Court annuls Flemish environmental permit due to insufficient legal reasoning on vibration nuisance and spatial planning compliance.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Court of Cassation annulled the Flemish Minister's decision partially granting a waste facility permit to Patrick Boden. The applicant argued the decision lacked sufficient legal reasoning regarding vibration nuisance and spatial planning compliance, noting the original decision only briefly referenced site visits without detailed analysis. The court agreed that these specific issues were relevant and required thorough examination, leading to the annulment of the contested decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Administrative Justice; A decision granting a permit is void if it fails to provide sufficient legal reasoning on relevant issues such as environmental nuisance or spatial planning, requiring a detailed analysis rather than mere reference to site visits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.458 van 23 februari 2017
in de zaken I. A. 213.250/VII-39.183
II. A. 213.276/VII-39.188.
In zake : I.
de NV AQUACARE BELGIUM - PRODUCTION AND
PROMOTION COMPANY
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ward Robben kantoor houdend te 3510 Kermt - Hasselt Heerstraat 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
II. de BVBA TURBO SERVICE BELGIUM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Wouter Moonen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het VLAAMSE GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij :
Patrick BODEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81
bij wie woonplaats wordt gekozen
VII-39.183 & VII-39.188-1/26
I. Voorwerp van de beroepen
1. De beroepen, in de zaak sub I ingesteld op 30 juli 2014 en in de zaak sub II ingesteld op 2 augustus 2014, strekken tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 mei 2014 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 4 augustus 2011, houdende het deels verlenen, deels weigeren van de milieuvergunning aan Patrick Boden voor een inrichting voor opslag en sortering van schroot, kabelafval en afgedankte elektrische en elekronische apparaten, gelegen aan de Industrieweg 1020 in Herk-de-Stad, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij telkens een memorie van wederantwoord.
De tussenkomende partij heeft in beide zaken een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikkingen van 20 oktober 2014. De tussenkomende partij heeft telkens een memorie ingediend.
Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft in beide zaken een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft telkens een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft in de zaak sub II een laatste memorie ingediend.
VII-39.183 & VII-39.188-2/26
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Hilde Van Gorp, die loco advocaat Ward Robben verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub I, en advocaat Nick Parthoens, die loco advocaten Koen Geelen en Wouter Moonen verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub II, advocaat Dirk Abbeloos, die in beide zaken verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joris Gebruers, die in beide zaken loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De tussenkomende partij baat in Herk-de-Stad, aan de Industrieweg 1008, sedert 1981 een garage/carrosserie uit. Dit bedrijf is geëvolueerd tot een inrichting voor opslag en verwerking van schroot. De planologische bestemming volgens het gewestplan Hasselt - Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is industriegebied.
3.2. De verzoekende partij in de zaak sub I baat een bedrijf uit dat gespecialiseerd is in waterbehandeling, en verdeler is van waterontharders en drinkwatersystemen. Zij is gevestigd op het industrieterrein Daelemveld, Industrieweg 1026 in Herk-de-Stad.
VII-39.183 & VII-39.188-3/26
De verzoekende partij in de zaak sub II baat een bedrijf uit dat als activiteit heeft het afstellen en reviseren van turbo‟s. Zij is gevestigd op het industrieterrein Daelemveld, Industrieweg 1014 in Herk-de-Stad.
3.3. Op 25 januari 2011 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor een hernieuwing van een milieuvergunning voor het verder exploiteren van een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, onder meer voor afgedankte voertuigen, gelegen aan de Industrieweg 1008 in Herk-de-Stad.
3.4. Zij dient tegelijkertijd een aanvraag in voor een inrichting voor opslag, sortering en bewerking van schroot, gelegen aan de Industrieweg 1020, ook in Herk-de-Stad. Die aanvraag betreft een nieuwe exploitatievergunning. Er wordt gesteld dat de ruimte waarover de bestaande inrichting op de Industrieweg 1008 beschikt, te beperkt is geworden. Voorts vermeldt de aanvraag dat het bedrijf installaties zal bevatten voor het opslaan en sorteren, dit is het manueel of met lichte gereedschappen bijeenvoegen van schroot, afgedankte elektrische en elektronische apparaten, afvalkabels en aanverwante producten.
Daarnaast is er de opslag en sortering van kabelafval, zowel gevaarlijk als niet-gevaarlijk, en niet-gedepollueerde afgedankte elektrische en elektronische apparaten (hierna: AEEA). Als nieuwe activiteit is ook de sortering en depollutie van AEEA opgenomen. Het bedrijf wordt geëxploiteerd in een regime van zes dagen per week. Aan- en afvoeren, en bijgevolg overslaan en mechanisch behandelen van AEEA, gebeuren tussen 7 en 19 uur.
3.5. Tijdens het openbaar onderzoek worden drie schriftelijke bezwaren ingediend, onder meer door de verzoekende partijen, waarin onder meer gewag wordt gemaakt van reeds bestaande ernstige hinder.
