Court dismisses appeal against administrative fine for overloading, rejecting arguments on vehicle license and fine proportionality.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the appeal filed by Erik Verbeke and NV Desutter Kranen against an administrative fine of 600 euros for overloading a crane vehicle. The court found that the administrative decision adequately addressed arguments regarding the vehicle's license status and the proportionality of the fine, noting that a licensed vehicle cannot be considered a mitigating circumstance for exceeding weight limits. Consequently, the court held that the administrative authority correctly refused to apply leniency and upheld the original penalty.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 2 and § 3 of the Decree of 3 May 2013 on the protection of road infrastructure; A vehicle's licensing status is not a mitigating circumstance for overloading, and administrative authorities are not bound to reduce fines absent specific statutory grounds for leniency.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIIe KAMER
nr. 237.514 van 28 februari 2017
in de zaak A. 217.285/XII-8048
In zake: 1. Erik VERBEKE
2. de NV DESUTTER KRANEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Weegmann kantoor houdend te 8000 Brugge Filips de Goedelaan 11
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het VLAAMSE GEWEST
woonplaats kiezend te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20//4
Agentschap Wegen en Verkeer T.a.v. Veerle Vanempten
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 12 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agent-
schap Wegen en Verkeer van 14 augustus 2015 waarbij aan de Erik Verbeke een administratieve geldboete wordt opgelegd van 600 euro wegens beschadiging van het wegdek door overlading van een voertuig en de nv Desutter Kranen burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze administratieve geldboete.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
XII-8048-1/16
Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017.
Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Patrick Weegmann, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en adjunct van de directeur Veerle Vanempten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1.. Op 1 september 2014 wordt een kraanwagen, bestuurd door Erik Verbeke, eerste verzoekende partij, die reed voor rekening van nv Desutter Kranen, tweede verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de N38 te Poperinge. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 4 van de kraanauto bedraagt de overlading 639 kg, hetzij 5,3%. Op as 5 van de kraanauto bedraagt de overlading 735 kg, hetzij 6,1%. De overschrijding van de maximaal toegelaten massa van de kraanauto bedraagt 1.536 kg.
Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, alinea 1 en 2 van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport).
XII-8048-2/16
3.2. Op 6 oktober 2014 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Ieper met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3 van het decreet bijzonder wegtransport binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 9 oktober 2014 beslist de procureur des Konings om geen strafvervolging in te stellen.
3.3. Op 5 december 2014 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de overtreder, eerste verzoekende partij, een administratieve geldboete van 600 euro op te leggen en om de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.4. Op 12 december 2014 tekenen de verzoekende partijen verzet aan tegen die beslissing.
3.5. Op 23 maart 2015 heeft een hoorzitting plaats. Per e-
mailbericht van 24 maart 2015 maken de verzoekende partijen nog een schriftelijke conclusie over en een aantal stukken.
3.6. Op 16 april 2015 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de overtreder, eerste verzoekende partij, een administratieve geldboete van 600 euro op te leggen en om de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete.
Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
3.7. Op 21 april 2015 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken.
3.8. Op 23 juni 2015 heeft een hoorzitting plaats.
XII-8048-3/16
3.9. Op 14 augustus 2015 beslist de administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer aan de overtreder, eerste verzoekende partij, een administratieve geldboete op te leggen van 600 euro en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van die administratieve geldboete.
Die beslissing wordt op dezelfde dag met een aangetekende brief met ontvangstmelding aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht.
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en “machtoverschrijding ingevolge juridisch onaanvaard-
bare vaststellingen, als inbreuk op het vermoeden van onschuld”.
