Court allows suspension of police dismissal execution due to urgent moral damage and irreparable career harm.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State ordered the suspension of the execution of a police inspector's dismissal decision. The applicant argued that immediate dismissal caused irreparable moral damage and career stigma, while the opposing party contested the urgency. The court ruled that the dismissal, based on official duties, created an unremediable moral stain, satisfying the statutory requirement for urgency.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 1 of the Council of State laws; suspension of execution is granted when the case is urgent because the applicant cannot await the final decision without suffering irreparable harm.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.523 van 28 februari 2017
in de zaak A. 220.747/XIV-37.244
In zake: Isabel DE MEESTER
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de POLITIEZONE 5459 SPOORKIN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 16 november 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Spoorkin dd. 23 september 2016 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.
XIV-37.244-1/22
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Jente Wouters, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoekster is inspecteur van politie bij de politiezone Spoorkin (PZ 5459).
3.2. Op 14 maart 2016 verzoekt de hogere tuchtoverheid aan de afdelingsprocureur te Veurne om advies te geven met betrekking tot het opleggen van een zware tuchtstraf. Als juridische referentie wordt verwezen naar artikel 24, § 2 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Het verzoek luidt:
“In bijlage maken wij u het voorstel over van het inleidend verslag lastens DE
MEESTER Isabel voor feiten waarvan u ons in kennis heeft gesteld en een afschrift van het strafdossier VU.21.97.46/15 heeft overgemaakt met toelating dit te mogen gebruiken in tuchtzaken.
Conform referentie l vragen wij uw advies voor het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.”
XIV-37.244-2/22
3.3. Op 24 maart 2016 geeft de afdelingsprocureur het volgende advies:
“Bij brief van 14 maart 2016 werd mijn ambt om een advies verzocht ten einde een zware tuchtstraf op te leggen voor gepleegde feiten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie, en dit conform artikel 24, tweede lid van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten.
Mijn ambt kreeg op 31 augustus 2015 kennis van feiten, waarbij de vaststellingen bij een verkeersongeval te Veurne, […] daterend van 28 juni 2016, opzettelijk vervalst werden in het betreffende proces-verbaal, en dit ten einde de ware identiteit van de aansprakelijke voor dit verkeersongeval, evenals de omstandigheden waarin het verkeersongeval werd begaan, te verdoezelen.
Uit het opsporingsonderzoek is de betrokkenheid van inspecteur Isabel DEMEESTER, lid van de Politiezone Spoorkin, gebleken. Ik verwijs hierbij onder meer naar diverse verhoren in dit strafonderzoek, gekend onder VU.21.97.46/2015, en meer in het bijzonder naar resultaten van het telefonie-onderzoek en de diverse verhoren, ook deze van inspecteur DEMEESTER zelf, waarbij de betreffende processen-verbaal aan de tuchtoverheid ter kennis werden gebracht.
Het hoeft geen betoog dat het vertrouwen van mijn ambt in het gerechtelijk handelen en optreden van inspecteur DEMEESTER danig geschokt is, niet in het minst wat de geloofwaardigheid betreft bij het opstellen van gerechtelijke aktes, in het bijzonder de processen-verbaal. Uit het onderzoek is gebleken dat inspecteur DEMEESTER het ‘brein’ is achter de hele constructie was om een andere persoon aan te duiden als de bestuurder van het voertuig dat bij het verkeersongeval betrokken was. De eigenlijke bestuurder was een kennis van haar en haar echtgenoot, die met de bestuurder zowel een persoonlijke als zakelijke relatie heeft.
De bestuurder van het voertuig had bovendien alcohol gedronken, maar door het laakbaar optreden van inspecteur DEMEESTER en haar collega’s, kon dit niet objectief vastgesteld worden. Uit het strafonderzoek is verder gebleken dat de tussenkomst van inspecteur DEMEESTER cruciaal was in de opgezette constructie om de waarachtigheid en de omstandigheden van het verkeersongeval te verdoezelen. Zij liet een andere persoon opdraven die zich als bestuurder van het voertuig, betrokken in het verkeersongeval, diende op te geven, zij deelde deze informatie mee aan haar collega’s, die ter plaatse kwamen voor de vaststellingen, en liet hen onwaarachtige vaststellingen verrichten. In de marge van dit onderzoek werd trouwens vastgesteld dat inspecteur DEMEESTER, weliswaar niet in functie op het ogenblik van de feiten, ook onder invloed was, Eenmaal opgeroepen tot verhoor in het strafonderzoek door de Algemene Inspectie van de Federale en Lokale Politie, benadrukte zij eveneens bij haar twee collega’s, om zich zeker aan hun verhaal te houden en niet de waarheid te vertellen.
Pas toen zij geconfronteerd werd met de onderzoeksresultaten, ging zij over tot bekentenissen.
Elk proces-verbaal, dat opgesteld werd door inspecteur DEMEESTER, dient met wantrouwen gelezen te worden, gezien mijn ambt twijfels kan hebben op de vermeldingen in het proces-verbaal wel stroken met de werkelijkheid.
Mijn ambt kan zich geenszins de houding en het optreden van inspecteur DEMEESTER. Dit laakbaar handelen is verwerpelijk, een politie-inspecteur onwaardig en kan niet op enig begrip of goedkeuring rekenen. Het hoeft geen betoog dat haar handelen ook bij andere leden van een politiedienst, die zich wel nauwgezet van hun opdrachten kwijten, niet op applaus kan rekenen, en dit tot enige
XIV-37.244-3/22
wrevel in de gezamenlijke uitoefening van opdrachten kan leiden.
Mijn ambt heeft kennisgenomen van het voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf, namelijk het ontslag van ambtswege.
Mijn ambt geeft een gunstig advies voor het opleggen van de voorgestelde tuchtstraf.”
3.4. Met het inleidend verslag van 25 maart 2016 stelt het politiecollege, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoekster de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dat verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, omstandigheden en gevolgen, van de datum van kennisneming van de feiten en van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de zware tuchtstraf van “het ambtshalve ontslag” en wordt gewezen op het recht van verdediging.