3.6. De deputatie van de provincieraad van Limburg verleent op 4 augustus 2011 de vergunning onder voorwaarden voor de exploitatie aan de Industrieweg 1020. De vergunning wordt geweigerd voor de opslag en sortering van de overige 100 ton schroot, van de overige 5 ton koel- en vriesapparaten en de
VII-39.183 & VII-39.188-4/26
overige 15 ton beeldbuishoudende AEEA-toestellen, en de opslag en mechanische bewerking van de overige 120 ton AEEA.
3.7. Tegen deze beslissing wordt beroep aangetekend door drie omliggende bedrijven, waaronder de verzoekende partijen.
3.8. Op 4 april 2012 wordt aan de tussenkomende partij de vergunning verleend voor een termijn tot 4 augustus 2031, voor het exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot, kabelafval en AEEA, gelegen aan de Industrieweg 1020 te Herk-de-Stad, op de kadastrale percelen, afdeling 1, sectie A, perceelnrs. 255/F en 255/G, omvattende:
“- opslag van max. 2 ton batterijen door derden aangeleverd (klasse 1);
- opslag en sortering (het manueel of met lichte gereedschappen soort bij soort voegen) van max. 15 ton niet-gevaarlijk kabelafval en max. 300 ton schroot - totaal 315 ton (klasse 1);
- opslag en sortering van max. 15 ton gevaarlijk kabelafval, max. 5 ton koel- en vriesapparaten (KV) en max. 5 ton beeldbuishoudende AEEA
toestellen (TVM) - totaal 25 ton (klasse 1);
- opslag en mechanische bewerking (sortering, depollutie en ontmanteling)
van AEEA (afgedankte elektrische en elektronische apparaten) zijnde grote huishoudelijke apparaten (GW) en overige kleine AEEA (OVE) + opslag van de gedemonteerde onderdelen zijnde condensators die eventueel PCB‟s bevatten, elektrolytische condensators, kwikhoudende onderdelen, batterijen en accumulatoren, printplaten, tonercassettes, asbesthoudende onderdelen, kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten, onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten, uitwendige elektrische kabels, gasontladingslampen, niet elders ingedeelde vloeistoffen en radio-actieve onderdelen - de totale opslag bedraagt max. 30 ton (klasse 1);
- het lozen van max. 2 m³/u - 10 m³/dag - 1.900 m³/jaar bedrijfsafvalwater in de openbare riolering (klasse 2);
- een stalplaats voor 3 heftrucks en 3 vrachtwagens (klasse 3);
- opslag van 1.000 liter mazout en 1.000 liter afvalolie in verplaatsbare recipiënten (klasse 3);
- opslag van 1.000 liter oliën in verplaatsbare recipiënten (klasse 3)”.
De milieuvergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling van de overige 100 ton schroot, de opslag en sortering van de overige 5 ton koel- en vriesapparaten, de overige 15 ton beeldbuishoudende AEEA toestellen, en de opslag en mechanische bewerking van de overige 120 ton
VII-39.183 & VII-39.188-5/26
AEEA.
Als bijzondere voorwaarde wordt onder meer voorzien in een groenscherm van vijf meter achteraan het terrein, en van twee meter aan de linkerkant en één meter aan de rechterkant van het terrein.
De voorwaarde van het aanleggen van een vier meter hoge geluidsmuur wordt geschrapt.
3.9. Bij arrest van de Raad van State nr. 225.294 van 31 oktober 2013
wordt deze beslissing nietig verklaard.
3.10. In het kader van de hernomen beroepsprocedure worden de volgende adviezen ingewonnen:
- de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) verleent een gunstig advies;
- de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen verleent een gunstig advies;
- de Vlaamse milieumaatschappij behoudt haar advies eerste aanleg met betrekking tot het aspect lozing afvalwater;
- de afdeling Milieuvergunningen geeft op 14 december 2011 een deels gunstig, deels ongunstig advies.
- de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) adviseert, nadat de tussenkomende partij op 23 december 2013 werd gehoord, deels gunstig, deels ongunstig. Zij stelt voor het besluit te wijzigen, zoals ook voorgesteld door de afdeling Milieuvergunningen.
3.11. Op 23 mei 2014 verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur aan de tussenkomende partij de vergunning voor een termijn, verstrijkend op 4 augustus 2031, voor het exploiteren van een inrichting voor opslag en sortering van schroot, kabelafval en AEEA, gelegen aan de Industrieweg 1020 te Herk-de-Stad, op de kadastrale percelen, afdeling 1, sectie A,
VII-39.183 & VII-39.188-6/26
perceelnrs. 255/F en 255/G, omvattende:
“- opslag van max. 2 ton batterijen door derden aangeleverd (klasse 1);-
opslag en sortering (het manueel of met lichte gereedschappen soort bij soort voegen) van max. 15 ton niet-gevaarlijk kabelafval en max. 300 ton schroot -
totaal 315 ton (klasse 1);
- opslag en sortering van max. 15 ton gevaarlijk kabelafval, max. 5 ton koel- en vriesapparaten (KV) en max. 5 ton beeldbuishoudende AEEA
toestellen (TVM) - totaal 25 ton (klasse 1);
- opslag en mechanische bewerking (sortering, depollutie en ontmanteling)
van AEEA (afgedankte elektrische en elektronische apparaten) zijnde grote huishoudelijke apparaten (GW) en overige kleine AEEA (OVE) + opslag van de gedemonteerde onderdelen zijnde condensators die eventueel PCB‟s bevatten, elektrolytische condensators, kwikhoudende onderdelen, batterijen en accumulatoren, printplaten, tonercassettes, asbesthoudende onderdelen, kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten, onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten, uitwendige elektrische kabels, gasontladingslampen, niet elders ingedeelde vloeistoffen en radio-actieve onderdelen - de totale opslag bedraagt max. 30 ton (klasse 1);
- het lozen van max. 2 m³/u - 10 m³/dag - 1.900 m³/jaar bedrijfsafvalwater in de openbare riolering (klasse 2);
- een stalplaats voor 3 heftrucks en 3 vrachtwagens (klasse 3);
- opslag van 1.000 liter mazout en 1.000 liter afvalolie in verplaatsbare recipiënten (klasse 3);
- opslag van 1.000 liter oliën in verplaatsbare recipiënten (klasse 3)”.
