Belgian Council of State dismisses police officer's appeal regarding insufficient preparation time for performance review.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal against his dismissal from the police academy due to a poor performance review. The applicant argued he lacked sufficient time to prepare for the interview following the holiday season, but the court found no statutory mandate requiring such preparation time. Consequently, the court ruled that the dismissal was lawful and ordered the applicant to bear the legal costs.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles VII.III.131 of the Police Regulations; The requirement for a minimum preparation period before a performance review applies only to the termination of a mandate, not to the evaluation of a trainee, and no procedural violation exists if the trainee fails to prepare adequately.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
XIVe KAMER
nr. 237.498 van 28 februari 2017
in de zaak A. 212.636/XIV-35.657
In zake : XXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Hermans kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50/2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de vice-eerste minister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/JUR
gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 28 mei 2014, strekt tot de nietigver-
klaring van de beslissing van de directeur-generaal van de Algemene directie van de Ondersteuning (DGS) van de federale politie, waarbij hij “niet geslaagd wordt verklaard en afgewezen wordt voor de basisopleiding van inspecteur van politie, met ontneming van de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 228.997 van 30 oktober 2014 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
XIV-35.657-1/38
Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Jan Bergé, die loco advocaat Kristof Hermans verschijnt voor verzoeker, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
XIV-35.657-2/38
III. Feiten
3.1. Verzoeker start op 1 oktober 2012 de opleiding tot inspecteur van politie.
Hij slaagt voor het eerste luik van de opleiding met een beoordeling “bevredigend”. Zijn eindresultaat voor dit blok bedraagt 64,5 %.
3.2. Verzoeker vat vervolgens het tweede luik aan, waarin hij wordt beoordeeld op basis van het dagelijks werk, het professioneel functioneren, een operationele stage en de eindexamens.
De operationele stage loopt van 29 juli 2013 tot 6 september 2013, waarbij verzoeker INP D. als mentor optreedt.
Op 16 augustus 2013 vindt een functioneringsgesprek tussen verzoeker en INP D. plaats. De rubrieken “persoonlijkheidskenmerken”, “professionele bekwaamheden”, “prestaties” en “potentieel” worden door INP D.
als “onvoldoende” beoordeeld. Verzoeker ondertekent deze functioneringsfiche voor kennisname en voor akkoord.
Blijkens de functioneringsfiche van 26 augustus 2013 krijgt verzoeker een beoordeling “bevredigend” van HINP O.
3.3. Op 3 september 2013 volgt een tweede “functionerings-
gesprek” waarop verzoeker niet aanwezig is omdat hij op dat ogenblik met ziekteverlof is. INP D. besluit naar aanleiding van dit functioneringsgesprek opnieuw tot een “onvoldoende” op de vier in punt 3.2. vermelde rubrieken.
Verzoeker tekent deze fiche opnieuw voor kennisname doch niet voor akkoord.
XIV-35.657-3/38
3.4. Op 9 september 2013 stelt INP D. een eindevaluatiefiche op betreffende de operationele stage. Daarbij wordt aan verzoeker voor alle rubrieken een “onvoldoende” toegekend.
3.5. Op 15 september 2013 dient verzoeker een verweerschrift in tegen de in punt 3.4. genoemde negatieve evaluatie.
Op 18 september 2013 verklaart INP D. dat hij het verweer-
schrift heeft ontvangen heeft en dat hij bij zijn eerdere beoordeling, zijnde onvoldoende voor alle rubrieken en als eindbeoordeling, blijft.
Op 19 september 2013 stelt CP V. R., de tweede evaluator, een evaluatiefiche op waarin hij zich volledig aansluit bij de negatieve evaluatie door INP D..
Op 24 september 2013 stellen de evaluatoren, wat het professioneel functioneren van verzoeker betreft, een evaluatiefiche op met als eindbeoordeling “onvoldoende”. Verzoeker behaalt daarbij een beoordeling “onvoldoende” voor de rubrieken “persoonlijkheidskenmerken”, “professionele bekwaamheden” en “prestaties”, en een beoordeling “bevredigend” voor de rubriek “potentieel”.
3.6. Op 26 september 2013 stelt de examencommissie vast dat verzoeker geslaagd is met 65,2 % op het totaal van de examenverrichtingen, zijnde het schriftelijk examen, het mondeling examen en de praktische proef.
Het proces-verbaal van 26 september 2013 van de examen-
commissie vermeldt wat verzoeker betreft:
“Betrokkene(n) op advies van de examenjury definitief wordt afgewezen vanwege een onvoldoende op het professioneel functioneren”.
XIV-35.657-4/38
Op 4 oktober 2013 adviseert de examenjury aan de directeur-generaal DGS om verzoeker definitief af te wijzen.
3.7. Verzoeker dient op 20 oktober 2013 een verweerschrift in tegen het advies van de examenjury, waarin hij onder meer vraagt om een herkansing van de operationele stage.
Op 24 oktober 2013 wordt een repliek op verzoekers verweerschrift overgemaakt.
Op 23 december 2013 en op 17 januari 2014 heeft verzoeker een onderhoud met CP T., die de directeur-generaal DGS vertegenwoordigt.
3.8. Op 26 maart 2014 beslist de directeur-generaal DGS dat verzoeker niet geslaagd is voor de basisopleiding van inspecteur van politie, dat hij aldus definitief wordt afgewezen voor de basisopleiding van inspecteur van politie en dat hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen.
In zijn beslissing, na een uiteenzetting van de feiten en procedurevoorgaanden, overweegt de directeur-generaal DGS:
“11. Rekening houdende met alle stukken uit het schooldossier, het verweerschrift van [verzoeker], de repliek op het verweerschrift door de directeur van de politieschool, de verschillende gesprekken met betrokken aspirant en de bijkomende documenten die hij heeft ingediend, kom ik tot de volgende conclusie:
- Overwegende dat [verzoeker] op het einde van het tweede luik van de basisopleiding slaagt voor de examenverrichtingen in eerste zittijd met een score van 63,71% voor het schriftelijk examen, 50,00% voor het mondeling examen en 66,29% voor de praktische proef. Dat hij een totaal van 60,50%
behaalt voor het eindexamen en 65,20% als algemeen beoordelingscijfer.
Zijn eindresultaat voor het mondeling examen evenwel een zeer matige score is.
- Overwegende dat betrokken aspirant voor dagelijks werk volgende cijfers behaalde: 71,00% voor de modules 1 tot 11, 67,00% voor de module fysieke en mentale training en 75,00% voor de module geweldbeheersing. Er zich op dit vlak geen problemen stellen.
- Overwegende dat [verzoeker] niet slaagt voor zijn stage. De mentor hem bij de eindevaluatie de algemene beoordeling ‘onvoldoende’ toekent. De eindevaluatie degelijk gemotiveerd werd en onderbouwd werd door de mentor a.d.h. van concrete voorbeelden.
- Overwegende dat betrokken aspirant een verweerschrift heeft ingediend
XIV-35.657-5/38
n.a.v. de negatieve eindevaluatie van zijn stage en hij getracht heeft om een aantal feiten te weerleggen. Hij de grote meerderheid van de hem ten laste gelegde feiten alsook het gebrek aan een professionele houding en werkwijze niet heeft ontkracht.
- Overwegende dat hij als reden voor het indienen van dit verweer aanhaalt dat het zijn wens is om de rubriek ‘potentieel’ van onvoldoende naar bevredigend om te zetten. Hij zich verder neerlegt bij de beoordeling ‘onvoldoende’ van de overige rubrieken en het eindresultaat.
- Overwegende dat de opleider, zoals bepaald in art. 31 van het KB vermeld in ref. 2, rekening dient te houden met de beoordelingen van de stage. De opleider de beoordelingen van de stageplaats heeft laten doorwegen in zijn eindevaluatie van het professioneel functioneren aangezien deze periode het sluitstuk vormt van de opleiding tot inspecteur op het vlak van attitude en functioneren in een operationele eenheid. Bijgevolg betrokken aspirant voor professioneel functioneren de algemene eindbeoordeling ‘onvoldoende’ krijgt, alsook de beoordeling ‘onvoldoende’ voor de deeldomeinen persoonlijkheidskenmerken, prestaties en professionele bekwaamheden.
- Overwegende dat de opleider hem voor het deeldomein potentieel de quotering ‘bevredigend’ toekent omdat hij van mening is dat betrokken aspirant mits een nieuwe operationele stage, in een andere eenheid met aansturing door een andere mentor, en mits een totale omschakeling van nagenoeg elk element in zijn functioneren in een operationele eenheid kan aantonen dat hij wel beschikt over de nodige capaciteiten om professionele en kwaliteitsvolle dienstverlening te verzekeren naar de burger.
- Overwegende dat [verzoeker] de eindevaluatie van het professioneel functioneren op 25.09.2013 tekende voor akkoord.
- Overwegende dat men pas slaagt als men voor alle onderdelen, zoals bepaald in art. 41 §1 van het KB vermeld in ref. 2, de vereiste minima behaalt en [verzoeker] hier niet aan voldoet gelet op de onvoldoende voor professioneel functioneren.
- Overwegende dat betrokkene een verweerschrift heeft ingediend naar aanleiding van de beslissing van de examenjury waarin hij een aantal opmerkingen formuleert aangaande de samenstelling van het schooldossier.
Dat de directeur van de politieschool hierop een afdoend antwoord heeft geformuleerd in haar repliek vermeld in ref. 7 en de gevraagde stukken heeft toegevoegd aan het schooldossier. Er eveneens een kopie van deze stukken werd overgemaakt aan belanghebbende (in ref. 7).
- Overwegende dat [verzoeker] het ontbreken van de vermelding van beroepsmogelijkheden aanhaalt in zijn verweer. Er door de directeur van de politieschool gerepliceerd wordt (in ref. 7) dat de politieschool de functionerings- en evaluatieformulieren hanteert zoals wettelijk voorzien.
Bovendien werden de beroepsmogelijkheden met de aspirant besproken en werd hem een afgeprinte versie van het procedureschema meegegeven op het ogenblik van de betekening van het schooldossier.
- Overwegende dat hij zowel n.a.v. de negatieve eindevaluatie van de stage als n.a.v. het advies van de examenjury een verweerschrift heeft ingediend.