De verzoekende partijen zetten uiteen dat bij het aanvankelijk proces- verbaal geen ijkingscertificaat werd gevoegd van de weegbrug waarmee de overlading werd vastgesteld, zodat onmogelijk op een redelijke of objectieve wijze kan worden afgeleid dat de overlading als materieel element van de inbreuk bewezen is. Het proces-verbaal maakt ook melding van een verslag van een metrologische controle, dat werd afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Economie op 17 maart 2014, maar dit verslag werd niet bij het proces-verbaal gevoegd, zodat de verzoekende partijen de inhoud ervan niet kunnen nagaan. Het is volgens hen niet uitgesloten dat dit verslag melding maakt van het niet-correct meten van de asweger. De verzoekende partijen stellen niet dat de weegresultaten vals zijn, en als zij dit al zouden doen, zijn zij gerechtigd dit te doen in elke stand van de procedure.
XII-8048-4/16
Voorts betogen zij dat noch uit het administratief dossier, noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de vormvoorschriften correct zijn nageleefd, en dat niet met absolute zekerheid kan worden vastgesteld dat de gevoegde weegbon daadwerkelijk een “PC-outprint” betreft van de weging met de “vermoed geijkte weegbrug”.
Ten slotte stellen zij dat de overtreder de weegbon nergens “ne varietur” heeft ondertekend.
De verzoekende partijen besluiten hieruit dat het materieel element van de inbreuk – de overlading – niet is vastgesteld.
4.2. In de memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen met betrekking tot de repliek van de verwerende partij dat de betrokken argumenten niet werden opgeworpen in de administratieve procedure en dat –
zoals reeds gewezen in meerdere arresten van de Raad van State waarin dezelfde problematiek aan bod kwam – het middel derhalve onontvankelijk is, op dat in het Belgische recht vorige uitspraken geen bindende kracht hebben als precedent, en dat de verwerende partij geen enkele rechtsgrond aanhaalt ter ondersteuning van haar stelling.
4.3. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat geen rechtsgrond wordt aangehaald ter ondersteuning van de stelling dat de verzoekende partijen hun middel reeds had moeten opwerpen in de administratieve procedure.
Beoordeling
4.4. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van artikel 6.2 van het EVRM, stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarin de schending van het vermoeden van onschuld te dezen zou bestaan. Zij zetten niet concreet uiteen waarom de aangeklaagde gebreken met betrekking tot de vaststelling van de overlading tot gevolg zouden hebben gehad dat het vermoeden van hun onschuld tijdens haar
XII-8048-5/16
bestuursrechtelijke vervolging niet meer zou hebben gegolden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
4.5. Krachtens artikel 16, derde lid, van het decreet bijzonder wegtransport hebben de processen-verbaal opgemaakt door de wegeninspecteurs “bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”.
4.6. Zoals in het auditoraatsverslag reeds werd vastgesteld en door de verzoekende partijen in hun laatste memorie niet wordt betwist, hebben de verzoekende partijen noch in het kader van haar verzet tegen de initiële beslissing van de wegeninspecteur-controleur, noch in het kader van hun beroep tegen de beslissing na verzet, het materieel element van de inbreuk betwist.
Zij hebben op geen enkel ogenblik in de procedure aangevoerd dat het ijkingscertificaat niet bij het proces-verbaal was gevoegd. Het blijkt overigens niet dat daartoe een verplichting bestaat. De verzoekende partijen laten voorts na enige rechtsregel aan te duiden waaruit blijkt dat de aswegers moeten worden geijkt. In het proces-verbaal wordt vermeld dat de asdrukweger door de metrologische dienst van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie op zijn juistheid werd getest op 17 maart 2014. De Raad van State ziet niet in waarom een controle op vrijwillige basis door de metrologische dienst minder zekerheid zou verschaffen omtrent de correctheid van een uitgevoerde weging dan in geval van een wettelijk bepaalde ijking.
Evenmin hebben de verzoekende partijen enige opmerking gemaakt in verband met de weegbon die als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd. De vaststellingen in het proces-verbaal stemmen overigens overeen met de gegevens vermeld op de weegbon, zodat er geen twijfel over bestaat dat deze de resultaten bevat die met de in het proces-verbaal vermelde asweger werden vastgesteld.
