Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.387 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.387 Généré par l'IA

Cassation appeal dismissed; applicant lacks standing as friend of defendant in planning permit case.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.387
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the cassation appeal filed against a ruling declaring the applicant's intervention inadmissible. The applicant, a girlfriend of the permit recipient, argued she had a direct interest in the outcome of the planning permit regularisation. The court found the appeal inadmissible because the applicant did not fall under any category of interested parties allowed to intervene under the relevant planning law.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 4.8.16, § 1, first paragraph, VCRO; 4.8.19, § 1 VCRO: An applicant who is merely a friend or cohabitant of the permit recipient lacks standing to intervene in a cassation appeal against a planning permit decision unless they fall within a specific statutory category of interested parties.

Mots-clés

Généré par l'IA
standing to intervene planning permit regularisation interested parties cassation appeal inadmissible intervention friend of defendant VCRO planning law violation du permis de construire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 4.8.16, § 1, first paragraph, VCRO
Article 4.8.19, § 1 VCRO
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VIIe KAMER

nr. 237.387 van 16 februari 2017

in de zaak A. 219.596/VII-39.706.

In zake : Tinneke DE KEERSMAECKER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

1. de GEMEENTE HEIST-OP-DEN-BERG

2. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN

VAN DE GEMEENTE HEIST-OP-DEN-BERG

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Cies Gysen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18

bij wie woonplaats wordt gekozen

I. Voorwerp van het beroep

1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) nr. RvVb/A/1516/1095 van 10 mei 2016 in de zaak 1011/0674/A/8/0593.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Een beschikking van 11 juli 2016 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar.

VII-39.706-1/7

De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State.

Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 januari 2017.

Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Nathalie Mortelmans, die loco advocaat Cies Gysen verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord.

Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Met een besluit van 20 januari 2011 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de BVBA Sigaro een stedenbouwkundige vergunning voor “het regulariseren van het bouwen van een woning, het wijzigen van het terreinprofiel en het plaatsen van een draadafsluiting”.

VII-39.706-2/7

3.2. Het bestreden arrest verklaart het verzoek tot tussenkomst van T. De Keersmaecker onontvankelijk en het beroep van de gemeente Heist-op-den-Berg en haar college van burgemeester en schepenen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van 20 januari 2011 gegrond. Het bestreden arrest vernietigt de vergunningsbeslissing en beveelt de deputatie binnen een vervaltermijn van vier maanden een nieuwe beslissing te nemen.

IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid

4.1. De gemeente Heist-op-den-Berg en haar college van burgemeester en schepenen werpen op dat het enige cassatiemiddel enkel gericht is tegen de onontvankelijkheidsverklaring van het verzoek tot tussenkomst van T. De Keersmaecker. Laatstgenoemde richt geen middel tegen de gegrondverklaring door het bestreden arrest. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet het behoud van de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing tot gevolg hebben. T. De Keersmaecker beschikt bijgevolg niet over het vereiste belang om cassatieberoep in te dienen. Dit blijkt des te meer uit een brief van laatstgenoemde aan de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarin zij stelt dat het ingestelde cassatieberoep absoluut geen beletsel mag vormen om de administratieve beroepsprocedure te hernemen. T. De Keersmaecker geeft aldus blijk van tegenstrijdige handelingen en lijkt zelfs afstand te doen van het cassatieberoep.

Beoordeling

4.2. Het bestreden arrest “stelt […] vast dat het verzoek tot tussenkomst van [T. De Keersmaecker] laattijdig werd ingediend en om die reden onontvankelijk is”.

T. De Keersmaecker werd aldus de hoedanigheid van partij ontzegd door het bestreden arrest.

VII-39.706-3/7

Het bestreden arrest heeft aldus de door T. De Keersmaecker ingediende “schriftelijke uiteenzetting” bij de oordeelsvorming over de onderzochte middelen van de gemeente Heist-op-den-Berg en haar college van burgemeester en schepenen niet betrokken.

Het enige middel van T. De Keersmaecker betreft de onontvankelijkverklaring door het bestreden arrest van haar verzoek tot tussenkomst.

T. De Keersmaecker heeft belang bij het cassatieberoep.

4.3. Het schrijven van T. De Keersmaecker aan de deputatie van de provincieraad van Antwerpen na de kennisgeving van het bestreden arrest kan niet gelijkgesteld worden met een verzoek aan de Raad van State tot toewijzing van een afstand van geding.

T. De Keersmaecker heeft na kennisgeving van het auditoraatsverslag gevraagd dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord.

V. Onderzoek van het enige middel

Standpunt van de partijen

5.1. T. De Keersmaecker voert de schending aan van de artikelen 6, 8 en 13 EVRM, de artikelen 10, 11, 13, 22, 29 en 149 van de Grondwet, de artikelen 4.8.16, § 1, en 4.8.19, § 1, VCRO zoals toentertijd van toepassing, en het algemeen rechtsbeginsel van toegang tot de rechter:

- (eerste onderdeel) doordat het bestreden arrest oordeelt dat zij “niet ressorteert onder één van de categorieën belanghebbenden bepaald in artikel 4.8.16, §1, lid 1, VCRO, die overeenkomstig artikel 4.8.19, §1, VCRO in de procedure kunnen tussenkomen”,

VII-39.706-4/7

- (tweede onderdeel) “en omdat gelet op de specifieke feitelijke omstandigheden noodzakelijk moet worden vastgesteld dat [zij] reeds ruim voor haar verzoek tot tussenkomst op 20 februari 2012 feitelijke kennis had van het beroep van [de gemeente Heist-op-den-Berg en haar college van burgemeester en schepenen] van 15 maart 2011, zodat haar verzoek tot tussenkomst dilatoir is nu zij dit eerder had kunnen indienen”.