Verzoekster neemt op 29 maart 2016 kennis van het inleidend verslag. Op 18 april 2016 dient verzoekster een verweerschrift in en vraagt om te worden gehoord. In het verweerschrift voert verzoekster middelen van verweer aan.
Op 6 mei 2016 wordt verzoekster mondeling gehoord, waarbij zij eveneens middelen van verweer doet gelden.
3.5. Op 6 mei 2016 stelt het politiecollege voor verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.
3.6. Tegen dat voorstel dient verzoekster een voorstel tot heroverweging in bij de Tuchtraad.
De Tuchtraad adviseert op 15 september 2016 dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een passende straf is.
XIV-37.244-4/22
3.7. Het politiecollege legt op 23 september 2016 aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op.
Dat is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motivering:
“Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1. Samenvatting van de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan op basis van de stukken en verhoren in het tuchtdossier Op 28/06/2015 omstreeks 04:21 uur deed zich een verkeersongeval voor met stoffelijke schade te VEURNE […] waarbij [B.] in beschonken toestand een elektriciteitspaal aangereden had. Voorafgaand aan deze feiten was betrokkene deejay op een huwelijksfeest in het schoolzaaltje van HOUTEM waarbij DE
MEESTER Isabel en haar echtgenoot het klank- en lichtmateriaal aangeleverd hadden.
[B.] was al vertrokken wanneer DE MEESTER en haar echtgenoot het materiaal terug aan het inladen waren. Na het inladen zijn zij met [V.] vertrokken naar diens woning om hem daar af te zetten. Laatstvernoemde speelt voor de rest geen enkele rol meer in het verhaal omdat hij te bedronken was en sliep in de auto.
Tijdens het aanrijden kwamen zij uit op het ongeval. DE MEESTER
contacteerde per gsm de 101 centrale van CIWES met de melding dat er een ongeval gebeurd was met een dronken bestuurder en dat de brandweer nodig was. Hierbij bevestigde DE MEESTER dat de chauffeur [B.] was.
De opgeroepen interventieploeg van PZ SPOORKIN bestaande uit de inspecteurs [N.] en [D.] kregen op de plaats van het ongeval te horen van hun collega DE MEESTER dat de betrokken chauffeur [B.] een vriend van haar was en door die feiten in ernstige problemen zou komen. Ze kon [N.] en [D.] overtuigen om [B.] uit de problemen te houden en een vriendin, [D.L.] ter plaatse reeds aanwezig, te laten doorgaan als bestuurder en haar een (negatieve) ademtest te laten afleggen.
Na overleg tussen opstellers werd besloten dat [N.] een [vereenvoudigd proces-verbaal] zou opstellen en [D.] naar eigen zeggen tekende voor akkoord maar wel tekende voor waarvan akte.
[N.] en [D.] acteerden als opstellers van het [vereenvoudigd proces-verbaal] nr.
VU.91.L1.300553/2015 dat [D.L.] bestuurder was van het voertuig BMW 320D
met nummerplaat […] en omwille van vermoeidheid controle over het stuur verloor en uit de bocht was gegaan alwaar ze electriciteitspaal aanreed, geen van betrokken bestuurders kentekens vertoonde van intoxicatie of dronkenschap noch andere inbreuken werden vastgesteld.
Dit PV werd nadien van valsheid beticht en neergelegd ter griffie te Veurne op 26/01/2016.
2.2 Uiteenzetting van de gevolgen De feiten kwamen aan het licht door een anoniem schrijven ontvangen op het Comité P op l0/07/2015 overgemaakt aan de Procureur des Konings West-Vlaanderen Afdeling Veurne op 28/08/2015 die een opsporingsonderzoek instelde lastens betrokken politieambtenaren DE MEESTER, [N.] en [D.]
Op 20/01/2016 legden betrokkenen bekentenissen af bij AIG belast met het onderzoek.
Betrokkenen reden gezamenlijk naar AIG om er verhoord te worden en hadden afgesproken bij de ‘geacteerde feiten’ te blijven. Het is pas na confrontatie met
XIV-37.244-5/22
elkaar dat ze de ware toedracht der feiten vertelden.
Bij terugkomst in het commissariaat te VEURNE stelden DE MEESTEB, [N.]
en [D.] na een gesprek met de korpschef een interne mail op om het personeel van PZ SPOORKIN in te lichten dat lastens hen een gerechtelijk onderzoek gevoerd werd voor valsheid in geschriften en zij in de zaak verhoord werd door AIG.
Opmerkelijk in die mail stellen zij dat ze dachten goed te doen door een burger te helpen zonder enig persoonlijk gewin.
De feiten werden in grote krantenkoppen gepubliceerd in de pers […].
[…]
5. Tenlastelegging en tuchtvergrijp 5.1 Zoals hiervoor uiteengezet luidt de tenlastelegging als volgt:
‘Op 28 juni 2015 rond 04:20u, buiten uitoefening van uw ambt als politieambtenaar, wetens en willens een constructie te hebben opgezet en te hebben uitgevoerd, om een vriend de genaamde [B.] uit de problemen te helpen, die betrokken was in een verkeersongeval met dronkenschap in […] te Veurne, waarbij de bestuurder vervangen werd door iemand anders, namelijk [D.L.], zodat een verkeerde voorstelling van de feiten gebeurde en geen recht kon geschieden’.
Volgende feiten leggen we u NIET ten laste:
• Het register PV geraadpleegd te hebben om nazicht te doen van de gegevens vermeld in het VPV opgesteld door [N.] en [D.] maar dit feit enkel een van de argumenten is waarom de feiten vaststaan en u kunnen worden toegerekend • Het feit dat u overleg pleegde met de collega’s over de wijze waarop jullie zich zouden verdedigen, dit enkel aangehaald werd onder de hoofding ‘gevolgen van de feiten’.
• Het feit dat u uw collega’s herhaaldelijk en met aandrang zou verzocht hebben om zich bij de geënsceneerde feiten te houden ; dit werd enkel aangehaald onder de redenen van bewijs en toerekenbaarheid.