Bijgevolg gaat de Raad van State ervan uit dat de bijlage met de weegbon deel uitmaakt van het proces-verbaal, dat, zoals hiervoor reeds vermeld, bewijswaarde heeft “tot bewijs van het tegendeel”.
XII-8048-6/16
Ten slotte hebben de verzoekende partijen ook geen bezwaar gemaakt ten aanzien van het feit dat de weegbon niet “ne varietur” werd ondertekend. De verzoekende partijen verduidelijken overigens niet op welke rechtsgrond zij menen dat vereist is dat de weegbon “ne varietur” door de overtreder wordt ondertekend.
De verzoekende partijen tonen bijgevolg geenszins aan dat het “juridisch onaanvaardbaar” zou zijn de overlading van het voertuig als bewezen te beschouwen.
4.7. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
4.8. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van “[a]rtikel 6
EVRM […] dat het procedureel gewaarborgde recht van onafhankelijkheid van de beslissende en rechtsprekende overheden en het beginsel van behoorlijk bestuur waarborgt”.
De verzoekende partijen voeren aan dat hen het “het recht op een onafhankelijk[e] en onpartijdige rechterlijk[e] instantie wordt ontzegd”, doordat de procedure volledig wordt afgewerkt door en voor het Agentschap Wegen en Verkeer, “zonder enige tussenkomst van een derde onafhankelijke instantie”, waardoor er “geen strikte scheiding der machten [is]”, nu “de taken en de missie van het Agentschap Wegen en Verkeer […], niet te rijmen vallen met een eerlijke en onafhankelijke benadering van de dossiers”. Het vermoeden van afhankelijkheid wordt nog versterkt door de centralisatie van diverse diensten in hetzelfde gebouw en de uitwisseling van hetzelfde administratief personeel.
Evenmin kan worden gesteld dat het feit dat het Agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteurs-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, een gegeven is dat eigen is aan de structuur van het bestuur en dat dienvolgens niet dienstig kan worden aangevoerd om de onpartijdigheid van het bestuur te betwisten.
XII-8048-7/16
De verzoekende partijen wijzen er voorts op dat de administratieve geldboete een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6
EVRM, “waarop aldus alle waarborgen van het EVRM van toepassing dienen te zijn, niet in het minst een onpartijdige en onafhankelijke beoordeling, waaraan niet is voldaan”.
4.9. In de memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat het feit dat er in de administratieve procedure, zoals voorzien door het decreet bijzonder wegtransport, een duidelijk gebrek aan onafhankelijkheid aanwezig is, “minstens gegronde twijfel [doet] ontstaan inzake vooringenomenheid van de beslissende overheid, alsook ernstige twijfel inzake de objectiviteit van de beslissingen na verzet en na beroep”. Het feit dat tegen de beslissing van de administrateur-generaal beroep open staat bij de Raad van State en dat bij niet-betaling van de administratieve geldboete een dwangbevel kan worden uitgevaardigd waartegen verzet kan worden gedaan bij de rechtbank van eerste aanleg, is volgens de verzoekende partij naast de kwestie aangezien de verschillende beslissingen genomen worden door één en dezelfde instantie, namelijk het Agentschap Wegen en Verkeer, zonder tussenkomst van een derde onafhankelijke instantie. Het uitvaardigen van een dwangbevel is bovendien facultatief, zodat het niet altijd mogelijk is om verzet aan te tekenen bij de rechtbank van eerste aanleg. De loutere motivering dat aan de waarborgen van een eerlijke proces is voldaan vanwege de mogelijkheid tot het instellen van een beroep bij de Raad van State “biedt op geen enkele manier een antwoord op de aangevochten problematiek”, nu de verzoekende partijen zich tot de Raad van State wenden om “dergelijke oneerlijke en afhankelijke administratieve rechtsbedeling aan te vechten”.