Dat dit de twee momenten zijn waarop de wet de mogelijkheid tot verweer voorziet. Er besloten kan worden dat betrokkene zijn beroepsmogelijkheden kende en hij bijgevolg zijn rechten op verdediging heeft kunnen laten gelden.
- Overwegende de onduidelijkheid voor [verzoeker] over het stuk 4.1 of het proces-verbaal van de jury. Er hierbij verwezen kan worden naar het antwoord van de directeur van de politieschool in haar repliek vermeld in
XIV-35.657-6/38
ref. 7.
- Overwegende dat hij in zijn verweerschrift de bedenking maakt of de jury hem niet had moeten horen teneinde hem toe te laten zijn gedragingen en inspanningen tijdens de stage toe te lichten. Op die manier had de jury tot een zorgvuldige besluitvorming kunnen komen. Er echter dient aangestipt te worden dat het horen van de aspirant geen verplichting inhoudt voor de examenjury. Bovendien heeft betrokkene zijn inspanningen en zijn gedragingen tijdens de stage en zijn standpunt en visie over de feiten kenbaar kunnen maken en verduidelijken in zijn verweerschriften. De examenjury nam kennis van deze documenten en het volledige schooldossier tijdens haar beraadslaging (cfr. het samenvattend verslag van de examenjury in ref. 4).
- Overwegende dat betrokkene stelt dat het motief van de examenjury steunt op de bevindingen van de mentor en dat de elementen uit zijn verweer niet afgewogen worden tegen de bevindingen van de mentor. Het motief van de examenjury evenmin steunt op een afweging van de elementen pro en contra in het dossier. Er niettemin vastgesteld moet worden dat in het samenvattend verslag van de examenjury wel degelijk melding wordt gemaakt van zijn verweer waarbij er concluderend wordt gesteld dat betrokken aspirant een poging heeft ondernomen om een aantal feiten te weerleggen, doch de overgrote meerderheid van de hem ten laste gelegde feiten alsook het grote gebrek aan een ernstige en professionele attitude en werking niet door hem werden weerlegd in zijn verweer. Verder worden zowel positieve als negatieve elementen aangaande zijn functioneren opgenomen in het verslag van de examenjury en nam de jury kennis van alle stukken uit het dossier om haar advies te formuleren.
- Overwegende dat [verzoeker] als reden voor zijn verweerschrift n.a.v. de negatieve beoordeling van de stage aanhaalt dat hij de rubriek ‘potentieel’ van onvoldoende naar bevredigend wenst om te zetten. Hij zich verder neerlegt bij de resultaatsbevinding van de overige rubrieken en het eindresultaat. Dit feitelijk impliceert dat hij akkoord gaat met de beoordeling van de mentor inzake de rubrieken persoonlijkheidskenmerken, professionele bekwaamheden, prestaties en met de eindbeoordeling van zijn stage.
- Overwegende dat de jury bij het formuleren van haar advies tot afwijzing zich gebaseerd heeft op de quotering ‘onvoldoende’ voor de eindbeoor-
deling van het professioneel functioneren. Het advies tot afwijzing niet louter steunt op de negatieve stage zoals betrokkene in zijn verweer aanhaalt. De opleider deze wel heeft laten doorwegen in zijn eindevaluatie gelet op de ernst van de feiten.
- Overwegende dat betrokkene twee verweerschriften heeft ingediend, hij meermaals werd gehoord en hij bijkomende stukken heeft ingediend waarvan kennis werd genomen (vermeld in ref. 8, ref. 9, ref. 11 en ref. 12).
Betrokkene zijn rechten op verdediging heeft kunnen laten gelden.
- Overwegende dat [verzoeker] in de verweerschriften die hij heeft ingediend, alsook in de bijkomende documenten die werden overgemaakt, hij zichzelf in vraag stelt en ook toegeeft dat hij fouten heeft gemaakt. Dit een positieve eigenschap is, doch de tekortkomingen op het vlak van eerlijkheid, professionele beroepsernst en professionele kennis van die ernst zijn dat er terecht vragen gesteld worden omtrent het professioneel functioneren van betrokken aspirant in een operationele eenheid. Dit zijn immers fundamentele, generieke competenties die eigen zijn aan het beroep van politieambtenaar en die noodzakelijk zijn om te komen tot een kwaliteitsvol
XIV-35.657-7/38
optreden.
- Overwegende dat de professionele tekortkomingen zich op alle onderdelen van het functioneren situeren. Dat betrokkene over onvoldoende capaciteiten en professionele bekwaamheden beschikt om kwaliteitsvol politiewerk te leveren tijdens de interventiediensten. Dat hij evenmin in staat was om met de nodige koelbloedigheid en voldoende stressbeheer zijn interventietaken af te werken. Dit gefundeerd en gedetailleerd omschreven werd in functioneringsfiches en eindevaluatie van de mentor en eveneens door de opleider werd opgenomen in de eindbeoordeling van het professioneel functioneren. Deze feiten niet weerlegd noch betwist worden door betrokkene in zijn verweerschrift.
- Overwegende dat [verzoeker] tijdens het functioneringsgesprek met de opleider reeds een aantal aandachtspunten meekreeg met het oog op de operationele stage, zoals o.m. bij een interventie sneller en op een correcte manier handelen, zelfzekerder en efficiënter operationele tussenkomsten kunnen uitvoeren, met het nodige initiatief en autonomie de interventies op het terrein kunnen afwerken. Hierin heeft hij echter niet weten te overtuigen tijdens zijn stage.
- Overwegende dat de negatieve eindbeoordeling van de stage werd voorafgegaan door twee functioneringsgesprekken waarbij betrokkene door de mentor gewezen werd op zijn ernstige tekortkomingen op het vlak van zijn professioneel functioneren. Er werd hem de kans geboden om alsnog zijn handelen en attitude bij te sturen. Dit gebeurde echter niet.
- Overwegende dat [verzoeker] in zijn verweerschrift ook zelf noteert dat hij een resem kansen heeft laten liggen waardoor hij bepaalde leermomenten niet heeft benut.
- Overwegende dat CP [V. R.] bij aanvang van de stage betrokkene gevraagd had om in geval van problemen met de mentor en/of de werking hem hierover in te lichten. Betrokken aspirant dit niet heeft gedaan.
- Overwegende de vraag van [verzoeker] om zijn stage opnieuw te doen. Dit niet opportuun is gezien hij voldoende kansen heeft gekregen tijdens zijn stageperiode bij de PZ HAGELAND. Betrokkene ondanks de bijsturingen en de voorziene kansen zijn houding en handelen niet heeft kunnen bijstellen.
- Overwegende het advies van de examenjury van het PLOT tot definitieve afwijzing van [verzoeker].
Gelet op voormelde redenen is [verzoeker] niet geslaagd voor de basisopleiding. Bovendien ben ik van oordeel dat betrokkene niet geschikt is om het ambt van inspecteur van politie uit te oefenen.
Gelet op het feit dat betrokken aspirant de eindbeoordeling ‘onvoldoende’ behaalt voor professioneel functioneren. Er ernstige tekortkomingen werden vastgesteld op het vlak van attitude, houding, inzet, kennis, initiatief, autonoom en professioneel handelen in een operationele eenheid. Deze bevindingen objectief en duidelijk werden omschreven in de functioneringsfiches en eindevaluaties.
Betrokkene deze feiten ook niet weerlegt, noch betwist in zijn verweerschrift.
Gelet op het feit dat hij tijdens de functioneringsgesprekken duidelijk op zijn tekortkomingen werd gewezen. Hij alzo voldoende kansen kreeg om zich bij te schaven en hij dit niet heeft gedaan, vind ik het niet opportuun om hem zijn stage opnieuw te laten doen.
Bijgevolg sluit ik mij aan bij het uitgebrachte advies van de examenjury van het PLOT en beschouw ik [verzoeker] als niet geslaagd voor de basisopleiding van ‘Inspecteur van Politie’ (…)”.
XIV-35.657-8/38
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
4. Verzoeker voert de schending aan van “de formele motiveringsplicht zoals vervat in de wet van 29 juli 1991, van de materiële motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel gerelateerd aan het gelijkheids-
beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, en van de rechten van verdediging, van het RPPol en van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement”.
In een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker, samengevat, dat de examenjury in haar advies van 4 oktober 2013 een eenzijdige lezing geeft van het verslag van zijn mentor. Verzoeker stelt vast dat de examenjury de elementen uit zijn verweerschrift, ingediend naar aanleiding van de operationele stage, niet heeft afgewogen tegen de bevindingen van de mentor. Hij meent dat het van onzorgvuldigheid getuigt dat de examenjury in haar advies geen rekening houdt met het opvallende contrast tussen de beoordelingen van het professioneel functioneren bij het begin van de opleiding en bij het einde van deel I en de beoordeling van dezelfde persoonlijkheidskenmerken door de stagementor van de operationele stage tijdens deel II. Verzoeker is dan ook van mening dat onderzocht diende te worden waarom er een dergelijk groot verschil bestond in de twee beoordelingen en hij stelt vast dat in het verslag van de examenjury geen verklaring te vinden is waarom meer belang wordt gehecht aan de beoordeling door de stagementor dan aan de eerdere beoordelingen in het schooldossier. Zijn bereidheid om elders een verlengde stage te doen wordt volgens verzoeker dan weer ten onrechte op geen enkel ogenblik in de besluitvorming betrokken.
XIV-35.657-9/38
In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat in het advies van de examenjury onvoldoende wordt ingegaan op de rubriek “potentieel”
betreffende het professioneel functioneren, die in de eindevaluatie van 25 september 2013 wel als “bevredigend” werd beoordeeld. Verzoeker ontkent dat er sprake is van “veelvuldige functioneringen” en stelt dat er slechts twee evaluaties “onvoldoende” van het professioneel functioneren tijdens de volledige opleiding zijn, meer bepaald van mentor D., waarvan de laatste evaluatie op het einde van de stage plaatsvond. Er is maar een functioneringsgesprek geweest (op 16 augustus 2013) en de tweede evaluatie situeerde zich op het einde van de stage zodat bijsturen niet meer mogelijk was. Het gegeven dat er een dergelijk groot contrast is tussen de eerdere beoordelingen van het professioneel functioneren, waarbij in dit eerste deel ook een stage is vervat, het gegeven dat de relatie tussen hem en de mentor niet optimaal was, en het gegeven dat er sprake is van een eindbeoordeling na de operationele stage waarin de rubriek “potentieel” een beoordeling “bevredigend” krijgt, vereiste volgens verzoeker een nader onderzoek door de examenjury en een betere motivering waarom hem definitief elke kans zou ontnomen dienen te worden om zijn stage over te doen.
