Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.377 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.377 Généré par l'IA

Court dismisses police officer's suspension request, upholding dismissal for serious disciplinary breaches.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.377
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the police commissioner's request to suspend the execution of his dismissal decision. The court found that the higher disciplinary authority did not exceed its reasonable discretion in imposing dismissal for two serious offenses, including a significant breach of trust. Although the applicant argued that one offense was mitigated, the court held that the gravity of both violations combined made dismissal necessary and proportionate.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 17, § 1 of the coordinated laws on the Council of State; The Council of State dismisses a suspension request where the disciplinary authority's decision to dismiss an employee is based on a reasonable assessment of the gravity of the misconduct and the breach of trust, without exceeding the limits of its discretion.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary dismissal proportionality principle breach of trust reasonable discretion police disciplinary code suspension of execution administrative review notification par huissier

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 17, § 1 of the coordinated laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 237.377 van 14 februari 2017

in de zaak A. 219.679/XIV-37.119

In zake: XXXX

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Clonen en Annelies Troost kantoor houdend te 2600 Berchem Fruithoflaan 124/14

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen:

de POLITIEZONE 5906

MECHELEN/WILLEBROEK

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 8 juli 2016, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokale politie Mechelen-Willebroek van 9 juni 2016 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.

Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld.

XIV-37.119-1/76

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Annelies Troost, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is commissaris van politie bij de politiezone Mechelen, thans politiezone Mechelen/Willebroek.

3.2. De burgemeester van de stad Mechelen, optredend als gewone tuchtoverheid, legt op 10 juni 2013 aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op voor de volgende feiten:

“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen Op maandag 15 oktober 2012 was U met dienst gepland. Op 12 oktober 2012

wordt U door de dienst operationele planning telefonisch gecontacteerd om U te melden dat een dienstwissel dient te gebeuren en dat U op 15 oktober 2012 een andere dienst zal dienen te vervullen. U laat tijdens dit telefonisch contact met de dienst operationele planning van 12 oktober 2012 weten dat U niet kan ingaan op deze dienstwissel aangezien U reeds een niet verplaatsbare afspraak met de tandarts heeft gepland. Tijdens dit telefonisch contact op 12 oktober 2012 wordt door U

geenszins melding gemaakt van het opnemen van syndicaal verlof op 15 oktober 2012.

Op maandag 15 oktober 2012 wordt vastgesteld dat U niet aanwezig was op dienst en dat U geen telefonische melding had gedaan omtrent Uw afwezigheid. Op maandag 15 oktober 2012 ontvangt het personeelssecretariaat op laattijdige wijze,

XIV-37.119-2/76

met name zonder voorafgaande voorlegging zoals bepaald in het syndicaal statuut, een attest voor syndicaal verlof op 15 oktober 2012.”

Tegen deze beslissing heeft verzoeker geen beroep tot nietigverklaring ingediend.

3.3. Op 4 november 2013 ontvangt de burgemeester van de stad Mechelen, als hogere tuchtoverheid van de vorige politiezone Mechelen, een informatieverslag inzake verzoeker. Daarin is het volgende gesteld:

“[…]

Op 24 oktober 2013 word ik, middels een mailbericht van 10 september 2013

[…]in kennis gesteld van de volgende feiten:

In dit document staat het volgende vermeld :

‘Kc, Hierbij een verslag van wachtoverste [V.] aangaande de 3 verdachten van Mongoolse afkomst die gelost moesten worden omdat de bevelen tot medebrenging niet betekend werden.

APV : ME.10.L1.[XXXXXX]/13 dd. 21/10/2013.

[…]

....

Geachte, Op 22/10/2013 heb in de functie van Wachtoverste - late dienst om 13:50 uur een telefoon gekregen van de recherche Knokke-Heist. Zij deelden mij mede dat één van de drie verdachten reeds was aangekomen en dat de andere twee onderweg waren maar vertraging hadden door een voertuigpanne. Zij deelden mij tevens mede dat de eerste ploeg de bevelen tot medebrenging bij zich hadden maar dat deze niet betekend zijn geweest.

Hierop heb ik nazicht uitgevoerd in ISLP en heb ik medegedeeld dat ik hier niet van op de hoogte ben vermits ik net de dienst heb overgenomen.

Men stelde mij tevens de vraag wat zij met de PV's met bestemmeling PdK

Mechelen, dienden te doen. Het was niet duidelijk of deze PV's voor PdK Brugge waren bestemd of voor PdK Mechelen.

Hierop heb ik geantwoord dat ik dit niet kon opmaken uit het PV en dat ik niet kon zien of het aanvankelijk PV per drager is overgemaakt aan PdK Mechelen of mee met de ploeg. De enige oplossing om dit te weten te komen zou zijn om contact op te nemen met het Parket Mechelen.

