Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.394 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.394 Généré par l'IA

Court orders suspension of environmental permit enforcement due to urgent need to prevent serious noise damage.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.394
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State ordered the suspension of the enforcement of the Flemish Minister's decision to revoke a concrete production facility's environmental permit. The applicant argued that a significant noise violation had been confirmed by the Environmental Inspection Service, creating an urgent need for immediate relief to prevent irreparable harm. The court found the urgency condition met because the applicant lived nearby and the inspection report demonstrated severe noise levels, justifying the expedited procedure.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 17, § 1, 2de lid, wetten op de Raad van State; A suspension of enforcement is granted in urgent cases where a significant or serious harm is feared, making an immediate decision necessary to prevent irreparable consequences.

Mots-clés

Généré par l'IA
suspension of enforcement urgent necessity environmental permit noise pollution concrete production procedural urgency environmental inspection pollution acoustique

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 17, § 1, 2de lid, wetten op de Raad van State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER

nr. 237.394 van 16 februari 2017

in de zaak A. 220.676/VII-39.829.

In zake : Maria JANSSENS

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

het VLAAMSE GEWEST

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1

bij wie woonplaats wordt gekozen

Tussenkomende partij :

de BVBA FINGO-FREDERICKX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 9 november 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 september 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 3 maart 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Fingo-Frederickx voor het verder exploiteren en

VII-39.829-1/19

veranderen van een inrichting voor de productie van betonelementen, gelegen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem, ongegrond wordt verklaard.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari 2017.

Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Sebastiaan De Meue, die loco advocaat Thomas Eyskens verschijnt voor verzoekster, advocaat Tine Strubbe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Op 16 juli 2015 dient de BVBA Fingo-Frederickx een milieuvergunningsaanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de productie van betonelementen, gelegen aan de

VII-39.829-2/19

Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem.

Het voorwerp van de aanvraag bestaat concreet uit:

- de ingekuipte bovengrondse opslag voor 624 liter diverse oliën;

- een verdeelslang voor diesel voor de bevoorrading van eigen bedrijfsvoertuigen;

- een stalplaats voor drie heftrucks en één laadschop;

- een schroefcompressor met een vermogen van 11 kW en een drukvat van 900 liter;

- de opslag van 2.772 kg diesel in een bovengrondse dubbelwandige tank van 3.300 liter, de opslag van 3.000 liter ontkistingsolie in vaten en de opslag van 1.000 liter afvalolie in vaten (totaal 7.300 liter; 6.132 kg);

- de opslag van 80.000 kg cement in een silo en 2.520 kg ontkistingsolie in vaten (totaal 82.520 kg);

- de opslag van 500 liter diverse gevaarlijke producten in kleine verpakkingen;

- een labo voor betonproeven;

- machines voor het mechanisch behandelen van minerale producten met een totaal vermogen van 95,6 kW (twee zaagmachines van respectievelijk 24,6 kW en 42,1 kW, een cementschroef van 3 kW, transportbanden van 17 kW en een rolbrug van 7,4 kW) en een bulldozer van 160 kW (totaal 255,6 kW);

- installaties voor de productie van betonwelfsels (twee grote installaties van 24,87 kW en drie kleine triltafels van 3 kW) met een totaal vermogen van 58,74 kW;

- een betoncentrale met een totaal vermogen van 18,5 kW;

- de opslag van minerale producten (zand, cement, kift en welfsels) op een oppervlakte van 1,18 ha;

- een grondwaterwinning met opgepompt debiet van 4 m³/dag en 800 m³/jaar met een diepte van 18 meter (Mioceen Aquifersysteem).

Het bedrijf is volgens het gewestplan Aarschot-Diest deels gesitueerd in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen en deels in agrarisch gebied. Op 26 mei 2016 heeft de

VII-39.829-3/19

gemeenteraad van de gemeente Scherpenheuvel-Zichem het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Uitbreiding bedrijventerrein Schuttersveld” definitief vastgesteld. Met een besluit van 14 juli 2016 heeft de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant het GRUP goedgekeurd. Dit GRUP

wordt bij de Raad van State aangevochten (zaak A. 220.658/X-16.779).

3.2. Bij besluit van 3 maart 2016 verleent de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar. De volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd:

“4§2.1.

Conform artikel 5.15.0.6. is er een expliciet verbod op rustverstorende werkzaamheden tussen 19 u „s avonds en 7 u „s morgens en op zon- en feestdagen. Dit betekent onder meer dat er geen laad- en losactiviteit mogelijk zijn gedurende deze periode.

4§2.2.

Alle werkzaamheden in de productiehal dienen te gebeuren met gesloten poorten.

4§2.3.

Het verharde bedrijfsterrein aan de Schuttersveldlaan dient proper gehouden te worden en indien nodig besproeit te worden teneinde stofhinder te vermijden”.