In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing blijk geeft van een onzorgvuldige partiële lezing van de eindevaluatie van deel I (meer bepaald met betrekking tot de rubrieken “persoonlijkheidskenmerken” en “professioneel bewustzijn") en bovendien onvoldoende de positieve elementen van deze beoordeling mee in overweging neemt. Verzoeker wijst er op dat de bestreden beslissing voorts uitgebreid de beoordeling van de stagementor herneemt en onderschrijft, de evaluatiefiche van 24 september 2013 volledig overneemt en stelt dat de professionele tekortkomingen zich op alle onderdelen van het functioneren situeren. Het gegeven dat de stagementor in de functioneringsfiche van 3 september 2013 verwijst naar de gezamenlijke afspraak en de bereidheid van verzoeker om elders een verlengde stage te doen, wordt volgens verzoeker ten onrechte op geen enkel ogenblik betrokken in de besluitvorming van de bestreden beslissing, hetgeen wijst op een
XIV-35.657-10/38
onzorgvuldige eenzijdige lezing van het schooldossier en een niet afdoende noch deugdelijke motivering van de bestreden beslissing.
In een vierde middelonderdeel betoogt verzoeker dat het voorval omtrent het inleveren van het dienstwapen een belangrijk gegeven is geweest voor de beoordeling van zijn kunnen en motivatie en van de mogelijkheid om de opleiding opnieuw te doen, terwijl de opleider een onjuiste interpretatie gaf van dit voorval.
In een vijfde middelonderdeel stelt verzoeker vast dat zijn vraag om herkansing wordt afgewezen omdat hij voldoende kansen zou hebben gekregen, terwijl daarbij enkel wordt gesteund op twee functioneringsgesprekken, waarvan het eerste veertien dagen voor het einde van de stage en het tweede bij het einde van zijn stage. De beweringen van de stage-mentor waarvan geen enkel bewijst wordt geleverd, worden door verzoeker betwist. Aangezien de examenjury geen andere redenen heeft opgegeven die het definitief afwijzen kunnen onderbouwen, mist de conclusie dat hij de nodige vaardigheden en het potentieel om inspecteur te worden ontbeert, de vereiste deugdelijke grondslag.
In een zesde middelonderdeel betoogt verzoeker dat het advies van de examenjury noch de bestreden beslissing afdoende de definitieve ambtsontheffing en de weigering van zijn verzoek tot het overdoen van de stage motiveert. Verzoeker betwist de deugdelijkheid van het motief op grond waarvan de verwerende partij hem de mogelijkheid tot herkansen ontneemt, met name de overweging van de directeur-generaal dat verzoeker reeds voldoende kansen heeft gekregen tijdens zijn operationele stage en hij het dus niet opportuun vindt om hem de stage te laten overdoen.
Verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord zijn initieel standpunt en brengt tegen het verweer van de verwerende partij nogmaals in dat in de beslissing van de examenjury niet wordt ingegaan op het opvallend contrast tussen de beoordeling van het professioneel functioneren bij het begin van
XIV-35.657-11/38
de opleiding en bij het einde van deel I en de beoordeling van dezelfde persoonlijkheidskenmerken door de stagementor van de operationele stage. In de beslissing van de examenjury wordt, aldus verzoeker, niet verwezen naar de functioneringsfiche van 26 augustus 2013 waarbij de eerdere beoordeling van 16 augustus 2013 wordt veranderd in een beoordeling “bevredigend”.
Verzoeker benadrukt dat de jury diende te onderzoeken waarom er een dergelijk groot verschil in beoordeling bestond, temeer daar zij ervan op de hoogte was dat er een probleem was gemeld door verzoeker omtrent zijn relatie met zijn stagementor en dat dit probleem precies escaleerde op 28 augustus 2013, met andere woorden tussen de functioneringsfiche “bevredigend” van 26 augustus 2013 en de beoordeling “onvoldoende” van 3 september 2013.
Beoordeling
Belang bij het eerste middel
5. In de mate dat verzoeker “het RPPol” geschonden acht, komt hij niet tegemoet aan de vereiste stelplicht bij het formuleren van het middel. Het middel is aldus niet-ontvankelijk omdat verzoeker niet verduidelijkt welke bepaling(en) van dit koninklijk besluit hij geschonden acht.
Betreffende de schending van het recht van verdediging
6. De eerbiediging door het actief bestuur van het recht van verdediging geldt, behoudens andersluidende bepaling, enkel in tuchtzaken. Te dezen betreft het geen procedure die gesitueerd dient te worden in een tuchtrechtelijk kader en geldt derhalve de door de verwerende partij in acht te nemen hoorplicht wat inhoudt dat verzoeker de gelegenheid moet zijn geboden op nuttige wijze zijn standpunt te doen kennen, wat te dezen is gebeurd.
XIV-35.657-12/38
Verzoeker heeft meermaals een verweerschrift ingediend naar aanleiding van een negatieve beslissing, waarop de verwerende partij telkens heeft geantwoord. Het stagedossier werd overgemaakt aan de tweede evaluator die op zijn beurt een beslissing heeft genomen. Hiertegen heeft verzoeker geen beroep ingesteld. Vervolgens werd verzoeker tweemaal gehoord door de directeur-generaal DGS of diens aangestelde, zodat moet worden vastgesteld dat hij diverse mogelijkheden heeft gekregen en benut om zijn standpunt duidelijk te maken. Geen enkele bepaling de examenjury ertoe verplicht verzoeker te horen.
Uit haar advies van 4 oktober 2013 blijkt dat de examenjury onder meer op basis van de evaluatiefiche(s) van de mentor en van het verweerschrift dat verzoeker hiertegen indiende haar voorstel tot definitieve afwijzing van verzoeker heeft gemotiveerd. De examenjury had aldus kennis van verzoekers argumenten tegen de evaluatie van zijn mentor. Tevens blijkt uit het verslag van de examenjury dat zij ook kennis heeft genomen van verzoekers standpunten, uiteengezet in zijn verweerschrift op zijn eindevaluatie. Zij stelt daarover onder meer uitdrukkelijk dat daarin door verzoeker “een poging werd ondernomen om een aantal feiten te weerleggen. De overgrote meerderheid van de hem ten laste gelegde feiten alsook het grote gebrek aan een ernstige professionele attitude en werking, werden echter door hem niet weerlegd in dit verweerschrift. Hiertoe heeft de dir ops van Pz Hageland, als N+2, de eindevaluatie met vermelding ‘onvoldoende’ van de mentor, na kennisname van dit verweerschrift bestendigd. Deze documenten maken alle deel uit van de bijlagen aan dit verslag”. Voorts, heeft verzoeker ook tegen het advies van de examenjury een verweerschrift ingediend, waarop door de verwerende partij is geantwoord. Bovendien werd hij op 23 december 2013 en op 17 januari 2014 gehoord door de directeur-generaal DGS of zijn aangestelde, die de eindbeslissing neemt inzake het al dan niet slagen voor de basisopleiding, zodat een eventueel gebrek in de hoorplicht, quod non, hoe dan ook werd rechtgezet.
Er blijkt dan ook niet dat verzoeker niet op nuttige wijze zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten zodat geen schending van de hoorplicht voorligt.
XIV-35.657-13/38
7. Het eerste middel is in de aangegeven mate ongegrond.
Betreffende de schending van de overige in het eerste middel aangevoerde rechtsregels en - beginselen
8. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
9. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
10. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar
XIV-35.657-14/38
toegekende discretionaire beoordeling- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.
Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid.
11. Te dezen volgt uit het voor het voorliggende beroep relevante artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 ‘betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen’ dat om te slagen op het einde van de basisopleiding, de aspirant inspecteur van politie geschikt moet worden bevonden. Daartoe is vereist dat de betrokkene ten minste de volgende resultaten behaalt: (1°) een eindbeoordeling hebben met de vermelding “goed” of “bevredigend” voor het professioneel functioneren; (2°) 60 % voor het totale puntencijfer voor het eindexamen en telkens 50 % op elk van de drie proeven en (3°) 60 % voor het algemeen beoordelingscijfer, bestaande uit de som van de puntencijfers voor dagelijks werk en het eindexamen.
Blijkens de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker niet geslaagd wordt verklaard voor de basisopleiding van inspecteur van politie, definitief afgewezen voor de basisopleiding en wordt hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur ontnomen omdat, niettegenstaande hij slaagt voor de examenverrichtingen in eerste zittijd en er zich op dagelijks werk geen problemen stellen, hij niet slaagt voor zijn stage, gelet op het feit dat zijn mentor hem bij de
XIV-35.657-15/38
eindevaluatie de algemene beoordeling “onvoldoende” toekent. In de bestreden beslissing waarvan de motivering is weergegeven in punt 3.8., vindt verzoeker aldus de formele redenen terug die de verwerende partij ertoe hebben gebracht hem niet geslaagd te verklaren voor de basisopleiding van inspecteur van politie.
Aldus blijkt dat minstens is voldaan aan de formelemotiveringsplicht.
12. In het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat geen schending voorligt van de genoemde ingeroepen rechtsregels en -beginselen en tot de ongegrondheid van het eerste middel besloten. Verzoeker heeft daarover in het auditoraatsverslag het volgende kunnen lezen:
“Wat de schending van de overige door hem ingeroepen beginselen betreft, stelt verzoeker in een eerste middelonderdeel dat de examenjury een eenzijdige lezing geeft van het verslag van de mentor, nu zij de elementen uit zijn verweerschrift naar aanleiding van de operationele stage niet afweegt tegen de bevindingen van de mentor en zij niet motiveert waarom hij er niet in slaagt een aantal feiten te weerleggen. Verzoeker betoogt voorts dat de examenjury in haar advies geen rekening heeft gehouden met het opvallende contrast tussen de beoordeling van deel I van de opleiding en de beoordeling van de operationele stage in deel II en dat zij diende te onderzoeken waarom er een dergelijk groot verschil in beoordeling is van de twee delen.
