Belgian State dismissed appeal for lack of legal interest as client voluntarily abandoned the contested appointment.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's appeal to annul the Minister's decision invalidating a fire zone commander appointment. Although the applicant argued the State failed to withdraw the original appointment, the court found he had voluntarily abandoned the temporary mandate in favor of a permanent major position. Consequently, the court determined the applicant lacked the necessary legal interest to pursue the annulment, rendering the appeal inadmissible.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 17, § 10; 17, § 11 of the Coordinated Laws on the Council of State: An administrative court must reject an appeal as inadmissible if the applicant no longer possesses a legal interest in the outcome, particularly when the applicant has voluntarily abandoned the contested decision's benefits.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 237.406 van 21 februari 2017
in de zaak A. 217.218/X-16.372.
In zake : Lieven RIJCKAERT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Bekaert kantoor houdend te 8700 Tielt Hoogstraat 34
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld 5 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken van 26 augustus 2015 om de beslissing van de zoneraad van de hulpverleningszone Meetjesland van 3 augustus 2015 tot aanstelling van Lieven Rijckaert als zonecommandant te vernietigen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. é.701 van 2 februari 2016 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd.
De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
X-16.372-1/8
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld.
Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2017.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Paul Bekaert, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Rozanne Vander Hulst, die loco advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Vanaf 1 januari 2015 zijn de brandweerdiensten van de gemeente Aalter, Kaprijke, Knesselare, Maldegem, Nevele, Sint-Laureins, Waarschoot, Zomergem en de stad Eeklo in de hulpverleningszone Meetjesland geïntegreerd.
X-16.372-2/8
De plaats van zonecommandant wordt een eerste keer open verklaard op 28 mei 2014 en nadien, bij gebrek aan ontvankelijke kandidaatstellingen, ook nog een tweede keer op 24 september 2014 en een derde keer op 9 januari 2015.
Uiteindelijk kent de zoneraad bij beslissing van 3 augustus 2015
het mandaat van zonecommandant vanaf 1 januari 2016 toe aan verzoeker, vrijwillig brandweerman, majoor en postoverste van de brandweer van Tielt, hulpverleningszone Midwest.
Bij besluit van 26 augustus 2015 vernietigt de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken de beslissing van de zoneraad van 3 augustus 2015, omdat de aanstelling van verzoeker tot zonecommandant “gebaseerd is op een toepassing van een onjuist artikel van het koninklijk besluit van 26 maart 2004”. Dit is de bestreden beslissing in de voorliggende zaak.
4. Op 16 december 2015 keurt de zoneraad van de hulpverleningszone Meetjesland het personeelsplan goed. Het voorziet in het operationeel beroepskader in een beroepsmajoor. Tevens verklaart de zoneraad de functie open met invulling op basis van de procedure van “professionalisering in een andere zone”.
Verzoeker meldt zich op 18 januari 2016 kandidaat. Hij is de enige kandidaat voor de functie.
5. Bij arrest nr. é.701 van 2 februari 2016 schorst de Raad van State op vordering van verzoeker de tenuitvoerlegging van het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 augustus 2015.
6. Op 16 maart 2016 beslist de zoneraad van de hulpverleningszone Meetjesland om de lopende procedure van “professionalisering in een andere zone” stop te zetten en verzoeker niet aan te
X-16.372-3/8
stellen als stagiair-beroepsmajoor. Die beslissingen zijn het voorwerp van verzoekers beroep bij de Raad van State gekend onder nr. A. 219.217/X-16.621.
7. Verzoeker stuurt op 30 maart 2016 aan de zoneraad een e-mail waarin hij vaststelt dat zijn professionalisering tot beroepsmajoor niet werd afgerond en dat de beslissing om hem niet te professionaliseren werd genomen nadat hij de voorzitter van de zoneraad op de hoogte bracht van het schorsingsarrest van de Raad van State van 2 februari 2016. Hij noemt het onterecht dat precies een eigen initiatief en een uitspraak in zijn voordeel aan de basis liggen van de beslissing om hem niet te professionaliseren. Finaal verklaart hij dat hij het mandaat van zonecommandant niet zal opnemen.
Op 20 april 2016 neemt de zoneraad er kennis van dat verzoeker verzaakt aan het mandaat van zonecommandant dat hem op 3 augustus 2015 werd verleend en “bekrachtigt” hij dat het besluit van 3 augustus 2015 met betrekking tot de aanstelling van de zonecommandant als nietig wordt beschouwd.
IV. Belang
Standpunt van de partijen
8. Met een brief van 13 januari 2017 deelt de verwerende partij aan de Raad van State een kopie van verzoekers e-mail van 30 maart 2016 mee, “waarvan verweerster na de indiening van haar laatste memorie in kennis werd gesteld”. Deze e-mail toont volgens haar het gebrek aan actueel belang aan bij het beroep dat verzoeker instelde tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 26 augustus 2015.
9. Verzoeker betwist het gebrek aan actueel belang om volgende redenen:
X-16.372-4/8
- De brief van verweerster van 13 januari 2017 moet uit het debat worden geweerd; er moet aangenomen worden dat de verwerende partij er reeds voor de neerlegging van de laatste memorie kennis van had.
- Het betrokken e-mailbericht van verzoeker is van 30 maart 2016, dit is van na het instellen van het besproken beroep.
- De verwerende partij heeft de bestreden beslissing nooit ingetrokken en houdt integendeel tot op heden voor dat haar beslissing volkomen rechtsgeldig is.
Verzoekers belang gaat niet teloor door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en haar volledig effect heeft gehad. De omstandigheid dat verzoeker zijn mandaat niet opgenomen heeft, neemt niet weg dat hij de grievende gevolgen van het bestreden besluit heeft moeten ondergaan.