5.2. wij menen menen dat de ten laste gelegde feiten tuchtvergtijpen uitmaken door een inbreuk te maken op:
Artikel 3 van de [tucht]wet […]
5.2.1 Tuchtvergrijpen uitmaken door het niet naleven van de beroepsplichten, in casu WGP Art 127.1 dat bepaalt: ‘Het statuut van de politieambtenaar waarborgt hun onpartijdigheid.’ Art 127.2 dat bepaalt ‘Zij moeten elke handeling of houding vermijden waardoor dit vermoeden van onpartijdigheid zou worden aangetast. De politieambtenaren moeten elke willekeur bij hun optreden uitsluiten, door inzonderheid te vermijden dat zij, bij hun wijze van optreden of uit hoofde van de aangelegenheid waarvoor zij optreden, afbreuk te doen aan de onpartijdigheid die de burgers van hem mogen verwachten’ OM
Als politieambtenaar partijdig te zijn opgetreden door een vriend ‘uit de problemen te helpen’ van wie je wetens willens weet dat hij bestuurder en betrokken is in een verkeersongeval met dronkenschap en wetens willens meehelpt aan een constructie om hem te vervangen door iemand anders waardoor die vriend buiten schot blijft en recht niet kan geschieden.
De willekeur wordt op pijnlijke wijze aangeklaagd door een burger in een anonieme klacht aan het Comité P.
WGP Art 130.1 dat bepaalt: ‘het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun integriteit’ OM
Met verwijzing naar het oordeel van de procureur in zijn kennisgeving aan de korpschef dat uw integriteit niet meer gewaarborgd is; u hieromtrent zelf verklaarde aan AIG ‘vroeg of laat geconfronteerd te worden met collega’s en burgers die uw
XIV-37.244-6/22
integriteit in twijfel zullen trekken’.
WGP Art 13.2 dat bepaalt: ‘de politieambtenaren moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten’ OM
Met verwijzing naar voorgaande; het misbruik in uw optreden bestond er in dat u als politieambtenaar kennis kreeg van feiten en van uw hoedanigheid gebruik maakte om de zaken naar uw hand te zetten door een andere chauffeur in te schakelen.
U heeft ook het gebrek aan ervaring van uw collega’s misbruikt door er op te wijzen dat oudere collega’s dit niet zouden gedaan hebben en u naar huis zouden gevoerd hebben.
WGP Art 132 dat bepaalt: ‘Elke gedraging te vermijden zelfs buiten de uitoefening van het ambt die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is’ OM
Met verwijzing naar voorgaande; de feiten werden door u gepleegd buiten de uitoefening van het ambt maar dit belette u niet zich volop te moeien in het vervullen van de ambtsplichten bij de vaststellingen van een verkeersongeval;
bovendien verklaarde u zelf bedronken te zijn geweest.
WPA4 Art 43 dat bepaalt: ‘bij het vervullen van hun opdrachten verlenen de politieambtenaren elkaar te allen tijde wederzijdse bijstand en zorgen zij voor een doeltreffende samenwerking’ OM
behorende tot dezelfde politiezone en dezelfde dienst als [N.] en [D.] deze opdracht letterlijk als ‘partners in crime’ te hebben uitgevoerd; waarover u zelf verklaarde aan AIG dat ze ([N.] en [D.]) vatbaarder waren om het spel mee te spelen doordat ze al een hele drukke nacht achter de rug hadden en tamelijk vermoeid waren en hun concentratie niet meer was wat ze moest zijn;
waarover de afdelingsprocureur in zijn advies stelt dat het geen betoog hoeft dat uw handelen ook bij andere leden van een politiedienst, die zich wel nauwgezet van hun opdrachten kwijten, niet op applaus kan rekenen, en dit tot enige wrevel in de gezamenlijke uitoefening van opdrachten kan leiden.
Wij scharen ons ten volle achter het advies van de tuchtraad die oordeelt dat u ten onrechte opwerpt dat er geen sprake is van een tekortkoming aan de beroepsplicht om reden dat u op het ogenblik van de feiten niet in dienst was.
Dit laatste is immers niet het bepalend criterium om te beoordelen of er schending is van de beroepsplicht of niet, wel het inhoudelijke uitgevoerde of niet uitgevoerde gedrag.
Door uw opleiding als politieambtenaar wist u op welke wijze de procedure van vaststelling diende te gebeuren en wist u met zekerheid dat de noodzakelijke vaststellingen, weliswaar gedaan door uw collega’s, waarheidsgetrouw dienden weergegeven te worden.
Nu u een constructie opgezet en gerealiseerd heeft waarbij de noodzakelijke vaststellingen niet waarheidsgetrouw werden weergegeven bent u tekortgekomen aan uw beroepsplicht;
5.2.2 Tuchtvergrijpen uitmaken door de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, in casu WGP Art 132 dat bepaalt: ‘Elke gedraging te vermijden zelfs buiten de uitoefening van het ambt die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is’ OMWILLE VAN
• Het geschonden vertrouwen van de burger die zich hieromtrent richtte met een klacht tot het Comité P
XIV-37.244-7/22
• Het geschonden vertrouwen van het openbaar ministerie die verzocht om een tuchtprocedure op te starten en passende maatregelen te nemen • De feiten in de openbaarheid werden gebracht door de pers en hierdoor het korps in opspraak werd gebracht; u zelf verklaarde hierover gegeneerd te zijn en te beseffen van bij veel mensen het vertrouwen geschaad te hebben 5. Beslissing tot het opleggen van een zware straf […]
5.4 Beslissing tot zware tuchtstraf - eensluidend advies van de Tuchtraad Gelet op de bepalingen van de [tucht]wet […], inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 24 en 38 tot 38sexies; 44, 45, 48, 49, 50, 51, 52, 53;
Gelet op de feitelijke elementen vervat in het tuchtdossier;
Gelet op de analyse van dit tuchtdossier;
Gelet op de analyse van de verweermiddelen Gelet op de stukken ingediend en behandeld door de tuchtraad • Besluiten van de verdediging bij het verzoek tot heroverweging dd 28/06/2016
• Repliek HTO op deze besluiten dd 13/07/2016
• Deskundigenverslag AIG dd 07/07/2016
Gelet op onderstaand advies van de Tuchtraad na het verzoek tot heroverweging ‘De Tuchtraad is, in tegenstelling met de verdediging en de inspecteur-generaal, de mening toegedaan dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde straf van ontslag van ambtswege een gepaste straf is voor de bewezen feiten.