Zoals de verwerende partij opmerkt en niet door verzoeker wordt betwist, verwijst de examenjury in haar advies, dat in de bestreden beslissing wordt overgenomen, uitdrukkelijk naar de positieve evaluatie voor het professioneel functioneren op het einde van het luik ‘agent’ (evaluatiefiche en functioneringsfiche opgesteld door HINP O. en evaluatiefiche na stage opgesteld door INP B.), naar de positieve functioneringsfiche voor het professioneel functioneren na de opleiding op school en vóór het aanvatten van de stage, opgesteld door HINP O., naar de negatieve functioneringsfiches en evaluatiefiche betreffende de operationele stage opgesteld door INP D., naar het verweerschrift opgesteld door verzoeker, naar de bevestiging van de negatieve evaluatie door CP
V.R., naar de negatieve eindevaluatie betreffende het professioneel functioneren, opgesteld door HINP O., en naar de examenresultaten en de aanbeveling van de examencommissie. Verzoeker betwist niet dat deze documenten als bijlage werden gevoegd bij het advies van de examenjury.
Uit het advies van de examenjury, dat in de bestreden beslissing wordt onderschreven, blijkt dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangebrachte elementen, doch dat deze elementen haar niet kunnen overtuigen omdat verzoeker de ‘overgrote meerderheid van de hem ten laste gelegde feiten alsook het grote gebrek aan een ernstige en professionele attitude en werking’ niet weerlegt noch betwist in zijn verweerschrift. Zoals de verwerende partij opmerkt en door verzoeker in zijn memorie van wederantwoord niet wordt betwist noch weerlegd, geeft hij sommige fouten die werden aangekaart door INP
XIV-35.657-16/38
D. zelf toe. Zo geeft hij toe de pogo te hebben gedanst tijdens een ordedienst, dat hij in een proces-verbaal de betrokkene twee keer een andere voornaam gaf, dat hij aan verscheidene collega’s de hele dag vragen stelt over wat hij in pv’s moet schrijven en welke documenten hij dient te gebruiken, dat hij meer fout had in de vier pv’s dan enkel het tijdstip, dat hij INP B. inderdaad geantwoord heeft dat hij maar twee handen heeft, dat er inderdaad problemen waren tijdens zijn verkeersregeling na een zwaar verkeersongeval op de E314, … Dat verzoeker, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerkt, in zijn verweerschrift niet betwist dat hij processen-verbaal niet tijdig heeft kunnen verzonden, geen beheersing heeft over zijn stress, rap uitbundig wordt wanneer hij aandacht krijgt, zijn theoretische kennis niet kan koppelen naar de praktijk, hij niet let op de bijkomende administratieve taken die voortvloeien uit de alcoholprocedure, hij moeite heeft met het geven van een concrete weergave van de feiten en het daarbij bondig te houden, zijn schriftelijke uitdrukking extreem lang is en vol nutteloze zaken staat, hij geen professionele kennis bezit in de praktijk, hij niet de technische mogelijkheid bezit om inzetbaar te zijn binnen een interventiedienst, hij traag is in de afhandeling van administratief werk, hij ondermaats werk afleverde, en dat complexe taken nog niet voor hem weggelegd zijn, …, wordt door verzoeker in zijn verweerschrift evenmin ontkend noch weerlegd. Ook in de thans voorliggende procedurestukken weerlegt noch ontkent verzoeker deze vaststellingen.
Bovendien verklaarde verzoeker in zijn verweerschrift dat hij zich neerlegt bij de resultaatsbevindingen van de rubrieken ‘persoonlijkheidskenmerken’, ‘professionele bekwaamheden’ en ‘prestaties’ en bij de eindbeoordeling.
Verzoeker betwist evenmin dat het niet aan de jury is om een uitgebreid antwoord te geven op een verweerschrift tegen de negatieve evaluatie door de mentor betreffende de operationele stage, temeer omdat hij geen verweerschrift heeft ingediend, zoals reglementair voorzien in artikel 15 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2001 houdende het algemeen studiereglement, tegen de negatieve eindevaluatie betreffende het professioneel functioneren opgesteld door de opleider, HINP O., die bij de eindbeoordeling voornamelijk verwijst naar de negatieve evaluatie door de mentor, INP D., betreffende de operationele stage, integendeel, verzoeker tekende deze eindevaluatie met vermelding ‘onvoldoende’ bij de kennisname voor akkoord. Wanneer aldus, zoals te dezen, blijkt dat verzoeker in zijn verweerschrift het merendeel van de feiten niet weerlegt noch betwist, dient de examenjury niet te motiveren waarom hij er niet in zou slagen een aantal feiten wel te weerleggen. Ook in de bestreden beslissing wordt dienaangaande uitdrukkelijk gesteld dat verzoeker ‘de overgrote meerderheid van de hem ten laste gelegde feiten alsook het gebrek aan een professionele houding en werkwijze niet ontkracht’ en dat hij zijn verweer indiende om de rubriek ‘potentieel’ van ‘onvoldoende’ naar ‘bevredigend’ om te zetten, waarbij hij zich verder neerlegde bij de beoordeling ‘onvoldoende’ van de overige rubrieken en het eindresultaat.
In de mate dat verzoeker aanvoert dat de examenjury diende te onderzoeken waarom er een opvallend contrast is tussen de beoordeling van deel I van de opleiding en de beoordeling van de operationele stage, betwist verzoeker in zijn memorie van wederantwoord niet dat, zoals de verwerende partij stelt, er een wezenlijk verschil is tussen enerzijds de stage in het kader van deel I van de opleiding (het luik ‘agent’), die meer bepaald een observatiestage van twee weken betreft, en anderzijds de stage in het kader van deel II van de opleiding (het luik ‘inspecteur’), die een participatiestage van zes weken in de werking van een politiezone betreft. Verzoeker betwist evenmin dat er een wezenlijk verschil is in de basiscompetenties van een agent en deze van een inspecteur en dat er ook een
XIV-35.657-17/38
wezenlijk verschil is tussen het functioneren tijdens de opleiding in een veilige en beschermde schoolomgeving en het functioneren in een levensechte situatie in een politiezone, waar handelingen effectieve gevolgen met zich meebrengen.
Dat een positieve evaluatie betreffende het functioneren in het kader van het luik ‘agent’ en betreffende het functioneren in een veilige schoolomgeving niet noodzakelijk leidt tot een positieve evaluatie betreffende het functioneren als inspecteur, blijkt overigens uit het feit dat HINP O., die een positieve eindevaluatie in het kader van deel I (luik ‘agent’) gaf, naderhand in het kader van deel II van de opleiding (luik ‘inspecteur’) een negatieve evaluatiefiche opstelde betreffende het operationele luik en in het bijzonder betreffende het professioneel functioneren van verzoeker. Dit betekent met andere woorden – en dit blijkt overigens uit de eindevaluatiefiche van 24 september 2013 – dat HINP O. in het kader van deel I van de opleiding weliswaar oordeelde dat verzoeker in een schoolomgeving voldeed, doch dat dit met betrekking tot de operationele stage volgens hem niet het geval was. Verzoeker ontkent niet dat hij tegen deze laatste negatieve evaluatie geen beroep heeft ingesteld, hetgeen impliceert dat hij akkoord was met deze evaluatie en met de bevindingen erin.
In dat opzicht is de verwerende partij, die vaststelt dat de beschreven tekortkomingen zich situeren in alle onderdelen van de eindevaluatie en dat verzoeker in zijn verweerschrift tegen de evaluatie door zijn mentor het merendeel van de feiten niet betwistte, dan ook niet kennelijk onredelijk waar zij een groot belang hecht aan de evaluatie van de operationele stage omdat ‘[d]eze stage (…)
eveneens het sluitstuk (vormt) van de opleiding tot INP op het vlak van attitude en functioneren in een operationele eenheid’. In de bestreden beslissing wordt dienaangaande overigens nog gemotiveerd dat ‘de tekortkomingen op het vlak van eerlijkheid, professionele beroepsernst en professionele kennis van die ernst is dat er terecht vragen gesteld worden omtrent het professioneel functioneren van betrokken aspirant in een operationele eenheid’ omdat ‘[d]it immers fundamentele, generieke competenties (zijn) die eigen zijn aan het beroep van politieambtenaar en die noodzakelijk zijn om te komen tot een kwaliteitsvol optreden’.
Verzoeker wijst in een tweede middelonderdeel, wat het contrast betreft tussen de beoordelingen van zijn professioneel functioneren in de twee opleidingsonderdelen, bijkomend op de vertroebelde relatie tussen hem en zijn mentor en op de eindbeoordeling van HINP O. van 24 september 2013, waarin de rubriek ‘potentieel’ als ‘bevredigend’ werd beoordeeld, en meent dat deze gegevens een nader onderzoek door de examenjury vereisten en een betere motivering waarom hem definitief elke kans ontnomen wordt om zijn stage over te doen.
Zoals de verwerende partij mijns inziens terecht opmerkt, motiveert de examenjury conform artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002
betreffende het algemeen studiereglement uitgebreid het mislukken van verzoeker.
Zij verwijst daarbij uitdrukkelijk naar de aandachtspunten gegeven door HINP O.
in de eindevaluatie en naar de twee functioneringsgesprekken tussen verzoeker en zijn mentor. In zijn eindevaluatiefiche van 24 september 2013 motiveert de opleider, HINP O., reeds uitgebreid waarom hij de rubrieken ‘persoonlijkheidskenmerken’, ‘prestaties’ en ‘professionele bekwaamheden’ als ‘onvoldoende’ beoordeelt. Daarbij refereert hij uitdrukkelijk aan de functioneringsgesprekken met verzoekers mentor en aan de repliek op verzoekers verweer van CP V. R. van 19 september 2013. In deze stukken staan de feiten en vaststellingen omtrent verzoekers tekortkomingen uitgebreid vermeld. Uit voormelde repliek van 19 september 2013 blijkt eveneens dat verzoeker voldoende kansen kreeg tijdens zijn stage om zich te verbeteren, maar dat hij deze niet concretiseerde. HINP O. stelt in zijn eindevaluatie van 24 september 2013 met
XIV-35.657-18/38
betrekking tot de rubriek ‘potentieel’ weliswaar dat deze ‘bevredigend’ is, doch hij merkt daarbij ook reeds op dat ‘een totale omschakeling (…) [in] nagenoeg elk element van [zijn] functioneren in een operationele eenheid’ een ‘loodzware opdracht’ wordt.