De milieuvergunning wordt geweigerd voor de opslag en mechanische behandeling van de overige 100 ton schroot, de opslag en sortering van de overige 5 ton koel- en vriesapparaten, de overige 15 ton beeldbuishoudende AEEA toestellen, en de opslag en mechanische bewerking van de overige 120 ton AEEA.
De wijzigingen, voorgesteld door de afdeling Milieuvergunningen en de GMVC, worden grotendeels in de bestreden beslissing overgenomen. Er wordt tevens in voorzien dat een interne procedure wordt opgesteld om de wachtende leveranciers te verzoeken de motor van hun voertuig af te zetten, hetgeen door middel van borden duidelijk zal worden gemaakt.
Dit is de bestreden beslissing.
VII-39.183 & VII-39.188-7/26
IV. Samenhang
4. De tussenkomende partij verzoekt om de zaak samen te voegen met andere zaken waarin zij in dezelfde hoedanigheid optreedt.
Met het oog op een goede rechtsbedeling worden de zaken A. 213.250/VII-39.183 en A. 213.276/VII-39.188, die betrekking hebben op dezelfde bestreden beslissing, samengevoegd.
De zaken die betrekking hebben op een andere beslissing kunnen los van deze worden behandeld, zonder dat daardoor een goede rechtsbedeling in het gedrang wordt gebracht.
V. Onderzoek van de middelen
Zaak 213.250/VII-39.183
A. Eerste middel
Standpunten van de partijen
5. De verzoekende partij roept de schending in van de artikelen 1.1.4 en 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
VII-39.183 & VII-39.188-8/26
Zij betoogt dat de bestreden beslissing ten onrechte oordeelt dat de vergunningsaanvraag in overeenstemming is met de goede ruimtelijke ordening. De ruimtelijke toestand in de onmiddellijke omgeving werd volgens haar niet concreet onderzocht en haar uitvoerige bezwaren daaromtrent zouden onvoldoende zijn beantwoord. De bestreden beslissing zou onvoldoende motieven bevatten waaruit de afweging van de goede ruimtelijke ordening blijkt. De verzoekende partij verwijst daarbij naar haar beroepschrift tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg, naar de bezwaren die zij aanvoerde tijdens het openbaar onderzoek, naar het vernietigingsarrest en naar het auditoraatsverslag in de vorige vergunningszaak.
6. De verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening wordt volgens de verwerende partij besproken in verscheidene overwegingen die zij citeert. De Raad van State heeft ter zake volgens haar slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. De betrokken inrichting ligt volgens haar in het enige juiste planningsgebied, namelijk industriegebied. Zij begrijpt niet hoe de activiteiten van andere bedrijven zouden kunnen leiden tot een onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en wijst erop dat de inpasbaarheid van de exploitatie tussen de andere bedrijven in de omgeving in wezen in een planologisch kader moet worden gezien, met name de ligging in het correcte bestemmingsgebied. De ligging van de inrichting van de verzoekende partij schendt volgens haar niet op zich de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. Voorts tracht de verwerende partij de vermeende hinderaspecten te weerleggen.
7. De tussenkomende partij stelt in de toelichtende memorie dat de artikelen 1.1.4 en 4.3.1, § 2, VCRO, die betrekking hebben op stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, niet het toetsingskader kunnen vormen dat de verzoekende partij voor ogen heeft. Een schending van deze artikelen is volgens haar niet aan de orde en kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
Zij wijst op de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het onderzoek naar de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting zich niet
VII-39.183 & VII-39.188-9/26
enkel beperkt tot een toetsing aan de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, maar ook aandacht dient te hebben voor de stedenbouwkundige verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening.
Gelet op de eigen specificiteit van de milieuvergunningprocedure is het volgens de tussenkomende partij evident dat deze toetsing niet kan worden gelijkgesteld met de toetsing die dient te gebeuren in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure.
Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt volgens de tussenkomende partij dat de verwerende partij heeft geoordeeld dat er zich binnen een straal van 100 meter rond de perceelsgrens zes woningen bevinden, dat de dichtste woning zich op circa 70 meter van de inrichting bevindt, dat de inrichting gelegen is in het Vogelrichtlijngebied, op 320 meter van de Demervallei, dat gelet op de grote afstand van de Demervallei dit Habitatrichtlijngebied geen significante negatieve effecten zal ondervinden, dat op het terrein reeds een L-vormig bedrijfsgebouw aanwezig is en een stapelzone in open lucht, dat het terrein een drie meter hoge omheining heeft, dat er een verharde zone aanwezig is tussen de openbare weg en de bedrijfsgebouwen, dat de druk bereden Grote Baan gelegen is tussen de exploitatie en de dichtstbij gelegen woningen, dat de activiteiten van de aanvrager de bewoners van het woongebied niet hinderen, dat de verzoekende partij een bedrijf vormt op industrieterrein en, concluderend, dat de inrichting verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.
Uit bepaalde overwegingen in het bestreden besluit blijkt - steeds volgens de tussenkomende partij - dat de verwerende partij de belendende percelen heeft betrokken in de beoordeling en dat de exploitatie voor de omgeving geen lawaai-, geur-, rook-, stof-, geluid- en trillingshinder oplevert voor haar omgeving.
Volgens de tussenkomende partij is de verwerende partij onder meer op basis van deze overwegingen terecht tot de conclusie gekomen dat de aanvraag verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en met de goede
VII-39.183 & VII-39.188-10/26
ruimtelijke ordening en dat “de aanvraag zal komen te liggen tussen grote en kleinere bedrijven”.
Het is volgens haar voorts niet juist dat de verwerende partij de gehele beoordeling van de verenigbaarheid met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening steunt op de loutere vaststelling dat de aanvraag ligt tussen grote en kleinere bedrijven. Uit de geciteerde overwegingen blijkt volgens haar dat de aanvraag “zich verstaat” met zijn omgeving. De hinder die voortvloeit uit een exploitatie vormt immers een wezenlijk onderdeel van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening.
De grieven van de verzoekende partij handelen ten slotte volgens de tussenkomende partij veeleer over de hinderaspecten van de aanvraag en niet zozeer over de wijze waarop de constructies waar de activiteiten plaatsvinden zich manifesteren in de omgeving en op welke wijze zij een impact hebben op de goede ruimtelijke ordening. Zij besluit dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening weliswaar, “voor zover daar klare aanleiding toe bestaat”, rekening dient te houden met de hinder die het aangevraagde teweeg brengt, maar dat dit niet betekent dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de omgeving puntsgewijs al deze onderdelen moet behandelen.
8. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat zij niet inziet “welke interferenties er zouden voorhanden zijn tussen hetgeen voorwerp vormt van de bestreden beslissing en omliggende bedrijvigheid (inzonderheid de bedrijvigheid van verzoeker), en welke niet aan bod zijn gekomen in de bestreden beslissing”.
Beoordeling
9. Artikel 21, § 2, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, bepaalt dat het advies van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, een gemotiveerde beoordeling dient
VII-39.183 & VII-39.188-11/26
te bevatten “van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een [milieu]vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening”. Hieruit vloeit voort dat de onverenigbaarheid van een inrichting met de goede plaatselijke ordening tot de weigering van de milieuvergunning kan leiden.
De bestreden beslissing bevat vooreerst een beschrijving van de ligging van de inrichting ten opzichte van de dichtstbijzijnde woningen, en een beschrijving van de inrichting zelf.
De stedenbouwkundige beoordeling van de milieuvergunnings-
aanvraag luidt als volgt:
“Overwegende dat overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de industriegebieden bestemd zijn voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven en dat deze gebieden een bufferzone bevatten;
Overwegende dat het bijzonder plan van aanleg „Daelem Veld‟ niet langer van kracht is;
Overwegende dat de volgende stedenbouwkundige vergunning is verleend:- 20 juli 1990: het oprichten van een loods;
Overwegende dat beide inplantingen gemakkelijk bereikbaar zijn vanaf de ringweg noordelijk van de gemeentekern; dat de industrieweg die meerdere industriële bedrijven bedient, maar over korte afstand moet gebruikt worden;
dat de ontsluiting van de bedrijvigheid als aanvaardbaar moet worden beschouwd;
Overwegende dat de inrichting gelegen in industriegebied verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”.
Een beoordeling van de goede plaatselijke aanleg dient vooreerst uit te gaan van de concrete kenmerken van de nabije omgeving. De formele motivering schiet op dit punt tekort, hoewel verschillende elementen in dit dossier op de noodzaak wijzen om de verenigbaarheid van de inrichting met de goede ruimtelijke ordening nader te onderzoeken en te motiveren.
