Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.486 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.486 Généré par l'IA

Court dismisses suspension request for fine enforcement due to lack of proven urgency and failure to utilize installment plan.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.486
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's request to suspend the enforcement of a €10,650 fine regarding a housing inspection violation. The applicant argued that immediate payment would cause severe financial hardship, but failed to provide concrete evidence proving the situation was urgent enough to warrant suspension. The court emphasized that the applicant ignored the existing legal option to request an installment plan, which would have mitigated the financial burden.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State; A suspension of enforcement requires proof of urgency and specific evidence of immediate harm, which is insufficient if the applicant fails to utilize available installment arrangements.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement urgency requirement financial hardship installment plan Council of State housing inspection administrative fine paiement de l'amende

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Art. 11, § 1 of the Royal Decree of 5 December 1991
Art. 11, § 4 of the Royal Decree of 5 December 1991
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE Xe KAMER

nr. 237.486 van 24 februari 2017

in de zaak A. 221.042/X-16.816.

In zake : Karel ROLUS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Barbara Van Eeckhoudt kantoor houdend te 1082 Brussel Zelliksesteenweg 12/1

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evrard De Lophem kantoor houdend te 1050 Brussel Flageyplein 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 22 december 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, departement Brussel Stedelijke Ontwikkeling, afdeling Advies en Beroep van 25 oktober 2016 waarmee zij […] het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de Leidend ambtenaar van de Directie gewestelijke Huisvestingsinspectie van 12 september 2016 ontvankelijk, doch ongegrond verklaart en de geldboete ten bedrage van 10.650,00 EUR bevestigt”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld.

X-16.816-1/6

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017.

Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jasmien Foré, die loco advocaat Barbara Van Eeckhoudt verschijnt voor verzoeker en advocaat Tinne Wouters, die loco advocaat Evrard De Lophem verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Regelmatigheid van de rechtspleging

3. Het verzoekschrift is door de griffie van de Raad van State aan de verwerende partij toegezonden met een aangetekend schrijven van 27 december 2016, en zij heeft die zending op 29 december 2016 in ontvangst genomen. De vijftien dagen waarover de verwerende partij overeenkomstig artikel 11, eerste lid van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State‟ beschikte om een nota met opmerkingen in te dienen, lopen derhalve tot en met 13 januari 2017. De verwerende partij heeft haar nota pas op 16 januari 2017, en derhalve te laat, ingediend, zodat deze met toepassing van artikel 11, vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit uit het debat wordt geweerd. Wat erin is geschreven, wordt door de Raad louter als inlichting in aanmerking genomen.

X-16.816-2/6

IV. Feiten

4.1. De verzoeker is eigenaar van een appartement, gelegen aan de Vooruitgangstraat 258 te 1030 Brussel, dat verhuurd werd aan N.M. en A.L.. Op 3 juni 2015 legt eerstgenoemde huurder een klacht neer bij de directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

4.2. Op 10 september 2015 wordt er door voormelde dienst een plaatsbezoek uitgevoerd, waarna deze op 1 oktober 2015 een Franstalig schrijven aan verzoeker richt, houdende de vaststelling van inbreuken en het verbod om de woning verder te verhuren, alsook de mededeling dat verzoeker een administratieve boete van 10.650,00 euro zou worden opgelegd.

4.3. Op 2 juni 2016 wordt een Nederlandse versie van de voormelde mededeling van 1 oktober 2015 aan verzoeker verzonden. Tevens wordt verzoeker uitgenodigd om op 23 augustus 2016 gehoord te worden, hoorzitting waarop verzoeker niet aanwezig is. Naar hij aangeeft, was hij niet op de hoogte van dit schrijven, omdat hij in Spanje verbleef.

4.4. Op 12 september 2016 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat de directie Gewestelijke Huisvestingsinspectie de administratieve boete van 10.650 euro heeft bevestigd.