De feiten zijn zeer ernstig nu deze een schending uitmaken van één van de grondbeginselen bij het uitvoeren van een zeer belangrijke taak van de politieambtenaar: de waarheid vastleggen in een proces-verbaal.
Vervolgens is de Tuchtraad van oordeel dat de hogere tuchtoverheid door de voorgestelde straf geenszins een inbreuk uitmaakt op het evenredigheidsbeginsel nu er pas schending van het evenredigheidsbeginsel is wanneer een beslissing berust op feitelijke juiste en op zich rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, hetgeen inzake niet het geval is.
Het feit dat de Korpschef zelf wel nog vertrouwen in de verzoekster zou hebben doet geen afbreuk aan het feit dat de hogere tuchtoverheid, die bevoegd is de beslissing nopens de tuchtstraf te nemen, blijkbaar geen vertrouwen meer in haar heeft.
Het feit dat verzoekster niet geschorst geweest is doet ook geen afbreuk aan de mogelijkheid om nu alsnog de zware tuchtstraf van het ontslag op te leggen.
Na de vaststelling van de feiten werd haar slechts een beperkte uitoefening van haar functie toegestaan en heeft zij aldus geen vaststellingen meer kunnen doen.
De Tuchtraad is van oordeel dat de tuchtoverheid haar stellingname dat het vertrouwen in onderzoekster geschonden zou zijn met geen enkel concreet en relevant gegeven heeft ondersteund zodat deze motivering mogelijks als niet afdoend kan beschouwd worden.
De Tuchtraad is van oordeel dat de door tuchtoverheid voorgestelde tuchtstraf aangepast is doch dient er bij de motivering van de straf uitdrukkelijk rekening gehouden te worden met volgende elementen:
- Het gegeven dat deze feiten manifest zwaarwichtig zijn - De onmogelijkheid voor de politionele overheid (parket en politiecollege) om nog vertrouwen te hebben in de beroepsingesteldheid van de verzoekster nu er een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan doordat het absoluut ontoelaatbaar is dat een politieambtenaar, die onder andere zou moeten instaan voor de weergave van de waarheid, zelf een constructie opstelt en uitvoert om deze waarheid te verdraaien en dat een politieambtenaar zich moet onthouden
XIV-37.244-8/22
van het plegen van dergelijke feiten en doordat het gedrag van verzoekster getuigt van manifest gebrek aan rudimentaire verantwoordelijkheidszin en gezond verstand.
De voorgestelde straf maakt evenmin een inbreuk uit op het gelijkheidsbeginsel.
De verschillende behandeling van een tuchtzaak is in het licht van het gelijkheidsbeginsel onwettig wanneer de beoordelingselementen waarmee de tuchtoverheid heeft rekening gehouden dezelfde zijn of wanneer zij geen deugdelijke verantwoording kan geven voor de verschillende houding in de onderscheiden tuchtzaken.
Het gelijkheidsbeginsel wordt ondermeer geschonden wanneer de tuchtoverheid twee personeelsleden, op dezelfde wijze betrokken bij de tuchtfeiten, verschillend straft tenzij dat verschil in behandeling door een aanvaardbaar motief wordt verantwoord […].
De volgende motieven, opgesomd onder punt 5 van het voorstel zware tuchtstraf, zijn aanvaardbaar en vormen een deugdelijke verantwoording voor het verschil in behandeling van enerzijds verzoekster en haar twee collega’s anderzijds (de tuchtoverheid spreekt over een differentiatie in strafmaat), nu voor de verzoekster een ontslag van ambtswege wordt voorgesteld en de twee collega’s enkel een terugzetting in weddeschaal ondergaan zouden hebben.
1. Haar aantal dienstjaren en politie-ervaring (13 versus 3 van de twee collega’s);
2. Het feit dat ze stageleider geweest is van één van hen, waardoor ze tegenover hem een voorbeeldfunctie had en het voor hem moeilijker maakte neen te zeggen;
3. Het feit dat ze aangewezen werd door de andere betrokkenen als het brein achter de feiten (opzetten van constructie en ter plaatse regeling ervan).
Ten onrechte werpt de verzoekster op dat, in tegenstelling met haar twee kompanen, zij geen valsheid in geschriften gepleegd heeft.
Zij is, om de redenen hiervoor uiteengezet, de initiator of het brein van de in het proces-verbaal opgezette constructie, zodat zij zeker minstens evenveel schuld heeft aan dit feit als haar collega’s en eigenlijk nog meer nu zij bij het initiatief gebruik maakte van het feit dat 1. De kompanen vatbaar waren voor het meewerken aan dergelijke constructie nu deze de nachtdienst deden en moe zullen geweest zijn (zie haar eigenverklaring aan de AIG)
2. Zij meer anciënniteit had (13 jaar dienst) en de anderen slechts drie jaar 3. Zij daarenboven stagemeester (zij het tijdelijk) is geweest van één van hen Ook werpt de tuchtoverheid terecht op […], naar aanleiding van de verwijzing door de verzoekster naar de zaak [D.W.] als argument van de ingeroepen ongelijkheid, dat het aan de bevoegde tuchtoverheid toekomt om een dossier te beoordelen op basis van de elementen die aangebracht worden door het onderzoek en door de verdediging en dat ieder dossier verschillend is omwille van de wijze waarop de feiten gebeurd zijn, de omstandigheden gepleegd werden en de betrokken personeelsleden die ze gepleegd hebben.
Er wordt inzake geenszins aangetoond dat het over vergelijkbare zaken gaat nu nergens uit blijkt dat het over zelfde feiten gaat noch dat dezelfde beoordelingselementen werden gehanteerd.
