Court annuls police suspension extension due to failure to examine new breach of trust argument in final brief.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Minister's decision extending the temporary suspension of a police commissioner with a 1% salary deduction. The applicant argued for the first time in the final brief that the suspension was based on a breach of trust, but the court found this argument could have been developed earlier. Consequently, the court held that the failure to address this new ground in the final brief rendered the decision flawed and annulled it.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Rules of Procedure of the Council of State; A decision is annulled if the party fails to develop a new argument in the final brief that could have been presented earlier.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.519 van 28 februari 2017
in de zaak A. 211.975/XIV-35.549
In zake : XXXX
wonend te 9550 Herzele Houw 47
alwaar woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 20 maart 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing houdende verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van [verzoeker] voor een periode van vier maanden met inhouding van 1 procent van de brutowedde d.d. 27 januari 2014”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
XIV-35.549-1/13
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september 2016.
Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Rikkert Schoofs, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor verzoeker, en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat het bedrag van de kosten betreft.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker was commissaris van politie bij de federale politie.
3.2. Op 25 september 2012 bevestigt de procureur des Konings te Oudenaarde aan de personeelsdirecteur DGO dat verzoeker “op heden werd aangehouden door de onderzoeksrechter te Oudenaarde voor opzettelijke slagen”.
3.3. Op 1 oktober 2012 beslist de vervangende commissaris-generaal verzoeker voorlopig te schorsen bij ordemaatregel voor een periode van vier maanden, met een inhouding van wedde ten belope van 25 procent van de brutowedde. Deze beslissing wordt op 4 oktober 2012 bekrachtigd door de
XIV-35.549-2/13
minister van Binnenlandse Zaken, met dien verstande dat de wedde-inhouding wordt gereduceerd tot vijf procent van de brutowedde.
De voorlopige schorsing wordt telkenmale verlengd voor de duur van vier maanden. Bij arresten van 3 juni 2014, nr. 227.615 en van 13 februari 2015, nr. 230.194 worden de verlengingen van 10 januari 2013, 28 mei 2013 en 23 september 2013 vernietigd.
3.4. Op 27 januari 2014 wordt de voorlopige schorsing bij ordemaatregel nogmaals verlengd met vier maanden, met inhouding van 1 % brutowedde.
Dit is de thans bestreden beslissing.
3.5. De voorlopige schorsing bij ordemaatregel wordt op 28 mei 2014 een vijfde maal verlengd voor vier maanden, met inhouding van 1 % bruto-
wedde. Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad gekend onder het nummer A. 213.227/XIV-35.859. In die zaak wordt heden uitspraak gedaan bij arrest nr. 237.520.
3.6. Op 22 juli 2014 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van 10 % van de bruto maandwedde gedurende één maand opgelegd.
Het beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing is bij de Raad van State gekend onder het nummer A. 213.684/XIV-35.944. In die zake wordt heden uitspraak gedaan bij arrest nr. 237.504.
3.7. Op 13 mei 2015 wordt aan verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege opgelegd. Nadat eerst de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing werd verworpen bij arrest nr. é.375 van 4 januari 2016, werd bij arrest nr. 234.833 van 24 mei 2016 de afstand van het beroep tot nietigverklaring vastgesteld.
XIV-35.549-3/13
IV. Onderzoek van het eerste middel
Standpunt van de partijen
4. Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van de artikelen 59 en 61 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de “motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991
‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij is overgegaan tot de verlenging van verzoekers voorlopige schorsing met inhouding van 1 % van zijn brutowedde, terwijl de verwerende partij ingevolge het zorgvuldigheidsbeginsel is gehouden de situatie te actualiseren en meer bepaald dient na te gaan of er, op het ogenblik van de verlenging, nog steeds is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59 van de tuchtwet en doordat de verwerende partij niet afdoende heeft gemotiveerd waarom volgens haar de voorlopige schorsing moet worden verlengd met een periode van vier maanden en waarom ook de inhouding van één procent van verzoekers brutowedde moet behouden blijven.
