Court dismisses appeal regarding vacation residence permit denial based on regional plan validity dates.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the appellant's cassation appeal against the refusal to register a vacation residence in Laakdal. The appellant argued that the regional plan's effective date should be linked to the objection period rather than the publication date, citing specific spatial planning codes. The court held that the regional plan became effective fifteen days after its official publication in the Belgian State Gazette, making the appellant's construction date post-effective. Consequently, the decision to deny the permit was upheld as legally sound.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 4.2.14 § 2 VCRO; Article 10 of the Law of 29 March 1962: The effective date of a regional plan for the purpose of determining the legality of existing structures is the date fifteen days following its publication in the Belgian State Gazette, not the date of the objection period.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.388 van 16 februari 2017
in de zaak A. 219.249/VII-39.774.
In zake : Kris JOCHEMS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN
VAN DE GEMEENTE LAAKDAL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Noël Devos en Guido Van den Eynde kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) nr. RvVb/A/1516/0921 van 5 april 2016 in de zaak 1112/0778/A/8/0698.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Een beschikking van 26 mei 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.
VII-39.774-1/14
De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.
Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2016.
Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Sophie Aerts, die loco advocaten Peter Flamey en Gregory Verhelst verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bram Vangeel, die loco advocaten Guido Van Den Eynde en Noël Devos verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Met een besluit van 26 april 2012 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Laakdal (hierna: CBS Laakdal) het
VII-39.774-2/14
vakantieverblijf, gelegen aan de Lakstraat te Laakdal als vergund geacht op te nemen in het vergunningenregister van de gemeente.
3.2. Het bestreden arrest verklaart het beroep van verzoeker tot vernietiging van de registratiebeslissing van 26 april 2012 ongegrond.
IV. Onderzoek van het enige middel
Standpunt van verzoeker
4. Verzoeker voert de schending aan van artikel 4.2.14 juncto artikel 5.1.3, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (hierna: begrotingsdecreet), het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994), artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-decreet), en artikel 66 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC-besluit).
In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat in het bestreden arrest ten onrechte wordt besloten dat het CBS Laakdal wettig mocht verwijzen naar de scharnierdatum in 1978, dit is de datum waarop het toepasselijk geldende gewestplan in werking zou zijn getreden. Volgens verzoeker gaat het bestreden arrest manifest in tegen de wettelijke draagwijdte van het begrip “eerste inwerkingtreding van het gewestplan”. Verzoeker licht toe dat hij in de procedure die tot het bestreden arrest heeft geleid, op omstandige wijze heeft opgeworpen dat bij het bepalen van de draagwijdte van het begrip “eerste inwerkingtreding van het gewestplan” rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat het
VII-39.774-3/14
gewestplan nooit op de volgens de artikelen 10 en 13 van de wet van 29 maart 1962
houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw (hierna: stedenbouwwet) vereiste wijze werd bekendgemaakt, bij gebrek aan een integrale neerlegging van het koninklijk besluit en van het gewestplan op het gemeentehuis. In het ingeroepen begrotingsdecreet werd een onderscheid geïntroduceerd tussen de normatieve en niet-normatieve onderdelen van het gewestplan. Er werd bepaald dat enkel de normatieve onderdelen in het gemeentehuis ter inzage moeten worden gelegd. In het ingeroepen besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 werd vervolgens vastgesteld welke onderdelen van het gewestplan als normatief dan wel als niet-normatief beschouwd moeten worden. Ten onrechte heeft de RvVb deze wijzigingen in de regelgeving afgedaan als irrelevant voor de beoordeling van de draagwijdte van het begrip “eerste inwerkingtreding van het gewestplan”. Deze beoordeling in het bestreden arrest gaat volgens verzoeker ook in tegen de inhoud van het arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 van het toenmalige Arbitragehof. Uit dat arrest vloeit volgens verzoeker voort dat de gewijzigde bekendmakingsregeling geen enkele impact heeft op de tegenstelbaarheid van gewestplannen die vóór de inwerkingtreding van het begrotingsdecreet werden vastgesteld. De wijzigingen gelden hoogstens voor de rechtshandelingen die werden gesteld na de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994. Verzoeker stelt dat hij enkel diende aan te tonen dat de bestaande constructie gebouwd is tussen 22 april 1962
en 23 maart 1994, zijnde de datum van bekendmaking en inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994. De RvVb heeft ten onrechte enkel rekening gehouden met de bepaling die stelt dat een gewestplan in werking treedt vijftien dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. Nochtans hangt de inwerkingtreding van het gewestplan samen met een correcte rechtsgeldige bekendmaking. Verzoeker besluit dat het bestreden arrest aan het begrip “eerste inwerkingtreding van het gewestplan” een draagwijdte heeft gegeven die niet wettig is.