4.10. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen nog dat het niet mogelijk is dat, enerzijds, wordt erkend dat er te dezen sprake is van een strafrechtelijke sanctie, doch dat, anderzijds, de overheden die deze strafrechtelijke boetes opleggen geen rechterlijke instanties zijn in de zin van artikel 6 EVRM.
XII-8048-8/16
Beoordeling
4.11. De wegeninspecteur-controleur en de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit treden bij het opleggen van een administratieve geldboete ingevolge een inbreuk op het decreet bijzonder wegtransport niet op als jurisdictioneel orgaan, maar wel als organen van het actief bestuur.
Ook organen van het actief bestuur moeten de onpartijdigheids-
plicht in acht nemen, doch voor hen geldt die verplichting niet zo absoluut als voor de rechter en zij moet verenigbaar zijn met de eigen aard, meer bepaald de eigen structuur van bestuur. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de wijze waarop de administratieve procedure door de decreetgever wordt geregeld.
De omstandigheid dat het agentschap Wegen en Verkeer, waartoe de wegeninspecteur-controleurs behoren, onder de verantwoordelijkheid valt van de Vlaamse minister van Openbare Werken en Mobiliteit, is een gegeven dat eigen is aan de structuur van het bestuur en kan dienvolgens niet dienstig worden aangevoerd om de onpartijdigheid van de betrokken bestuursorganen te betwisten.
Uit het administratief dossier blijkt bovendien dat zowel op verzet, als in beroep een tegensprekelijk debat plaatsvond, met neerlegging van conclusies, waarop het bestuur, zowel op verzet als in beroep, uitgebreid heeft geantwoord, nadat de advocaat van de verzoekende partijen werd uitgenodigd op een hoorzitting, tijdens welke de raadsman de zaak kon toelichten en alle dienstige elementen kon aanvoeren, ter verdediging van zijn cliënten, waarbij een ambtenaar voor de administratieve beroepsinstantie een schriftelijk relaas heeft genotuleerd van het verloop van de zitting, zodat op bestuurlijk vlak de rechten van verdediging werden geëerbiedigd en het bestuur heeft doen blijken van de vereiste onafhankelijkheid en op zorgvuldige wijze heeft gehandeld.
4.12. In zover de verzoekende partijen zich beroepen op de schending van de door artikel 6.1. van het EVRM voorziene waarborgen inzake een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie”, moet worden herhaald – zoals reeds in talloze arresten uiteengezet – dat artikel 6
XII-8048-9/16
EVRM niet vereist dat de administratieve instanties die de boete hebben opgelegd of die kennis hebben genomen van het verzet of het beroep daartegen, aan alle vereisten van artikel 6.1 EVRM moeten voldoen. Het volstaat dat tegen de eindbeslissing van de administratieve overheid een beroep openstaat bij een rechterlijke instantie met “volle rechtsmacht”, in de zin waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) dat begrip verstaat (EHRM
17 april 2012, Steiniger t. Oostenrijk, nr. 21539/07, § 46).
Tegen de beslissing van de minister kunnen de verzoekende partijen overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een beroep tot nietigverklaring instellen bij de Raad van State. Het standpunt dat de Raad van State een rechtscollege is dat beantwoordt aan de vereisten van artikel 6.1 EVRM, dat door de verzoekende partijen overigens niet wordt betwist, werd reeds in talloze arresten van de Raad van State en nationale hogere rechtscolleges, namelijk het Grondwettelijk Hof (Grondwettelijk Hof, 18 februari 2016, nr. 25/2016, B.40.1 en B.40.2) en heet Hof van Cassatie (Cass. 15 oktober 2009, Arr.Cass. 2009, 584), bevestigd.
De verzoekende partijen hebben bijgevolg de garantie op een volwaardige jurisdictionele toetsing van de bestreden beslissing overeenkomstig de vereisten bepaald in artikel 6 EVRM. Door middel van zijn marginale toetsingsbevoegdheid houdt de Raad van State ook toezicht op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van het bestuur, en dus op de opportuniteit van zijn beslissingen.
