mere structural change or reorganization that does not render the specific position obsolete cannot serve as a ground for dismissal.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 237.575 van 7 maart 2017
in de zaak A. 217.012/IX-8712
In zake: Nancy DE VOGELAERE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 21 september 2015, strekt tot de nie-
tigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid van 24 juli 2015 waarbij het mandaat van Nancy De Vogelaere als afdelingshoofd met ingang van 1 augus-
tus 2015 wordt beëindigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge-
diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
IX-8712-1/14
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag op-
gesteld.
De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laat-
ste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 februari 2017.
Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de toekenning van een rechtsple-
gingsvergoeding betreft.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi-
neerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is aanvankelijk adjunct van de directeur bij het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
3.2. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 wordt binnen het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming het intern verzelfstan-
digd agentschap voor Onderwijscommunicatie opgericht. Ook het departement Onderwijs en Vorming, het Onderwijsdienstencentrum Leerplichtonderwijs en het
IX-8712-2/14
Onderwijsdienstencentrum Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs maken op dat ogenblik deel uit van het voornoemde ministerie.
3.3. Met ingang van 1 mei 2012 wordt verzoekster aangesteld in de mandaatfunctie (N-1) van afdelingshoofd van de afdeling Informatie en Commu-
nicatie van het agentschap voor Onderwijscommunicatie.
3.4. Op 20 september 2013 keurt de Vlaamse Regering een con-
ceptnota goed betreffende een “[b]eperking van het aantal entiteiten bij de Vlaamse administratie”. Daarin wordt er onder meer voor geopteerd dat de taken van het agentschap voor Onderwijscommunicatie – op dat ogenblik bestaande uit de afdeling Informatie en Communicatie, de Canon-cultuurcel, KlasCement, Klasse en een stafdienst – worden overgenomen door andere entiteiten van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming.
3.5. Op 21 maart 2014 beslist de Vlaamse Regering het agentschap voor Onderwijscommunicatie met ingang van 1 april 2014 op te heffen en het personeel van dit agentschap, waaronder verzoekster, vanaf de laatstgenoemde datum over te dragen aan het departement Onderwijs en Vorming.
Luidens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2014 ‘houdende de overdracht van personeelsleden van het Agentschap voor Onderwijscommunicatie aan het Departement Onderwijs en Vorming’ wor-
den de statutaire personeelsleden van het agentschap voor Onderwijscommunicatie die zijn vermeld in bijlage 1 bij dit besluit, overgedragen aan het departement Onderwijs en Vorming met behoud van, onder meer, hun hoedanigheid en hun graad. Voorts is bepaald dat de toewijzing op grond van dit besluit niet wordt beschouwd als een nieuwe benoeming en dat ze geen afbreuk doet aan de statutaire rechten.
De bedoelde bijlage vermeldt verzoekster met haar graad van afdelingshoofd.
IX-8712-3/14
3.6. Op 10 juni 2014 wordt binnen het departement Onderwijs en Vorming een integratieproject opgestart en wordt voor dit project een stuurgroep ad hoc samengesteld, waarvan verzoekster deel uitmaakt.
Deze stuurgroep legt op 11 maart 2015 haar conclusies neer.
Daarin wordt ervan uitgegaan dat ‘Informatie en Communicatie’, ‘Canon’ en ‘KlasCement’ een nieuwe afdeling zullen vormen.
3.7. Op 12 en 13 maart 2015 heeft verzoekster vakantieverlof. Vanaf 16 maart 2015 is zij afwezig wegens ziekte.
3.8. Op de personeelsvergadering van 20 maart 2015 wordt onder meer de sub 3.6 bedoelde, nieuwe afdeling binnen het departement Onderwijs en Vorming aangekondigd.
3.9. Op 7 mei 2015 neemt de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming een besluit ‘tot vaststelling van het organogram van het Departement Onderwijs en Vorming’.
Luidens artikel 1, § 1, van dit besluit bestaat het departement Onderwijs en Vorming uit de volgende afdelingen: 1° Stafdiensten O&V;
2° Strategische Beleidsondersteuning; 3° Communicatie (de entiteit waaronder ‘Informatie en Communicatie’ is ondergebracht); 4° Beleid Onderwijspersoneel;
5° Basisonderwijs en Deeltijds Kunstonderwijs; 6° Secundair Onderwijs en Leer-
lingenbegeleiding; 7° Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs; 8° Horizontaal Beleid; 9° Managementondersteunende Diensten.