De Tuchtraad is dan ook van oordeel dat er geen schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangetoond.
Ten onrechte werpt de verdediging op dat, vermits zij haar spijt betuigd heeft, dat zij milder dient gestraft te worden.
XIV-37.244-9/22
In het voorstel van zware straf maakt de tuchtoverheid dan een appreciatie over de waarde van die spijtbetuiging en hecht er blijkbaar niet voldoende waarde als element dat zou leiden tot een mildere straf, zijnde een terechte appreciatiebevoegdheid die zij daarvoor uitoefende.
Om deze redenen adviseert de Tuchtraad, beslissend bij meerderheid van stemmen, Dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1., bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend;
Dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;
Dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een passende straf is.
Gelet op het eensluidend advies van de Tuchtraad met de straf in het voorstel zware straf;
Gelet dat wij ons als hogere tuchtoverheid ten volle scharen achter het advies van de Tuchtraad;
Overwegende onze stellingname dat ons vertrouwen in u geschonden is wat onzes inziens voldoende bleek uit de (orde)maatregelen die de korpschef in samenspraak met de Procureur op 01/02/2016 reeds genomen had, met name • geen gerechtelijke akten meer opstellen • zich niet meer ophouden in het gerechtsgebouw te Veurne wat al serieuze gevolgen/beperkingen inhoudt;
wat op 12/02/2016 door de korpschef onder volgende voorwaarden bevestigd werd • dat jullie nooit mogen optreden als eerste vaststeller • dat alle vaststellingen en opgestelde akten dienen te gebeuren onder supervisie van een OGP
• deze regeling geldt in afwachting van de uitspraken en beslissingen van hogere instanties Overwegende dat hiermee aan de finaliteit van ‘ordemaatregelen’ voldaan was zijnde een herstel van de goede werking van de dienst zonder de schuldvraag te stellen noch een verkapte tuchtstraf op te leggen (wat de verdediging aanbracht als het tweede middel ‘exceptie non bis in idem’ wat door de tuchtraad werd verworpen);
Overwegende dat de strengste maatregel zijnde de ordemaatregel van voorlopige schorsing zich daardoor niet opdrong en ook niet genomen werd;
Overwegende dat hogervernoemde regeling noch door de korpschef noch door hogere instanties herroepen werd en dus nog altijd van toepassing is;
In onze hoedanigheid van hogere tuchtoverheid;
Beslissen wij om u de zware tuchtstraf op te leggen van ontslag van ambtswege.”
IV. Schorsingsvoorwaarden
4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel
XIV-37.244-10/22
wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.
V. Ernst van het derde middel
Standpunt van de partijen
5. Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, van artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten” (hierna: de tuchtwet)
en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij zet uiteen dat het advies van de procureur des Konings niet kan dienen als deugdelijk argument of motief omdat het niet voldoet en slechts steunt op een eenzijdig gebracht relaas, terwijl dat advies een verplichte schakel is in het besluitvormingsproces ex artikel 24 van de tuchtwet, zodat de procedure ook op dat vlak is geschonden. Verzoekster meent eveneens dat door de manier waarop dat advies tot stand is gekomen, het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden. Verzoekster betoogt dat de procureur des Konings zijn advies heeft gegeven louter aan de hand van een exemplaar van het inleidend verslag. Er is geen mededeling geweest van het integrale dossier inclusief het verweer van verzoekster. Het staat vast dat de procureur des Konings enkel beschikte over het inleidend verslag en niets anders. Volgens verzoekster is het onpartijdigheidsbeginsel eveneens aangetast indien de tuchtoverheid leunt op het advies van een instantie dewelke niet tegemoetkomt aan de vereisten van deugdelijkheid en onpartijdigheid. Te dezen betrekt de tuchtoverheid meermaals het advies van de procureur des Konings bij haar besluitvorming, hetgeen zij illustreert aan de hand van de verwijzingen ernaar in de bestreden beslissing.
Verzoekster betoogt dat luidens artikel 24 van de tuchtwet het advies moet zijn gemotiveerd. Het kan slechts deugdelijk gemotiveerd zijn indien het is gegeven na kennisneming van alle relevante elementen, zodoende het integrale tuchtdossier evenals het navolgende verweer van verzoekster. Dat is te dezen niet gebeurd. De procureur des Konings is volgens verzoekster overgegaan
XIV-37.244-11/22
tot oordeelsvorming aan de hand van een louter eenzijdige voorstelling van zaken gegeven door de tuchtoverheid en zonder kennis van het dossier noch van de elementen die verzoekster als verweer heeft aangebracht. Een dergelijk advies is niet op onpartijdige wijze tot stand gekomen. Hierdoor is de besluitvorming eveneens aangetast door een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en is de motivering eveneens niet deugdelijk, derwijze dat de materiëlemotiveringsplicht en eveneens artikel 24 van de tuchtwet is geschonden.
6. De verwerende partij repliceert in haar nota dat aan de door artikel 24 van de tuchtwet gestelde vereisten werd voldaan. Inzake het argument dat de procureur des Konings advies verstrekte louter aan de hand van een exemplaar van het inleidend verslag zonder mededeling van het integrale dossier met inbegrip van verzoeksters verweer, wijst zij er allereerst op dat de procureur des Konings reeds op 31 augustus 2015 in kennis werd gesteld van de feiten via een anonieme klacht en dus reeds voor de brief van de verwerende partij op de hoogte was van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten. Bovendien blijkt uit het advies dat de procureur des Konings verwijst naar het opsporingsonderzoek en meer specifiek naar de diverse verhoren in het strafonderzoek en de resultaten van het telefonieonderzoek. Zij concludeert dat niet kan worden standgehouden dat het advies louter tot stand kwam op grond van het inleidend verslag. In dat kader werd immers eveneens kennisgenomen van het verhoor van verzoekster zelf, waardoor haar argumenten betreffende de voorliggende feiten eveneens aan bod kwamen.