4.13. Het tweede middel is niet gegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
4.14. In een derde middel voeren de verzoekende partij de schending aan van “de motiveringsplicht, in de ruimste zin”, doordat “de bestreden beslissing niet in concreto gemotiveerd is en zich beperkt tot de uiteenzetting van
XII-8048-10/16
een louter juridisch - theoretisch leerstuk, ter staving van de taken en missie van het Agentschap Wegen en Verkeer”.
Zo wordt niet geantwoord op het argument dat de verzoekende partijen niet onzorgvuldig hebben gehandeld aangezien er geen technische hulpmiddelen ter beschikking waren van de vrachtwagenbestuurder om enige vaststelling omtrent de massa te doen, alsook omdat het in casu geen goederenvervoer voor derden betrof en de vrachtwagenbestuurder in kwestie niet geacht werd te wegen. Er is in deze geen sprake van goederenvervoer in opdracht van een derde en dus mogen de handelingen van de vrachtwagenbestuurder niet worden beoordeeld in het licht van deze van een transportchauffeur. Het betrof immers een loutere verplaatsing van een kraanauto waarbij in geen geval bepaalde goederen voor een derde werden geladen of vervoerd. De vrachtwagenbestuurder kon zich dan ook niet bewust zijn van enige overlading en werd niet geacht de kraanauto te wegen. Op deze argumentatie, die precies een substantiële invloed heeft op de grond van de zaak, wordt geen antwoord gegeven.
De verzoekende partijen betogen dat het niet volstaat dat in de bestreden beslissing de argumenten van de verzoekende partijen zouden worden meegenomen in de globale motivering, er moet in concreto op worden geantwoord. Te dezen blijkt integendeel dat bepaalde onderdelen van de motivering van de bestreden beslissing identiek zijn aan die van een andere beslissing. Nu geen twee situaties identiek zijn, kan ook geen identieke motivering worden gehandhaafd.
Voorts verwijzen de verzoekende partijen naar het antwoord in de bestreden beslissing op hun in subsidiaire orde naar voor gebrachte verzoek om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen. Daaromtrent wordt gesteld dat door de beoordelende partij niet kan worden geoordeeld over de hoogte van de administratieve geldboete. Dit druist echter in tegen artikel 17, § 2, laatste alinea, van het decreet bijzonder wegtransport, waar wordt bepaald dat indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, de wegeninspecteur-
controleur of de Vlaamse regering een administratieve geldboete onder het betreffende minimumbedrag kunnen opleggen.
XII-8048-11/16
4.15. De memorie van wederantwoord is beperkt tot een herneming van het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift.
4.16. In de laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing wel degelijk een louter juridisch – theoretisch leerstuk betreft, waarin “op heel wat elementen van de verzoekende partij niet wordt geantwoord”, die vervolgens nogmaals worden aangegeven.
Beoordeling
4.17. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de formelemotiveringsplicht, voorge-
schreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Op grond van die wet dient de overheid in de individuele bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
De formelemotiveringsplicht, vervat in de genoemde wetsbepalingen, impliceert niet dat de overheid ertoe gehouden is om op elk aangevoerd argument afzonderlijk te antwoorden. Het volstaat dat uit de motivering van de bestreden beslissing impliciet of expliciet blijkt dat de aangevoerde argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat uit de motivering kan worden afgeleid waarom deze argumenten niet worden aangenomen.
4.18. De bestreden beslissing doet uitspraak over het bestuurlijk beroep dat door de verzoekende partijen tegen de beslissing op verzet van de wegeninspecteur-controleur werd ingesteld.
In dat beroep hebben de verzoekende partijen in hoofdorde aangevoerd dat het materieel element van de inbreuk ontbreekt aangezien er geen bewijs zou zijn van het oorzakelijk verband tussen de overschrijding van de aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, dat het moreel element
XII-8048-12/16
van de inbreuk niet bewezen is aangezien de chauffeur niet nalatig is geweest, en, in subsidiaire orde, dat er verzachtende omstandigheden zijn.