Artikel 2 van hetzelfde besluit bepaalt dat deze entiteiten worden geleid door een managementfunctie van niveau N-1.
IX-8712-4/14
3.10. In de tussentijd wordt tussen het departement Onderwijs en Vorming en verzoekster overleg gepleegd over haar mogelijke mutatie naar de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (hierna: VDAB).
Een meningsverschil tussen het departement en de voornoemde dienst over het definitieve, dan wel tijdelijke karakter van die mutatie, leidt vol-
gens de verwerende partij ertoe dat er geen oplossing komt.
3.11. Met een brief van 24 juli 2015 deelt de algemeen directeur van het departement Onderwijs en Vorming aan verzoekster mee dat haar mandaat van afdelingshoofd met ingang van 1 augustus 2015 wordt beëindigd en dat zij over-
eenkomstig artikel V 46, § 3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 januari 2006 ‘houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid’ (hierna: het Vlaams personeelsstatuut)
gedurende maximaal twaalf maanden het salaris van haar mandaatgraad zal be-
houden tot er een passende nieuwe aanstelling wordt gevonden.
Verzoekster onderkent hierin de bestreden beslissing.
3.12. Op 14 augustus 2015 wordt de vacature van afdelingshoofd van de nieuwe afdeling Communicatie van het departement Onderwijs en Vorming bekendgemaakt.
3.13. Op 21 september 2015 dient verzoekster een aanvraag in tot het verkrijgen van een voltijdse loopbaanonderbreking voor de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2016.
Op 5 oktober 2015 keurt de secretaris-generaal deze aanvraag goed.
IX-8712-5/14
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
Exceptie
4. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van ontontvankelijkheid van het beroep op, die zij ontleent aan het ont-
breken van het rechtens vereiste actuele belang bij het beroep.
Zij betoogt dat verzoekster haar aanvraag van 21 septem-
ber 2015 tot het verkrijgen van een loopbaanonderbreking, die op 5 oktober 2015
door de secretaris-generaal werd ingewilligd, slechts kon doen “vanuit een rang A1
of A2, maar niet vanuit een rang A2A, graad afdelingshoofd”. Luidens arti-
kel V 42, § 2, van het Vlaams personeelsstatuut kunnen titularissen van een ma-
nagement- of projectleidersfunctie van niveau N-1 immers slechts de daarin op-
gesomde langdurige verloven genieten. De door verzoekster opgenomen loop-
baanonderbreking behoort daar niet bij. Volgens de verwerende partij heeft ver-
zoekster, door zonder meer een loopbaanonderbreking aan te vragen en te ver-
krijgen, haar belang bij haar beroep verloren, aangezien zij deze loopbaanonder-
breking niet kon verkrijgen in haar graad van afdelingshoofd.
Volgens de verwerende partij blijkt de aanvaarding door ver-
zoekster van de beëindiging van haar mandaat overigens ook uit het feitenrelaas, namelijk uit haar houding sinds 11 maart 2015 en uit de door haarzelf nagestreefde en uiteindelijk mislukte definitieve mutatie naar de VDAB.
Beoordeling
5. Het feit dat verzoekster na het nemen van de bestreden beslissing een loopbaanonderbreking heeft aangevraagd die zij volgens de in het Vlaams personeelsstatuut vastgestelde voorwaarden slechts kon verkrijgen omdat zij niet langer het mandaat van afdelingshoofd bekleedde, ontneemt haar niet het rechtens vereiste belang bij de nietigverklaring van die beslissing tot beëindiging van haar
IX-8712-6/14
mandaat. Uit niets blijkt immers dat zij in het geval van een vernietiging van de bestreden beslissing haar loopbaanonderbreking niet zou kunnen stopzetten ten-
einde haar mandaat van afdelingshoofd weer op te nemen. Uit haar aanvraag van een loopbaanonderbreking kan dan ook niet worden afgeleid dat verzoekster geen belangstelling meer zou hebben voor het mandaat dat door de bestreden beslissing werd beëindigd.
Ook de omstandigheid dat verzoekster sedert 11 maart 2015
afwezig is gebleven en een mutatie naar de VDAB genegen zou zijn geweest, impliceert niet dat zij geacht moet worden de beëindiging van haar mandaat te hebben aanvaard en doet geen afbreuk aan haar actueel belang bij het voorliggende beroep.