3.3. Tegen voormeld besluit worden drie bestuurlijke beroepen ingesteld, ondermeer door verzoekster.

3.4. In het kader van de beroepsprocedure worden volgende adviezen verleend:

a) de afdeling Milieuvergunningen verleent op 30 mei 2016 een gunstig advies;

b) de Vlaamse Milieumaatschappij brengt op 2 juni 2016 gunstig advies uit over de gevraagde grondwaterwinning;

c) de afdeling Gebieden en Projecten adviseert op 2 juni 2016 gunstig over “het bedrijfsdeel gerealiseerd in overeenstemming met de definitief verkregen bouw-

en stedenbouwkundige vergunningen” en over de overige bedrijfsonderdelen gunstig “voor een termijn van vijf jaar, waarbinnen een eventuele bedrijfsverplaatsing/verdere regularisering van het bedrijf kan betracht”;

VII-39.829-4/19

d) de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie stelt op 7 juni 2016 voor om de milieuvergunning te verlenen voor een beperkte termijn van vijf jaar “met oog op een eventuele verplaatsing of regularisatie”.

3.5. Met het thans bestreden besluit van 7 september 2016 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de ingestelde beroepen ongegrond en bevestigt zij de in eerste aanleg genomen beslissing van de deputatie.

Het bestreden besluit steunt op de volgende motieven:

“Overwegende dat de beroepen ingediend door omwonenden betrekking hebben op het verlenen van de milieuvergunning voor het veranderen van een inrichting voor de productie van gewapende betonelementen;

Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 16 bezwaren werden ingediend die onder meer betrekking hebben op wateroverlast, geluidshinder, zwaar verkeer en het niet hoofdzakelijk vergund zijn van de inrichting;

Overwegende dat de inrichting gelegen is op ongeveer 60 m van het dichtstbijgelegen woongebied met landelijk karakter; dat de dichtstbijgelegen woning op circa 150 m van de productiehal is gelegen; dat de inrichting gelegen is op een ruim terrein met als onmiddellijke buren het containerpark van Scherpenheuvel-Zichem en een garage;

Overwegende dat voorliggende aanvraag de hernieuwing van de vergunning en de (beperkte) verandering van het bedrijf betreft, meer bepaald de vermindering in opslagcapaciteit van cement en diverse oliën, een vermindering van het gevraagde debiet aan grondwaterwinning en een vermindering van het vermogen van de installatie voor de productie van betonwelfsels en de betoncentrale; dat er alleen een uitbreiding is van de machines voor het mechanisch behandelen van minerale producten (rubriek 30.1); dat deze inrichting de enige klasse 1 inrichting op het bedrijf is;

dat de ondergrens van klasse 1 (200 kW) bereikt wordt door het hoge vermogen van de bulldozer (160 kW) die voornamelijk ingezet wordt voor het opscheppen van de grondstoffen en het storten ervan in de bunker van de betoncentrale (achter het bedrijfsgebouw); dat ten opzichte van de vergunde situatie ook de opslag en verdeling van gevaarlijke stoffen aangepast wordt aan de CLP-richtlijn;

Overwegende dat er een stalplaats voor 3 heftrucks en 1 laadschop is ingericht;

Overwegende dat cement opgeslagen wordt in een silo, waarvan de ontluchtingsleidingen voorzien zijn van stoffilters (mouwenfilters) die maandelijks worden vervangen; dat zand, grind (kalksteen) en andere producten voor het aanmaken van beton in stortvakken achter de productiehal opgeslagen worden, afgeschermd van de woonzone; dat het terrein vooraan aan de Schutterveldstraat deels gebruikt wordt voor de opslag van afgewerkte

VII-39.829-5/19

producten zoals betonwelfsels en dergelijke; dat bij langdurige droogte het terrein besproeid zal worden om stofhinder maximaal te beperken; dat een dichte haag vanaf de Mannenberg tot aan de bedrijfstoegang werd aangeplant;

dat deze groenaanplanting op de perceelgrens en de op het terrein ingestelde snelheidsbeperking van 20 km/u nuttige maatregelen zijn om eventuele verspreiding van stof te beperken tot een aanvaardbaar niveau; dat het proper houden van het verharde bedrijfsterrein aan de Schuttersveldlaan en het besproeien van het terrein ingeval van langdurige droogte opgelegd worden als bijzondere vergunningsvoorwaarden om de stofemissie tot een aanvaardbaar niveau te beperken;

Overwegende dat de minerale producten opgeslagen worden op een verharde oppervlakte van 1,18 ha; dat het hele terrein verhard is, zodat er geen gevaar bestaat op bodemverontreiniging;

Overwegende dat er een labo voor betonproeven is ingericht;

Overwegende dat er twee zaagmachines van 24,6 kW en 42,1 kW

geïnstalleerd zijn voor het mechanisch behandelen van minerale producten;