VII-39.183 & VII-39.188-12/26
Zo spitsen de bezwaren van de omliggende bedrijven tijdens het openbaar onderzoek en de argumentatie in de administratieve beroepsschriften - waaronder die van de verzoekende partij - zich onder meer toe op de schending van de goede ruimtelijke ordening. Als beroepsargument voert de verzoekende partij onder meer aan dat de exploitatie zou moeten worden geherlocaliseerd wegens schending van de goede ruimtelijke ordening, onder andere omdat de meeste bedrijven in de omgeving KMO-bedrijven zijn of minstens geen bedrijven met industriële activiteiten, waaronder enkele die zich toeleggen op de voedingssector. Gezien deze omgeving acht zij een industriële activiteit met alle mogelijke hinder niet bestaanbaar met de geschetste omgeving en met de ruimtelijke ordening. Een goede plaatselijke ordening verdraagt geen activiteiten van een schrootbedrijf, die industrieel van aard zijn en ernstig gevaar en vervuiling opleveren. Bovendien merkt zij in haar beroepschrift op dat de deputatie van de provincieraad van Limburg in haar beslissing dit bezwaar niet heeft onderzocht, noch in rekening heeft gebracht.
Uit de vergunningsaanvraag blijkt dat het een bedrijf betreft voor opslag, sortering en mechanisch behandelen van, onder meer, schroot. Het betreft hier bovendien een tweede inrichting, door de aanvrager zelf gezien als milieutechnisch verbonden met een reeds bestaande schrootverwerkende inrichting op 50 meter afstand, eveneens voorwerp van een milieuvergunningsaanvraag en van klachten omtrent de schending van de goede ruimtelijke ordening. Het bedrijf van de verzoekende partij ligt naast een bedrijf van de tussenkomende partij. In het licht van de toereikendheid van de formele motivering is het niet evident dat het schrootverwerkend bedrijf, gelet op de eigen aard ervan, verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving. Bovendien heeft de hinderverwekkende aard van het bedrijf ook specifieke stedenbouwkundige implicaties zoals blijkt uit de opeenvolgende standpunten van overheden en adviesinstanties omtrent het groenscherm en de vier meter hoge muur, die tot doel had om de geluidshinder te beperken.
VII-39.183 & VII-39.188-13/26
De bestreden beslissing bevat geen feitelijke beschrijving van de kenmerken van de naaste omgeving. De vraag dringt zich nochtans op of dergelijk bedrijf, met al zijn hinderlijke aspecten, in stedenbouwkundig opzicht verenigbaar is met de “goede plaatselijke ruimtelijke ordening”. Het gegeven dat het hier om een “industriële onderneming” in “industriegebied” gaat, ontslaat de overheid er niet van dit onderzoek te voeren, nu ook de specifieke kenmerken van een industriële omgeving bepalend kunnen zijn voor de vraag naar de ruimtelijke inpasbaarheid. De opheffing van het BPA Daelemveld, dat de ruimtelijke indeling op het industrieterrein mede vorm heeft gegeven, brengt niet met zich mee dat over een verder onderzoek naar de overeenstemming met de onmiddellijke omgeving kan worden heengestapt.
De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij doet hieraan niets af.
De bestreden beslissing is dus niet afdoende gemotiveerd wat betreft de overeenstemming van de inrichting met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de omgeving.
Het eerste middel is gegrond.
B. Tweede middel
Standpunten van de verzoekende partij
10. De verzoekende partij voert in het tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet.
Zij betoogt dat de bestreden beslissing verwijst naar verschillende adviezen - die deels gunstig, maar ook deels ongunstig zijn - maar dat de inhoud van die adviezen niet wordt weergegeven en dat er in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom zij niet worden gevolgd.
VII-39.183 & VII-39.188-14/26
Dit gebrek wordt volgens haar duidelijk doordat in het bestreden besluit “totaal ongemotiveerd” wordt overgegaan tot de schrapping van de aanleg van een geluidsmuur als bijkomende voorwaarde, en doordat niet wordt toegelicht waarom een afwijking wordt toegestaan op het wettelijk voorgeschreven groenscherm van vijf meter, en waarom een groenscherm van één meter aan de ene zijde en een scherm van twee meter aan de andere zijde van hetzelfde perceel wordt opgelegd. De verantwoording van de “globale” afwijking van de decretale voorschriften met de stelling dat het perceel te klein is en dat de buren van het bedrijf alleen bedrijven zijn, is volgens haar duidelijk ontoereikend.
11. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat, wanneer een beslissingtreffende overheid het recht zou hebben om in haar beslissing louter te verwijzen naar adviezen zonder deze naar hun inhoud op te nemen en zonder te verduidelijken waarom zij al dan niet akkoord gaat met het verstrekte advies, het principe van de motiveringsverplichting zonder inhoud zou zijn.
Beoordeling
12. De artikelen 2 en 3 van de motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de motiveringswet bestaat erin dat de betrokkene in de beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen
VII-39.183 & VII-39.188-15/26
komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
De motiveringswet houdt op zich niet de verplichting in om de inhoud van de ingewonnen adviezen in de beslissing op te nemen. Die verplichting bestaat enkel indien aan de formelemotiveringsplicht wordt voldaan door verwijzing naar een advies.
De bestreden beslissing bevat evenwel zelf een formele motivering.
