Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.562 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.562 Généré par l'IA

Belgian court dismisses administrative appeal regarding casino project award and public procurement regulations.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.562
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicants' appeal to annul the municipality's decision awarding the Casino Middelkerke project to BCS Investissement. The court noted the case involved complex public procurement rules and a high financial value of approximately 30 to 35 million euros. Although the defense did not voluntarily withdraw the contested decisions, the court determined that the complexity alone justified a standard fee increase without granting the requested 20% surcharge.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 67, § 1 and 30/1, § 2 of the Council of State Rules; The Council of State may increase the litigation fee based on case complexity and financial stakes but cannot exceed statutory maximums, and the lack of voluntary withdrawal by the respondent does not warrant a surcharge.

Mots-clés

Généré par l'IA
public procurement regulations litigation fee adjustment administrative appeal dismissal casino project award municipal decision annulment adjudication de marché communal règles de concurrence concours de prestations d'assurance

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 67, § 1 of the Council of State Rules
Article 30/1, § 2 of the Council of State Rules
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER

nr. 237.562 van 7 maart 2017

in de zaak A. 219.986/XII-8212

In zake: 1. de BVBA VERSLUYS BOUWGROEP

2. de NV CITEXAR

3. de NV GENERAL AUTOMATIC AMUSEMENT

4. de NV HBW FREETIME

5. de NV GOLDEN PALACE WATERLOO

6. de BVBA SPIELOTHEK BELGIË

7. de NV EUROPEAN AMUSEMENT

8. de NV GOLDEN PALACE CASINO

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Moerman kantoor houdend te 2800 Mechelen Blarenberglaan 4/302

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de GEMEENTE MIDDELKERKE

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Tom Villé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partijen:

1. de NV B.C.S. INVESTISSEMENT

2. de NV NAPOLEON GAMES

samen vormend een tijdelijke handelsvennootschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Helga Van Peer, Valentijn De Boe en Veerle Pissierssens kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 268A

bij wie woonplaats wordt gekozen

XII-8212- 1/6

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 23 september 2016, strekt tot de nietig-

verklaring van:

“- De beslissing dd. 25 juli 2016 […] van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke […] dewelke ertoe strekt het project Casino Middelkerke aan de inschrijver ‘BCS Investissement nv-Napoleon Games’ te gunnen;

- De beslissing dd. 12 juli 2016 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke […] waarbij de voorkeursbieder werd aangeduid en waarbij de offerte van verzoekende partijen onregelmatig werd verklaard.”

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 235.777 van 15 september 2016 is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bevolen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke van 25 juli 2016 waarbij de opdracht voor het project Casino Middelkerke aan de nv B.C.S. Investissement – nv Napoleon Games wordt gegund.

Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari 2017.

Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Peter Moerman, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaten Barteld Schutyser en Tom Villé, die verschijnen voor de verwerende partij en advocaat Kathleen Willekens, die loco advocaat Helga Van Peer verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.

XII-8212- 2/6

Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948

‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’

3.1. Op 27 september 2016 heeft de verwerende partij beslist om de gunningsbeslissing van 25 juli 2016 waarbij het project “Casino Middelkerke” aan inschrijver BSC Investissement NV — Napoleon Games NV werd gegund, in te trekken en de lopende onderhandelingsprocedure met bekendmaking voor het project “Casino Middelkerke” stop te zetten.

Een nieuwe opdracht werd bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 10 oktober 2016 en het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 oktober 2016.

3.2. Er blijkt vervolgens geen annulatieberoep tegen de voormelde beslissing van 27 september 2016 te zijn ingesteld. De beslissing tot intrekking van de gunningsbeslissing en stopzetting van de lopende gunningsprocedure is derhalve definitief geworden, zodat het beroep zonder voorwerp is gevallen, minstens beschikken de verzoekende partijen om die reden niet langer over het rechtens vereiste actueel belang.

Aldus dient te worden vastgesteld dat het beroep zonder voorwerp, minstens doelloos is geworden in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

XII-8212- 3/6

IV. Kosten

4.1. In de gegeven omstandigheden past het de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring ten laste te leggen van de verwerende partij.

4.2.1. Wat de omvang van de rechtsplegingsvergoeding betreft, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen “gelet op het financieel belang van het dossier (waarde project 30 à 35 MIO euro), de onmiskenbare complexiteit van het dossier en het feit dat de verwerende partij ook niet spontaan tot intrekking van de bestreden beslissingen is overgegaan” de toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding van 2.800 euro vorderen, verhoogd met 20%.

4.2.2. Artikel 67, § 1 van voormeld besluit van de Regent van 23 augustus 1948 bepaalt:

“§ 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.

In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het maximumbedrag 2.800

euro voor de geschillen betreffende de regelgeving inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.”

In het Verslag aan de Koning wordt de afwijking voor de geschillen betreffende de regeling inzake overheidsopdrachten gerechtvaardigd “door de techniciteit van de geldende regels en de grootte van de desbetreffende bedragen”.

Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings-

vergoeding betreft, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:

“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:

XII-8212- 4/6

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”

Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.

Het feit dat de verwerende partij niet eerder spontaan tot intrekking van de bestreden beslissingen is overgegaan, is dan ook geen reden om de vergoeding te verhogen. De rechtsplegingsvergoeding strekt er overigens toe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat in de procedure voor de Raad van State, doch heeft geen sanctionerend karakter.

Wel getuigt het dossier van een zekere complexiteit.

In het licht van het voorgaande volstaat evenwel een verhoging van de rechtsplegingsvergoeding tot 1.400 euro.

De gevraagde verhoging met 20% is evenwel niet verschuldigd ingevolge het bepaalde in artikel 67, § 2, laatste lid, van voormeld besluit van de Regent van 23 augustus 1948.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 3.200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen, elk voor een achtste.

De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 300 euro, elk voor de helft.

XII-8212- 5/6

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 maart 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:

Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.

De griffier De voorzitter

Silja Doms Johan Bovin

XII-8212- 6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.562