Overwegende dat installaties voor de productie van betonwelfsels (2 grote installaties van 24,87 kW en 3 kleine triltafels van 3 kW) met een totaal vermogen van 58,74 kW voorzien zijn;

Overwegende dat een betoncentrale met een totaal vermogen van 18,5 kW

geïnstalleerd is;

Overwegende dat jaarlijks ongeveer 30.000 ton afgewerkt product aangemaakt en afgevoerd wordt; dat de aanvoer van grondstoffen navenant is (11.000 ton zand, 22.000 ton kalksteen, 3.700 cement, 1.500 ton staal); dat deze hoeveelheden naar schatting in totaal een verkeersstroom van een tiental vrachtwagens per dag genereren; dat de aanvraag 8 vrachten per dag vermeldt, wat als een gemiddelde kan beschouwd worden, gezien er ook periodes zijn waar weinig of geen productie is; dat de Schuttersveldstraat vanaf de uitrit van de firma Frederickx tot de Mannenberg voldoende breed is om de autovoertuigen (personenwagens, vrachtwagens) en occasionele fietsers en wandelaars elkaar veilig te laten kruisen; dat de Schuttersveldstraat een rechte weg is, zonder bochten, zodat eventuele tegenliggers elkaar goed zien aankomen bij het kruisen; dat de afstand van de uitrit van de firma Frederickx tot de Mannenberg ongeveer 120 m bedraagt en dat verderop agrarisch gebied ligt; dat de Schuttersveldstraat inzake autoverkeer een rustige straat is, waar af en toe een autovoertuig langskomt en waar geen verkeersproblemen te verwachten zijn;

Overwegende dat een vroeger akoestisch onderzoek van 15 september 2005 ter hoogte van meetpunt 1 (Diestsesteenweg 682) tijdens de dag geen overschrijdingen liet noteren; dat tijdens datzelfde onderzoek ter hoogte van meetpunt 2 (Mannenberg 249) tijdens de dag overschrijdingen van 3,9 tot 8,4 dB(A) ten opzichte van de milieukwaliteitsnormen inzake geluid volgens bijlage 2.2.1 van titel II van het VLAREM konden worden genoteerd;

Overwegende dat de productie pas vanaf 7.30 uur gestart wordt; dat de belangrijkste geluidsproducerende installaties binnen zijn geplaatst; dat intussen verschillende maatregelen genomen werden om eventuele geluidshinder te beperken zoals een geïsoleerde poort, snelheidsbeperking op het terrein van 20 km/u, aanbrengen van aangepaste trillatten uit kunststof op

VII-39.829-6/19

alle machines, fijnere afstelling van de trilmotoren, stille heftrucks; dat als bijzondere vergunningsvoorwaarde in het bestreden besluit werd opgelegd dat alle activiteiten in de productiehal met gesloten poorten moeten gebeuren; dat het verzoek van de exploitant om het laden en lossen vanaf 6 uur van start te laten gaan om aan de vraag van de bouwsector te kunnen voldoen, niet zomaar kan toegestaan worden; dat minstens een nieuw akoestisch onderzoek noodzakelijk is om de afwijkingsaanvraag op rustverstorende activiteiten toe te kunnen staan; dat als bijzondere vergunningsvoorwaarde in het bestreden besluit werd opgelegd dat rustverstorende werkzaamheden tussen 19 uur en 7 uur verboden zijn; dat er geen laad- en losactiviteiten in deze periode mogen uitgevoerd worden;

Overwegende dat de algemene, sectorale en bijzondere vergunningsvoorwaarden (met onder meer geluidsvoorwaarden) eveneens werden opgelegd door de bestreden beslissing en moesten nageleefd worden door de betrokken inrichting;

Overwegende dat tijdens plaatsbezoeken op 8 april 2011, 20 juni 2013 en 20 mei 2016 door een adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen er gedurende de productieactiviteiten van het bedrijf geen geluidshinder, afkomstig van de inrichting, kon waargenomen worden ter hoogte van de dichtstbijgelegen woning; dat het verkeerslawaai van de dichtbijgelegen Mannenberg (weg Aarschot-Scherpenheuvel) overheersend was;

Overwegende dat gezien vorige vaststellingen kan aangenomen worden dat de emissiegrenswaarden inzake geluid kunnen gerespecteerd worden door het bedrijf; dat gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de geluidshinder afkomstig van het bedrijf tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt;

