Court dismisses appeal against fine where substitute official signed decision ensuring service continuity.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the appeal challenging an administrative fine of 1,050 euros imposed on a trucking company for overloading a vehicle. The plaintiff argued that the decision was invalid because it was signed by a temporary substitute official rather than the designated traffic inspector. The court held that the principle of continuity of public service allows a substitute to sign decisions necessary to ensure the continuity of the service, and no specific rules prohibited this replacement in this context.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 3 et seq. of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure in the event of special road transport; A substitute official may sign administrative decisions to ensure the continuity of public service, and such a signature does not render the decision invalid.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 237.516 van 28 februari 2017
in de zaak A. 217.580/XII-8050
In zake: 1. Ulrich VERLEE
2. de NV DECLERCQ STORTBETON
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4
Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Vanempten
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 9 november 2015, strekt tot de nietig-
verklaring van “de beslissing genomen door de administrateur‐generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 18 september 2015 waarbij in graad van beroep aan verzoekster een administratieve geldboete van 1050,00 euro wordt opgelegd en dit op basis van de artikelen 3 e.v. van het Decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport.”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8050-1/11
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Inge Van Den Dorpel, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Op 23 september 2014 wordt een vrachtwagen, bestuurd door Ulrich Verlee, eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van nv Declercq Stortbeton, de tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E40 richting Oostende, ter hoogte van Wetteren.
Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 3 van de vrachtwagen bedraagt de overlading 1.198 kg, hetzij 12,0% en op as 4
bedraagt de overlading 1.227 kg of 12,3%. De overschrijding van de maximaal toegelaten massa van de vrachtwagen bedraagt 2.168 kg, hetzij 6,3 %.
XII-8050-2/11
Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
3.2.. Op 30 oktober 2014 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Dendermonde met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, §3 van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 7 november 2014 beslist de procureur des Konings geen strafvervolging in te stellen en het proces-verbaal voor verder gevolg over te maken aan de wegeninspecteur-controleur.
3.3. Op 19 december 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen. De nv Declercq Stortbeton wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld. De beslissing wordt ondertekend “in opdracht” “voor [P.B.], afwezig, Wegeninspecteur-controleur,” door “[C.N.] medewerker”. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan elk der verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.4. Op 13 januari 2015 tekenen de verzoekende partijen verzet aan tegen die beslissing.
3.5. Op 27 april 2015 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van deze hoorzitting leggen de verzoekende partijen een schriftelijke conclusie neer.
3.6. Op 21 mei 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.050 euro op te leggen. De tweede verzoekende partij wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor het betalen van deze administratieve geldboete. Deze beslissing
XII-8050-3/11
wordt op 21 mei 2015 met een aangetekende brief met ontvangstbewijs aan de raadsman van de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.7. Op 11 juni 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
3.8. Op 4 augustus 2015 heeft een hoorzitting plaats, waarbij de verzoekende partijen conclusies neerleggen.
3.9. Op 18 september 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de eerste verzoekende partij, Ulrich Verlee, een administratieve geldboete op te leggen van 1.050 euro. De tweede verzoekende partij, nv Declercq Stortbeton, wordt burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de raadsman van de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 19, § 2 en § 3, van het decreet bijzonder wegtransport.
De verzoekende partijen betogen dat artikel 19, § 2 en § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, termijnen bevat waarbinnen de administratie het verzet, respectievelijk het beroep tegen het opleggen van een administratieve geldboete dient te behandelen. Aangezien die termijn in beide gevallen
XII-8050-4/11
uitdrukkelijk is voorgeschreven op straffe van verval van de administratieve geldboete en de termijnen niet werden gerespecteerd, dient de administratieve geldboete te worden vernietigd.
De memorie van wederantwoord en de laatste memorie zijn beperkt tot de mededeling dat “verzoeksters volharden in het geformuleerde middel”.
Beoordeling
4.2. In het auditoraatsverslag is het eerste middel beoordeeld als volgt:
“15. In de mate de verzoekende partijen aanvoeren dat de beslissing van de wegeninspecteur-controleur in graad van bezwaar niet tijdig werd genomen, dient te worden vastgesteld dat de gegrondheid van deze kritiek er toe zou leiden dat geen administratieve boete kan worden opgelegd, zodat dit eveneens de wettigheid van de bestreden beslissing aantast. De exceptie opgeworpen door de verwerende parti] dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het niet rechtstreeks gericht is tegen de bestreden beslissing, maar tegen de beslissing van de wegeninspecteur-
controleur in graad van bezwaar client dan ook te worden verworpen.
Artikel 19, §2, zesde lid van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport bepaalt immers:
‘De beslissing van de wegeninspecteur-controleur moet binnen dertig dagen na de hoorzitting ter kennis worden gebracht van de overtreder en, in voorkomend geval, van de onderneming. Zo niet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend en wordt de geconsigneerde administratieve geldboete, in voorkomend geval, teruggestort.’