In een tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de RvVb heeft nagelaten om zijn grieven omtrent de in zijn enige middel geschetste
VII-39.774-4/14
problematiek te beantwoorden. Minstens heeft de RvVb deze grieven niet in hun volledigheid en in al hun nuances mee in overweging genomen bij de beoordeling van het vernietigingsberoep. Ten onrechte werden verzoekers grieven in verband met de bekendmakingsproblematiek afgedaan als irrelevant. De RvVb heeft de rechtspraak van het toenmalige Arbitragehof onbesproken gelaten, en biedt geen verklaring waarom de grondwetsconforme draagwijdte van artikel 75, § 3, van de stedenbouwwet niet zou moeten worden gevolgd.
Verzoeker voegt toe dat onregelmatige bekendmakingen van een gewestplan niet rechtsgeldig kunnen worden aangewend bij de interpretatie van de bepalingen van de VCRO “op grond waarvan al dan niet een weerlegbaar vermoeden van vergunning wordt verleend”. Evenmin biedt het bestreden arrest een antwoord op de ter sprake gebrachte overwegingen van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 december 2009. De omstandigheid dat de decreetgever in 2009 niet uitdrukkelijk ervoor gekozen heeft om de scharnierdatum van 24 maart 1994 in de VCRO neer te schrijven, mag niet tot het besluit leiden dat de decreetgever daardoor de facto en zonder meer zou hebben gekozen voor de interpretatie zoals aangenomen door de RvVb. Er kan niet met goed gevolg verwezen worden naar het arrest van de Raad van State nr. 224.942
van 2 oktober 2013 omdat in dat arrest alleen een uitspraak wordt gedaan over het in die zaak opgeworpen cassatiemiddel.
In het licht van arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 van het toenmalig Arbitragehof vraagt verzoeker om nopens de grondwetsconforme interpretatie van artikel 4.2.14 VCRO juncto artikel 5.1.3 VCRO de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
“Schenden de artikelen 4.2.14, §2 VCRO juncto 5.1.3, §2 VCRO de artikelen 10, 11 en 190 van de Grondwet, in zoverre daaruit zou volgen dat bij het bepalen van de scharnierdatum voor het beoordelen van het wettelijk weerlegbaar vermoeden van vergund karakter geen rekening dient gehouden te worden met de tegenstelbaarheid van het gewestplan zoals deze voortvloeit uit de wijziging door de decreetgever door middel van art. 100 van het Begrotingsdecreet van 22 december 1993, terwijl elke rechtsonderhorige op
VII-39.774-5/14
gelijke en niet discriminerende wijze het recht heeft te steunen op rechtsnormen die op rechtsgeldige wijze werden bekend gemaakt?”.
Beoordeling
5. Artikel 9 van het op 1 september 2012 in werking getreden decreet van 6 juli 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van VCRO wat de RvVB betreft, bepaalt dat “beroepen die zijn ingediend vóór de datum van inwerkingtreding worden behandeld volgens de procedureregels die golden vóór die datum”.
Verzoeker heeft het beroep tegen de registratiebeslissing van 26 april 2012 bij de RvVb ingediend op 5 juli 2012.