Overwegende dat het hemelwater afkomstig van daken en verhardingen opgevangen wordt in een bezinkings- en bufferbekken (2 delen, in totaal ongeveer 50 m³); dat de bezinkput van 43.750 l aangepast werd om hieruit het recyclagewater voor de productie te kunnen putten; dat dit water gebruikt wordt voor het aanmaken van beton; dat voor de zaagmachine er gewerkt wordt met een gesloten circuit waarbij het proceswater wordt opgevangen en gerecycleerd;

dat het slib dat hiervan afkomstig is, wordt afgevoerd; dat vroeger alleen grondwater opgepompt werd voor gebruik in de productie; dat sinds de aanpassing aan de bezinkput tekorten aan proceswater alleen nog bij langdurige droogte aangevuld worden met grondwater (beperkt tot max. 800 m³/j); dat in het kader van de aanvraag geen wijzigingen aan verhardingen worden aangebracht; dat diesel en andere gevaarlijke producten (oliën en dergelijke)

opgeslagen worden in dubbelwandige ingekuipte houders of vaten;

Overwegende dat er inzake problemen van wateroverlast kan opgemerkt worden dat langs de Schuttersveldstraat naast het bedrijf en in noordelijke richting een grote zone onbebouwd en onverhard terrein ligt, langs waar het regenwater in de bodem kan doordringen; dat de inrichting gelegen is in het Demerbekken volgens de watertoetskaart van Geo-Vlaanderen; dat de inrichting volgens dezelfde kaart niet gelegen is in een overstromingsgevoelig gebied; dat in de omgeving van de inrichting zich een paar overstromingsgevoelige gebieden bevinden; dat er tijdens de plaatsbezoeken geen wateroverlast kon worden vastgesteld; dat de vergunningsplichtige activiteit mits naleving van de opgelegde voorwaarden verenigbaar is met het

VII-39.829-7/19

watersysteem en dat er geen schadelijke effecten aan het watersysteem worden verwacht;

Overwegende dat de exploitant een groenscherm heeft voorzien dat de inrichting voldoende afschermt van de omgeving; dat de inrichting bijgevolg geen visuele hinder veroorzaakt ten opzichte van de buurt;

Overwegende dat bij arrest nr. A/1516/0149 (27/10/2015) de Raad voor Vergunningsbetwistingen de stedenbouwkundige vergunning van de deputatie van Vlaams-Brabant van 10 mei 2012 voor het regulariseren van de ingrepen aan een bestaand bedrijf en het aanpassen van groenbuffers en verhardingen heeft vernietigd; dat deze werd vernietigd omdat de deputatie zich niet kon baseren op het door de Raad van State reeds eerder onwettig bevonden planologisch attest van 6 september 2010, dat bijgevolg geen grondslag kan vormen voor het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning;

Overwegende dat de gemeenteraad van Scherpenheuvel-Zichem op 26 mei 2016 de definitieve aanvaarding van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) „uitbreiding bedrijventerrein Schuttersveld‟ heeft vastgesteld; dat de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant het RUP op 14 juli 2016 heeft goedgekeurd; dat dit plan de wettelijke verankering en terreinuitbreidingsmogelijkheden (in noordoostelijke richting) voor de huidige vestiging voorziet;

Overwegende dat de hinder en de effecten voor mens en milieu en de risico‟s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt”.

IV. Tussenkomst

4. Met een op 29 november 2016 ingediend verzoekschrift vraagt de BVBA Fingo-Frederickx om in het geding te mogen tussenkomen.

Er is grond om dat verzoek in te willigen.

V. Regelmatigheid van de rechtspleging

5. Ter terechtzitting legt de raadsman van verzoekster twee bijkomende stukken neer. Die stukken - bestaande uit e-mailberichten die verstuurd werden na datum van de bestreden beslissing - worden uit het debat geweerd.

VII-39.829-8/19

VI. Onderzoek van de vordering

6. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

A. Ernst van de middelen

Eerste middel (eerste onderdeel)

Standpunt van de partijen

7. In het eerste onderdeel van het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 30bis, § 1, eerste lid, en 52, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht,

“Doordat, […], de minister van oordeel is dat de milieuvergunningsaanvraag wat betreft de disciplines geluid en buffering kan worden goedgekeurd.

Terwijl, de minister de tijdens het administratief beroep geformuleerde bezwaren op een concrete wijze in de besluitvorming moet betrekken en er niet mee kan volstaan de overwegingen van de deputatie zonder meer over te nemen.

En terwijl, de minister de administratieve beroepsgrieven op een zorgvuldige wijze moet onderzoeken, de aanvraag moet toetsen aan de geldende geluidsnormen en de vergunning moet weigeren wanneer dit niet mogelijk blijkt te zijn, daarbij uiteraard steunend op de recentste resultaten van eigen onderzoek.

En terwijl, de minister de administratieve beroepsgrief die concreet betrekking heeft op een door de deputatie opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarde inzake de exploitatie-uren en de sluiting van de bedrijfspoort resp. de beoordeling van de groenbuffer, aan een zorgvuldig

VII-39.829-9/19

onderzoek moet onderwerpen, zoals op afdoende en uitdrukkelijke wijze moet blijken uit het besluit”.