Uit het administratief dossier blijkt dat de “deels ongunstige”
adviezen van de GMVC en de afdeling Milieuvergunningen verband houden met de ingestelde beroepen tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg, die deels gegrond zijn verklaard. Hierbij werd voorgesteld het besluit van de deputatie te wijzigen, wat betreft artikel 4, § 2, middels toevoeging, vervanging en schrapping, en dat de overige bepalingen van het besluit worden bevestigd. De bestreden beslissing volgt de adviezen volledig op deze punten en ook het overwegend gedeelte is gelijklopend. De bestreden beslissing wijkt niet af van deze adviezen, zodat in dat opzicht geen bijkomende formele motivering nodig was.
Het tweede middel is niet gegrond.
Zaak 213.276/VII-39.188
A. Tweede middel
Standpunten van de partijen
13. Het tweede middel steunt op de schending van artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet van
VII-39.183 & VII-39.188-16/26
29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De verzoekende partij betoogt dat de stedenbouwkundige vergunning voor het perceel Industrieweg 1020 definitief is geweigerd bij beslissing van 29 november 2011.
De geweigerde stedenbouwkundige vergunningsaanvraag betrof onder meer de wettelijk verplichte en noodzakelijke aanleg van een vloeistofdichte vloer om insijpeling van afvalstoffen in de grond te voorkomen. Ook conform het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II) is dergelijke vloer verplicht.
De stedenbouwkundige vergunning zou bijgevolg een absolute vereiste zijn om de geplande activiteiten te kunnen uitvoeren en wordt ook betrokken bij de beoordeling van de milieuvergunning door de minister.
De verzoekende partij wijst erop dat de milieuvergunning op grond van artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet vervalt wanneer de stedenbouwkundige vergunning definitief is geweigerd, zodat ingevolge de principes van de koppeling en de milieutechnische eenheid, de milieuvergunningsaanvraag en de vergunningsbeslissing van de deputatie te dezen is vervallen. Het beroep bij de minister was volgens haar zonder voorwerp en de minister had minstens het verval van de milieuvergunning moeten vaststellen.
Door het beroep toch te beoordelen zou de minister haar bevoegdheid overschrijden.
14. De verwerende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State die stelt dat wanneer een milieuvergunning meerdere afsplitsbare inrichtingen betreft, de koppeling van artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet enkel van toepassing is op inrichtingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning moet worden verkregen om de exploitatielokalen te realiseren.
VII-39.183 & VII-39.188-17/26
Bovendien moet het gaan om een zogenaamde corresponderende stedenbouwkundige vergunning. Te dezen is volgens haar geen enkel onderdeel van de stilzwijgend geweigerde stedenbouwkundige vergunning vereist om de milieuvergunningsaanvraag ten uitvoer te leggen.
15. Volgens de tussenkomende partij voorziet artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet enkel in de uitdrukkelijke sanctie van verval na het afleveren van een milieuvergunning. De werking van de vervalkoppeling vereist volgens haar een positieve beslissing over de milieuvergunningsaanvraag en het genoemde artikel 5 voorziet volgens haar niet in de plicht om een lopende milieuvergunningsaanvraag te weigeren bij een definitieve weigering van de stedenbouwkundige vergunning. De verwerende partij zou evenmin haar bevoegdheid verliezen.
Voorts betreft de stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van een bestaande zijbouw, het plaatsen van een vloeistofdichte vloer en het plaatsen van scheidingsmuren volgens de tussenkomende partij geen corresponderende stedenbouwkundige vergunning zoals bedoeld in artikel 4 van het milieuvergunningsdecreet. De zeer beperkte stedenbouwkundige vergunningsaanvraag geeft, steeds volgens de tussenkomende partij, helemaal geen uitvoering aan de milieuactiviteit die werd vergund ingevolge het bestreden besluit, zoals ook blijkt uit het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar geciteerd in het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Herk-de-Stad.
Indien de geciteerde stedenbouwkundige vergunning werkelijk zou corresponderen met het voorwerp van de bestreden milieuvergunning, zou de verzoekende partij zich volgens de tussenkomende partij zeer eenvoudig op artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet kunnen beroepen, en diende zij geen beroep voor de Raad van State in te stellen. In dat geval zou de procedure zonder voorwerp zijn.
VII-39.183 & VII-39.188-18/26
16. De verzoekende partij repliceert in de memorie van wederantwoord dat noch de verwerende, noch de tussenkomende partij betwist dat de stedenbouwkundige aanvraag vergunningsplichtige handelingen tot voorwerp had die onontbeerlijk waren voor de milieuvergunning, zoals de aanleg van een vloeistofdichte vloer om insijpeling van afvalstoffen in de grond te voorkomen.
Zij merkt bovendien op dat in de bestreden beslissing als feitelijk gegeven rekening werd gehouden met het bestaan van een vloeistofdichte vloer, terwijl de noodzakelijke vergunning daartoe definitief was geweigerd op datum van de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag. Dergelijke beoordeling, op grond van onbestaande feitelijke gegevens, strookt volgens de verzoekende partij vanzelfsprekend niet met de zorgvuldigheidsplicht.
17. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij nog toe dat de visie als zou een volledige milieuvergunning dreigen te vervallen “indien ook maar het minste onderdeel van de inrichting stedenbouwkundig wordt geweigerd” niet overeenstemt met de bedoeling van de decreetgever.