Na het beëindigen van het telefoongesprek kwam [verzoeker] binnen en ik stelde hem de vraag betreffende betekening van de bevelen. Hierop antwoordde hij me dat hij deze had afgestempeld en getekend en dat hij had gevraagd om deze bevelen te laten betekenen.

Vervolgens is [verzoeker] vertrokken.

Omstreeks 14:20 uur kreeg ik terug telefoon van de recherche Knokke-Heist, ditmaal met de mededeling dat zij van de onderzoeksrechter niet verder mochten werken tenzij dat er een PV was waaruit bleek dat het niet tekenen voortkwam uit een weigering door de verdachten zelf.

XIV-37.119-3/76

Vermits ik in ISLP niets kon vinden dienaangaande, heb ik telefonisch contact genomen met [verzoeker]. Hij vertelde me dat hij aan ‘die van het WOT’ ([H.]) had gevraagd om de bevelen te laten betekenen.

Hierop heb ik terug telefonisch contact opgenomen met de recherche Knokke-Heist. Ze deelden me mede dat de tweede ploeg net was aangekomen.

Hierop heb ik gevraagd of [H.] bij hem stond en om hem te vragen wat de reden is van het niet betekenen. Hierop verneem ik dat dit niet gevraagd is geweest door [verzoeker].

Om 15:15 uur krijg ik telefoon van Sub[stituut D.] bij het Parket te Brugge met de mededeling dat er een zware fout is gebeurd waardoor drie personen een tijd op een onwettige basis van hun vrijheid zijn beroofd geweest, dat er drie Parketten zijn gecontacteerd geweest en een Onderzoeksrechter gevorderd is geweest en dat dit door een fout allemaal voor niets is geweest. De drie verdachten dienen dan ook in vrijheid worden gesteld.

Kort daarna krijg ik telefoon van [H.] die me mededeelt dat [verzoeker] dit niet aan hem noch aan iemand anders van de overbrengers heeft gevraagd. Ik merk dat hij een beetje over zijn toeren is.

Kort daarna is de eerste ploeg terug aangekomen in het commissariaat. Deze ploeg bestaande uit [F.] en een stagiair, vertelden me dat zij een enveloppe hadden gekregen met daarin de pv's die moesten genomen worden en met de bevelen tot medebrenging. Zij wisten niet dat de bevelen in de enveloppe zaten. Zij hebben vanuit het cellencomplex gebeld om de boek ‘register vrijheidsberoving’ naar beneden te brengen. [Verzoeker] is beneden gekomen, heeft de boek op het bureau gelegd en is terug naar boven vertrokken.

Volgens hen heeft hij helemaal niemand aangesproken om de bevelen te laten betekenen.

Later is ook de tweede ploeg teruggekomen. [H.] was behoorlijk kwaad. Hij was bij de actie die de drie verdachten heeft opgepakt en heeft zelf meegewerkt aan de PV's. Hij vindt het dus erg dat een onderzoek waar hij zelf heeft aan meegewerkt door een dergelijke fout teniet is gedaan.

Tot zover mijn relaas betreffende deze feiten.

[…]’ Aangezien deze feiten mogelijks tuchtvergrijpen uitmaken, vraag ik u dan ook om deze feiten nader te onderzoeken en te overwegen om een tuchtprocedure op te starten met betrekking tot deze feiten.

[…].”

3.4. De korpschef van de politiezone Mechelen wordt met een informatieverslag van 5 december 2013 ingelicht van het volgende:

“Gisteren werd tijdens een korte pauze van het BOC te Mechelen, in de wandelgangen meegedeeld dat er mogelijk problemen waren met enkele attesten syndicaal verlof dewelke door [verzoeker] werden afgegeven in 2012.

Ik heb U terzake mondeling ingelicht en U hebt mij dan door de personeelsdienst van de PZ Mechelen de attesten laten bezorgen om met Uw toestemming nazicht te doen van de mij meegedeelde mogelijke misbruiken.

Naar aanleíding van dit nazicht heb ik vastgesteld dat er mogelijk sprake is van valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken door [verzoeker]. Dit met betrekking tot de bij de dienst personeel overhandigde attesten syndicaal verlof vorig jaar 2012 en begin dit jaar 2013. Hierover werd door mij een aanvankelijk

XIV-37.119-4/76

proces-verbaal opgesteld met nummer ME.21.L1.02[XXXX]/2013 dd. 05

december 2013 dat per drager op 6 december 2013 wordt overgemaakt aan de diensten van het parket van de procureur des Konings te Mechelen.”

3.5. Met een informatieverslag van 6 december 2013 licht de korpschef de burgemeester van de stad Mechelen, als tuchtoverheid van de vorige politiezone Mechelen, in van het volgende:

“Met dit schrijven wens ik U, in Uw hoedanigheid van gewone en hogere tuchtoverheid, voor eventueel nuttig gevolg, in kennis te stellen van mogelijke tuchtvergrijpen die betrekking hebben op een personeelslid van de lokale politie Mechelen, met name [verzoeker].