6. De exceptie is niet gegrond.
V. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
7. Verzoekster voert in het eerste middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht, zoals bepaald in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
Zij betoogt dat de bestreden beslissing beperkt is tot de mede-
deling dat haar mandaat van afdelingshoofd met ingang van 1 augustus 2015 wordt beëindigd en dat zij conform artikel V 46, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut gedurende maximaal twaalf maanden het salaris van haar mandaatgraad zal be-
houden tot er een passende nieuwe aanstelling wordt gevonden. Er wordt evenwel niet vermeld op welke juridische grondslag de beëindiging van haar mandaat is gesteund en in het bijzonder wordt niet aangegeven welke van de diverse “stop-
zettingsmogelijkheden” waarin is voorzien in artikel V 46, § 1, eerste lid, 1° tot 3°, van het Vlaams personeelsstatuut, aan de bestreden beslissing ten grondslag ligt.
IX-8712-7/14
Volgens verzoekster vermeldt de bestreden beslissing evenmin een feitelijke grondslag voor de stopzetting van haar mandaat. Zo is er geen sprake van “een onvoldoende”, noch van enig verzoek van harentwege, noch bevat de bestreden beslissing een referentie aan een concreet juridisch feit of stuk waaruit zou mogen worden afgeleid dat de betrekking afgeschaft is. Volgens verzoekster kan niet worden verwezen naar de afschaffing van het intern verzelfstandigd agentschap voor Onderwijscommunicatie en de “inkanteling” van deze dienst in het departement Onderwijs en Vorming, aangezien deze reeds werden doorge-
voerd met ingang van 1 april 2014, waarna zij als afdelingshoofd van de afdeling Informatie en Communicatie bleef fungeren in de schoot van het departement.
8. De verwerende partij antwoordt dat verzoekster wel degelijk weet dat de beëindiging van haar mandaat van afdelingshoofd van de afdeling Informatie en Communicatie, die deel uitmaakte van het agentschap voor Onder-
wijscommunicatie, een gevolg is van de wijze van “inkanteling” van dit agent-
schap in het departement Onderwijs en Vorming, na het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2014 waarbij dit agentschap werd opgeheven. Dat hier toepassing werd gemaakt van artikel V 46, § 1, eerste lid, 3°, van het Vlaams personeelsstatuut – een beëindiging van het mandaat om organisatorische rede-
nen – is verzoekster bekend, aangezien zij deel uitmaakte van de stuurgroep ad hoc die werd opgericht in het kader van het integratieproject. De verwerende partij wijst er in dit verband op dat het departementaal managementcomité op 11 maart 2015 mede op basis van de eigen en goedgekeurde voorstellen van ver-
zoekster de grondslag legde voor de oprichting van een nieuwe afdeling Commu-
nicatie binnen het departement Onderwijs en Vorming. Op dat ogenblik stond volgens de verwerende partij reeds vast dat de vroegere afdeling Informatie en Communicatie, de Canon-cultuurcel en KlasCement één enkele nieuwe afdeling zouden gaan vormen en dat dit zou worden bekendgemaakt op de personeelsver-
gadering van 20 maart 2015. De verwerende partij wijst erop dat op die perso-
neelsvergadering over de “inkanteling” werd gecommuniceerd en de nieuwe af-
deling met haar nieuwe, bijkomende opdrachten werd aangekondigd. Volgens de
IX-8712-8/14
verwerende partij had verzoekster kennis of kon zij, via het departementaal in-
tranet, kennis nemen van alle desbetreffende stukken.
Dat verzoekster onmiddellijk na de vergadering van het depar-
tementaal managementcomité zich ervan bewust was dat het om een nieuwe af-
deling binnen het departement Onderwijs en Vorming zou gaan, dat zij hiervan niet ambtshalve het afdelingshoofd kon zijn en dat de beëindiging van haar mandaat er zat aan te komen, blijkt volgens de verwerende partij uit het feit dat zij op 12 en 13 maart 2015 jaarlijks verlof nam, dat werd gevolgd door ziekteverlof, alsook uit het feit dat de secretaris-generaal reeds op 25 maart 2015 werd gecontacteerd door de adviseur van verzoekster en er op dat ogenblik al sprake was van een eventuele mutatie en ten slotte ook uit het feit dat zij op 28 mei 2015 haar bureau op eigen initiatief heeft ontruimd.
9. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat de opheffing van de afdeling Informatie en Communicatie en haar vervanging door een nieuwe afdeling met een wezenlijk verschillende inhoud, zoals geformaliseerd in het besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vor-
ming van 7 mei 2015, de organisatorische redenen vormden voor de beëindiging van het mandaat van verzoekster. Die beëindiging vloeit dus niet voort uit het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2014 dat het intern verzelfstandigd agentschap voor Onderwijscommunicatie heeft opgeheven. Volgens de verwe-
rende partij is verzoekster ook nog na 1 april 2014 afdelingshoofd gebleven en kon of diende zij dat te blijven zolang haar afdeling onveranderd bleef bestaan.
De verwerende partij benadrukt dat haar stelling is dat verzoek-
ster de motieven van de bestreden beslissing kent en ook voorafgaandelijk aan die te verwachten beslissing kende, aangezien zij, gelet op haar betrokkenheid bij het wordingsproces, kennis ervan had dat een nieuwe afdeling werd gecreëerd met een beduidend andere, meer omvangrijke inhoud dan de afdeling waarvan zij afde-
lingshoofd was, en dat beduidend verschillende competenties werden vereist van een afdelingshoofd van deze nieuwe afdeling.
IX-8712-9/14
Beoordeling
10. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten het bestuur ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan zijn bestuurshandeling ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Het vereiste dat de motivering afdoende moet zijn, houdt in dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
11. In dit geval vermeldt de brief van de verwerende partij van 24 juli 2015 waarin de bestreden beslissing is uiteengezet, slechts dat het mandaat van verzoekster als afdelingshoofd met ingang van 1 augustus 2015 wordt beëin-
digd en dat zij “[c]onform het Vlaams Personeelsstatuut artikel V 46 § 3 […]
gedurende maximaal 12 maanden [haar] salaris van [haar] mandaatgraad [zal]
behouden, dit tot er een passende nieuwe aanstelling gevonden wordt”.
12. Artikel V 46, § 3, van het Vlaams personeelsstatuut, waaraan de bestreden beslissing aldus refereert, luidt:
“In de overgangsperiode tot een nieuwe passende aanstelling behoudt de ti-
tularis in de gevallen van § 1, 3°, en van § 1, tweede lid, gedurende maximaal 12 maanden zijn salaris van de mandaatgraad, ten laste van de entiteit van herkomst.
In de gevallen vermeld in § 1, 1° en 2°, en § 2 en in de gevallen vermeld in § 1, 3°, en § 1, tweede lid vanaf de 13de maand, indien binnen de 12 maanden geen andere mandaatfunctie gevonden wordt, wordt de titularis bezoldigd binnen het middenkader in de graad van hoofdadviseur overeenkomstig arti-
kel V 43, § 1.”
IX-8712-10/14
Artikel V 46, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut luidt:
“Onverminderd de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid, vermeld in artikel XI 8, § 1, wordt de dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afde-
lingshoofd en projectleider beëindigd:
1° bij een onvoldoende;
2° op verzoek van de betrokkene zelf;
3° om organisatorische redenen bij afschaffing van de betrekking.
De dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd en project-
leider kan beëindigd worden na telkens 6 jaar.”
13. Uit de brief van de verwerende partij van 24 juli 2015, gelezen in samenhang met de zo-even aangehaalde statutaire bepalingen, kon verzoekster met zekerheid afleiden dat tot de beëindiging van haar mandaat van afdelingshoofd werd beslist om “organisatorische redenen bij afschaffing van de betrekking”, dit is de reden van beëindiging van het mandaat bedoeld in artikel V 46, § 1, eerste lid, 3°, van het Vlaams personeelsstatuut. In het geval van een toepassing van arti-
kel V 46, § 1, eerste lid, 1° of 2°, zou er immers overeenkomstig artikel V 46, § 3, geen sprake zijn van een behoud van het salaris van de mandaatgraad gedurende maximaal 12 maanden. Een toepassing van artikel V 46, § 1, tweede lid, kon dan weer niet aan de orde zijn omdat verzoeksters mandaat pas is ingegaan op 1 mei 2012.
Aldus laat de aan verzoekster ter kennis gebrachte motivering van de bestreden beslissing geen twijfel bestaan over de juridische grondslag die door de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing werd beoogd, ook al wordt die grondslag niet uitdrukkelijk vermeld.
Voor zover verzoekster in het middel laat gelden dat er “niet [wordt] vermeld op welke juridische grondslag de mandaatsbeëindiging doorge-
voerd wordt” heeft zij dan ook geen belang bij deze grief.