In de toelichting bij het middel stelt verzoekster dat de verwerende partij manifest heeft verzuimd om de opgeworpen beroepsargumenten op grond van een eigen feitencontrole en oordeelvorming te beantwoorden, wat niet verenigbaar kan worden geacht met de elementaire vereisten van het legaliteits- en opportuniteitsonderzoek waartoe zij in het kader van de administratieve beroepsprocedure gehouden is en dat zulks inzonderheid het geval is voor de geluidsproblematiek en het groenscherm.

Met betrekking tot de geluidsproblematiek wijst verzoekster naar een verslag van de afdeling Milieu-inspectie van 26 mei 2016 waarin wordt vastgesteld dat de inwerkingstelling van de triltafels een overschrijding van de geluidsnorm met 10 dB meebrengt. Op grond daarvan adviseert de Milieu-inspectie om een bijkomende geluidsstudie uit te voeren en de nodige stappen te ondernemen om “deftige akoestische isolatie te voorzien”. Volgens verzoekster getuigt het van kennelijke onredelijkheid en onzorgvuldigheid om dit verslag niet bij de besluitvorming over de milieuvergunningsaanvraag te betrekken, temeer “daar de strekking daarvan haaks staat op de minimaliserende overwegingen die de minister omtrent de geluidsproblematiek maakt”. Voormeld inspectieverslag spreekt voorts tegen dat de geluidsmilderende maatregelen die uitgevoerd werden “na” het akoestisch onderzoek van 2005 aan de geluidsproblematiek hebben verholpen. Verzoekster concludeert dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verleende vergunning voorwaarden bevat die garanderen dat er geen geluidshinder zal optreden.

Wat betreft de bijzondere voorwaarde die oplegt dat alle activiteiten in de productiehal met gesloten poorten moeten gebeuren, merkt verzoekster op dat de exploitatie feitelijk niet met gesloten poorten gebeurt. Ook wijst zij erop dat volgens de exploitant de noodzaak bestaat om de rustverstorende werkzaamheden reeds vanaf 6.00u te laten aanvangen. Deze in eerste aanleg

VII-39.829-10/19

opgelegde voorwaarde zou ook niet worden nageleefd. In dit verband stelt verzoekster dat het “kennelijk onredelijk [is] dat een bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd waarvan men weet dat deze niet nageleefd wordt, omdat de vergunningsvoorwaarde door de uitbater naar eigen zeggen niet nageleefd kan worden en omdat de administratieve beroeper ook aanvoert dat zij in de feiten niet nageleefd wordt”. Ten slotte is de verwerende partij er aan voorbijgegaan dat de slechte toestand van de verharding de geluidsoverlast verhoogt en dat binnen een straal van 100 meter rond de perceelsgrenzen een tiental woningen gelegen zijn.

8. In haar nota repliceert de verwerende partij dat zij, om aan de formelemotiveringsplicht te voldoen, niet afzonderlijk moet antwoorden op elk beroepsargument, dat verzoekster in haar beroepschrift niets heeft aangevoerd omtrent geluidshinder, dat dergelijke hinder wel aan bod komt in een ander beroepschrift van een particulier maar dat verzoekster “deze beroepsgrieven ingesteld door een derde niet zelf mag aanvullen in haar verzoekschrift en niet verkeerdelijk als haar eigen beroepsgrieven naar voor mag schuiven” en dat zij dan ook een exceptie op grond van het beginsel “fraus omnia corrumpit” opwerpt. Op zijn minst moet worden vastgesteld dat verzoekster geen belang heeft bij de vaststelling dat de beroepsgrief van een andere persoon niet werd beantwoord.

Over de grond van de zaak zet de verwerende partij uiteen dat de bestreden beslissing afdoende werd gemotiveerd, dat uit die motivering kan worden afgeleid waarom zij van oordeel is dat de te verwachten geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, dat de naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden een zaak is van toezicht en niet van de wettigheid van de aangevochten milieuvergunning, dat de beweerde overtredingen van de vergunningsvoorwaarden overigens niet worden ondersteund door het administratief dossier, dat in de bestreden beslissing niet wordt geponeerd dat er geen geluidshinder meer zal zijn maar wel dat “deze niet bovenmatig is en voldoet aan de in Vlarem II opgelegde grenzen”, dat het niet aan verzoekster noch aan de Raad van State toekomt om te beoordelen of, rekening houdend met de concrete

VII-39.829-11/19

gegevens van de zaak, de geluidshinder binnen aanvaardbare perken blijft, dat de zorgvuldigheidsplicht niet wordt geschonden doordat “de milieuvergunning op grond van een voorgaand inspectieverslag niet zou geweigerd zijn” en, ten slotte, dat, aangezien een vergunning wordt verleend voor de toekomst het niet naleven van de voorwaarden in het verleden “geen rol speelt”.

