Belgian Court of Cassation annuls administrative decision due to contradictory reasoning violating constitutional duty to motivate.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation annulled the specific portion of the Refugee Board's decision that rejected the applicant's request for suspension and annulment. The applicant argued the decision violated the jurisdictional duty to motivate by failing to explain the two-year entry ban duration. The court found the reasoning contradictory between the section addressing the ban's duration and the section rejecting the appeal, constituting a failure to meet the constitutional requirement for clear and unambiguous motivation.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 149 of the Constitution and 39/65 of the Aliens Act: A judicial decision must clearly and unambiguously state the reasons for the ruling; contradictory reasons negate motivation and violate the jurisdictional duty to explain the decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.503 van 28 februari 2017
in de zaak A. 217.329/XIV-36.727
In zake : XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Dirickx kantoor houdend te 2000 Antwerpen Italiëlei 213 bus 15
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, belast met Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie kantoor houdend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 B
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 20 oktober 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 152.795 van 17 september 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.622 van 25 november 2015.
XIV-36.727-1/6
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 december 2016.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Helen Van Nijverseel, die loco advocaat Nathalie Dirickx verschijnt voor verzoekster, en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeurMarijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster dientop 19 maart 2014 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980
‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Op 7 augustus 2014 neemt de minister van Justitie, belast met Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding een beslissing waarmee hijde
XIV-36.727-2/6
voornoemdeaanvraagniet-ontvankelijk verklaart en een beslissing waarmee aan verzoekster een inreisverbod voor twee jaar wordt opgelegd.
Verzoekster stelt tegen die beslissingen op 16 september 2014
een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring met een arrest van 17 september 2015. Dit is het bestreden arrest.
IV. Onderzoek van de middelen
Enig middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoekster werpt in een enig middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhaalt, de schending op van “de materiële motiveringsplicht, zoals die voortvloeit uit artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en artikel 149 van de Grondwet”.
Verzoekster voert aan dat in het bestreden arrest het middel gegrond wordt verklaard dat betrekking had op de schending van de formelemotiveringsplicht in de beslissing waarmee haar een inreisverbod werd opgelegd. Vervolgens wordt in het bestreden arrest overwogen dat verzoekster geen gegrond middel heeft aangevoerd dat kan leiden tot de nietigverklaring van de beslissing waarmee een inreisverbod werd opgelegd en dat de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Verzoekster acht dergelijke tegenstrijdigheid van motieven in strijd met artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
5. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat zij zich gedraagt naar de wijsheid van de Raad van State.
XIV-36.727-3/6
Beoordeling
6. Verzoeksters kritiek is uitsluitend gericht tegen de verwerping van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring in de mate dat deze waren gericht tegen de beslissing waarmee haar een inreisverbod werd opgelegd. De gegrondheid van het enige middel kan dus enkel leiden tot de cassatie van het bestreden arrest in de mate dat daarmee de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing houdende inreisverbod werden verworpen.
7. Verzoekster vermeldt in het opschrift van het middel de materiëlemotiveringsplicht. Uit de verwijzing naar artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en uit de uiteenzetting van het middel blijkt duidelijk dat zij de jurisdictionele motiveringsplicht bedoelt. Het middel wordt vanuit dit oogpunt onderzocht.
8. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en vormen derhalve een gemis aan motivering.
In punt 3 van het bestreden arrest wordt overwogen dat de beslissing houdende inreisverbod geen motivering bevat betreffende de opgelegde termijn van twee jaar en wordt het middel, gestoeld op de schending van de formelemotiveringsplicht, gegrond verklaard. In punt 4 van het bestreden arrest wordt overwogen dat verzoekster geen gegrond middel heeft aangevoerd tegen de beslissing houdende inreisverbod, waarna de vordering tot schorsing en het beroep
XIV-36.727-4/6
tot nietigverklaring in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest worden verworpen. De voornoemde motieven in punt 3 en punt 4 van het bestreden arrest zijn tegenstrijdig en heffen elkaar op. Dit staat gelijk met een gemis aan motivering en vormt dus een schending van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65
van de vreemdelingenwet vastgelegde jurisdictionele motiveringsplicht.
Het enige middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 152.795 van 17 september 2015
van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voor zover daarmee de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing houdende inreisverbod werden verworpen.
2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot opeen rolrecht van 200 euro.
XIV-36.727-5/6
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Geert Debersaques
XIV-36.727-6/6
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.503