Op 5 december 2013 word ik middels een informatieverslag van 5 december 2013 van CP [L.] ingelicht van het feit dat door CP [L.] lastens [verzoeker]

proces-verbaal met als notitienummer ME.21.L1.02[XXXX]/2013 dd. 05 december 2013 werd opgesteld. Dit dossier heeft betrekking op vermoedelijke feiten van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken en meer in het bijzonder op syndicale attesten die in 2012 en 2013 werden ingediend voor het bekomen van syndicaal verlof.

Aangezien deze mogelijke feiten mijn vertrouwen in het functioneren van [verzoeker] op een zeer zwaarwichtige wijze beschamen, vraag ik U dan ook om deze feiten nader te onderzoeken en te overwegen om een tuchtprocedure op te starten met betrekking tot deze feiten. Daarnaast lijkt het mij aangewezen, aangezien deze feiten, ook mogelijks strafbare feiten uitmaken en dus eveneens ter kennis werden gebracht van de procureur des Konings te Mechelen, hierover overleg te plegen met de procureur des Konings te Mechelen.

Ik hoop U dan ook met dit schrijven maximaal ingelicht te hebben aangaande de mogelijke tuchtvergrijpen die werden begaan door [verzoeker].”

3.6. Op 17 januari 2014 richt de burgemeester van de stad Mechelen een brief aan de minister van Binnenlandse Zaken, waarbij hij de minister in kennis stelt van de voorlopige schorsing van verzoeker. Hij vraagt ook het volgende:

“Artikel 20, 1°, a van [de tuchtwet] voorziet de mogelijkheid om voor een commissaris van politie een tuchtzaak voor bevoegdheid over te dragen aan de minister van Binnenlandse Zaken. Ik wens van deze mogelijkheid gebruik te maken enerzijds omwille van de overweging dat dit dossier betrekking heeft op syndicale activiteiten met mogelijks nationale impact en anderzijds omwille van de overweging dat een dergelijke overdracht de nodige sereniteit en goede verstandhouding met de vakorganisaties kan helpen garanderen met betrekking tot het lopende traject van de vrijwillige fusie tussen de PZ Mechelen en de PZ

Willebroek.”

Na met brieven van 27 mei 2014, 1 september 2014 en 6 oktober

XIV-37.119-5/76

2014 te hebben geïnformeerd bij de minister van Binnenlandse Zaken naar de voortgang van het tuchtonderzoek, antwoordt de minister op 11 december 2014 dat zij geen positief gevolg kan verlenen aan de vraag van de burgemeester van de stad Mechelen om de tuchtbevoegdheid lastens verzoeker over te nemen. De minister motiveert als volgt:

“Ik heb uw brieven van 17 januari, 27 mei, 1 september en 6 oktober 2014 in goede orde ontvangen en met veel aandacht gelezen. Bij deze deel ik u mee dat ik als hogere tuchtoverheid geen positief gevolg kan verlenen aan uw vraag tot overdracht van het dossier betreffende [verzoeker], in toepassing van artikel 20, 1°, a) van de Tuchtwet.

De Raad van State heeft namelijk in zijn arrest n° 201.132 van 22 februari 2010

uitdrukkelijk de voorwaarden bepaald die het gebruik van dit principe rechtvaardigen. Het biedt de mogelijkheid aan een burgemeester die zelf van oordeel is dat hij te nauw staat bij de werking van het korps of bij de betrokken officier, te vragen dat de tuchtzaak wordt behandeld door een overheid die meer afstand heeft ten aanzien van het korps en de gerezen problemen. De bepaling biedt aan de tuchtoverheid een uitweg voor het geval diens onpartijdigheid in het gedrang komt. In uw brieven haalt u echter als motieven aan dat ‘het dossier betrekking heeft op syndicale activiteiten met mogelijks nationale impact’ en dat ‘een dergelijke overdracht de nodige sereniteit en goede verstandhouding met de vakorganisaties kan helpen garanderen m.b.t. het lopende traject van de vrijwillige fusie tussen de PZ Mechelen en de PZ Willebroek’. U begrijpt dat ik deze argumenten niet kan weerhouden, daar ze niet kaderen binnen de specifieke overwegingen van de Raad van State.”

3.7. Met het inleidend verslag van 28 mei 2015 stelt de burgemeester van de stad Mechelen, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om verzoeker de zware straf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Het inleidend verslag bevat onder meer een uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen van de feiten waarvoor het tuchtdossier werd geopend en van de datum van kennisneming van de feiten. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, meer bepaald de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege.