6. Artikel 32 van het DBRC-decreet en artikel 66 van het DBRC-besluit zijn overeenkomstig artikel 96 van het DBRC-decreet samengelezen met artikel 115 van het DBRC-besluit in werking getreden op 1 januari 2015.
7. Het bestreden arrest overweegt voorafgaandelijk aangaande de toegepaste wet:
“Titel IV, hoofdstuk VIII van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) betreffende de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de bepalingen van het reglement van orde van de Raad, bekrachtigd door de Vlaamse Regering op 20 november 2009, zijn toegepast.
De uitdrukkelijke verwijzingen in dit arrest naar artikelen van de VCRO
hebben betrekking op de tekst van deze artikelen, zoals golden op het ogenblik van het instellen van de voorliggende vordering”.
8. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 32 van het DBRC-decreet en artikel 66 van het DBRC-besluit is onontvankelijk.
VII-39.774-6/14
9. Artikel 4.2.14, §§ 2 en 3, VCRO luidt met ingang van 1 september 2009:
“§ 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.
Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied.
§ 3. indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt”.
10. De wijziging vanaf 1 september 2009 van het tijdskader van het weerlegbaar vermoeden van vergunning tot de eerste, definitieve vaststelling van het gewestplan naar de eerste inwerkingtreding ervan, wordt in de memorie van toelichting als volgt verantwoord:
“Het weerlegbaar vermoeden van vergunning loopt vandaag tot de allereerste definitieve vaststelling van het gewestplan. Artikel 10 jo. 13 van de Stedenbouwwet bepaalde echter dat het besluit houdende vaststelling van het gewestplan in werking trad 15 dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, en dat de provinciegouverneur binnen die termijn het gewestplan opstuurde naar de betrokken gemeenten. Pas dan kon de burger het gewestplan consulteren. Het is daarom logisch het eindpunt van de periode van het vermoeden te leggen op het ogenblik van de eerste inwerkingtreding van het gewestplan” (Parl.St. Vl.Parl. 2008-2009, nr. 2011/1, 108)”.
11. Het gewestplan Herentals-Mol werd definitief vastgesteld bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 september 1978.
VII-39.774-7/14
12. Artikel 13 van de stedenbouwwet bepaalde toentertijd:
“Alle bepalingen van de artikelen 9 en 10, behalve de bepaling betreffende het advies van de Ministerraad, zijn toepasselijk op het gewestplan”.
Artikel 10 van diezelfde wet bepaalde toen:
“Het Koninklijk besluit treedt in werking vijftien dagen na de bekendmaking ervan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, waarin tegelijk het advies van de Commissie van advies wordt overgenomen.
Binnen dezelfde termijn zendt de Gouverneur het streekplan naar iedere gemeente die bij het plan betrokken is.
De Gouverneur maakt door aanplakking bekend dat het plan in elk gemeentehuis voor een ieder ter inzage ligt”.
Bij artikel 99 van het begrotingsdecreet is voormeld artikel 13
van de stedenbouwwet vervangen en door artikel 100 van datzelfde decreet is een artikel 13bis in de stedenbouwwet ingevoegd dat luidt:
“De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse Regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen.
Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking.
Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis.
De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening. De Vlaamse Regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn”.
Artikel 75, § 3, van de stedenbouwwet, vervangen door artikel 108 van het begrotingsdecreet, luidt:
“Op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 is de bepaling van artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 van toepassing”.
VII-39.774-8/14
13. In arrest nr. 86/95 van 21 december 1995 heeft het Arbitragehof overwogen wat volgt:
“Artikel 75, § 3, van bovengenoemde wet van 29 maart 1962, krachtens hetwelk de bepalingen van artikel 13bis van die wet, vervangen door artikel 100
van het decreet van 22 december 1993, van toepassing zijn op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994, mildert voor de toekomst de verplichtingen van het bestuur op het gebied van de terinzagelegging van gewestplannen; het heeft wel onmiddellijke, doch geen retroactieve werking zoals verzoekende partijen voor de Raad van State aanvoeren. Het kan dan ook niet ertoe strekken het beslechten van op het ogenblik van zijn inwerkingtreding hangende rechtsgedingen te beïnvloeden en laat bijgevolg de bevoegdheid van de administratieve rechter onaangetast om de gevolgen te beoordelen van het niet ter inzage leggen van niet-normatieve delen van het gewestplan ten aanzien van administratieve rechtshandelingen die op dat gewestplan zijn gesteund en vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regel zijn gesteld.