Beoordeling
18. Artikel 5, § 2, vijfde lid, van het milieuvergunningsdecreet, bepaalt dat wanneer de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, de milieuvergunning van rechtswege vervalt.
Deze koppelingsregeling gaat uit van de vooronderstelling dat de milieuvergunning wordt verleend op een ogenblik dat nog geen beslissing is genomen over de aanvraag tot het verkrijgen van de voor het project vereiste stedenbouwkundige vergunning. Ze verhindert in de eerste plaats de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in afwachting van het verkrijgen van de vereiste stedenbouwkundige vergunning. Waar artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet op dwingende wijze het lot regelt van de verleende milieuvergunning wanneer de bouwaanvraag later resulteert in een definitieve
VII-39.183 & VII-39.188-19/26
weigering, biedt deze bepaling geen rechtsgrond voor de stelling dat de weigering van de stedenbouwkundige vergunning meebrengt dat een op dat ogenblik onbestaande milieuvergunning van rechtswege vervalt.
Het tweede middel is niet gegrond.
B. Derde middel
Standpunten van de partijen
19. De verzoekende partij voert in een eerste onderdeel de schending aan van de artikelen 20 en 22 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 43 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) en van artikel 4.1.3.2 van Vlarem II. Zij voert tevens de schending aan van de motiveringsplicht zoals bepaald bij artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 30, § 1, 5°, van Vlarem I, artikel 36ter, § 3, lid 1 tot 3 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, onder meer het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”.
Volgens de verzoekende partij werd de hinderlijkheid van de exploitatie op ontoereikende wijze beoordeeld en beantwoordt de verwerende partij onvoldoende de bezwaren en beroepsgrieven terzake. Zij wijst op onaanvaardbare trillingshinder door een verviervoudiging van het vermogen ten opzichte van de bestaande schaar/persinstallatie met economische schade tot gevolg. Zij gaat voorts in op de lawaaihinder, de verkeershinder, de onvoldoende maatregelen tegen stofhinder, puin en afval, en op de geurhinder.
Het tweede onderdeel steunt op de schending van de in het eerste onderdeel vermelde bepalingen en beginselen en daarenboven op de schending van
VII-39.183 & VII-39.188-20/26
artikel 21, § 2, 25, 2°, en 29, 2°, van Vlarem I, artikel 1.1.4 en 4.3.1, § 2, VCRO.
De verzoekende partij stelt onder meer dat er geen beoordeling werd gemaakt van de functionele inpasbaarheid en ruimtelijke draagkracht, van de schaal en het ruimtegebruik, en van de economische en sociale gevolgen. Het zijn volgens haar precies deze aspecten die worden geschonden. Over de inpasbaarheid van de exploitatie tussen de andere bedrijven in de omgeving, de geprangde ligging van de verzoekende partij tussen de bedrijven van de tussenkomende partij, de economische gevolgen voor de verzoekende partij en de hinder die in de toekomst zal uitgaan van de twee vestigingen, wordt volgens haar met geen woord gerept in de bestreden beslissing.
20. De verwerende partij herinnert er wat het eerste onderdeel betreft aan dat de bestreden beslissing “grotendeels een hernieuwing van een milieuvergunning betreft”. Zij wijst erop dat voor geen enkel hinderaspect een klacht werd voorgelegd, noch een proces-verbaal (bijvoorbeeld trillingshinder) en dat het gegeven dat zich geen hinder voordoet wordt bevestigd door de plaatsbezoeken. Voorts geldt volgens haar in industriegebied een hogere tolerantiegraad voor hinder.
De verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening wordt volgens de verwerende partij besproken in verscheidene overwegingen die zij citeert. De Raad van State heeft terzake volgens haar slechts een marginale toetsingsbevoegdheid. De betrokken inrichting ligt volgens haar in het enige juiste planningsgebied, namelijk industriegebied. Zij begrijpt niet hoe de activiteiten van andere bedrijven zouden kunnen leiden tot een onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en wijst erop dat de inpasbaarheid van de exploitatie tussen de andere bedrijven in de omgeving in wezen in een planologisch kader moet worden gezien, met name de ligging in het correcte bestemmingsgebied. De ligging van de verzoekende partij tussen de twee bedrijven van de betrokken exploitant schendt volgens haar geenszins op zich de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening. Steeds volgens de verwerende partij verwijst de verzoekende partij
VII-39.183 & VII-39.188-21/26
weliswaar naar een aantal hinderaspecten, doch niet naar een wezenlijke stedenbouwkundige problematiek.
21. De tussenkomende partij betoogt in essentie dat de verzoekende partij het dossier opnieuw aan een opportuniteitstoets wil onderwerpen. De verzoekende partij levert volgens haar geen inhoudelijke kritiek op de “terechte conclusie” van de verwerende partij, en plaatst enkel haar argumenten tegenover die van de verwerende partij.
De artikelen 1.1.4 en 4.3.1, § 2, VCRO hebben betrekking op stedenbouwkundige vergunningsaanvragen, en volgens de tussenkomende partij kunnen zij niet het toetsingskader vormen dat de verzoekende partij voor ogen heeft. Een schending van deze artikelen is volgens haar dan ook niet aan de orde, en zou niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen leiden.