Bovendien moet het advies worden opgesteld binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel tot straf hem wordt toegestuurd. Te dezen volgden de eerste opmerkingen van verzoekster op 18 april 2016, zodat de procureur des Konings er geen rekening mee kon houden. Volgens de verwerende partij wordt nergens bepaald dat een verzoekster eerst de mogelijkheid moet worden geboden haar opmerkingen te formuleren alvorens de procureur des Konings zou kunnen overgaan tot het opstellen van een advies. De verwerende partij wijst erop dat zij het voorstel van tuchtstraf, samen met de ingewonnen adviezen ter kennis moet brengen van de betrokkene, waarna die dan
XIV-37.244-12/22
eventueel bij de Tuchtraad een heroverweging van de voorgestelde straf kan verzoeken. Bijgevolg werd artikel 24 van de tuchtwet te dezen correct nageleefd.
De procureur des Konings verschafte een duidelijk gemotiveerd advies op grond van het voorliggende dossier, zoals blijkt uit het opsporingsonderzoek. De procureur des Konings geeft duidelijk aan waarom hij van oordeel is dat aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd. Hij is immers zelf geheel geschikt door de voorliggende feiten.
Wat de aangevoerde schending betreft van het onpartijdig-
heidsbeginsel, is het voor de verwerende partij geheel onduidelijk op grond waarvan de verwerende partij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Zij ziet niet in hoe het advies van de procureur des Konings in casu niet onpartijdig zou zijn. Zoals reeds werd aangevoerd, maakte die immers gebruik van alle elementen die bleken uit het opsporingsonderzoek, waardoor hij een objectief oordeel ter zake kon vellen.
Tevens stelt de verwerende partij zich de vraag waarom verzoekster plots van oordeel is dat er sprake zou zijn van een schending van het onpartijdigheidsbeginsel door het advies van de procureur des Konings. Zij wijst er op dat verzoekster zich reeds voor de Tuchtraad beriep op de zogenaamde partijdigheid, doch ditmaal in hoofde van de hogere tuchtoverheid bij weigering van het verhoren van partijen betrokken bij het mailverkeer. Heden beweert verzoekster dan plots dat er sprake zou zijn van onpartijdigheid door het door de procureur des Konings verstrekte advies. In dat kader wijst zij op het arrest nr.
26.116 van 28 januari 1986 waaruit zij citeert.
Voorts bevindt de verwerende partij de opmerking van verzoekster dat zij in haar besluitvorming meermaals het advies van de procureur des Konings betrekt, uiterst opvallend. Er kan volgens haar “bezwaarlijk worden gesteld dat verwerende partij dit advies ‘meermaals’ in haar besluitvorming aanvoert nu de gehele beslissing slechts twee regels omvat die verwijzen naar dat advies.” Hoe dan ook doet dat volgens de verwerende partij geen afbreuk aan het feit dat het advies van de procureur des Konings geheel correct werd opgesteld, in
XIV-37.244-13/22
overeenstemming is met artikel 24 van de tuchtwet en door de verwerende partij dan ook mee in haar beoordeling kon worden betrokken.
Beoordeling
7. Artikel 24, tweede tot en met het vierde lid, van de tuchtwet luidt:
“Art. 24. […]
Wanneer feiten werden gepleegd die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie kan een zware tuchtstraf slechts worden opgelegd na het advies van de procureur des Konings tot wiens ambtsgebied de lokale politie of de op arrondissementeel niveau gedeconcentreerde directie of dienst van de federale politie waarvan het betrokken personeelslid deel uitmaakt, behoort. Voor de overige personeelsleden van de federale politie is het advies van de federale procureur of zijn gemachtigde vereist.
De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd en vooraleer de tuchtraad zich uitspreekt. Eens die termijn verstreken is, wordt de betrokken overheid geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken.
De in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen moeten eveneens aan het voorstel van zware tuchtstraf van de hogere tuchtoverheid toegevoegd worden.”
In de toelichting bij het wetsvoorstel dat de tuchtwet is geworden, is in de algemene toelichting het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1965-1, 2-3):
“[…]
De krachtlijnen van het ontwerp, opgesteld binnen de voormelde context, zijn dan ook de volgende:
[…]
10° ten slotte creëert het ontwerp een betrokkenheid voor die overheden waaraan geen bestraffingsbevoegdheid is toegekend maar wiens mening, gelet op hun verantwoordelijkheden, niet zomaar over het hoofd kan worden gezien: de adviesbevoegdheid toegekend, naargelang het geval, aan de minister van Justitie en de procureur des Konings, moet in dat raam worden begrepen.”
alsook in de artikelsgewijze toelichting (p. 13):
“Dit artikel schetst de adviesbevoegdheden.
Het betreft, naargelang het geval, de minister van Justitie en de bevoegde procureur des Konings in de tuchtprocedures op een wijze die rekening houdt met
XIV-37.244-14/22
hun respectieve verantwoordelijkheden. Hun eventuele adviezen moeten binnen een termijn van twintig dagen worden verstrekt.
[…]”
Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de tuchtoverheid, alvorens zij een personeelslid van het operationeel kader van de politiediensten van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van, te dezen, de procureur des Konings. Die adviesverplichting is een substantiële verplichting die er, te dezen, toe strekt de mening van de procureur des Konings gelet op zijn verantwoordelijkheden, te doen kennen inzake een voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf.
8. Luidens het hiervoor geciteerde artikel 24, derde lid, moet dat advies gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop “het voorstel tot straf” aan te dezen de bevoegde procureur des Konings wordt toegestuurd. Hieruit blijkt dat het advies dient te worden gevraagd naar aanleiding van het voorstel van tuchtstraf.
