Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.461 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.461 Généré par l'IA

Court dismisses appeal due to failure to request hearing after rejection of stay of execution.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.461
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State declared the applicant's procedural waiver of the proceedings valid because they failed to request a hearing after the rejection of their stay of execution. The applicant had previously sought to suspend the enforcement of decisions by the Brussels Capital Region and the Brussels Institute for Environmental Management regarding noise pollution regulations. Since the applicant did not exercise their right to be heard within the prescribed fifteen-day period, the court ruled that the waiver was established and dismissed the appeal.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 17, § 7 of the Council of State Rules; Article 11/3, § 1 of the 1948 Decree: A party is deemed to have waived their right to continue proceedings if they do not request a hearing within fifteen days after being notified of the rejection of a stay of execution.

Mots-clés

Généré par l'IA
waiver of proceedings stay of execution right to be heard procedural waiver Council of State Rules protection contre le bruit degré de sensibilité indemnisation du bruit aéroportuaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 7 of the Council of State Rules
Article 11/3, § 1 of the Decree of the Regent of 23 August 1948

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Arrêt nr. 236.402 van 10 november 2016
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 237.461 van 23 februari 2017

in de zaak A. 220.002/VII-39.749.

In zake : de NV BRUSSELS AIRPORT COMPANY

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gauthier van Thuyne en Esther Theyskens kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 268 A

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Tulkens en Julie Vanhoenacker kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 120

bij wie woonplaats wordt gekozen 2. het BRUSSELS INSTITUUT VOOR

MILIEUBEHEER (BIM)

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacques Sambon kantoor houdend te 1030 Brussel Wijnheuvelenstraat 227

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing d.d. 19 mei 2016 van Minister Céline Fremault van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest […], alsook de beslissing van het BIM […] tot opheffing van de tolerantie met betrekking tot de vaststelling van inbreuken op het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door luchtverkeer […]”.

VII-39.749-1/3

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 236.402 van 10 november 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen.

Het genoemde arrest is op 22 november 2016 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht.

Op 17 januari 2017 heeft de hoofdgriffier aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Beoordeling

3. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.

Bij het arrest nr. 236.402 van 10 november 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen.

De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

VII-39.749-2/3

De hoofdgriffier heeft de verzoekende partij medegedeeld, met toepassing van artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zou uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen zou vragen om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord.

Er bestaat aanleiding om de afstand van het geding vast te stellen.

BESLISSING

1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast.

2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro zowel verschuldigd aan de eerste verwerende partij als aan de tweede verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Pierre Lefranc

VII-39.749-3/3

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.461