Waar de examenjury, daarin gevolgd door de directeur-generaal DGS, verwijst naar de functioneringsgesprekken en naar het gebrek aan vooruitgang en verbetering, geeft zij mijns inziens dan ook genoegzaam aan waarom zij het door HINP O. – met veel voorbehoud – verleende voordeel van de twijfel omtrent verzoekers potentieel niet wenst over te nemen. Aangezien verzoeker niet alleen tijdens zijn operationele stage werd begeleid, maar ook voordien reeds in zijn eindevaluatie met betrekking tot deel I van de opleiding (luik ‘agent’) een aantal aandachtspunten meekreeg met het oog op de operationele stage, is het oordeel van de examenjury en de directeur-generaal DGS dat verzoeker voldoende bijsturingen en kansen heeft gekregen niet kennelijk onredelijk.
Verzoeker voert voorts aan dat de relatie tussen hem en zijn mentor een invloed heeft gehad op de eindbeoordeling van de stage en dat zijn opleider, HINP O.
hiervan op de hoogte was. Uit de eindevaluatie van 24 september 2013 blijkt dat verzoeker zijn bezorgdheid pas op 30 augustus 2013, met andere woorden pas na het functioneringsgesprek van 16 augustus 2013, meldde aan zijn opleider, en daarbij een aantal situaties beschreef waarbij hij zich niet goed voelde en waarbij hij vooral de hoge werkdruk aanklaagde. Uit de functioneringsfiche van 24 september 2014 blijkt echter dat de opleider voornamelijk van een groot aantal andere gebeurtenissen waarin verzoeker ‘volgens de mentor geen goede beurt maakte’ pas feedback kreeg tijdens zijn gesprek met de mentor op 3 september 2013. Niettegenstaande HINP O. aldus op de hoogte was van het feit dat de relatie tussen verzoeker en zijn mentor niet optimaal was, oordeelt HINP O. dat dit het ontoereikend functioneren van verzoeker niet verklaart en kent hij verzoeker alsnog een eindevaluatie ‘onvoldoende’ toe voor zijn professioneel functioneren, daarbij uitvoerig verwijzend naar concrete situaties, aangehaald in de evaluatiefiche van de mentor.
Verzoeker voert in een derde middelonderdeel voorts bijkomend aan dat ook de bestreden beslissing blijk geeft van een onzorgvuldige partiële lezing van de eindevaluatie van deel I van de opleiding, waarbij elke rubriek van het professioneel functioneren werd beoordeeld als ‘bevredigend’, en bovendien onvoldoende de positieve elementen uit deze beoordeling in overweging neemt.
Verzoeker merkt op dat de directeur-generaal DGS, wat het positief resultaat van deel I betreft, verwijst naar een aantal aandachtspunten, meer bepaald omtrent zijn speelse houding, terwijl deze houding door de opleider niet wordt aangemerkt als werkpunt. Uit de bestreden beslissing blijkt dat niet alleen naar de speelse houding van verzoeker wordt verwezen, maar dat tevens wordt gewezen op een aantal aandachtspunten die de opleider tijdens het functioneringsgesprek met het oog op de operationele stage meegaf, zoals onder meer ‘bij een interventie sneller en op een correcte manier handelen, zelfzekerder en efficiënter operationele tussenkomsten kunnen uitvoeren, met het nodige initiatief en autonomie de interventies op het terrein kunnen afwerken’. De aandachtspunten betreffen met andere woorden zeker niet louter de speelse houding van verzoeker, integendeel.
De bestreden beslissing diende daarbij niet tot in detail in te gaan op de evaluatiefiche betreffende het professioneel functioneren in het kader van het luik ‘agent’, aangezien de thans bestreden beoordeling betrekking heeft op het luik ‘inspecteur’, waarvoor verzoeker niet slaagde en waarover de examenjury een advies diende te geven, op grond waarvan de directeur-generaal DGS een eindbeslissing diende te nemen.
Zoals de verwerende partij mijns inziens terecht opmerkt, motiveert de
XIV-35.657-19/38
verwerende partij in de bestreden beslissing uitdrukkelijk en uitvoerig waarom verzoeker niet geslaagd is en waarom het niet opportuun is om hem zijn opleiding te laten overdoen. Uit deze motieven, die hoger reeds integraal werden weergegeven, blijkt genoegzaam dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met alle – zowel positieve als negatieve – elementen in het dossier.
Zo wordt uitdrukkelijk verwezen naar de verweerschriften ingediend door verzoeker, naar de beoordeling van het dagelijks werk, naar de examenresultaten voor de examencommissie, naar het juryverslag met betrekking tot het luik ‘agent’ en naar de evaluatiefiches betreffende de operationele stage en betreffende het professioneel functioneren. Ook worden een aantal positieve elementen aangehaald, waaronder de vermelding van het slagen voor het luik ‘agent’, het slagen in eerste zittijd voor de examencommissie, zijn cijfers voor dagelijks werk, het feit dat hij zichzelf in vraag stelt en toegeeft dat hij fouten heeft gemaakt.
Dat er een gezamenlijke afspraak tussen verzoeker en zijn mentor bestond en verzoeker bereid was om elders een verlengde stage te doen, neemt niet weg dat enkel de directeur-generaal DGS een beslissing kan nemen omtrent het al dan niet overdoen van (een deel) van de opleiding, en dat de eventuele gezamenlijke afspraak tussen verzoeker en zijn mentor enkel doorgang vindt indien de directeur-generaal DGS een beslissing neemt die verzoeker toelaat zijn stage (al dan niet elders) opnieuw te doen, hetgeen te dezen niet het geval is. De directeur-generaal DGS motiveert overigens uitdrukkelijk waarom hij het niet opportuun acht om verzoeker zijn stage te laten overdoen, meer bepaald omdat ‘hij voldoende kansen heeft gekregen tijdens zijn stageperiode bij de PZ
HAGELAND’ en verzoeker ‘ondanks de bijsturingen en de voorziene kansen zijn houding en handelen niet heeft kunnen bijstellen’.
In een vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het voorval van het inleveren van zijn dienstwapen verkeerd werd geïnterpreteerd door de opleider.
Verzoeker betwist evenwel niet dat hij de door de opleider opgestelde evaluatiefiche van 24 september 2013 heeft ondertekend zonder voorbehoud te maken omtrent dit element.
Bovendien stelt de opleider in de evaluatiefiche van 24 september 2013 niet dat verzoeker zijn wapen uiteindelijk niet zou hebben ingeleverd, doch enkel dat hij verklaarde het niet te kunnen inleveren op zijn stageplaats omwille van een testmoment op school, terwijl dat testmoment enkel in de voormiddag had plaatsgevonden en dus geen beletsel vormde. Uit de bestreden beslissing blijkt bovendien dat dit element geenszins doorslaggevend is geweest, doch enkel – in samenhang met de overige vaststellingen omtrent verzoekers functioneren –
ernstige vragen oproept omtrent zijn professioneel functioneren.
Wat het vijfde en zesde middelonderdeel betreft, kan worden verwezen naar de bespreking hieromtrent van de vorige middelonderdelen.
Wat het zesde middelonderdeel betreft, kan bovendien verwezen worden naar de bespreking van het tweede middel in zoverre dat verzoeker aanvoert dat uit het proces-verbaal van 26 september 2013 van de examencommissie blijkt ‘dat zij voor de definitieve afwijzing van de verzoeker verwijst naar de beslissing van de examenjury van 4 oktober 2013’”.
13. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker
XIV-35.657-20/38
beperkt er zich immers grotendeels toe te herhalen wat hij reeds in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet.
In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie nog doet gelden dat de examenjury zich beperkt tot de lezing van de feitelijkheden geschetst door de mentor en deze jury ervan uitgaat dat de vaststellingen van de mentor objectief zijn waardoor het vermoeden van onschuld zou zijn miskend dat voortvloeit uit artikel 6.2. van het Europees Verdrag tot Besccherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en dat “het oordeel van de examenjury dus meer dan eens [getuigt] van een ‘nadrukkelijke subjectiviteit’ eerder dan een objectief onderzoek a charge en a decharge om een behoorlijke afweging te kunnen maken, aangezien zij op dat ogenblik ook bij machte is om zich uit te spreken over een verlengde stage en zelfs over het beëindigen van de basisopleiding met goed gevolg zonder een beslissing te moeten afwachten door de Directeur Generaal”, kan hij allerminst worden bijgetreden. Daargelaten de vaststelling dat artikel 6 EVRM te dezen niet van toepassing is op de examenjury als orgaan van het actief bestuur, blijkt het standpunt van verzoeker ook niet uit het administratief dossier. Verzoeker ontkent de feiten niet. Het gegeven dat verzoeker sommige feiten door er een eigen appreciatie aan te geven, tracht te minimaliseren of te nuanceren, volstaat nog niet om ze te weerleggen. Verzoeker kan niet ernstig beweren dat hij niet van nabij werd begeleid en gevolgd tijdens de stage. Hij slaagt er evenmin in te weerleggen dat hij niet in staat is gebleken de opmerkingen die hem werden gemaakt tijdig te internaliseren en zijn functioneren bij te sturen. Hij geeft overigens zelf toe dat hij kansen heeft laten liggen. De examenjury heeft zich overigens niet op het oordeel van één mentor cq. evaluator gesteund. Verzoeker gaat er onder meer aan voorbij dat ook de tweede evaluator CP V. R. op 19 september 2013 een negatief advies over de operationele stage formuleerde.
14. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond.
XIV-35.657-21/38
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
15. In een tweede middel van zijn inleidend verzoekschrift, dat hij in zijn memorie van wederantwoord integraal herneemt en in zijn laatste memorie grotendeels herhaalt, voert verzoeker de schending aan van “artikel 4 van het MB
van 24 oktober 2002 en artikel 42 en 43 van het KB van 20 november 2001
‘betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten’ samen met de zorgvuldigheidsplicht en de materiële motiveringsplicht”.
Verzoeker zet in wezen uiteen dat de zorgvuldigheidsplicht en de overige ingeroepen bepalingen en beginselen zijn geschonden omdat het proces-verbaal van het eindexamen van de examencommissie reeds werd opgemaakt op 26 september 2013 en verwijst naar het - op dat ogenblik nog niet bestaande - advies van de examenjury, dat pas dateert van 4 oktober 2013. Van de examencommissie mocht volgens verzoeker dan ook verwacht worden dat zij een nadere motivering zou geven voor de examenonderdelen waarbij meer dan loutere kennis van de kandidaten werd getoetst. Die beoordeling ligt, aldus verzoeker, niet voor en de examencommissie kon haar eigen beslissing dan ook niet onderbouwen met een verwijzing naar het - nog niet bestaande - advies van de examenjury.