9. De tussenkomende partij stelt, onder verwijzing naar de motivering van de bestreden beslissing en naar de aan de milieuvergunning verbonden bijzondere voorwaarden, dat genoegzaam blijkt dat de verwerende partij aandacht heeft besteed aan het aspect geluidshinder, dat het gegeven dat de motivering van de bestreden beslissing en deze van de in eerste aanleg genomen beslissing gelijklopend zouden zijn, niet de onwettigheid impliceert van de in beroep genomen beslissing over de vergunningsaanvraag, dat in hoofde van de verwerende partij niet de rechtsplicht bestaat om verslagen van de afdeling Milieu-inspectie “opgesteld in het kader van het handhavingscontentieux” bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen te betrekken, dat verzoekster ook niet aantoont dat de verwerende partij op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing kennis had van het verslag in kwestie, dat verzoekster zich beperkt tot “het louter tegenspreken van de zorgvuldigheid van de plaatsbezoeken op 8 april 2011, 20 juni 2013 en 20 mei 2016 door een adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen”, dat de motiveringsplicht niet zover reikt dat “in de motivering zou moeten worden verduidelijkt op welke wijze, op welke plaats en op welke tijdstippen de metingen werden doorgevoerd”, dat in het inspectieverslag van 26 mei 2016 niet staat te lezen dat geen geluidsmilderende maatregelen werden uitgevoerd, dat evenmin wordt aangetoond dat dergelijke maatregelen al voor de meting van 2005 zouden zijn geïmplementeerd, dat de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden onder de controle valt van de toezichthouder en niet van de vergunningverlenende overheid, dat de toepasselijke Vlarem-normen wel degelijk worden gerespecteerd indien wordt geëxploiteerd met gesloten poorten, en dat rustverstorende activiteiten zijn verboden vóór 7 uur, zodat de verwerende partij “de aanvaag, in al [zijn] facetten (inclusief de verharding), zorgvuldig in kaart [heeft] gebracht vooraleer de vergunning werd bevestigd”.

VII-39.829-12/19

Beoordeling

10. Op de verwerende partij rust de zelfstandige plicht om te onderzoeken of de geluidshinder door het opleggen van passende vergunningsvoorwaarden kan worden beperkt. De opmerking dat verzoekster in haar beroepschrift niet zou zijn ingegaan op de geluidsproblematiek, is derhalve niet pertinent.

Het middelonderdeel is ontvankelijk.

11. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat de vergunningverlenende overheid op grond van werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, onderzoekt of de hinder van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft.

Artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I bepaalt dat een vergunning kan worden verleend wanneer deze voorwaarden bevat welke garanderen dat de inrichting voldoet aan de eisen die door dit reglement en titel II

van Vlarem zijn gesteld en dat de vergunning wordt geweigerd wanneer dat niet het geval is. Om te voldoen aan de doelstelling van artikel 30bis van Vlarem I, die preventief van aard is, volstaat het niet dat de exploitant hoe dan ook de geldende geluidsnormen zal dienen na te leven. De rechtsplicht van artikel 30bis, § 1, eerste lid, van Vlarem I, geldt immers op het ogenblik van de vergunningverlening.

Daaruit volgt onder meer dat de vergunningverlenende overheid niet kan volstaan met het opleggen, als bijzondere vergunningsvoorwaarde, van maatregelen waarvan niet vaststaat dat zij effectief zullen remediëren aan de vastgestelde normoverschrijdingen.

12. In het bestreden besluit wordt overwogen dat “de emissiegrenswaarden inzake geluid kunnen gerespecteerd worden door het bedrijf”. De verwerende partij steunt die conclusie op de vaststelling dat “de

VII-39.829-13/19

belangrijkste geluidsproducerende installaties binnen zijn geplaatst”, dat intussen verscheidene geluidshinderbeperkende maatregelen werden genomen zoals “een geïsoleerde poort, snelheidsbeperking op het terrein van 20 km/u, aanbrengen van aangepaste trillatten uit kunststof op alle machines, fijnere afstelling van de trilmotoren, stille heftrucks”, dat als bijzondere vergunningsvoorwaarde wordt opgelegd dat “alle activiteiten in de productiehal met gesloten poorten moeten gebeuren” en “rustverstorende werkzaamheden tussen 19 uur en 7 uur verboden zijn” en dat “tijdens plaatsbezoeken op 8 april 2011, 20 juni 2013 en 20 mei 2016

door een adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen er gedurende de productieactiviteiten van het bedrijf geen geluidshinder, afkomstig van de inrichting, kon waargenomen worden ter hoogte van de dichtstbijgelegen woning”.

13. Verzoekster legt een verslag van de afdeling Milieu-inspectie van 13 juni 2016 neer waarvan het besluit als volgt luidt:

“Wanneer de triltafels in werking zijn overschrijden ze de norm met 10 dB.

