Belgian State appeal dismissed due to loss of standing after deportation order was withdrawn.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the State's appeal against a Foreigners' Board decision that annulled a deportation order. The appellant argued the annulment was still relevant, but the court found the appellant had obtained a temporary residence permit for family reunification, which implicitly revoked the original deportation order. Consequently, the court ruled the appellant no longer had a current legal interest in challenging the annulled order.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 16 and 17 of the Royal Decree of 30 November 2006 on the procedure for appeals to the Council of State; An appeal loses its standing if the circumstances of the proceedings change such that the applicant no longer has a current legal interest in the outcome of the annulled decision.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.499 van 28 februari 2017
in de zaak A. 216.485/XIV-36.573
In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie kantoor houdend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 B
alwaar woonplaats wordt gekozen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Harlekijnstraat 9
tegen :
XXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van Den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55
I. Voorwerp van het cassatieberoep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2015, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 148.493 van 25 juni 2015 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 11.477 van 26 augustus 2015.
XIV-36.573-1/5
Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Carmenta Decordier, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidendadvies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verweerder dient op 8 november 2014 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, meer bepaald in functie van zijn minderjarige Belgische zoon.
Op 10 februari 2015 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding in hoofde van verweerder een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten.
XIV-36.573-2/5
Verweerder stelt op 25 februari 2015 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een arrest van 25 juni 2015 vernietigt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bevel om het grondgebied te verlaten van 10 februari 2015 en verwerpt hij het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing van de beslissing tot weigering van verblijf van 10 februari 2015. Dit is het bestreden arrest.
IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. De verzoekende partij richt zich tegen het bestreden arrest, enkel “in zoverre werd overgegaan tot vernietiging van het bevel om het grondgebied te verlaten”.
Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen. Daarenboven moet een verzoekende partij wier belang in de loop van het geding op grond van relevante gegevens in vraag wordt gesteld, daarover standpunt innemen en het actuele karakter van haar belang aantonen.
Uit het onderzoek door het auditoraat blijkt dat verweerderingevolge een aanvraag tot gezinshereniging van 7 november 2015 in het bezit werd gesteld van een attest van immatriculatie op 16 februari 2016, dat de bevoegde staatssecretaris op 3 mei 2016 een beslissing tot weigering van verblijf met een bevel om het grondgebied te verlaten heeft genomen en dat verweerder tegen de beslissing van 3 mei 2016 een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verder blijkt dat de bevoegde staatssecretaris op 19 oktober 2016 het bevel om het grondgebied te verlaten van 3 mei 2016 heeft ingetrokken. De verzoekende partij heeft deze gegevens met een
XIV-36.573-3/5
e-mail van 19 oktober 2016 meegedeeld aan het auditoraat en zij bevestigt deze informatie ter terechtzitting.
Doordat ingevolge zijn aanvraag tot gezinshereniging van 7 november 2015 een attest van immatriculatie aan verweerder werd gegeven, verkreeg deze laatste op dat ogenblik een, weliswaar tijdelijk en precair, verblijfsrecht en dit in afwachting van de behandeling ten gronde van zijn aanvraag. Hierdoor werd het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten van 10 februari 2015 impliciet doch zeker ingetrokken. Weliswaar heeft de bevoegde staatssecretaris de aanvraag van 7 november 2015 verworpen, doch hij heeft samen met de beslissing tot weigering van verblijf van 3 mei 2016 een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten genomen dat hij overigens met een beslissing van 19 oktober 2016 uitdrukkelijk heeft ingetrokken. Ingevolge zijn beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de weigeringsbeslissing van 3 mei 2016 beschikt verweerder nog steeds over een tijdelijk en precair verblijfsrecht.
In de voornoemde omstandigheden beschikt de verzoekende partij niet langer over een actueel belang bij een cassatieberoep tegen een arrest waarmee een bevel om het grondgebied te verlaten werd vernietigd dat inmiddels ingetrokken is. Na een gebeurlijke cassatie zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers slechts het teloorgaan van het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring kunnen vaststellen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerder.
XIV-36.573-4/5
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-36.573-5/5
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.499