Het “voorstel van straf” waarnaar wordt verwezen in die bepaling, is het in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet bedoelde voorstel van zware tuchtstraf (cfr. Adv. RvS, afdeling wetgeving, Parl. St. Kamer 2000-2001, nr. 50 1173/001, 37), zijnde één van de drie beslissingen die de hogere tuchtoverheid op grond van het artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet kan nemen en die “op grond van het volledige dossier en van het verweer” wordt meegedeeld aan het betrokken personeelslid. Voorts moet op grond van artikel 38sexies, vijfde lid, dat voorstel van beslissing van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van een zware straf formeel worden gemotiveerd. Gelet op die wettelijke bepalingen, bevat het “voorstel van zware tuchtstraf” dat naar de adviserende overheden wordt gezonden, in beginsel aldus alle nuttige gegevens op grond waarvan die overheden met kennis van zaken hun advies kunnen verstrekken.
XIV-37.244-15/22
De hogere tuchtoverheid dient verder het voorstel van tuchtstraf, samen met het ingewonnen advies ter kennis van het betrokken personeelslid te brengen, waarna die eventueel bij de Tuchtraad om een heroverweging van de voorgestelde straf kan verzoeken.
9. Uit artikel 24, derde lid, van de tuchtwet volgt voorts dat “het voorstel van straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd”. Het schrijft aldus niet voor dat het voorstel van tuchtstraf, samen met het (integrale) tuchtdossier en/of het verweerschrift van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid, naar de adviserende overheid wordt gezonden. In beginsel kan het advies van de procureur des Konings aldus worden verleend louter op basis van het aan de adviserende overheid toegestuurde voorstel van tuchtstraf, op voorwaarde dat het voornoemde voorstel dat naar die adviserende overheid is gezonden, alle nuttige gegevens bevat op grond waarvan die overheid met kennis van zaken een correct beeld kan vormen van de tuchtzaak en zijn advies kan verstrekken. Tot die nuttige gegevens behoren op het eerste gezicht de (in voorkomend geval, toereikende samenvatting van de)
middelen van verweer van het betrokken personeelslid, daar die als essentieel element van het tuchtdossier, noodzakelijk bij de verantwoording van een voorstel van zware straf lijken te moeten worden betrokken.
10. Er bestaat in deze stand van het geding geen betwisting over het feit dat verzoekster onder de toepassing valt van artikel 24, tweede lid van de tuchtwet. Op het eerste gezicht houden de aan verzoekster ten laste gelegde feiten verband met de politionele ambtsplichten bij de vaststellingen van een verkeersongeval en hebben ze aldus rechtstreeks betrekking op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie zoals bedoeld in de voormelde bepaling.
Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het advies van de procureur des Konings niet werd gevraagd op grond van het hiervoor nader bepaald “voorstel van tuchtstraf”, maar op grond van het “voorstel van het inleidend verslag” dat was gevoegd bij de brief van de hogere overheid van 14 maart 2016 (supra, punt 3.2.). Dat voorstel van tuchtstraf is weliswaar in het
XIV-37.244-16/22
administratief dossier niet gevoegd bij de voormelde brief, doch in de huidige stand van het geding wordt niet betwist dat het overeenstemt met het uiteindelijke inleidend verslag zelf. Zoals hiervoor is uiteengezet (supra, punt 3.4.), bevat dat enkel een “uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen”, de datum van kennisgeving van de feiten, een uiteenzetting omtrent het “vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” en een “voorstel tot zware straf.”
In de huidige stand van het geding blijkt niet, noch wordt dat overigens door de verwerende partij betoogd, dat ook aan de procureur des Konings het verweer van verzoekster betreffende het haar tenlastegelegde tuchtvergrijp werd meegedeeld. De Raad van State bemerkt voor zoveel als nodig overigens dat het verweer van verzoekster dateert van na de adviesaanvraag, hetgeen ook door de verwerende partij wordt erkend.
11. Los van de vaststelling dat het advies van de procureur des Konings niet is gesteund op het in de zin als hiervoor is bepaald “voorstel van tuchtstraf”, maar op het niet-tegensprekelijk opgestelde voorstel tot inleidend verslag gevoegd bij de voornoemde brief van 14 maart 2016, stelt de Raad van State vast dat uit wat voorafgaat, prima facie blijkt dat de afdelingsprocureur heeft geadviseerd zonder dat blijkt dat hij kennis heeft genomen van de middelen van verweer van verzoekster. Het ontbreken van dat essentieel element in de besluitvorming van het advies, maakt prima facie dat advies gebrekkig aangezien niet blijkt dat de procureur des Konings zonder dat essentieel gegeven een concreet en correct beeld heeft kunnen vormen van verzoeksters tuchtzaak. Dat klemt te dezen des te meer nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster na de kennisneming van het inleidend verslag, middelen van verweer heeft doen gelden.
Uit wat voorafgaat volgt dat het advies niet deugdelijk lijkt.
12. De enkele omstandigheid dat, naar de verwerende partij betoogt, de procureur des Konings reeds op 31 augustus 2015 kennis had van de feiten ingevolge de anonieme klacht en dat hij in zijn advies duidelijk verwijst naar het
XIV-37.244-17/22
opsporingsonderzoek en de in dat kader verrichte handelingen, leidt niet tot een andere conclusie. Hiervoor is immers vastgesteld dat in deze stand van het geding niet blijkt dat de gegevens waarover de procureur des Konings beschikte om het advies te verlenen, toelieten een concreet en correct beeld te vormen van verzoeksters tuchtzaak.
Voorts gaat het argument van de verwerende partij dat “nergens”
is bepaald dat verzoekster de mogelijkheid moest worden geboden haar opmerkingen te formuleren alvorens de procureur des Konings kon adviseren, op het eerste gezicht uit van een verkeerde lezing van artikel 24 van de tuchtwet, zoals blijkt uit wat hiervoor is uiteengezet (supra, punt 7).
Tot slot is op het eerste gezicht het argument dat “bezwaarlijk [kan] worden gesteld dat verwerende partij dit advies ‘meermaals’ in haar besluitvorming aanvoert nu de gehele bestreden beslissing slechts twee regels omvat die verwijzen naar dit advies…”, niet relevant. Gelet op het hiervoor geschetste verplichtend en substantieel karakter van de adviesverplichting moet dat advies immers door de tuchtoverheid als een rechtens relevant feit voor de tuchtbeslissing worden aangezien, hetgeen op het eerste gezicht lijkt in te houden dat zij dat advies in beginsel moet betrekken bij haar besluitvorming. De omstandigheid dat zulks maar op “twee regels” is gebeurd is derhalve niet relevant bij de beoordeling of het gegeven advies beantwoordt aan de eis van artikel 24 van de tuchtwet.