Zij betoogt in het eerste middelonderdeel dat het bestreden arrest zonder enige motivering overweegt dat zij niet ressorteert onder één van de categorieën van belanghebbenden vermeld in artikel 4.8.16, §1, lid 1, VCRO die overeenkomstig artikel 4.8.19 VCRO kunnen tussenkomen in de procedure bij de RvVb. In het arrest wordt nergens bepaald waarom zij geen belanghebbende is.

In verband met de aangenomen laattijdigheid van het verzoek tot tussenkomst, doet zij in het tweede middelonderdeel gelden dat het aan de RvVb toekomt om concreet aan te tonen en te motiveren dat “de zaak op hoofdvordering werd vertraagd” door haar verzoek tot tussenkomst. Het bestreden arrest motiveert niet “dat de hoofdvordering vertraging zou hebben opgelopen als gevolg van de tussenkomst. Integendeel, het is vooral door de inertie van de RvVb zelf dat de zaak zolang heeft geduurd”. Het arrest gaat volgens T. De Keersmaecker in strijd met de aangehaalde bepalingen die het privé-leven beschermen uit van “een niet nader gemotiveerde vooronderstelling [...] over de wijze waarop feitelijke samenlevers met elkaar samenleven en met elkaar communiceren”. Het besluit van de RvVb dat het verzoek tot tussenkomst dilatoir is, heeft geen rechtsgrond en steunt louter op vermoedens en is bijgevolg willekeurig. Het aangenomen dilatoir karakter van het verzoek tot tussenkomst is ook niet redelijk, vermits het eindarrest van de RvVb meer dan vier jaar op zich heeft laten wachten.

5.2. De gemeente Heist-op-den-Berg en haar college van burgemeester en schepenen betwisten het belang van T. De Keersmaecker bij het enige middel om dezelfde reden als het door hen betwist belang bij het cassatieberoep.

VII-39.706-5/7

Beoordeling

5.3. De exceptie wegens gebrek aan belang bij het middel wordt om de redenen in randnummer 4.2 verworpen.

5.4. In het eerste middelonderdeel voert T. De Keersmaecker een gemis aan motivering aan.

5.5. Het bestreden arrest overweegt omtrent de vaststelling dat T. De Keersmaecker geen belanghebbende is in de zin van de toepasselijke versie van artikel 4.8.16, § 1, eerste lid, VCRO, wat volgt:

“Wat betreft de (exceptie van) ontvankelijkheid van de tussenkomst van tweede tussenkomende partij mevrouw DE KEERSMAECKER, stelt de Raad vast dat zij niet ressorteert onder één van de categorieën belanghebbenden in artikel 4.8.16, §1, lid 1 VCRO, die overeenkomstig artikel 4.8.19, §1 VCRO in de procedure kunnen tussenkomen. Zij ontleent haar belang in het inleidend verzoekschrift aan het feit dat ze ‘de vriendin is van dhr. Van Loo en momenteel reeds 7 jaar feitelijk samenwoont met hem’, zodat ze het vereiste belang zou hebben om "tussen te komen tegen een verzoekschrift tot vernietiging van de regularisatievergunning die werd verleend voor een gebouw waarin zij zal wonen (met haar vriend van zodra dit is afgewerkt)’. Zij voegt hieraan naderhand nog toe dat ‘het concreet rechtstreeks voordeel dat ze kan putten uit de verwerping van het beroep tot vernietiging is, dat de goedgekeurde plannen uitgevoerd kunnen worden waardoor ze als bewoner ook gebruik kan maken van de thans geregulariseerde bouwwerken’, waarbij ‘het behoud van de werken zoals ze vergund zijn bepalend is voor haar directe leefomgeving en haar leefkwaliteit’, terwijl er ‘bovendien met de verwerping van het beroep een einde zou komen [aan] de juridische onzekerheid die haar moreel zwaar belast en de stedenbouwkundige vergunning definitief en onaantastbaar zou worden”.

5.6. Het bestreden arrest is met redenen omkleed.

5.7. Het middelonderdeel mist aldus feitelijke grondslag.

5.8. Het tweede middelonderdeel kan niet tot cassatie leiden gelet op de verwerping van het eerste middelonderdeel en de in randnummer 5.5.

VII-39.706-6/7

aangehaalde zelfstandige reden van onontvankelijkverklaring door het bestreden arrest van het verzoek tot tussenkomst van T. De Keersmaecker.

Het enige middel wordt verworpen.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.

2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, verschuldigd aan de verwerende partijen.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:

Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.

De griffier De voorzitter

Bart Tettelin Eric Brewaeys

VII-39.706-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.387