Verzoeker licht toe dat de bestreden beslissing de motivering herneemt die reeds werd aangevoerd bij de derde beslissing tot verlenging van 23 september 2013. De enige nieuwe motivering die eraan wordt toegevoegd is de volgende:
“Overwegende dat de partner van betrokkene haar klacht zou hebben ingetrokken doch dan nog moet men vaststellen dat in de aanvankelijke betichting vermeld werd dat het opzettelijke slagen en verwondingen, met werkonbekwaamheid tegenover meerdere personen en op diverse tijdstippen, betrof en dat deze kwalificatie zeker geen klachtmisdrijf betreft. Bovendien bevond betrokkene zich mogelijk in staat van wettige herhaling. In dergelijke gevallen het ook geweten is dat een partner dikwijls zijn klacht intrekt of de feiten tracht te minimaliseren om de eventuele gevolgen te verminderen en dat we door deze elementen de mening toegedaan zijn dat het wenselijk is het oordeel van de rechtbank af te wachten aangezien wij tot op heden geen nadere informatie krijgen of hebben gekregen van de gerechtelijke overheden. Dat bovendien betrokkene zich zou gehouden hebben aan zijn opgelegde voorwaarden kan niet worden nagegaan door de tuchtoverheid doch enkel door de gerechtelijke overheden.
Gelet op het feit dat de ruchtbaarheid thans verminderd is doch dat meerdere
XIV-35.549-4/13
collega’s en zijn onmiddellijke buren kennis hebben van de feiten achten wij het als tuchtoverheid, mede door de vertrouwensbreuk, dat in deze omstandigheden het blijven inzetten van een commissaris, verdacht van dergelijke feiten, binnen de politie niet mogelijk is daar dit op kritiek en onbegrip van de van de [sic] collega’s en bevolking zou stuiten waardoor het imago en de integriteit van de politie in het gedrang kan gebracht worden;”.
Volgens verzoeker volstaat dit niet als afdoende motivering voor de verlenging van de voorlopige schorsing en moet de verwerende partij motiveren waarom dit nog steeds tot gevolg heeft dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst. Daarvoor diende de verwerende partij over te gaan tot een nieuw, geactualiseerd onderzoek van het dossier. Te dezen blijkt volgens verzoeker niet uit de bestreden beslissing dat de verwerende partij dergelijk onderzoek heeft gevoerd en dit ondanks het feit dat zijn situatie inmiddels gewijzigd is, zoals verzoeker heeft toegelicht in zijn verweerschrift van 21 januari 2014 en tijdens zijn verhoor op 22 januari 2014. De situatie was volgens verzoeker reeds gewijzigd op het ogenblik van de eerste verlenging van de voorlopige schorsing doordat zijn partner haar klacht had ingetrokken. Verzoeker meent dat de verwerende partij de opgeworpen nieuwe elementen niet zomaar naast zich neer mocht leggen. De verwerende partij voert volgens verzoeker enkel algemeenheden aan maar komt daarmee geenszins tegemoet aan de concrete bewijslast die op haar rust. Door na het vernemen van die nieuwe elementen niet te onderzoeken of verzoekers aanwezigheid binnen de federale politie nog steeds in strijd zou zijn met het belang van de dienst en, indien dit het geval zou zijn, voor welke duur de schorsing verantwoord zou zijn, heeft de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Door het ter zijde schuiven van zijn uitgebreid verweerschrift zonder aan te geven waarom de erin opgenomen elementen niet tot een andere beoordeling leiden en door geen rekening te houden met wat hij tijdens zijn verhoor op 22 januari 2014 naar voren heeft gebracht, acht verzoeker ook de motiveringsplicht geschonden. Tot slot wijst verzoeker er nog op dat een aantal motieven van de bestreden beslissing feitelijke grondslag missen zodat deze de bestreden beslissing niet kunnen dragen, wat hij detailleert.
XIV-35.549-5/13
5. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat het buiten kijf staat dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek. Het is op basis van die feiten dat de verwerende partij besloot verzoeker voorlopig te schorsen. In januari 2014 werden de feiten opnieuw geëvalueerd door de verwerende partij en daaruit bleek dat er nog steeds geen uitspraak was door de raadkamer. Het is op basis van deze gegevens dat de verwerende partij ervoor heeft geopteerd de voorlopige schorsing te verlengen.
Volgens de verwerende partij veranderen de nieuwe elementen die verzoeker voorlegde niets aan het feit dat verzoeker op het ogenblik van de bestreden beslissing nog steeds het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek. De intrekking van de klacht door het slachtoffer heeft daarbij niet tot gevolg dat de strafvordering komt te vervallen aangezien het toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen geen klachtmisdrijf is. Volgens de verwerende partij waren de feiten derhalve op het ogenblik van de bestreden beslissing ongewijzigd.