Uit wat voorafgaat volgt dat het middel ernstig is in de mate dat het de schending aanvoert van artikel 24 van de tuchtwet en de materiëlemotiveringsplicht.
13. Het derde middel is in de aangegeven mate ernstig.
XIV-37.244-18/22
VI. Spoedeisendheid
Standpunt van de partijen
14. Verzoekster voert aan dat zij volledig zonder inkomen is gevallen, terwijl zij wel verder de gebruikelijke kosten van levensonderhoud dient te dragen zoals kosten voor voeding, kleding, huisvesting, persoonlijk onderhoud en dergelijke en met in het bijzonder een zware woonlening. Zij detailleert die leningslast en staaft die met bijgevoegde stukken. Voorts betoogt zij dat zij terugvalt op het onvoldoende geacht inkomen van haar echtgenoot om benevens de lopende kosten en uitgaven ook de lopende leningslasten en leefkosten te voldoen.
Zij wijst er op dat zij op heden geen werkloosheidsuitkering geniet. Ook meldt zij dat zij zwanger is zodat gezinsuitbreiding nakend is met ook alle materiële gevolgen op het vlak van kosten. Tot slot wijst zij er op dat zij geen kapitaal ter beschikking heeft. Zij besluit dat er sprake is van een sterke financiële weerslag, waarbij het afwachten van het gewone procesverloop haar in een toestand van armoede kan brengen en in ieder geval in ernstige onherroepelijke financiële problemen.
Verzoekster betoogt voorts dat de schandvlek verbonden aan de tuchtstraf dermate is dat ze een vordering tot schorsing rechtvaardigt nu die aanzienlijk groot dreigt te worden en mogelijks zelfs onherroepelijk indien de gewone gang van de procedure moet worden afgewacht. Idem wat de sociale gevolgen betreft voor verzoekster die is afgesneden van professioneel sociaal contact. Illustratief verwijst verzoekster naar rechtspraak van de Raad van State waar dat op verzoekster rustende odium als grond tot spoedeisendheid werd aanvaard.
15. De verwerende partij repliceert in haar nota met opmerkingen dat de vordering “onontvankelijk”, minstens ongegrond is. Volgens haar dient verzoekster geen concrete argumenten aan die aantonen dat zij zich in een toestand dreigt te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wat het financiële
XIV-37.244-19/22
nadeel betreft, wordt dat volgens de verwerende partij geheel tenietgedaan bij de vernietiging van de bestreden beslissing; is het afwachten van het normale procedureverloop het onvermijdelijke lot van elke beroepsindiener en volstaat het louter aanvoeren van een financieel nadeel niet. In casu laat verzoekster eveneens na verdere concrete duiding te geven over de omvang van het beweerde financieel nadeel: zij verzuimt een concrete berekening naar voren te schuiven en bewijst niet dat zij geen verder kapitaal ter beschikking heeft. De vaststelling van zwangerschap verandert evenmin iets aan die situatie. Volgens de verwerende partij dient de Raad van State in casu bovendien eveneens rekening te houden met het feit dat het ontslag van ambtswege hoe dan ook (morele en materiële) nadelige gevolgen met zich meebrengt voor verzoekster, doch het gaat daarbij niet om nadelen die niet zouden kunnen worden hersteld wanneer zou worden beslist tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Bovendien zal ook de schandvlek die door het ontslag op verzoekster zou rusten aan de voorgaande argumentatie van verzoekster geen afbreuk doen. Voorts is de verwerende partij ten zeerste verbaasd om te moeten vaststellen dat verzoekster nog geen enkele inspanning leverde tot het zoeken van nieuw werk. Tot slot werpt de verwerende partij op dat wanneer een bevolen schorsing moet leiden tot het opnieuw in dienst stellen van verzoekster, zulks zowel het algemeen belang als de belangen van de verwerende partij “zo manifest en disproportioneel nadelig” beïnvloedt dat het bevelen van de schorsing niet opweegt tegen het financiële nadeel dat verzoekster beweert te lijden.
Beoordeling
16. Zoals sub 4 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn
XIV-37.244-20/22
beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
17. Anders dan hoe de verwerende partij het stelt, is de vraag of de vordering spoedeisend is, geen zaak van “ontvankelijkheid”, maar van het al dan niet ten gronde voldaan zijn aan een wettelijke voorwaarde. Het niet-vervuld zijn van die voorwaarde leidt derhalve niet tot de niet-ontvankelijkheid van de voorliggende vordering.
18. Los van de vraag of de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor verzoekster geen ingrijpende gevolgen op materieel-financieel vlak heeft waarvan bezwaarlijk kan worden betwist dat door de bestreden beslissing verzoeksters levensstandaard wezenlijk in het gedrang kan komen, berokkent de het bestreden ontslag van ambtswege verzoekster onmiskenbaar een morele schandvlek en imagoschade die ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden indien verzoekster zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over haar beroep tot nietigverklaring. Het is immers aannemelijk dat het bestreden ontslag om tuchtredenen gesteund op feiten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een gerechtelijke opdracht, verzoeksters beroepsgeschiedenis negatief kleurt en een ernstige schandvlek op haar legt, alsook dat de aldus door de tenuitvoerlegging van het ontslag om tuchtredenen veroorzaakte morele schade, onherroepelijk dreigt te worden indien verzoekster zou dienen te wachten op een uitspraak van de Raad van State over haar beroep tot nietigverklaring. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat in dit geval aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. De blote en niet-ondersteunde bewering van de verwerende partij dat zulks te dezen niet het geval is, leidt niet tot een andere conclusie.
19. Aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan.
XIV-37.244-21/22
VII. Conclusie
20. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.
BESLISSING
De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Spoorkin dd. 23 september 2016 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-37.244-22/22
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.523