Als we er vanuit gaan dat de triltafels de helft van de tijd in werking [zijn] en we dit geluid zouden uitmiddelen over de gehele dagperiode is er nog minstens een overschrijding van 7 dB.

Het gaat dan enkel om het geluid van de triltafels, al de andere bronnen van het bedrijf zijn niet in rekening gebracht.

Om een goed beeld te krijgen van de situatie dient een bijkomende geluidstudie te worden uitgevoerd door het bedrijf. De nodige stappen dienen te worden genomen om een deftige akoestische isolatie te voorzien.

De hinder in het bedrijf heeft reeds een lange voorgeschiedenis.

Verscheidene geluidsstudies in het verleden gaven aan dat er probleem was. Dit heeft blijkbaar niet geleid tot concrete oplossingen”.

14. De conclusies van voornoemd inspectieverslag spreken op het eerste gezicht tegen dat de maatregelen die de exploitant in het verleden heeft uitgevoerd tot een effectieve remediëring van de geluidsproblematiek hebben geleid. Evenmin biedt dit verslag feitelijke grondslag voor de beschouwing dat de geluidsemissiegrenswaarden kunnen worden nageleefd. In dit verband kan ook niet om de vaststelling heen dat de afdeling Milieu-inspectie op basis van de resultaten van een geluidsmeting, uitgevoerd op 26 mei 2016 van 17.15 uur tot 17.45 uur, tot de conclusie komt dat de toepasselijke richtwaarde voor het specifiek

VII-39.829-14/19

geluid van de inrichting wordt overschreden, terwijl de verwerende partij voor haar beoordeling slechts steunt op “waarnemingen” naar aanleiding van plaatsbezoeken op 8 april 2011, 20 juni 2013 en 20 mei 2016. De bijzondere exploitatievoorwaarden waar de verwerende partij naar verwijst, leiden niet tot een ander inzicht. Het verbod op het uitvoeren van rustverstorende activiteiten vóór 7 uur, is een ondoelmatige maatregel ter beperking van de geluidshinder die na aanvang van de productie-activiteiten wordt teweeggebracht. De verplichting om met gesloten poorten te werken werd reeds opgelegd in de milieuvergunning die de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant op 3 maart 2016 heeft verleend, zodat mag worden aangenomen dat de naleving van deze verplichting de resultaten van de op 26 mei 2016 uitgevoerde geluidsmeting mee heeft beïnvloed en er als het ware in verrekend zit. Tot slot kan de verwerende partij zich niet beroepen op onwetendheid omtrent geluidsmetingen die door haar eigen administratie werden uitgevoerd.

Het eerste onderdeel van het eerste middel is ernstig.

B. Spoedeisendheid

Standpunt van de partijen

15. Verzoekster wijst erop dat ingevolge het verlenen van de overeenstemmende stedenbouwkundige vergunning de thans bestreden milieuvergunning uitvoerbaar is, dat in vergelijking met vroegere vergunningen de totale drijfkracht van de vergunde machines sterk werd verhoogd, dat de inrichting zorgt voor ondraaglijke geluidsoverlast, dat de overschrijdingen die bij de geluidsmeting van 13 juni 2016 werden vastgesteld enkel betrekking hebben op de werking van de triltafels zonder rekening te houden met de andere geluidsbronnen van het bedrijf en dat wegens de bestaande geluidsoverlast een spoedeisende behandeling van de zaak aangewezen is. Voorts wijst verzoekster erop dat haar woning op minder dan 100 meter van de vergunde inrichting gelegen is, dat zij vanuit haar tuin en woning een uitgesproken landelijke ervaring heeft die door de

VII-39.829-15/19

vergunde exploitatie onmogelijk wordt gemaakt en dat haar levenskwaliteit ernstig wordt verstoord, verstoring die zeer moeilijk ongedaan kan worden gemaakt. Ook wijst verzoekster op visuele hinder door de “uitermate onesthetische en industriële aanblik” van de inrichting, verkeershinder door het voortdurend aan- en afrijden van vrachtverkeer, nachtelijke geluidsoverlast, wateroverlast en een “kennelijk onveilige situatie” tijdens het wandelen langsheen de N10 en de smalle landelijke buurtwegen.

16. De verwerende partij stelt dat het loutere feit dat een milieuvergunning uitvoerbaar is niet automatisch inhoudt dat er onherroepelijke gevolgen ontstaan, dat de vaststelling in vroegere arresten dat in hoofde van verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kon worden aangenomen niet gelijk te stellen is met de spoedeisendheid die verzoekster actueel moet aantonen, temeer omdat de thans bestreden milieuvergunning een verschillend voorwerp heeft, dat de onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd op zich niet het bestaan van spoedeisendheid aantonen, dat verzoekster er zich niet op kan beroepen dat de opgelegde exploitatievoorwaarden, waaronder het verbod om rustverstorende werkzaamheden uit te voeren tussen 19 uur en 7 uur, niet zullen worden nageleefd en dat zij evenmin concreet aantoont onherstelbare gezondheidsschade te zullen lijden of aan levenskwaliteit in te boeten indien de exploitatie plaatsvindt conform de opgelegde voorwaarden. Evenmin zou onherstelbare waterschade aan de woning van verzoekster aannemelijk worden gemaakt. Tot slot merkt de verwerende partij op dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden milieuvergunning “geen verandering [kan]

brengen in de planologische bestemming van het gebied waar de inrichting gelegen is” en ook niet kan leiden tot “afbraak van de reeds jarenlang bestaande inrichting”.

