Court dismisses urgent suspension request for prison security measure as internal order action not subject to annulment.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's urgent request to suspend a seven-day special security measure imposed by the prison director. The court determined the measure, restricting correspondence and movement, was a safety regulation rather than a disciplinary punishment. Consequently, the court held that such internal order measures fall outside the scope of annulment proceedings and cannot be suspended.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 110, 112, 113 of the Prison Act; Articles 55, 56 of the Prison Act: Security measures taken by prison directors to ensure order and safety constitute internal order measures against which no annulment appeal lies and which cannot be suspended.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.490 van 24 februari 2017
in de zaak A. 221.498/XIV-37.327
In zake: Steven RAL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdend te 8000 Brugge Koolkerkse Steenweg 154
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 19 februari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel, uitgaande van de directie van de gevangenis te Beveren dd. 13-02-2017”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2017, om 9:45 uur.
Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.
XIV-37.327- 1/8
Advocaat Mathieu Langerock, die verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is op het ogenblik van de feiten opgesloten in de gevangenis te Beveren.
3.2. Op 13 februari 2017 wordt verzoeker gehoord door gevangenisdirecteur W. A. in het kader van de toepassing van artikel 110 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet).
3.3. Dezelfde dag beslist de gevangenisdirecteur om aan verzoeker een bijzondere veiligheidsmaatregel op te leggen, voor een duur van zeven dagen, die een aanvang neemt op 15 februari 2017 en loopt tot en met 21 februari 2017.
Deze bijzondere veiligheidsmaatregel betreft: “systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling”, “uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten/wandeling:
individuele wandeling” en “verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte” en is als volgt gemotiveerd:
“- Gelet op de artikelen 110, 112 en 113 van de basiswet van 12 januari 2005
betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden - Gelet op de volgende elementen die kenmerkend zijn aan de gedetineerde, die hem werden uiteengezet op het ogenblik dat hij door de directeur werd gehoord
XIV-37.327- 2/8
Om de orde en de veiligheid te garanderen dient het regime van betrokkene ingeperkt te worden. Uit het gedrag en de houding van betrokkene is herhaaldelijk gebleken dat hij onbetrouwbaar is en dat zijn gedrag gevaarlijk kan zijn voor zowel bewakingspersoneel als hemzelf.
- Gelet op het feit dat de gedetineerde werd gehoord op (zie verslag van het horen van de gedetineerde als bijlage)
- Gelet op het feit dat deze elementen ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor X de orde X de veiligheid […].”
Dit is de bestreden beslissing.
IV. Voorwerp van de vordering
4. Uit de omschrijving van het voorwerp van de vordering in het inleidend verzoekschrift en het daarin aangevoerde enig middel blijkt wat verzoeker op de terechtzitting bevestigd, dat hij de bestreden beslissing bestrijdt in de mate zij de systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling betreft, namelijk dat de uitgaande briefwisseling open afgegeven dient te worden, met uitzondering van briefwisseling ter attentie van personen zoals beschreven in artikel 57 van de basiswet, en dient te worden voorgelegd aan de directie en dat (ook) de inkomende briefwisseling aan de directie dient te worden voorgelegd.
De vordering wordt in de aangegeven mate beoordeeld.
V. Ontvankelijkheid van de vordering
Uiteenzetting van de exceptie
5. De verwerende partij betwist ter terechtzitting de bevoegdheid van de Raad van State. Zij betoogt in wezen dat de Raad van State geen kennis kan nemen van de ingestelde vordering omdat zij is gericht tegen een veiligheidsmaatregel die een niet-aanvechtbare maatregel van orde is. De controle
XIV-37.327- 3/8
van de briefwisseling betreft een algemene controlemaatregel waarover de gevangenisdirectie beschikt op grond van de artikelen 55 en 56 van de basiswet en die ten aanzien van verzoeker is opgelegd, te dezen samen met de bijzondere veiligheidsmaatregelen die jegens hem zijn genomen op grond van artikel 112, § 1, 2° en 4°, van de basiswet.
6. Verzoeker anticipeert niet op deze exceptie in het verzoekschrift. Onder het kopje “in feite” zet hij in het verzoekschrift uiteen dat hij helemaal niet akkoord kan gaan met “deze beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel van de directie van de gevangenis te Beveren” en vervolgens zet hij onder het kopje “in rechte” in zijn enig middel uiteen dat in artikel 112, § 1, van de basiswet niet staat vermeld dat de systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling kan worden opgelegd en dat er evenmin in wordt bepaald dat uitgaande briefwisseling open dient te worden afgegeven met uitzondering van briefwisseling ter attentie van personen zoals beschreven in artikel 57 van de basiswet en dient te worden voorgelegd aan de directie; noch dat inkomende briefwisseling aan de directie dient te worden voorgelegd.
Verzoeker besluit dat “[o]p deze wijze artikel 112 § 1 van de basiswet [wordt] geschonden”. Ter terechtzitting wijst verzoeker er nog op dat de bestreden beslissing aldus een “arbitraire”, niet door de regelgeving voorziene bijzondere veiligheidsmaatregel oplegt.