- Verzoeker deed hoegenaamd geen afstand van zijn mandaat; hij heeft enkel duidelijk gemaakt dat hij op 1 april 2016 zijn mandaat niet zal opnemen “om reden zoals vermeld nl. dat de Hulpverleningszone Meetjesland hem zonder enige motivatie niet professionaliseert ondanks het als enige slagen in een professionaliseringsproef”.
- Verzoeker had trouwens geen andere keuze: “hij kon het mandaat niet opnemen gezien hij door het opnemen van het mandaat tijdelijk zou professionaliseren.
Hierdoor zou een definitieve professionalisering [...] verhinderd worden”.
- Het e-mailbericht van 30 maart 2016 “werd verstuurd binnen een totaal andere context”; dit e-mailbericht “houdt dan ook geen enkel verband met het ingestelde beroep tot nietigverklaring in huidige zaak”.
Beoordeling
10. De brief van de verwerende partij van 13 januari 2017 bevat een nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep. Hij heeft de waarde van een inlichting en maakt geen processtuk uit. Er is geen reden om de brief te weren uit het debat.
11. Het erbij gevoegde e-mailbericht van verzoeker van 30 maart 2016 houdt wel degelijk verband met de voorliggende zaak. Met het bericht bedankt verzoeker voor het mandaat van zonecommandant dat hem op 3 augustus
X-16.372-5/8
2015 was toegekend. Niettegenstaande het besluit van de Vlaamse minister tot vernietiging van die aanstelling van 3 augustus 2015 zelf was geschorst door een arrest van de Raad van State van 2 februari 2016, doet verzoeker op 30 maart 2016 zonder enige restrictie afstand van zijn mandaat, nadat hij ontgoocheld vaststelde dat de zoneraad op 16 maart 2016 de piste van het begeven van de functie van majoor via de invulling op basis van de “professionalisering in een andere zone” verliet.
Dat de e-mail onbetwistbaar op het voorliggende beroep betrekking heeft, volgt ook nog uit de toelichting die verzoeker voor de Raad van State geeft: om met succes zijn professionalisering tot majoor in de zone Meetjesland te kunnen nastreven, moést hij wel van het mandaat van zonecommandant afzien; het opnemen ervan zou een tijdelijke professionalisering uitmaken die zijn definitieve professionalisering tot majoor in de weg zou staan.
12. De zoneraad heeft uit de e-mail terecht begrepen dat verzoeker zonder meer verzaakte aan het mandaat van zonecommandant van 3 augustus 2015. Ook ter terechtzitting blijkt niet of wordt niet ten minste beweerd dat hij bezwaar heeft geuit, laat staan nog zich in rechte heeft verzet, tegen de bekrachtiging van de zoneraad van 20 april 2016 dat de aanstelling van de zonecommandant van 3 augustus 2015 als nietig wordt beschouwd.
13. Kennelijk is verzoeker in de loop van de vernietigingsprocedure tegen het ministerieel vernietigingsbesluit van 26 augustus 2015, een definitieve professionalisering als majoor in de zone Meetjesland gaan verkiezen boven het opnemen in diezelfde zone van het tijdelijke mandaat van zonecommandant dat hij op 3 augustus 2015 toebedeeld kreeg. Om redenen hem eigen wenst hij niet meer het voordeel van die beslissing te genieten.
In de gegeven omstandigheden is niet duidelijk welk belang verzoeker er nog bij heeft om de nietigverklaring te verlangen van de ministeriële vernietiging van de beslissing van 3 augustus 2015.
X-16.372-6/8
14. Terecht merkt verzoeker op dat de verwerende partij de bestreden beslissing niet heeft ingetrokken. Zij is dat kennelijk ook niet van plan.
Immers volhardt zij in de overtuiging dat haar vernietigingsbeslissing wettig is en vraagt zij de Raad van State het beroep finaal te verwerpen.
Daaruit volgt nog geenszins dat verzoeker dan maar voort belang zou hebben bij zijn beroep, niettegenstaande hij niet meer nastreeft wat hij met het beroep beoogde, namelijk alsnog op grond van de beslissing van de zoneraad van 3 augustus 2015 het mandaat van zonecommandant kunnen opnemen. Hij heeft dat op 3 augustus 2015 aan hem toegekend mandaat intussen uitdrukkelijk van de hand gewezen.
Anders dan verzoeker blijkbaar meent, laat deze toedracht zich niet vergelijken met die in de zaak waarnaar verzoeker verwijst en die beslecht is door het arrest nr. 236.988 van 10 januari 2017. In de laatstgenoemde zaak verving de verwerende partij na verloop van tijd de bestreden beslissing door een andere die de verzoeker verschafte wat hij beoogde. De Raad van State overwoog dat verzoekers belang niet teloor gaat doordat de bestreden beslissing is uitgevoerd en haar volledige effect heeft gehad.
In voorliggend geval is de bestreden beslissing geenszins uitgewerkt of door de verwerende partij vervangen. Het tegendeel is het geval.
Alleen beoogt verzoeker niet meer wat hij initieel met zijn beroep nastreefde.
15. Verzoeker is zonder het rechtens vereiste belang. Het beroep is onontvankelijk.
Aangezien de Raad van State het bestreden ministerieel besluit niet vernietigt, wordt, gelet op artikel 17, § 10, van de gecoördineerde wetten, de bevolen schorsing opgeheven.
X-16.372-7/8
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De bij arrest van de Raad van State nr. é.701 van 2 februari 2016
bevolen schorsing wordt opgeheven.
3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 840 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.372-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.406