17. De tussenkomende partij merkt vooreerst op dat de verwijzing naar vroegere schorsingsarresten van de Raad van State niet opgaat. In die arresten wordt immers geen uitspraak gedaan over de thans vereiste spoedeisendheid.

Bovendien zou de milieuvergunning van 15 december 2004 grondig verschillen van de thans bestreden milieuvergunning, in de eerste plaats wat betreft de

VII-39.829-16/19

vergunde drijfkracht van de installaties voor de productie van betonwelfsels die in vergelijking met de vroegere toestand sterk wordt verminderd van 75 naar 58,74 kW. Met betrekking tot de beweerde geluidshinder zou verzoekster niet nuttig kunnen verwijzen naar de geluidsmeting die op 26 mei 2016 werd uitgevoerd. Deze meting zou immers uitgaan van de onjuiste premisse dat het kwestieuze bedrijf volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II) als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd. Daarenboven is het omgevingsgeluid door de geluidsbelasting van het wegverkeer op de N10 hoe dan ook hoog op de woonplaats van verzoekster. Bij de beoordeling van de spoedeisendheid van de zaak kan niet worden uitgegaan van de veronderstelling dat de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden, specifiek gericht op de beperking van de geluidshinder, niet zullen worden nageleefd. Verzoekster zou ook niet tegenspreken dat de productie pas om 7.30 uur wordt opgestart, dat de belangrijkste geluidsproducerende installaties in de productiehal zijn geplaatst, dat de voorbije tijd verscheidene maartregelen ten uitvoer werden gebracht om eventuele geluidshinder te beperken en dat tijdens een plaatsbezoek op 20 mei 2016 geen geluidshinder werd waargenomen ter hoogte van de dichtstbijzijnde woning. De tussenkomende partij verwijst voorts naar het arrest van 15 november 2011 van het Hof van Beroep te Brussel waarin zou zijn geoordeeld dat de geluidshinder van het bedrijf voor de omgeving aanvaardbaar is. Tot slot laat de tussenkomende partij nog gelden dat de afstand tot verzoeksters woning in werkelijkheid ongeveer 150 meter bedraagt, dat de beweerde visuele hinder niet wordt geconcretiseerd, dat dergelijke hinder niet toe te schrijven is aan de bestreden milieuvergunning, dat een omvangrijke groenbuffer aanwezig is, dat de beweerde verkeershinder sterk wordt overdreven en nog minder dat het bewijs wordt bijgebracht van wateroverlast of verkeersonveiligheid.

Beoordeling

18. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen,

VII-39.829-17/19

een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden, inzonderheid omdat de verzoekende partij dreigt terecht te komen in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen.

19. Verzoekster woont in de onmiddellijke omgeving van de vergunde exploitatie. Alleen al met verwijzing naar het verslag van de afdeling Milieu-inspectie van 13 juni 2016 waarin een significante overschrijding van de richtwaarde voor het specifiek geluid van de inrichting wordt vastgesteld, maakt verzoekster aannemelijk dat met het bestreden besluit een exploitatie wordt vergund die dermate hinderlijk is dat het aangewezen is de zaak in kort geding te beoordelen. De niet juridisch noch feitelijk uitgewerkte bewering dat het bedrijf door de afdeling Milieu-inspectie ten onrechte als een nieuwe inrichting werd aangemerkt, dient zich niet aan als een argument dat ernstig doet twijfelen aan de betrouwbaarheid van de conclusies van het inspectieverslag.

Aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan.

20. Hieruit volgt dat voldaan is aan de bij artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen.

VII. Kosten

21. De bijdrage in de betaling van de kosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding, wordt bepaald in het arrest waarin uispraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

VII-39.829-18/19

BESLISSING

1. Het verzoek van de BVBA Fingo-Frederickx tot tussenkomst wordt ingewilligd.

2. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 september 2016 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 3 maart 2016, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Fingo-Frederickx voor het verder exploiteren en veranderen van een inrichting voor de productie van betonelementen, gelegen aan de Schuttersveldstraat 11 te Scherpenheuvel-Zichem, ongegrond wordt verklaard.

3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.

De griffier De voorzitter

Elisabeth Impens Peter Sourbron

VII-39.829-19/19

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.394