In zijn verzoekschrift zet verzoeker nog uiteen dat de bestreden maatregel een tweede verlenging betreft en dat, na een derde verlenging, wanneer deze maatregel(en) niet voldoen, verzoeker eventueel in een individueel bijzonder veiligheidsregime als bedoeld in artikel 116 van de basiswet kan worden geplaatst. Hij heeft overigens nog vooraleer de gevangenisdirectie een derde verlenging heeft opgelegd, al een uitnodiging ontvangen voor een hoorzitting op 21 februari 2017 met het oog op het opleggen van dergelijk individueel bijzonder veiligheidsregime. Hij voegt hier op de terechtzitting evenwel aan toe dat die
XIV-37.327- 4/8
geplande hoorzitting finaal niet is doorgegaan. Daarover bevraagd, verduidelijkt hij ter terechtzitting dat hij op het ogenblik van de terechtzitting geen kennis heeft van een eventuele derde verlenging van de opgelegde veiligheidsmaatregel(en)
noch van een beslissing tot het opleggen van een individueel bijzonder veiligheidsregime.
Beoordeling
7. De directeur van een strafinrichting is belast met de zorg voor de goede werking van, en de goede orde in de strafinrichting. Hij kan met het oog daarop ten aanzien van wie in de strafinrichting is opgenomen een veelheid van maatregelen beslissen die zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen. Evenwel, zoals de Raad van State, in algemene vergadering, in het arrest nr. 116.899 van 11 maart 2003 inzake De Smedt heeft overwogen, zijn die maatregelen, in zoverre zij uitsluitend of hoofdzakelijk ingegeven zijn door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, maatregelen van inwendige orde, waartegen in principe geen annulatieberoep openstaat. Het is slechts anders wanneer de betrokken maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. De maatregel wordt dan in de eerste plaats gemotiveerd door het schuldig bevonden gedrag van de gedetineerde, waarvoor hij wil doen boeten. Een dergelijke maatregel komt wel voor vernietiging - en dus voor schorsing van de tenuitvoerlegging - door de Raad van State in aanmerking.
8. Uit artikel 110 van de basiswet vloeit voort dat met behoud van de door de Koning te bepalen algemene veiligheidsvoorschriften, de directeur, wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen kan bevelen. Die bijzondere veiligheidsmaatregelen worden opgesomd in artikel 112, § 1, 1° tot 5° van de basiswet. Het betreft onder meer de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten (art. 112, § 1, 2°) of het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen
XIV-37.327- 5/8
verblijfsruimte (art. 112, § 1, 4°). Artikel 113, § 2, 4° van diezelfde wet bepaalt dat in het geval waarin, zoals te dezen, een maatregel als bedoeld in artikel 112, 4° wordt opgelegd de gevangenisdirecteur er zorg voor draagt dat de gedetineerde briefwisseling kan voeren onder de in titel V, hoofdstuk III, afdeling II
(omvattende de artikelen 54 tot 57) van de basiswet bepaalde voorwaarden.
Die in titel V, hoofdstuk III, afdeling II van de basiswet bepaalde voorwaarden inzake de briefwisseling die de gedetineerde kan voeren en die voor alle gedetineerden gelden, dit is ongeacht of zij (al dan niet) aan een bijzondere veiligheidsmaatregel of een individueel bijzonder veiligheidsregime zijn onderworpen, omvatten - overigens niet in tijd beperkte -
controlemaatregelen in hoofde van de directeur of het door hem aangewezen personeelslid, om de inkomende en uitgaande briefwisseling te controleren op de aanwezigheid van vreemde voorwerpen of substanties en, wanneer daarvoor geïndividualiseerde aanwijzingen zijn, die briefwisseling te lezen.
Die controlemaatregelen beogen evenzo, aldus blijkt uitdrukkelijk uit de artikelen 55 en 56 van de basiswet, de handhaving van de orde of de veiligheid.
Ook deze door de basiswet voorziene controlemaatregelen inzake de briefwisseling betreffen derhalve maatregelen van inwendige orde met het oog op de ordehandhaving en veiligheid waartegen in principe geen annulatieberoep openstaat.
9. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.3). Uit de bestreden beslissing waaruit op het eerste gezicht een beoordeling in concreto van de individuele situatie van verzoeker blijkt, kan in de huidige stand van het geding niet worden afgeleid dat de maatregel is genomen om verzoeker (disciplinair) te bestraffen.
XIV-37.327- 6/8
10. Gelet op het voormelde moet in deze stand van het geding de bestreden beslissing duidelijk als een veiligheidsmaatregel worden beschouwd waarmee de goede werking van de instelling wordt verzekerd.
Overigens voert verzoeker in zijn verzoekschrift ook niet aan, noch doet hij dat op de terechtzitting, dat de bestreden maatregel een verholen of verkapte tuchtmaatregel zou zijn, laat staan dat hij met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk zou (trachten te) maken dat het determinerend motief van het veiligheidsregime erin bestaat hem te bestraffen.
In deze stand van het geding is er geen reden om in de bestreden maatregel iets anders te zien of te ontwaren dan een maatregel van inwendige orde die niet het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep en waarvan de Raad van State bijgevolg evenmin de schorsing kan bevelen.
De enkele omstandigheid dat, zoals verzoeker ter terechtzitting opmerkt, de beslissing, wat de rechtsmiddelen betreft, (onder meer) vermeldt dat ertegen een verzoekschrift tot nietigverklaring (in voorkomend geval voorafgegaan door een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid) binnen 60 dagen volgend op de kennisname van de beslissing, bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden ingediend, doet daaraan niets af.
11. De door de verwerende partij opgeworpen - maar desnoods ook ambtshalve op te werpen - exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden opgeworpen en bijgevallen.
VI. Conclusie
12. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet-ontvankelijk is.
XIV-37.327- 7/8
BESLISSING
De Raad van State verwerpt de vordering.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Nick Hollevoet Kaat Leus
XIV-37.327- 8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.490