[…]
Wel heeft het artikel tot gevolg dat administratieve rechtshandelingen die na de inwerkingtreding van het decreet zijn gesteld, niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan”.
In het arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 overweegt het Arbitragehof:
“Artikel 75, §3, van de stedebouwwet mildert enkel voor de toekomst de verplichtingen van het bestuur op het gebied van de terinzagelegging van gewestplannen; het heeft wel onmiddellijke, doch geen retroactieve werking.
Het laat de bevoegdheid van de administratieve rechter onaangetast om de gevolgen te beoordelen van het niet ter inzage leggen van niet-normatieve delen van het gewestplan ten aanzien van administratieve rechtshandelingen die op dat gewestplan zijn gesteund en vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regel zijn gesteld”.
14. Noch uit de tekst van artikel 4.2.14, § 2, VCRO, al dan niet samengelezen met artikel 5.1.3, § 2, VCRO, noch uit de ontstaansgeschiedenis van die bepaling volgt dat de decreetgever de bedoeling had om als datum van eerste inwerkingtreding van het gewestplan in de zin van deze bepaling een andere datum in aanmerking te nemen dan de vijftiende dag na de publicatie van het koninklijk besluit tot definitieve vaststelling van het gewestplan in het Belgisch Staatsblad.
VII-39.774-9/14
Het middelonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
15. Door te overwegen dat het gewestplan “op 5 oktober in werking [is] getreden (in de zin van artikel 4.2.14, § 2, VCRO), met name 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad”, miskent het bestreden arrest niet de in het middel aangevoerde bepalingen.
16. Overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is de Raad van State er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen, wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.
In arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 heeft het Arbitragehof geantwoord op de vraag of artikel 75, 3, van de stedenbouwwet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet “in de mate dat het een onderscheid in rechtsbescherming in het leven zou roepen tussen de burgers die wel nog een aanspraak kunnen maken op inzage van het volledig gewestplan ten gemeentehuize en de burgers aan wie die waarborg wordt ontnomen”.
Uit wat voorafgaat blijkt dat voor de toepassing van artikel 4.2.14, § 2, VCRO, rekening moet worden gehouden met de stand van de wetgeving op het ogenblik dat dit artikel werd ingevoerd, en dus met de draagwijdte van artikel 75, § 3, van de stedenbouwwet. De prejudiciële vraagstelling van verzoeker sluit derhalve aan bij de in arrest nr. 20/96
beantwoorde prejudiciële vraag. Het Arbitragehof overwoog (randnr. B.12):
“Zoals reeds uiteengezet onder B.5, heeft artikel 75, §3, van de wet van 29 maart1962 geen retroactieve werking.
Het artikel is van toepassing op alle burgers. Het maakt geen onderscheid tussen burgers die wel en burgers die geen aanspraak kunnen maken op volledige inzage van het gewestplan ten gemeentehuize. Wel heeft het artikel tot gevolg dat administratieve rechtshandelingen die na de
VII-39.774-10/14
inwerkingtreding van het decreet zijn gesteld, niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan wegens het niet ter inzage liggen ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan.
Inherent aan een nieuwe regeling is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt geen schending uit van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet: elke wetswijziging zou onmogelijk worden mocht worden aangenomen dat een nieuwe bepaling die grondwetsartikelen zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving wijzigt.”
Gelet op dit antwoord van het Arbitragehof, behoeft de door verzoeker gestelde prejudiciële vraag geen antwoord meer van het Grondwettelijk Hof.
17. Het eerste middelonderdeel is ongegrond.
18. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt de beslissing te nemen.
Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering - of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
De bodemrechter is niet gehouden te antwoorden op alle argumenten die verzoeker ter staving van zijn enige middel heeft aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel uitmaken.
VII-39.774-11/14
19. Het bestreden arrest overweegt in randnummer 6 en 7, na opgave van de wetshistoriek:
“6.
Op basis van voormelde overwegingen, in het bijzonder de tekst van artikel 4.2.14, §2 VCRO en de memorie van toelichting, volgt dat de verwijzing in artikel 4.2.14, §2 VCRO naar ‘de eerste inwerkingtreding van het gewestplan’ doelt op de inwerkingtreding van het gewestplan als gevolg van de bekendmaking ervan overeenkomstig ‘artikel 10 jo. 13 van de stedenbouwwet’, met name ‘vijftien dagen na de (bekendmaking ervan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad’. De Raad meent dat de decreetgever, naar aanleiding van het bepalen van de (bijgestelde) einddatum van de periode in artikel 4.2.14, §2
VCRO, niet zal verwijzen naar een einddatum die afhankelijk is van een bewijsvoering die in het verleden problematisch bleek en waarbij de decreetgever middels voormeld decreet van 22 december 1993 corrigerend is opgetreden, noch naar een einddatum die overeenstemt met de datum van de inwerkingtreding van voormeld besluit van 23 februari 1994, zonder deze datum (24 maart 1994) expliciet te vermelden in artikel 4.2.14, §2 VCRO.
De stelling van verzoekende partij dat ‘de eerste inwerkingtreding van het gewestplan’ in artikel 4.2.14, §2 VCRO doelt op (de datum van) het tegenstelbaar zijn van het gewestplan aan de aanvrager, ingevolge het voldaan zijn aan alle vereisten van bekendmaking conform geciteerd artikel 10 van de wet van 29 maart 1962, kan derhalve niet worden gevolgd. In die optiek is de door verzoekende partij aangehaalde rechtspraak (van onder meer de Raad van State) inzake de problematiek van de rechtsgeldige bekendmaking van gewestplannen niet relevant bij de beoordeling van het vergund geacht karakter van een bestaande constructie overeenkomstig artikel 4.2.14, §2 VCRO.
Hetzelfde geldt voor de vaststelling dat het sinds de inwerkingtreding op 24 maart 1994 van voormeld besluit van 23 februari 1994 bij de bekendmaking van gewestplannen niet langer is vereist dat orthofotoplannen en kaarten die de bestaande toestand weergeven eveneens ter inzage moeten worden gelegd in elk gemeentehuis.
7. Het in casu geldende gewestplan Herentals-Mol werd vastgesteld bij Koninklijk besluit van 28 juli 1978, dat bij uittreksel werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 september 1978. Het gewestplan is derhalve op 5 oktober 1978 in werking getreden (in de zin van artikel 4.2.14, §2 VCRO), met name 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Het bestreden besluit kon bij de beoordeling van de bewijswaarde van de door verzoekende partij aangebrachte bewijzen om aan te tonen dat haar constructie werd gebouwd in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, derhalve wettig verwijzen naar de scharnierdatum van 1978, waarop het geldende gewestplan in werking trad. De stelling van verzoekende partij dat de op datum van haar aanvraag bestaande constructie (inclusief de sinds 1970 tot op datum van de aanvraag op onbekende data uitgevoerde handelingen, waardoor de initiële oppervlakte volgens verwerende partij meer dan verdubbelde) ingevolge de gebrekkige
VII-39.774-12/14
bekendmaking van het geldende gewestplan moet worden geacht te dateren van vóór de ‘eerste inwerkingtreding van het gewestplan’ in de zin van artikel 4.2.14, §2 VCRO, kan niet worden gevolgd.
[…]”.
20. Aldus heeft de RvVb duidelijk en ondubbelzinnig geantwoord op de door verzoeker aangevoerde rechtspraak in het kader van zijn enige middel.
Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
Het enige middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verwerende partij.
VII-39.774-13/14
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.774-14/14
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.388