Dat de motivering van de voorgaande beslissingen tot verlenging in grote mate werd hernomen, is volgens de verwerende partij vanzelfsprekend aangezien het over dezelfde feiten en hetzelfde dossier gaat. Het dossier werd volgens haar wel degelijk geactualiseerd zodat er actief werd gehandeld om een beter zicht te krijgen op de feiten en de inhoud van het dossier.
Zij verwijst ter zake naar haar verzoek aan de procureur des Konings te Oudenaarde van 6 januari 2014, waarin gevraagd werd naar de stand van zaken in het dossier en waarop de procureur des Konings antwoordde dat het dossier in beraad werd genomen en werd uitgesteld naar de zitting van 10 januari 2014. De verwerende partij stelt dat zij geen andere informatie verkreeg van de procureur des Konings. Verzoeker legt een aantal stukken voor uit het gerechtelijk dossier waarvan hij betoogt dat de verwerende partij daar geen rekening mee heeft gehouden, maar de verwerende partij kan echter niet zonder meer voortgaan enkel en alleen op stukken of informatie welke verzoeker voorlegt. In het gerechtelijk dossier kunnen namelijk ook stukken zitten die tegen verzoeker pleiten. Zij beklemtoont dat zij geen enkel zicht heeft op de stukken vervat in het gerechtelijk dossier, zodat zij dan ook niet anders kon dan vaststellen dat de elementen die bij
XIV-35.549-6/13
de vorige beslissingen tot voorlopige schorsing speelden, nog steeds van toepassing waren bij de bestreden beslissing. Volgens de verwerende partij is immers, in deze fase van de procedure, het enige wat haar beslissing ten gronde kan veranderen, een nieuw objectief element in het verloop van de gerechtelijke procedure, hetgeen niet voorligt. Vermits de verwerende partij geen uitsluitsel had omtrent de verklaringen afgelegd in het raam van het gerechtelijk onderzoek, kon zij hier dan ook niet anders dan motiveren dat ze geen, op zijn minst geen volledig zicht had op de feiten en de inhoud van het dossier vermits het gerechtelijk onderzoek nog steeds loopt. Vervolgens bekritiseert de verwerende partij in de memorie van antwoord de verschillende attesten waaruit volgens verzoeker blijkt dat hij geen alcohol meer heeft gedronken. Voorts stelt zij dat een eigen administratief voorafgaand onderzoek voeren onmogelijk was.
Wat de motieven betreft, stelt de verwerende partij dat zij er rechtsgeldig kon van uit gaan dat er een vermoedelijk gevaar bestaat voor recidive.
Ook het motief dat aan de feiten een ruime ruchtbaarheid werd gegeven kan worden behouden. Het verder blijven functioneren van verzoeker binnen de federale politie zolang er geen uitsluitsel is op strafrechtelijk of tuchtrechtelijk vlak, kan volgens de verwerende partij zeker mee in overweging worden genomen.
Beoordeling
6. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen.
De verwerende partij heeft verzoeker een eerste keer (dringend)
preventief geschorst op 1 oktober 2012. Die voorlopige schorsing is vervolgens verlengd geworden bij beslissingen van 10 januari 2013, 28 mei 2013 en 23 september 2013. Deze verlengingsbeslissingen zijn vernietigd geworden bij arrest nr. 227.615 van 3 juni 2014 (voor wat de eerste en de tweede verlengingsbeslissing van 10 januari 2013 respectievelijk 28 mei 2013 betreft) en bij arrest nr. 230.194 van 13 februari 2015 (voor wat de derde
XIV-35.549-7/13
verlengingsbeslissing van 23 september 2013 betreft). In deze arresten wordt onder meer aangenomen dat de verwerende partij, bij de beoordeling of een verlenging van de voorlopige schorsing zich opdrong, geen of niet afdoende rekening hield met de door verzoeker desbetreffend ontwikkelde, pertinente argumentatie.