Beoordeling
16. Uit artikel 37 van het koninklijk besluit van 20 november 2001
‘betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen’ (hierna:
koninklijk besluit van 20 november 2001) blijkt dat het eindexamen een schriftelijke proef, een mondelinge proef (met een presentatie door de aspirant van een persoonlijk werk, een bespreking van de door de mentor opgestelde verslagen, een bespreking van de door de aspirant opgestelde formulieren
XIV-35.657-22/38
zelfevaluatie en, in voorkomend geval, een mondelinge verdediging van één of meerdere gedeelten van de schriftelijke proef) en een praktische proef (met een rollenspel en een functioneel parcours) omvat. De examencommissie samengesteld overeenkomstig artikel 38 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 die, zoals verzoeker terecht stelt, een ander orgaan is dan de in artikel 142sexies van de wet van 8 december 1998 bedoelde examenjury, bevestigt in haar verslag van 26 september 2013 de door verzoeker behaalde resultaten van het schriftelijk examen (opgenomen in bijlage 1), van het mondeling examen (opgenomen in bijlage 2) en van de praktische proef (opgenomen in bijlage 1). In fine van dat verslag doet de examencommissie niets meer dan vaststellen “dat [verzoeker] geslaagd is op het totaal van de examenverrichtingen eerste zittijd deel inspecteur van politie. (bijlage 1)”. Die bijlage 1 bevat het overzicht van de behaalde punten voor het schriftelijk examen (223/350), het mondeling examen (150/300) en de praktische proef (232/350) met een totaal van 605/1000. Bij het verslag is nog een tweede bijlage gevoegd, namelijk een uitvoerige motivering van de mondelinge proef waarvoor aan verzoeker, zoals hiervoor is aangegeven, 150/300 werd toegekend. In het genoemde verslag van de examencommissie van 26 september 2013 dat deel uitmaakt van het schooldossier noch in de twee erbij gevoegde bijlagen wordt verwezen naar het advies van de examenjury van 4 oktober 2013.
Anders dan verzoeker beweert, ondersteunt de examencommissie haar vaststellingen niet met een verwijzing naar het advies van de examenjury wat overigens, zoals hierna verder zal blijken, ook niet haar rol is.
Het is integendeel omgekeerd de examenjury die het eindverslag opstelt dat is gericht aan de directeur-generaal DGS met het oog op de te nemen beslissing bedoeld in artikel IV.II.44, 3° en 4° RPPol en die daarbij ook rekening houdt met de vaststellingen van de examencommissie.
Voorts, in de mate verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat stuk 3.9. van het schooldossier dat de datum van 26 september 2013 draagt voor de rubriek “eindevaluatie professioneel functioneren” een “onvoldoende” vermeldt,
XIV-35.657-23/38
ziet de Raad van State geen anomalie aangezien zowel de eindevaluatie van CP V.
R., directeur operaties, als de eindevaluatie van de hand van de evaluatoren HINP
O. en V. wat het professioneel functioneren betreft “onvoldoende” vermelden.
Beide documenten van 19 respectievelijk 24 september 2013 gaan 26 september 2013 vooraf.
17. Artikel 142sexies van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ bepaalt dat de basisopleiding, te dezen tot INP, behoudens een vervroegde al dan niet vrijwillige beëindiging, wordt afgesloten met een eindexamen. De aspiranten die (1) slagen voor dit eindexamen (cfr. punt 16) en, bovendien, (2) geschikt worden bevonden door de jury behalen een diploma, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de minister van Binnenlandse Zaken of de door hem aangewezen overheid.
Artikel 42 van het koninklijk besluit van 20 november 2001
regelt de samenstelling van de in artikel 142sexies van de wet van 8 december 1998 bedoelde jury en artikel 43 van datzelfde koninklijk besluit bepaalt dat de jury op het einde van de opleiding een gemotiveerd advies verstrekt met betrekking tot de in artikel IV.II.44, 3° en 4°, RPPol bedoelde mogelijkheden, onder meer op basis van (1) het verslag over het professioneel functioneren op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen; (2) het verslag over het dagelijks werk op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en van het puntencijfer voor het eindexamen en (3) het in artikel 41, § 3, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bedoelde algemeen beoordelingscijfer.
De in het hiervoor genoemde artikel IV.II.44, 3° en 4° van het RPPol bedoelde mogelijkheden zijn de mogelijkheden van de minister of de door hem aangewezen directeur-generaal, te dezen de directeur-generaal DGS, om te beslissen dat de aspirant de basisopleiding of een deel ervan moet overdoen (artikel IV.II.44, 3°) dan wel tot de definitieve afwijzing van de betrokkene (artikel IV.II.44, 4°).
XIV-35.657-24/38
Te dezen bevat het “samenvattend verslag” van 4 oktober 2013
van de examenjury onder meer de gegevens betreffende het professioneel functioneren, de examenresultaten van het eindexamen, evenals het algemeen beoordelingscijfer. In het samenvattend verslag van 4 oktober 2013 wordt aldus verwezen naar de vaststellingen van de examencommissie van 26 september 2013
namelijk dat verzoeker slaagt op de examenverrichtingen. Hieruit blijkt dat de examenjury zijn verslag heeft opgesteld nadat de examencommissie haar vaststellingen deed wat de examenresultaten betreft wat in overeenstemming is met de taak van de examenjury zoals beschreven in artikel 43 van het koninklijk besluit van 20 november 2001. De examenjury verstrekt het vereiste gemotiveerd advies immers op basis van (1) het verslag over het professioneel functioneren op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen; (2) het verslag over het dagelijks werk op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en van het puntencijfer voor het eindexamen en (3) het in artikel 41, § 3, bedoelde algemeen beoordelingscijfer.
Kortom, het is de examenjury die bij het formuleren van het advies met het oog op het in artikel IV.II.44, 3° en 4° van het RPPol bedoelde mogelijkheden, rekening moet houden met (onder meer) de vaststellingen van de examencommissie, niet omgekeerd. Het samenvattend verslag van de examenjury betreffende verzoeker is te dezen opgesteld rekening houdend met de door artikel 43 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bedoelde elementen die ook in het samenvattend verslag terug te vinden zijn. In het geval van verzoeker, rekening houdend met die elementen, luidt het advies van de examenjury: “[d]e jury adviseert daarom de definitieve afwijzing van [verzoeker]
voor de hiervoor vermelde redenen”. Uit dat verslag, namelijk punt VI ervan, blijkt dat de examenjury zijn voor verzoeker negatief advies in het bijzonder steunt op de vaststelling dat de eindevaluatie van de operationele stage “onvoldoende” bevat en de redenen daarvoor, het feit dat de stage het sluitstuk van de opleiding is op het vlak van attitude en functioneren in een operationele eenheid, het gegeven dat de feiten en vaststellingen die tot die beoordeling hebben geleid door verzoeker niet
XIV-35.657-25/38
worden betwist noch weerlegd in zijn verweerschrift en dat ook het vooruitgangspotentieel van verzoeker ontoereikend is.
18. Tot slot, overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 ‘houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten’ stelt de voorzitter van de examencommissie een proces-verbaal op van het verloop van de examens. Krachtens diezelfde bepaling dient dit proces-verbaal van de examens een aantal verplichte vermeldingen te bevatten, namelijk het aantal opgeroepen kandidaten, het aantal deelnemers aan het examen, het aantal geslaagden en mislukten, het aantal uitstellen, het aantal verzakingen, het aantal afwezigheden om andere redenen, de bijzondere gevallen en een beschrijving van incidenten.
Het in het genoemde artikel 4 bedoelde proces-verbaal betreft te dezen, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, de bijlage 3 bij stuk 3 van het administratief dossier. Die bijlage met als titel “proces-verbaal van het eindexamen” betreft de opleiding voor inspecteur deel II - promotie oktober 2012 -
1ste zittijd van 26 september 2013. Het bevat zoals artikel 4 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 voorschrijft, een globaal overzicht met betrekking tot de organisatie van de examens en de in artikel 4 bedoelde gegevens. In punt 3.4.
“Niet-geslaagden” van dat proces-verbaal wordt de naam van verzoeker vermeld.
Daaronder wordt tevens vermeld “Betrokkenen op advies van de examenjury definitief wordt afgewezen vanwege een onvoldoende op het professioneel functioneren. Het dossier werd overgemaakt aan DGS”.
Hoewel het merkwaardig is - tenzij, zoals de verwerende partij aanvoert, de in het proces-verbaal vermelde datum van 26 september 2013 een materiële vergissing betreft - dat het genoemde proces-verbaal verwijst naar het advies van de examenjury dat dateert van 4 oktober 2013, heeft die verwijzing in het proces-verbaal verzoeker niet geschaad. Die verwijzing doet immers niets af aan het gegeven dat het proces-verbaal zelf geen advies betreft met betrekking tot
XIV-35.657-26/38
het al dan definitief afwijzen van verzoeker. Het proces-verbaal staat in die zin los van het in artikel 43 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bedoelde individueel advies van de examenjury. Het is het advies van de examenjury dat deze opstelt ten behoeve van en richt aan de directeur-generaal DGS dat van (doorslaggevend) belang is. Het is te dezen opgesteld op basis van de in datzelfde artikel 43 bedoelde elementen op grond waarvan de directeur-generaal de bestreden beslissing heeft genomen.
19. Het tweede middel mist deels feitelijke grondslag en is voor het overige ongegrond.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
20. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “artikel 31, § 1, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 (…) en de formele en materiële motiveringsplicht, samen met het zorgvuldigheidsbeginsel”.
Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift uiteen, wat hij in zijn memorie van wederantwoord integraal herhaalt, dat het professioneel functioneren aan bod komt tijdens het mondelinge gedeelte van het eindexamen en dus zeker geen apart gegeven is dat los van het eindexamen kan beoordeeld worden, maar er -
integendeel - integraal deel van uitmaakt. Aangezien de beoordeling van het professioneel functioneren opgaat in de mondelinge proef van het eindexamen, verloopt die beoordeling volgens verzoeker noodzakelijk via de examencommissie. Vooraleer de examenjury zich uitspreekt over het slagen of niet slagen van de kandidaat na het afleggen van het eindexamen, is volgens verzoeker dus vereist dat de examencommissie voordien het professioneel functioneren van de kandidaat in haar beoordeling van het mondeling examen betrokken heeft. Te dezen blijkt volgens verzoeker niet dat de examencommissie zijn professioneel functioneren in haar beoordeling van het mondeling examen betrokken heeft.