Bijgevolg is het middel ontvankelijk voor zover de aangevoerde kritiek betrekking heeft op de beslissing van de wegeninspecteur-controleur in graad van bezwaar.
16. Overeenkomstig artikel 19, §2 van het decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport kan tegen de beslissing van de wegeninspecteur-
controleur tot het opleggen van een administratieve geldboete, onder de
XII-8050-5/11
voorwaarden binnen de vervaltermijn, bepaald door de Vlaamse Regering, bezwaar worden aangetekend bij de wegeninspecteur-controleur. Als tijdig en ontvankelijk bezwaar werd aangetekend of als de overtreder, in voorkomend geval, de onderneming, vraagt om te worden gehoord over de ontvankelijkheid, worden de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming uitgenodigd op een hoorzitting.
Betreffende de beslissing van de wegeninspecteur-controleur na bezwaar bepaalt artikel 19, §2, zesde lid van het decreet van 3 mei 2013 aldus dat de beslissing van de wegeninspecteur-controleur binnen dertig dagen na de hoorzitting ter kennis moet worden gebracht van de overtreder en in voorkomend geval van de onderneming.
Artikel 8, §2, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 20
december 2013 betreffende de handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport bepaalt:
‘§ 2. De beslissing in bezwaar, vermeld in artikel 19 § 2, zesde lid, van het decreet van 3 mei 2013, wordt verzonden door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.’
De wegeninspecteur-controleur dient zijn beslissing derhalve, op straffe van verval, binnen dertig dagen na de hoorzitting met een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming mee te delen.
Uit het administratief dossier blijkt dat de wegeninspecteur-controleur zijn beslissing na het bewaar van de verzoekende partijen op 21 mei 2015
aangetekend en met ontvangstmelding heeft verzonden aan de raadsman van de verzoekende partijen, waar keuze van woonplaats werd gedaan.
Uit het bericht van ontvangst blijkt dat de zending op 22 mei 2015 op de gekozen woonplaats werd ontvangen, zijnde binnen een termijn van dertig dagen na de hoorzitting op 27 april 20105.
Het middel mist manifest feitelijke grondslag voor zover het gericht is tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur na bezwaar.
17. Overeenkomstig artikel 19, §3 van het decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport kan tegen de beslissing van de wegeninspecteur-
controleur na bezwaar, onder de voorwaarden en binnen de vervaltermijn bepaald door de Vlaamse Regering, beroep worden aangetekend bij de Vlaamse Regering. Als tijdig en ontvankelijk beroep werd aangetekend of ais de overtreder, in voorkomend geval de onderneming, vraagt om gehoord te worden over de ontvankelijkheid, worden de overtreder en, in voorkomend geval, de onderneming uitgenodigd op een hoorzitting.
XII-8050-6/11
Betreffende de beslissing van de administrateur-generaal na beroep, bepaalt artikel 19, §3, zesde lid van het decreet van 3 mei 2013
betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport het volgende:
‘§3. Tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 2, zesde lid, kan onder de voorwaarden en binnen de vervaltermijn, bepaald door de Vlaamse Regering, beroep worden aangetekend bij de Vlaamse Regering. Het beroep schorst de bestreden beslissing.
[...]
De beslissing van de Vlaamse Regering of van de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, moet binnen een termijn van vier maanden nadat de Vlaamse Regering of de ambtenaar die aangewezen is overeenkomstig paragraaf 4, het beroep ontvangen heeft, ter kennis worden gebracht van de overtreder en, in voorkomend geval, van de onderneming. Zo niet vervalt de administratieve geldboete stilzwijgend en wordt de geconsigneerde administratieve geldboete, in voorkomend geval, teruggestort. Als de overtreder of de onderneming geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft, wordt die termijn verlengd tot vijf maanden.
[…]’
Artikel 8, §3, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 2013 betreffende de handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport bepaalt:
‘§ 3. De beslissing in beroep, vermeld in artikel 19, § 3, zesde lid, van het decreet van 3 mei 2013, wordt verzonden door middel van een aangetekende brief tegen ontvangstbewijs.’
Uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 18 september 2015 ‘aangetekend tegen ontvangstmelding’ naar de gekozen woonplaats van de verzoekende partijen werd verzonden. Uit het bericht van ontvangst blijkt dat deze brief op 21 september 2015 op de gekozen woonplaats werd ontvangen, zijnde binnen de voorgeschreven termijn van vier maanden na ontvangst van het beroep dat door de verzoekende partij op 11 juni 2015 aangetekend werd verstuurd aan het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer van het Vlaams Gewest.
Het middel mist bijgevolg manifest feitelijke grondslag voor zover het is gericht tegen de bestreden beslissing van de administrateur-generaal.
Het eerste middel is niet gegrond.”
4.3. In hun laatste memorie beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoeksters volharden in het geformuleerde
XII-8050-7/11
middel”. Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partijen, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partijen volharden in het middel.
4.4. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het eerste middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.5. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 17 en 19, § 1, van het decreet bijzonder wegtransport.