4.5. Met een schrijven van 23 september 2016 tekent verzoeker beroep aan tegen de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete bij de gemachtigde ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, departement Brussel Stedelijke Ontwikkeling.

4.6. Met een schrijven van 7 oktober 2016 wordt verzoeker ingelicht dat een hoorzitting zal plaatsvinden op 21 oktober 2016. De vraag van verzoeker om de hoorzitting te laten plaatsvinden na 30 oktober 2016, omdat hij gedurende de maand oktober in Spanje verblijft, wordt afgewezen. Verzoeker verschijnt niet

X-16.816-3/6

op de hoorzitting van 21 oktober 2016, maar wordt er wel vertegenwoordigd door zijn raadsman, die ook een nota neerlegt.

4.7. Op 25 oktober 2016 beslist de gemachtigde ambtenaar van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, departement Brussel Stedelijke Ontwikkeling, dat het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond is en dat de administratieve geldboete van 10.650 euro wordt bevestigd.

Dit is de bestreden beslissing.

V. Schorsingsvoorwaarden

5. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

VI. Spoedeisendheid

De aangevoerde spoedeisendheid

6. De verzoeker voert aan dat zijn vordering spoedeisend is, omdat hij werd veroordeeld tot het betalen van een geldboete van 10.650 euro binnen drie maanden, en het voor hem onmogelijk is om de geldboete binnen die termijn te betalen. Hij stelt dat overeenkomstig artikel 6 van de bestreden beslissing weliswaar afbetalingstermijnen kunnen worden aangevraagd, maar dat hij slechts over een bescheiden pensioen beschikt, en dat zijn spaarcenten zijn besteed aan een bescheiden appartementje in Spanje, waar hij ongeveer zes maanden per jaar verblijft. De bestreden beslissing zal volgens verzoeker ook in geval van afbetalingen een zware invloed op zijn leven hebben. Immers “is te verwachten dat maandelijks een aanzienlijke som dient betaald te worden, gelet

X-16.816-4/6

op de hoogte van de geldboete”. Indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst, zal hij “een ernstig fmancieel nadeel ondervinden”.

Beoordeling

7.1. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken.

In beginsel kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken werd uiteengezet en gestaafd.

7.2. Verzoeker toont in zijn verzoekschrift niet met concrete gegevens aan dat de financiële gevolgen die hij ingevolge de bestreden beslissing zal moeten ondergaan, een onmiddellijke schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden. Het volstaat daartoe niet op algemene wijze, zonder het bijbrengen van enig stavingsstuk, te beweren dat het voor hem onmogelijk is een geldboete van 10.650 euro binnen drie maanden te betalen.

7.3. Verzoeker gaat in zijn uiteenzetting bovendien al te gemakkelijk voorbij aan de in artikel 6 van de bestreden beslissing voorziene mogelijkheid om een afbetalingsplan aan te vragen. Een dergelijk afbetalingsplan strekt er precies toe verzoeker in de mogelijkheid te stellen om de geldboete op een voor hem financieel draaglijke manier af te betalen. Verzoekers algemene, niet-gestaafde beweringen dat hij slechts over “een bescheiden pensioen”

beschikt, dat hij zijn spaarcenten aan “een bescheiden appartementje” in Spanje heeft besteed, dat de bestreden beslissing ook in geval van afbetalingen een zware

X-16.816-5/6

invloed op zijn leven zal hebben, en dat “te verwachten [is] dat maandelijks een aanzienlijke som dient betaald te worden, gelet op de hoogte van de geldboete”, volstaan allerminst om aan deze mogelijkheid voorbij te gaan.

7.4. Gelet op wat voorafgaat, toont de verzoeker het spoedeisend karakter van zijn vordering niet aan.

VII. Besluit

8. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen.

BESLISSING

De Raad van State verwerpt de vordering.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig februari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:

Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier.

De griffier De voorzitter

Frank Bontinck Stephan De Taeye

X-16.816-6/6

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.486