14. Verzoekster laat evenwel evenzeer gelden dat er “geen feitelijke grondslag voor de stopzetting van het mandaat [wordt] opgegeven” en dat “de
IX-8712-11/14
bestreden beslissing geen enkele referentie aan een concreet juridisch feit of stuk [omvat] waaruit afgeleid zou mogen worden dat de betrekking afgeschaft is”.
De afschaffing van verzoeksters betrekking heeft plaatsgevon-
den bij de opheffing van het intern verzelfstandigd agentschap voor Onderwijs-
communicatie. De betrekking van afdelingshoofd die verzoekster bekleedde, was immers gesitueerd aan het hoofd van de afdeling Informatie en Communicatie van dit agentschap. Door de opheffing van dit agentschap hebben ook de voornoemde afdeling en de daarin gesitueerde betrekkingen, waaronder die van verzoekster, opgehouden te bestaan. Dit neemt niet weg dat verzoekster krachtens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 maart 2014 ‘houdende de overdracht van personeelsleden van het Agentschap voor Onderwijscommunicatie aan het Departement Onderwijs en Vorming’ met behoud van haar hoedanigheid en graad is overgedragen aan het departement Onderwijs en Vorming, teneinde aldaar, desgevallend, een met haar hoedanigheid en graad overeenstemmende betrekking te bekleden. Wanneer meer dan een jaar later bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Onderwijs en Vorming een nieuw organogram van dit de-
partement wordt vastgesteld waaruit blijkt dat de taken van de eerder opgeheven afdeling Informatie en Communicatie feitelijk worden ondergebracht in een nieuwe afdeling Communicatie waarin ook nog andere entiteiten zijn “ingekan-
teld”, kan niet worden aangenomen dat “organisatorische redenen bij afschaffing van de betrekking” aan de grondslag zouden liggen van de beëindiging van ver-
zoeksters mandaat. Die afschaffing heeft immers al veel eerder plaatsgevonden en door ter gelegenheid daarvan te bepalen dat verzoekster als overgedragen perso-
neelslid haar hoedanigheid en graad van afdelingshoofd behoudt, heeft de Vlaamse Regering impliciet, maar zeker, aangegeven dat ze als zodanig geen reden oplevert die de beëindiging van het mandaat van afdelingshoofd kan rechtvaardigen.
Bijgevolg kan de afschaffing van verzoeksters betrekking geen draagkrachtig motief van de bestreden beslissing zijn.
IX-8712-12/14
15. Waar de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat “een nieuwe afdeling werd gecreëerd […] met een beduidend andere, meer omvangrijke inhoud [dan] de afdeling waarvan [verzoekster] het afdelingshoofd was en waarin deze afdeling als het ware opging enerzijds en met beduidend verschillende competenties, vereist voor een afdelingshoofd van deze nieuwe afdeling ander-
zijds”, geeft zij overigens aan dat niet de afschaffing van verzoeksters betrekking aan de grondslag van de bestreden beslissing ligt, maar veeleer overwegingen met betrekking tot de competenties vereist voor de leiding van de nieuwe afdeling en –
impliciet – het niet-beantwoorden van verzoekster daaraan.
Daargelaten dat deze overwegingen niet uit de bestreden be-
slissing blijken, zodat niet kan worden aangenomen dat ze daadwerkelijk aan de grondslag ervan liggen, moet worden vastgesteld dat ze zelfs vreemd zijn aan de ingeroepen rechtsgrond van artikel V 46, § 1, eerste lid, 3°, van het Vlaams per-
soneelsstatuut.
16. De omstandigheid dat verzoekster kennis had, zoals de verwe-
rende partij beweert, van de totstandkoming van de nieuwe structuur, betekent bovendien nog niet dat zij ook kennis had van enige reden waarom zij in deze structuur haar hoedanigheid en graad van afdelingshoofd niet zou kunnen valori-
seren, laat staan niet zou kunnen behouden.
17. De bestreden beslissing vermeldt dan ook geen afdoende moti-
vering.
Het eerste middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de algemeen directeur van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid van 24 juli
IX-8712-13/14
2015 waarbij het mandaat van Nancy De Vogelaere als afdelingshoofd met ingang van 1 augustus 2015 wordt beëindigd.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie-
tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings-
vergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verzoekende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 maart 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter Bruno Seutin, staatsraad Bert Thys, staatsraad bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8712-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.575