In de motivering van de bestreden beslissing worden, na een vermelding van de wettelijke grondslag van de beslissing, een uiteenzetting van de feiten en de vaststelling dat het beroep ontvankelijk is, de redenen uiteengezet waarom het materieel en het moreel element van de inbreuk bewezen zijn:
“Materieel element Appellanten betwisten het materieel element van het misdrijf;
Appellanten zijn van oordeel dat er geen bewijs is van het oorzakelijk verband tussen overschrijding van de aslastenbeperkingen en beschadiging van het wegdek;
Het middel is ongegrond om onderstaande redenen;
Het decreet stelt een wettelijk vermoeden van schade in;
De persoon die overladen rond rijdt, wordt automatisch verondersteld het wegdek te hebben beschadigd en aldus een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 3, lid 2 van het decreet;
Het instellen van zo'n een wettelijk vermoeden wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in beginsel, geacht niet in strijd te zijn met het in artikel 6.2. EVRM geponeerde vermoeden van onschuld, zolang het een redelijk verband van evenredigheid vertoont met het wettelijk nagestreefde doel;
Gelet op het oorzakelijk verband tussen een overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en beschadiging van het wegdek, kan gesteld worden dat de gewichtsoverschrijding van het voertuig een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf is gepleegd;
Het decreet stelt overschrijdingen van de maximale toegelaten massa onder de assen strafbaar stelt omwille van de beschadiging van het wegdek die ze teweeg brengen;
Het materieel bestanddeel van het misdrijf is aldus bewezen wanneer de overschrijding van de maximaal toegelaten massa onder de assen aangetoond is;
Appellanten slagen er niet in aan te tonen dat de vastgestelde overlading in casu geen wegdekbeschadiging met zich heeft meegebracht.
Moreel element Appellanten betwisten in hun middel de aanwezigheid van het moreel element;
Appellanten zijn van oordeel dat de overtreder in casu niet anders kon handelen dat hij gedaan heeft en hem als dusdanig geen enkele nalatigheid kon verweten worden;
Het middel is ongegrond om onderstaande redenen:
Eenieder die een voertuig gebruikt, moet zich ervan vergewissen dat de massa en de massa onder de assen niet meer bedraagt dan de maximaal toegelaten massa, ook al heeft hij zelf het voertuig niet geladen;
XII-8048-13/16
Het verzuim daaraan te voldoen kan het opzet of de schuldige nalatigheid uitmaken vereist opdat het morele element van het misdrijf zou bestaan;
Bij realisatie van het materieel element van het misdrijf ontstaat bij de zogenaamde onachtzaamheidsmisdrijven een feitelijk vermoeden dat het moreel element aanwezig was;
De vaststelling van een overlading wijst er dus, prima facie, op dat de overtreder nalatig is geweest;
Behoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren, kan de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding;
De totale massa van het voertuig bedroeg, op het ogenblik van de vaststellingen, 61.536 kg, terwijl de maximaal toegelaten massa 60.000 kg bedraagt;
De derde, de vierde en de vijfde as van het voertuig zijn eveneens overlading. De overlading onder de vijfde as bedraagt 735 kg;
Appellanten wijten de totaaloverlading aan het feit dat op het voertuig, zoals blijkt uit het proces-verbaal een ketting lag. Appelanten zijn evenwel van oordeel dat de ketting niet mag beschouwd worden als lading, maar in tegendeel ‘als het ware integraal deel uit[maakt] van de kraan’;
Deze stelling kan niet gevolgd worden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de tarra van 59.850kg;
Hieruit kan worden afgeleid dat, in tegenstelling tot wat appellanten voorhouden, de ketting beschouwd moet worden als een bijkomend element bij het voertuig en er geen integraal deel van uit maakt;
De overschrijding van de totale maximaal toegelaten massa is dan ook te wijten aan het feit dat het voertuig, ondanks de beperkte marge tussen de maximaal toegelaten massa en de tarra, ‘geladen’ was met een ketting;