Zij betogen dat op grond van artikel 17 van het decreet bijzonder wegtransport en op grond van het feit dat de geldboete een strafrechtelijk karakter heeft, enkel de door de Vlaamse regering aangewezen wegeninspecteur-controleurs een administratieve geldboete kunnen opleggen.
Uit de beslissing tot het opleggen van een geldboete blijkt dat de geldboete werd opgelegd door mevrouw C.N., aangeduid als medewerker, welke niet werd aangeduid door de Vlaamse regering als wegeninspecteur-
controleur. Zij beschikt dan ook over geen enkele rechtsmacht, noch bevoegdheid om enige beslissing te nemen of te ondertekenen, zodat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete onregelmatig is.
De memorie van wederantwoord en de laatste memorie zijn beperkt tot de mededeling dat “verzoeksters volharden in het geformuleerde middel”.
XII-8050-8/11
Beoordeling
4.6. In het auditoraatsverslag wordt het tweede middel beoordeeld als volgt:
“22. Artikel 17, § 1, eerste lid, van het Decreet Bijzonder Wegtransport luidt ais volgt:
‘Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.’
Artikel 2, §1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 betreffende handhaving inzake de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport bepaalt:
‘§ 1. De wegeninspecteurs en de wegeninspecteurs-controleurs zijn ambtenaren van het Agentschap Wegen en Verkeer. Ze worden aangewezen door het hoofd van het Agentschap Wegen en Verkeer.
De aanstelling blijkt uit een legitimatiekaart ais vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met inspectie- of controlebevoegdheden.’
23. De kritiek van de verzoekende partijen is gericht de beslissing van 19 december 2014 betreffende het opleggen van een administratieve geldboete.
De eventuele onbevoegdheid van de ambtenaar die de procedure in eerste aanleg gevoerd heeft tast ook de procedure in beroep aan zodat deze kritiek dient te worden onderzocht [RvS, 26 april 2011, nr. 212.764, Ducourant e.a.].
De beslissing van 19 december 2014 werd ondertekend door [C.N.], medewerker. Bij de ondertekening wordt vermeld ‘in opdracht’ en ‘voor [P.B.], afwezig, wegeninspecteur-controleur’.
De verwerende partij geeft aan dat de wegeninspecteur-controleur, de heer [P.B.], onverwacht afwezig was wegens ziekte op het ogenblik dat de termijn afliep om te beslissen. De ondertekening van de beslissing door [C.N.] kaderde in een tijdelijke vervanging van de wegeninspecteur-
controleur. In dit verband kan worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie
XII-8050-9/11
reeds de ondertekening van een plaatsvervanger ‘voor’ het administratief orgaan als een vermoeden van de werkelijkheid van het belet of van de afwezigheid aanvaardde [Cass. 12 mei 1890, Pas. 1890, I, 203].
24. Op grond van het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst kan, wanneer het administratief orgaan waaraan de bevoegdheid is toegewezen verhinderd of afwezig is, dit orgaan vervangen worden door een ander administratief orgaan [A. MAST, J. DUJARDIN, M. VAN
DAMME en J. VANDE LANOTTE, Overzicht van het Belgisch administratief recht, Mechelen, Kluwer 2012, 109. Zie ook, Cass. 20 maart 2014, Pas. 2014, afl. 3, 767]. Zo kan worden aanvaard dat in geval van een korte afwezigheid wegens ziekte, de hiërarchische meerdere een regeling treft om de betrokken ambtenaar te vervangen of dat de ambtenaar van onmiddellijk lagere rang optreedt om zijn chef te vervangen [A. VRANCKX, ‘Plaatsvervanging en delegatie van overheidsbevoegdheid’, B.W. 1961-62, 2384].
Er zijn te dezen geen uitdrukkelijke voorschriften die in een plaatsvervanging voorzien en die zich zouden verzetten tegen de vervanging van de heer [P.B.] door mevrouw [C.N.].
Voorts kan een plaatsvervanger slechts die handelingen verrichten die de continuïteit van de dienst moeten verzekeren, maar de verzoekende partij toont niet aan en er is ook geen reden om aan te nemen dat de betreffende beslissing van 19 december 2014 niet zou passen binnen dit doel. Dit is des te meer zo gelet op de termijnen van verval waarbinnen de wegeninspecteur-controleur op grond van artikel 19, §1 van het decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport gehouden is om zijn beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete aan de overtreder en de onderneming mee te delen.
Het tweede middel is niet gegrond.”
4.7. In hun laatste memorie beperken de verzoekende partijen er zich zonder meer toe te stellen: “Verzoeksters volharden in het geformuleerde middel”. Ook ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partijen, die hierop werd gewezen, zich beperkt tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt in het middel.
4.12. De Raad valt in de gegeven omstandigheden de hiervoor geciteerde in het auditoraatsverslag gedane beoordeling van het tweede middel bij en verwerpt dit middel op grond van de motieven aangegeven in dat verslag.
XII-8050-10/11
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 februari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8050-11/11
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.516