In zijn verweerschrift van 21 januari 2014 naar aanleiding van de voorgenomen verlenging van de voorlopige schorsing heeft verzoeker opnieuw verschillende argumenten aangehaald die er volgens hem op wijzen dat zijn aanwezigheid bij de federale politie niet langer onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het betreft min of meer dezelfde argumentatie als deze die hij eerder reeds aanhaalde in het kader van de vorige verlengingsbeslissingen. Niet alleen gaf het slachtoffer (verzoekers voormalige partner) te kennen haar klacht te hebben ingetrokken en stuurde zij ook nog een brief waarin zij verklaart dat haar partner (verzoeker) niet gewelddadig is, bovendien blijkt uit verzoekers argumentatie onder meer dat hij inspanningen leverde om weer optimaal te kunnen functioneren, door het volgen van een behandeling en therapie, met gunstige resultaten, dat zijn alcoholprobleem veel beter onder controle was en dat de voorwaarden voor de opheffing van zijn aanhouding opgeheven waren. Bovendien deelde verzoeker mee dat de procureur des Konings te Oudenaarde de buitenvervolging van verzoeker vorderde voor de tenlastelegging B. De Raad van State oordeelde met betrekking tot de voorgaande verlengingsbeslissingen reeds dat “[d]e argumentatie die verzoeker in zijn verweerschrift naar voor bracht, […], niettegenstaande de aard van de hem ten laste gelegde feiten en het feit dat de verwerende partij geen inzage kreeg in het strafdossier, pertinent [was] voor de beoordeling van de vraag of zijn aanwezigheid bij de federale politie al dan niet verenigbaar was met het belang van de dienst” en dat daar blijkens de motivering in de voorgaande verlengingsbeslissingen geen rekening mee werd gehouden.
Niettegenstaande de verwerende partij niet verplicht is om zich te laten overtuigen door verzoekers argumenten en het niet bij voorbaat uitgesloten is dat zij, spijts verzoekers argumenten, toch de voorlopige schorsing verlengt, vereist de zorgvuldigheidsplicht niettemin dat zij verzoekers argumenten terdege
XIV-35.549-8/13
onderzoekt. De verwerende partij kan haar beslissing slechts op deugdelijke formele en materiële motieven laten rusten indien zij verzoekers argumentatie mee in overweging neemt.
Uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat de beoordeling die de verwerende partij hierin vermeldt, slechts op een aantal punten verschilt van de beoordeling die zij bij de voorgaande verlengingsbeslissingen aangehouden heeft. Om het ernstig karakter van de feiten te onderstrepen verwijst de verwerende partij onder meer naar de veroordeling van verzoeker van 17 mei 2013 voor een aanrijding met stoffelijke schade en het besturen van een personenwagen met een alcoholintoxicatie van 0,9 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht. Deze veroordeling wijst er weliswaar op dat verzoeker voor de betreffende feiten (aanrijding met stoffelijke schade met een bepaalde alcoholintoxicatie) opnieuw onder invloed van alcohol was, maar is geenszins een antwoord op verzoekers argumentatie dat hij sinds de feiten waarvoor hij thans geschorst is blijvende inspanningen leverde om weer optimaal te kunnen functioneren door het volgen van een behandeling en therapie, met gunstige resultaten, dat zijn alcoholprobleem beter onder controle was en dat de voorwaarden voor de opheffing van zijn aanhouding opgeheven waren. De feiten waarvoor verzoeker veroordeeld werd op 17 mei 2013 dateren immers van vóór de feiten waarvoor hij op grond van de thans bestreden beslissing geschorst is. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts evenmin dat met het argument dat de procureur des Konings te Oudenaarde de buitenvervolging van verzoeker vorderde voor de tenlastelegging B rekening is gehouden. Om aan te tonen dat de feiten nog altijd de ernst vertonen die een voorlopige maatregel rechtvaardigt, wijst de verwerende partij erop dat, ondanks de intrekking van de klacht door verzoekers voormalige partner, het geen klachtmisdrijf betreft en in de aanvankelijke betichting vermeld werd dat het opzettelijke slagen en verwondingen, met werkonbekwaamheid tegenover meerdere personen en op diverse tijdstippen betrof. Bovendien merkt de verwerende partij op dat slachtoffers hun klacht vaak intrekken of de feiten minimaliseren om de eventuele gevolgen te verminderen. Daarmee geeft zij weliswaar aan dat de feiten, ondanks de intrekking van de klacht, volgens haar nog
XIV-35.549-9/13
steeds de ernst vertonen om een voorlopige maatregel te nemen, maar antwoordt zij daarmee slechts gedeeltelijk op verzoekers argumentatie. Met betrekking tot de vraag naar de noodzaak van de verwijdering van verzoeker uit de dienst, verwijst de verwerende partij naar de - thans weliswaar verminderde - ruchtbaarheid die de zaak bij meerdere collega’s gekregen heeft, naar het kennis hebben van de feiten door de onmiddellijk buren, naar verzoekers graad en functie en naar het feit dat bij een blijvende tewerkstelling het imago en de integriteit van de politie in het gedrang kan komen.