Wanneer de maximaal toegelaten massa van het voertuig is overschreden is, ontstaat er een verhoogd risico dat ook één van de assen overladen is;
De overtreder was zich, als professioneel vervoerder, hiervan bewust, of diende het minstens te zijn;
Het moet worden aangenomen dat de overtreder op de hoogte was, of minstens had moeten zijn, van enerzijds de tarra van zijn voertuig en anderzijds de maximaal toegelaten massa;
Er moet eveneens worden aangenomen dat de overtreder op de hoogte was, of minstens had moeten zijn, van het feit dat zijn voertuig geladen was met een ketting en dat dergelijke ketting geen deel uittnaakt van het voertuig zoals gewogen ter bepaling van de tarra;
Door zich desondanks met zijn voertuig op de openbare weg te begeven heeft de overtreder aldus een risico genomen;
Uit het voorgaande blijkt dan ook overduidelijk dat het gedrag van de overtreder in casu niet strookte met hetgeen van een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden, kan verwacht worden;
Het opzet in hoofde van de overtreder is dan ook bewezen;”
XII-8048-14/16
Voorts wordt in de bestreden beslissing uiteengezet waarom de verwerende partij geen verzachtende omstandigheden heeft aangenomen:
“Verzachtende omstandigheden Appellanten zijn van oordeel dat volgende verzachtende omstandigheden aanwezig zijn die een verlaging van de administratieve geldboete kunnen verantwoorden:
- Het voertuig waarmee de inbreuk werd begaan was vergund.
Appelanten verliezen hierbij evenwel uit het oog dat, om met een dergelijk voertuig in het verkeer te brengen, er steeds een vergunning vereist is. Het feit dat het voertuig vergund was, is dus de evidentie zelve en kan niet beschouwd worden als een verzachtende omstandigheid. In tegendeel bepaalt de vergunning uitdrukkelijk wat de maximaal toegelaten massa van het voertuig is en deze werd, zoals eerder aangetoond met bewuste culpa overschreden;
- De administratieve geldboete is een relatief hoog bedrag in verhouding met de relatief beperkte ernst van de inbreuk Het komt noch aan appellanten, noch aan de beoordelende partij toe om te oordelen over de hoogte van de administratieve geldboete. Het bedrag van de geldboete werd immers vastgelegd door de decreetgever en wordt geacht proportioneel te zijn;”
De verzoekende partijen maken niet concreet duidelijk in welk opzicht deze motieven de verwerping van haar argumenten niet afdoende verantwoorden.
Het feit dat andere beslissingen waarbij voor een gelijkaardige inbreuk een administratieve geldboete werd opgelegd, identieke motieven bevatten, volstaat niet om te besluiten dat de motiveringsplicht werd geschonden.
Voorts kan worden vastgesteld dat op het volgens de verzoekende partijen belangrijkste argument, namelijk dat het niet zou gaan om transport van goederen, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt geantwoord dat de ketting geen deel uitmaakt van het voertuig zoals gewogen ter bepaling van de tarra en dat de overtreder op de hoogte was of minstens had moeten zijn van het feit dat het voertuig geladen was met een ketting.
Ook moet worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing terecht wordt aangegeven dat de hoogte van de administratieve geldboete werd vastgelegd door de decreetgever, zoals blijkt uit artikel 17, §2, juncto artikel 14
XII-8048-15/16
van het decreet bijzonder wegtransport. Dat neemt niet weg dat op grond van artikel 17, §2, in fine van hetzelfde decreet de wegeninspecteur-controleur of de Vlaamse regering inderdaad een lagere boete kunnen opleggen in geval van verzachtende omstandigheden. In de bestreden beslissing wordt echter te dezen ook uitdrukkelijk aangegeven dat er geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen in hoofde van de overtreder.
4.19. Het derde middel is niet gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 februari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8048-16/16
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.514