XIV-35.657-27/38
Beoordeling
21. In het auditoraatsmiddel wordt het derde middel ongegrond bevonden, in essentie op grond van de volgende overwegingen.
Artikel 31, § 1, van het koninklijk besluit van 20 november 2001
bepaalt dat de beoordeling van het professioneel functioneren geschiedt op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en dit na een evaluatiegesprek met de mentor, waarvan een verslag wordt opgemaakt dat de eindbeoordeling “goed”, “bevredigend” of “onvoldoende” bevat. Artikel 37 van voormeld koninklijk besluit bepaalt voorts dat het eindexamen onder meer bestaat uit een mondelinge proef met een presentatie door de aspirant van een persoonlijk werk, een bespreking van de door de mentor opgestelde verslagen, een bespreking van de door de aspirant opgestelde formulieren zelfevaluatie en, in voorkomend geval, een mondelinge verdediging van één of meerdere gedeelten van de schriftelijke proef.
Te dezen blijkt uit het administratief dossier (zowel uit bijlage 2
bij het in punt 16 bedoelde verslag van de examencommissie als uit stuk 3.8. van het schooldossier dat deel uitmaakt van het administratief dossier) dat de leden van de examencommissie tijdens het mondeling examen wel degelijk het professioneel functioneren van verzoeker in hun beoordeling van de mondelinge proef hebben betrokken. Zo blijkt uit de subonderdelen “realistisch zelfbeeld en evolutie” en “ervaringen opleidingsdoelstellingen” (stuk 3.8 van het schooldossier) dat de door de mentor opgestelde verslagen en de zelfevaluatie afzonderlijk en expliciet beoordeeld werden. Verzoeker beperkt er zich toe te stellen dat enkel vormelijke opmerkingen zouden zijn gemaakt, doch formuleert niet de minste inhoudelijke kritiek op de vermeldingen/beoordeling met betrekking tot deze subonderdelen door de leden van de examencommissie. De verwerende partij oordeelt voorts terecht dat het zwaartepunt van dergelijke proef gelegen is bij het naar voren brengen van en de discussie over het persoonlijk werk omdat de andere componenten immers gaan over verduidelijkingen van gegevens die reeds bij de
XIV-35.657-28/38
examencommissie voorliggen en die derhalve slechts aan bod moeten komen wanneer de examencommissie daarover relevante informatie nodig heeft.
22. Verzoeker betwist deze conclusies niet. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie nog inhoudelijk te reageren op de bevindingen van het auditoraatsverslag en beperkt er zich toe te herhalen wat hij in zijn eerdere procedurestukken heeft uiteengezet.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond.
D. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
23. Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en van artikel 41, § 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2001. Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift uiteen en herhaalt in zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie dat op grond van voormelde reglementaire bepaling de aspirant, om te slagen op het einde van de basisopleiding, geschikt moet worden bevonden door de examenjury en minstens 60 % moet behalen voor het totale puntencijfer voor het eindexamen en telkens 50 % op elk van de drie proeven, en 60 % voor het algemeen beoordelingscijfer, bestaande uit de som van de punten voor het dagelijks werk en het eindexamen. Verzoeker stelt vast dat uit het proces-verbaal van het eindexamen blijkt dat de laatstgenoemde aspirant, zijnde M. D., 59,3 % als eindbeoordelings-
cijfer heeft en toch als geslaagd wordt beschouwd. Het geslaagd beschouwen van een aspirant die niet voldoet aan de vereisten om geslaagd te worden verklaard overeenkomstig artikel 41, § 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 20 november 2001 en het niet-geslaagd beschouwen van verzoeker, terwijl hij wel voldoet aan deze vereiste van minimum 60 %, maakt volgens hem een
XIV-35.657-29/38
ongeoorloofde ongelijke behandeling uit, daar alle aspiranten in eenzelfde promotie op voet van gelijkheid dienen te worden beoordeeld, en dit zeker wanneer een subjectieve benadering van de kandidaat verstrekkende gevolgen kan hebben.
In zijn laatste memorie voegt hij daaraan nog toe dat zowel hij als aspirant M. D. niet voldoen aan één van de door artikel 41, § 1, gestelde vereisten om te slagen. Dat verzoeker geen herkansing krijgt maar definitief wordt afgewezen, terwijl M. D., zelfs zonder tweede zit slaagt, betreft een verschillende beoordeling van gelijkaardige situaties die disproportioneel is.
Beoordeling
24. Artikel 41, § 1, van het koninklijk besluit van 20 november 2001
bepaalt:
“Om te slagen op het einde van de basisopleiding moet de aspirant geschikt worden bevonden door de in artikel 42, eerste lid, bedoelde jury en moet hij ten minste de volgende resultaten behalen:
1° een eindbeoordeling hebben met de vermelding “goed” of “bevredigend”
voor het professioneel functioneren evenals, voor de aspirant-hoofdinspecteur en de aspirant-officier, een partiële beoordeling met de vermelding “goed” of “bevredigend” voor de managementvaardigheden;
2° 60 % voor het totale puntencijfer voor het eindexamen en telkens 50 % op elk van de drie proeven;
3° 60 % voor het algemeen beoordelingscijfer, bestaande uit de som van de puntencijfers voor dagelijks werk en het eindexamen.”.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker niet geslaagd werd verklaard omdat hij niet voldoet aan artikel 41, § 1, 1°, van voormeld koninklijk besluit. Aldus blijkt niet dat de bestreden beslissing voormeld artikel schendt.
In zoverre verzoeker verwijst naar het proces-verbaal van het eindexamen, waaruit blijkt dat M. D. geslaagd is niettegenstaande zij slechts 59,3 % behaalde als algemeen beoordelingscijfer, terwijl hij 65,2 % behaalde, en daaruit een schending van het gelijkheidsbeginsel afleidt, blijkt M. D. volgens de verwerende partij, die daarin niet wordt tegengesproken door verzoeker in zijn
XIV-35.657-30/38
memorie van wederantwoord, op het vlak van haar professioneel functioneren - in tegenstelling tot verzoeker - een beoordeling “bevredigend” te hebben verkregen, zodat geen sprake is van een vergelijkbare situatie.
In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de aan M. D. en hemzelf toebedeelde beoordeling een ongelijke behandeling inhoudt die disproportioneel is. Daargelaten de vraag of verzoeker op die wijze geen laattijdige nieuwe grondslag geeft aan zijn middel en los van de vaststelling - zo M. D. al, zoals verzoeker beweert, van een onwettige behandeling zou hebben genoten - dat er geen gelijkheid in de onwettigheid is, gaat verzoeker eraan voorbij dat zowel in het samenvattend verslag van de examenjury als in de bestreden beslissing uitdrukkelijk is verantwoord waarom het niet opportuun werd geacht hem de stage te laten overdoen. Hij werd namelijk niet geschikt bevonden om het ambt van inspecteur van politie uit te oefenen omwille van de eindbeoordeling “onvoldoende” voor professioneel functioneren dat een essentieel onderdeel van de opleiding is, het gegeven dat die professionele tekortkomingen zich op alle onderdelen van het professioneel functioneren situeren aangezien er “ernstige tekortkomingen werden vastgesteld op het vlak van attitude, houding, inzet, kennis, initiatief, autonoom en professioneel handelen in een operationele eenheid” en verzoeker de kansen die hem tijdens de stage werden geboden niet heeft benut, wat hij ook toegeeft, zodat geen “disproportionele” behandeling voorligt.
25. Het vierde middel is, in zoverre ontvankelijk, ongegrond.
E.. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
26. Verzoeker voert de schending aan van artikel 33 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, van de artikelen 12 en 13 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2001, van de artikelen V.II.11, V.II.12, V.II.14,
XIV-35.657-31/38
V.II.19 en de artikelen VII.I.6, VII.I.30, VII.I.38, VII.I.47 en VII.I.48 van het RPPol, telkens gelezen in samenhang met de materiëlemotiveringsplicht.
In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij, in strijd met artikel 33 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, tijdens het tweede deel van de basisopleiding begeleid werd door een andere mentor dan tijdens het eerste deel van de basisopleiding. Verzoeker wijst erop dat de mentor tijdens het eerste deel van de opleiding hem een beoordeling “bevredigend” gaf, terwijl de relatie met zijn mentor tijdens het tweede deel van de stage niet optimaal was en deze mentor zich duidelijk een negatief beeld van verzoeker had gevormd, dat nog onmogelijk kon worden bijgesteld tijdens de stage. Verzoeker stelt vast dat de eindbeoordelingen en de bestreden beslissing zich in feite enkel op deze beoordelingen, opgesteld door de tweede mentor, baseren en geen rekening houden met het feit dat de negatieve beoordeling zijn oorzaak kan vinden in de puur persoonlijke relatie, en onvoldoende motiveren waarom meer belang wordt gehecht aan de beoordeling door de tweede mentor.
In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker dat de functioneringsfiches van de mentor van het tweede deel van de opleiding, in strijd met de artikelen 12 en 13 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 geen eindbeoordeling bevatten, doch enkel een beoordeling van elk van de vier rubrieken.
In een derde middelonderdeel voert verzoeker voorshands aan dat de overeenkomstig artikel V.II.19 van het RPPol vereiste documenten in het schooldossier ontbreken. Uit het schooldossier blijkt volgens verzoeker voorts dat niet is voldaan aan de voorschriften van artikel VII.I.6 van het RPPol, aangezien bij het begin van de evaluatieprocedure geen doelstellingen werden bepaald noch schriftelijk vastgelegd na een planningsgesprek. Verzoeker verwijst verder naar de regels vervat in artikel VII.I.30, 38, 47 en 48 van het RPPol, die met de voeten zouden zijn getreden tijdens het tweede deel van de opleiding. Zo blijkt het functionerings- en het evaluatiedocument van de stagementor niet te zijn
XIV-35.657-32/38
ondertekend door een tweede evaluator. Bovendien wijst verzoeker er op dat de digitale versie van zijn portfolio uit de databestanden van de verwerende partij verdwenen is. Hij wijst er tot slot op dat hij tijdens de procedure aanhaalde dat hij de “bijgevoegde vaststellingen” met gedetailleerde beschrijvingen van feitelijkheden, opgemaakt door de stagementor, slechts later heeft kunnen lezen en dat hij niet kon instemmen met deze feitelijke weergave.
Verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord integraal het in zijn inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel en voegt er, wat het derde middelonderdeel betreft, nog aan toe dat het noodzakelijke planningsgesprek niet heeft plaatsgevonden.
Beoordeling
27. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het vijfde middel op grond van de volgende overwegingen:
“Wat het eerste middelonderdeel betreft, bepaalt artikel 33 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen dat ‘onafgezien van bijzondere omstandigheden, (…)
eenzelfde mentor de aspirant gedurende de diverse opleidingsstages die deel uitmaken van eenzelfde basisopleiding (begeleidt)’. Dit artikel verhindert dus niet dat (al dan niet tijdelijke) vervangingen mogelijk zijn wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit artikel omschrijft evenmin wat onder ‘bijzondere omstandigheden’ moet worden verstaan.
Te dezen blijkt dat INP D., die initieel werd aangesteld als mentor voor de diverse opleidingsstages, tijdens het eerste deel van de stage afwezig was wegens ziekte, zodat de verwerende partij er aldus mocht van uitgaan dat er sprake was van ‘bijzondere omstandigheden’ die ertoe noopten een andere mentor aan te stellen die INP D. tijdens zijn afwezigheid kon vervangen.
In zoverre dat verzoeker de schending van de motiveringsplicht aanvoert omdat niet gemotiveerd wordt waarom meer belang moet worden gehecht aan de beoordelingen door de tweede mentor, kan worden verwezen naar de bespreking dienaangaande van het eerste middel.
[…]
Wat het tweede middelonderdeel betreft, bepaalt artikel 12 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2001 dat de beoordeling van het professioneel functioneren van de aspirant-inspecteur dient te gebeuren aan de hand van functionerings- en evaluatiegesprekken. Te dezen blijkt uit het schooldossier dat er meerdere functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden voorafgaand aan het evaluatiegesprek en dat van die functioneringsgesprekken telkens een
XIV-35.657-33/38
functioneringsfiche werd opgesteld, waarvan een kopie ter kennis werd gebracht van verzoeker. Verzoeker heeft ook tweemaal de functioneringsfiches ondertekend voor ontvangst. Het functioneringsgesprek werd tevens voorafgegaan door een zelfevaluatie van verzoeker.
Overeenkomstig artikel 13 van het voormelde ministerieel besluit van 24 oktober 2001 werd na het evaluatiegesprek een evaluatiefiche opgesteld, die verzoeker eveneens voor ontvangst heeft ondertekend. In deze evaluatiefiche motiveert de evaluator bovendien waarom hij aan verzoeker een negatieve beoordeling geeft.
In tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, bevatten zowel de functioneringsfiche als de evaluatiefiche op het einde van de motivering een algemene conclusie.
Gelet op wat voorafgaat, blijkt de evaluatie van het professioneel functioneren te zijn uitgevoerd conform de geldende wetgeving.
[…]
Wat het derde middelonderdeel betreft, merkt de verwerende partij vooreerst terecht op dat deel 5 van het RPPol, en derhalve ook de door verzoeker uit deze titel aangehaalde bepalingen, niet de opleidingsstage van de aspirant-inspecteurs van politie betreffen, maar wel de stage na het slagen in de basisopleiding.
Artikel 5.2.7 van het RPPol bepaalt immers dat de stage een aanvang neemt op de dag van de benoeming bedoeld in artikel 5.2.2, §1, RPPol, dat bepaalt dat het personeelslid wordt benoemd in de graad waarin het als aspirant was aangesteld als het geslaagd is in de betrokken basisopleiding. De verwerende partij wijst er bovendien op dat de bepalingen betreffende de stage in het RPPol ingevoegd werden door het koninklijk besluit van 24 april 2014 tot invoeging van een stage voor de personeelsleden van het basiskader van de politiediensten. Artikel 5 van dit koninklijk besluit stelt dat de bepalingen betreffende de stage slechts van toepassing zijn op de aspiranten die hun basisopleiding aanvatten op of na 1 september 2013. Aangezien verzoeker zijn opleiding heeft aangevat in oktober 2012, konden de bepalingen betreffende de stage na de opleiding hoe dan ook niet van toepassing op hem zijn.
De verwerende partij merkt voorts terecht op dat verzoeker bepalingen uit deel 7 van het RPPol citeert zoals ze van toepassing waren voor ze gewijzigd werden door artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 december 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. De verwerende partij merkt terecht op dat deel 7 van het RPPol hoe dan ook evenmin van toepassing is op aspirant-inspecteurs van politie, aangezien dit deel handelt over de evaluatie in het kader van de administratieve loopbaan van personeelsleden die reeds benoemd zijn. Dat deel 7 van het RPPol te dezen niet van toepassing is blijkt bovendien –
zoals de verwerende partij terecht opmerkt – ook uit artikel 7.1.9 van het RPPol en uit de zogenaamde exoduswet.
De op de aspiranten die hun basisopleiding volgen van toepassing zijnde regels zijn daarentegen vervat in van het koninklijk besluit van 20 november 2001
betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen. Artikel 47 van dit koninklijk besluit bepaalt daarbij dat het algemeen studiereglement, zoals bedoeld in artikel 4.2.42 van het RPPol, de nadere regels vaststelt betreffende onder andere de functioneringsgesprekken, de evaluatiegesprekken, en de beoordeling van het professioneel functioneren. De functioneringsgesprekken bedoeld in artikel 12 en de evaluatiegesprekken bedoeld in artikel 13 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement, betreffen tussentijdse evaluaties van het professioneel functioneren in het kader
XIV-35.657-34/38
van de basisopleiding. Deze functionerings- en evaluatiegesprekken hebben een volledig andere finaliteit dan de functionerings- en evaluatiegesprekken zoals bedoeld in deel 7 RPPol.
Verzoeker doet in zijn memorie van wederantwoord geen enkele poging om de voormelde vaststellingen tegen te spreken of te weerleggen, doch beperkt er zich toe te stellen dat het noodzakelijke planningsgesprek niet heeft plaatsgevonden.
Op grond van welke, wél op hem van toepassing zijnde bepaling(en) dit planningsgesprek had moeten worden gevoerd, licht hij evenwel niet toe.”.
28. Verzoeker betwist deze conclusies niet. Hij verzuimt immers in zijn laatste memorie nog inhoudelijk te reageren op de bevindingen van het auditoraatsverslag. In zijn laatste memorie beperkt verzoeker zich ertoe de argumenten die hij eerder heeft uiteengezet te herhalen en, voor het overige, hetzij eerder door hem ingeroepen reglementaire bepalingen te citeren, hetzij nieuwe, dit zijn niet eerder ingeroepen bepalingen uit deel V van het RPPol aan te halen.
Daargelaten de vaststelling dat dit laatste laattijdig gebeurt, voert hij geen enkel verweer tegen de vaststellingen in het auditoraatsverslag dat de bepalingen uit deel V (noch overigens deze van deel VII) van het RPPol niet op zijn situatie van toepassing zijn.
De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het vijfde middel ongegrond.
F. Zesde middel
Uiteenzetting van het middel
29. Verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift, en herhaalt in zijn latere procedurestukken woordelijk, de schending aan van het hoorrecht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel VII.III.131 van het RPPol en van de rechten van verdediging.
In een eerste middelonderdeel voert verzoeker in wezen aan dat de examenjury hem had moeten horen, nu uit zijn verweerschrift naar aanleiding
XIV-35.657-35/38
van de negatieve operationele stage blijkt dat hij de bevindingen van de mentor nuanceert. Dit vormt volgens verzoeker een voldoende grond om een verder onderzoek te voeren, wat perfect mogelijk was geweest door hem te horen teneinde hem toe te laten zijn gedragingen en inspanningen tijdens de stage toe te lichten.
In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat artikel VII.III.131 van het RPPol niet werd gerespecteerd omdat er te dezen geen termijn van zestien dagen was tussen de uitnodiging door de directeur-generaal DGS om hem te horen en het horen zelf. Hierdoor, zo stelt verzoeker, heeft hij zich op de zeer korte termijn tussen de eindejaarsfeesten niet voldoende en terdege kunnen voorbereiden op dit onderhoud.
Beoordeling
30. Wat het eerste middelonderdeel betreft, is uit de bespreking van het vijfde middel gebleken dat het door verzoeker aangehaalde artikel VII.III.131
van het RPPol werd gewijzigd door artikel 3 van het koninklijk besluit van 18 september 2008 ‘tot wijziging van sommige bepalingen inzake de mandaten van de politiediensten’. Zelfs indien aangenomen wordt dat verzoeker zich beroept op het huidige artikel VII.III.102 van het RPPol, waarin sprake is van de door verzoeker aangehaalde minimumtermijn van zestien dagen, blijkt dat dit artikel enkel van toepassing is in geval van de beëindiging van een mandaat. Te dezen nam verzoeker deel aan de basisopleiding van inspecteur. Van enig mandaat in hoofde van verzoeker is aldus geen sprake, zodat het voormelde artikel op hem niet van toepassing kan zijn.
Wat het tweede middelonderdeel betreft, is uit de bespreking van het eerste middel (cfr. punt 6 en 7) gebleken dat geen enkele bepaling de examenjury ertoe verplicht verzoeker te horen en dat te dezen bezwaarlijk kan worden volgehouden dat verzoeker zijn standpunt niet naar behoren naar voor heeft kunnen brengen zodat geen schending van de hoorplicht voorligt
XIV-35.657-36/38
31. Het zesde middel is ongegrond.
V. Kosten
32. De verwerende partij verzoekt in haar memorie van antwoord verzoeker “te veroordelen tot het betalen (…) van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700,00 EUR”.
Beoordeling
33. Overeenkomstig artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.
Aangezien de verwerende partij niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, is er geen aanleiding tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding.
VI. Anonimisering
34. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.
Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.
De vraag wordt ingewilligd.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
XIV-35.657-37/38
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro.
3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.
De griffier De voorzitter
Johan Pas Geert Debersaques
XIV-35.657-38/38
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.498