Volgens de tussenkomende partij is het evident dat de toetsing van de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening “geenszins gelijk kan worden gesteld met deze die moet worden doorgevoerd in de stedenbouwkundige vergunningsprocedure”.
Wat de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving betreft, verwijst de tussenkomende partij naar de motivering van het besluit. Bovendien gaat het om “de hernieuwing van een bestaande milieuvergunning en niet om de aanvraag voor een nieuwe inrichting”.
Zij stelt dat de huidige aanvraag ontegensprekelijk thuishoort in industriegebied en dat “wat voor de hand ligt” geen breedvoerige beschouwingen vereist.
Voorts vloeien de kritieken in verband met de hinderaspecten volgens haar voort uit de exploitatie en niet zozeer uit de constructies waar de
VII-39.183 & VII-39.188-22/26
exploitatie zich afspeelt. Zij merkt daarbij op dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening weliswaar rekening kan houden met de hinder die het aangevraagde teweegbrengt, maar dat dit niet betekent dat de beoordeling van de verenigbaarheid met de omgeving in het kader van de milieuvergunningsprocedure puntsgewijs al deze onderdelen moet behandelen.
22. In haar laatste memorie voegt de tussenkomende partij wat het tweede onderdeel betreft nog toe dat men, bij de beoordeling van de formele motivering, de ligging van de inrichting in het geëigende gebied niet mag veronachtzamen, ook al is de verenigbaarheid voor de verzoekende partij niet evident.
Beoordeling
Eerste onderdeel
23. De vergunningverlenende overheid heeft tot taak om, rekening houdend met alle concrete gegevens waarvan zij via de vergunningsaanvraag en het uitgevoerd onderzoek kennis heeft, de hinder die de inrichting veroorzaakt en de risico‟s voor de mens en het leefmilieu te onderzoeken en, rekening houdend met de precieze bevindingen van dat onderzoek en na afweging ook van de verschillende belangen die bij de zaak betrokken zijn, de passende conclusie te trekken. De Raad van State mag zich voor die beoordeling niet in de plaats van het bestuur stellen. Hij mag enkel nagaan of de beoordeling van het bestuur steunt op correcte gegevens die in feite en in rechte de genomen beslissing kunnen onderbouwen en die niet kennelijk onredelijk beoordeeld zijn.
De verzoekende partij heeft gewezen op grote trillingen, niet alleen veroorzaakt door schaar- en persinstallatie - die zich weliswaar bevindt op nummer 1008 - maar ook door het verwerken van schroot en het laden en lossen van containers. Dat is, zo stelt zij, niet bevorderlijk voor het fijnstellen van turbo‟s, wat precies haar bedrijfsactiviteit uitmaakt.
VII-39.183 & VII-39.188-23/26
De trillingshinder komt in de bestreden beslissing evenwel slechts summier aan bod.
Inzake deze mogelijke hinder stelt de bestreden beslissing:
“Overwegende dat tijdens de plaatsbezoeken van 29 november 2011 en 6 december 2013 van de afgevaardigde van de afdeling Milieuvergunningen bleek dat er ter plaatse geen trillings-, geur- of stofhinder kon worden waargenomen; dat er evenmin verkeershinder kon worden waargenomen; […]”.
De bestreden beslissing besteedt uitgebreid aandacht aan geluids-, stof- en verkeershinder, die verder gaat dan een loutere verwijzing naar de vaststellingen, gedaan tijdens twee plaatsbezoeken. De bestreden beslissing bevat echter slechts een summiere motivering inzake de beteugeling van “trillingshinder”. De enkele verwijzing naar twee plaatsbezoeken met een ruime tussenperiode kan, mede in dat opzicht, niet als een afdoende formele motivering worden beschouwd waaruit kan worden afgeleid dat er de trillingshinder voldoende werd onderzocht. Deze hinder, die niet uitsluitend kan worden toegeschreven aan de activiteiten op nummer 1008, is nochtans relevant genoeg om te beoordelen en verder te motiveren, gelet op de specifieke problematiek ten aanzien van de verzoekende partij.
Het eerste onderdeel is in die mate gegrond.
Tweede onderdeel
24. Om de redenen aangehaald bij de beoordeling van het eerste middel in de zaak 213.250/VII-39.183, is de bestreden beslissing evenmin afdoende gemotiveerd wat betreft de overeenstemming van de inrichting met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de omgeving.
VII-39.183 & VII-39.188-24/26
De opmerking in de laatste memorie van de tussenkomende partij doet hieraan niets af.
Het tweede onderdeel van het derde middel is eveneens gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 mei 2014 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 4 augustus 2011, houdende het deels verlenen, deels weigeren van de milieuvergunning aan Patrick Boden voor een inrichting voor opslag en sortering van schroot, kabelafval en afgedankte elektrische en elekronische apparaten, gelegen aan de Industrieweg 1020 te Herk-de-Stad, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd zowel aan de verzoekende partij in de zaak sub I als aan de verzoekende partij in de zaak sub II.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro.
VII-39.183 & VII-39.188-25/26
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.183 & VII-39.188-26/26
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.458