De beoordeling die de verwerende partij in de bestreden beslissing vermeldt, verschilt in wezen niet van de beoordeling die zij bij de eerdere (vernietigde) preventieve schorsingen van verzoeker aangehouden heeft.
Dat het om zeer ernstige feiten gaat, volstaat niet om aan te tonen dat de feiten ieder vertrouwen in een correcte uitoefening door verzoeker van zijn beroep onderuit halen. Te dezen heeft de verwerende partij geen rekening gehouden met verzoekers argumentatie dat hij blijvende inspanningen leverde om weer optimaal te kunnen functioneren door het volgen van een behandeling en therapie, met gunstige resultaten, en dat zijn alcoholprobleem beter onder controle was. Uit de motivering van de thans bestreden beslissing blijkt alvast niet dat de verwerende partij - in vergelijking met de voorgaande verlengingsbeslissingen - deze argumentatie in haar beoordeling heeft betrokken. De verwerende partij motiveert niet waarom verzoeker, ondanks de inspanningen die hij leverde en ondanks de omstandigheid dat de feiten zich in de privé-sfeer afspeelden, niettemin nog steeds uitgesloten diende te worden van elke mogelijke functie binnen haar organisatie. De argumenten die de verwerende partij in haar memorie van antwoord dienaangaande aanbrengt, zijn niet als dusdanig in de bestreden beslissing terug te vinden, en betreffen aldus een a posteriori motivering. Uit niets blijkt dat de verwerende partij, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe door verzoeker in zijn verweerschrift van 21 januari 2014, bij de beoordeling van de noodzaak van een verlenging van de voorlopige schorsing ook rekening heeft gehouden met andere maatregelen die zij kon treffen.
XIV-35.549-10/13
De passieve houding waarvan de verwerende partij op die manier doet blijken, strookt niet met haar verplichting om bij de verlenging van de schorsing de gehele situatie van verzoeker en van zijn plaats in het bestuur te heroverwegen. Immers, zelfs wanneer de verkregen informatie omtrent de ernst van de feiten geen nieuwe stellingname zou behoeven, vergt het eenvoudig verloop van de tijd op zich reeds een actualisering van de beoordeling van de impact van de feiten op de werking van de dienst. Gewis zijn ruchtbaarheid en de bekendheid van de problemen binnen het korps elementen die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van het dienstbelang, maar dergelijke elementen blijven niet onveranderd de beoordeling van de noodzakelijke afwezigheid uit de dienst beïnvloeden. Met andere woorden, het tijdsverloop sinds de vorige beoordeling, noodzaakt op zich een onderzoek van de actuele gevolgen van de media-aandacht en van aanwezigheid in de dienst. Uit de beslissing noch uit het dossier van de zaak blijkt dat de verwerende partij die evolutie concreet beoordeeld heeft.
Niettegenstaande de door de Raad van State reeds eerder pertinent bevonden argumentatie van verzoeker, werd er in de bestreden beslissing opnieuw grotendeels aan voorbij gegaan.
Het eerste middel is gegrond.
7. De verwerende partij betwist weliswaar deze conclusie in de laatste memorie, maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat van het middel weer te geven.
De verwerende partij beperkt zich immers in haar laatste memorie tot het herhalen en benadrukken van een aantal elementen die zij reeds in haar memorie van antwoord had uiteengezet. Waar de verwerende partij in haar laatste memorie voor het eerst wijst op het motief van de vertrouwensbreuk zoals die uit de bestreden beslissing zou blijken, toont zij niet aan dat zij dat argument niet reeds in haar memorie van antwoord had kunnen ontwikkelen.
XIV-35.549-11/13
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel gegrond.
V. Rechtsplegingsvergoeding
8. Voor het eerst in zijn laatste memorie vraagt verzoeker om de verwerende partij te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.
9. Overeenkomstig artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Uit artikel 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ volgt dat het processtuk of de nota tot vereffening van de kosten moet worden ingediend door tussenkomst van een advocaat.
Te dezen moet echter worden vastgesteld dat verzoeker bij het indienen van zijn laatste memorie niet werd vertegenwoordigd of bijgestaan door een advocaat zodat er geen aanleiding is tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding.
VI. Anonimisering
10. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op
XIV-35.549-12/13
uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.
De vraag wordt ingewilligd.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 januari 2014 houdende verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker voor een periode van vier maanden met inhouding van 1 procent van de brutowedde.
2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-35.549-13/13
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.519