Inzake de datum van kennisgeving van de feiten is het volgende gesteld:

“3. Datum van kennisneming van de feiten 3.1. Feiten die betrekking hebben op het uitvoeren van opdrachten van gerechtelijke politie, in casu het niet betekenen van bevelen tot medebrenging

XIV-37.119-6/76

De feiten bedoeld in punt 2.1. werden mij op 4 november 2013 ter kennis gebracht middels het informatierapport van 30 oktober 2013 van de korpschef van de lokale politie Mechelen.

Aangezien deze feiten kaderden binnen de uitvoering van gerechtelijke opdrachten waarvoor een gerechtelijk onderzoek liep, werd met verschillende brieven inzage in stukken van het strafdossier en toestemming voor gebruik op tuchtvlak gevraagd. Op 4 december 2014 wordt inzage van de stukken van het strafdossier bekomen. Deze datum is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag.

Met een informatieverslag van 12 december 2014 van de korpschef van de lokale politie Mechelen word ik in kennis gesteld dat voor deze feiten ook PV wegens valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar werd opgesteld.

Met een schrijven van 13 maart 2015 werd ik door de procureur des Konings te Antwerpen - afdeling Mechelen in kennis gesteld dat het strafdossier werd geseponeerd.

3.2 Feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof als syndicaal afgevaardigde De feiten bedoeld in punt 2.2. werden mij ter kennis gebracht middels het informatierapport van 6 december 2013 van de korpschef van de lokale politie Mechelen.

Voor deze feiten werd een opsporingsonderzoek opgestart en dient dan ook toepassing te worden gemaakt van artikel 56, tweede lid van de Tuchtwet.

Met mijn schrijven van 17 januari 2014 maakte ik, overeenkomstig artikel 20, 1°, a van hogervermelde wet van 13 mei 1999 dit dossier voor tuchtbevoegdheid over aan het ambt van de miníster van Buitenlandse Zaken.

Op 11 december 2014 ontvangen wij een schrijven van de Vice-eerste minister, Minister van Veiligheid en Binnenlandse zaken met de mededeling dat hij als hogere tuchtoverheid geen positief gevolg kan verlenen aan mijn vraag tot overdracht van het dossier.

Met een schrijven van 12 december 2014 uitgaande van de procureur des Konings Antwerpen - afdeling Mechelen werd ik op de hoogte gesteld dat na administratieve vervollediging van het bundel er zal overgegaan worden tot dagvaarding voor de correctionele rechtbank van [verzoeker] en dat alsdan ook toelating zal verleend worden tot inzage en kopijname van het strafdossier.

Met een schrijven van 19 december 2014 word ik met een schrijven uitgaande van de korpschef van de lokale politie Mechelen in kennis gesteld dat hij van de afdelingsprocureur des Konings Antwerpen - afdeling Mechelen een schrijven heeft ontvangen inhoudende het bevel tot dagvaarding van [verzoeker] om te verschijnen voor de correctionele rechtbank Antwerpen - afdeling Mechelen op 5 februari 2014.

Met een schrijven d.d. 29 december 2014 aan de procureur des Konings Antwerpen - afdeling Mechelen heb ik inzage in de stukken van het strafdossier en toestemming voor gebruik op tuchtvlak gevraagd.

Met een schrijven d.d. 20 januari 2015 van de procureur des Konings te Antwerpen - afdeling Mechelen aan de burgemeester van de stad Mechelen wordt toestemming gegeven een afschrift van het strafdossier te verkrijgen en te gebruiken op tuchtvlak.

Op 20 februari 2015 wordt inzage genomen in het dossier en een afschrift ontvangen.”

XIV-37.119-7/76

3.8. Na verzoeker te hebben gehoord, formuleert de hogere tuchtoverheid op 14 juli 2015 het (eerste) voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen.

In het voorstel van zware tuchtstraf wordt, als antwoord op het argument ter zake uiteengezet in verzoekers verweernota-tucht, het volgende geantwoord betreffende de tijdigheid en verjaring van de tuchtvordering wat het eerste tuchtfeit betreft:

“[…] U was volgens de dienstregistraties in GALoP op 21 oktober 2013 met syndicaal. De eerste dag dat u in oktober 2013 werkte was 22 oktober 2013 en dit met de dienst wachtoverste vroeg (WO-V). Ik voeg hierbij een outprint van het individueel activiteitenverslag (01-10-2013 - 31-10-2013): […].

De feiten met betrekking tot het niet betekenen van de bevelen tot medebrenging werden mij op 4 november 2013 ter kennis gebracht middels het informatierapport van 30 oktober 2013 van de korpschef van de lokale politíe Mechelen.

Aangezien deze feiten kaderden binnen de uitvoering van gerechtelijke opdrachten waarvoor een gerechtelijk onderzoek liep werd met verschillende brieven met name d.d. 15 november 2013, 21 januari 2014 en 2 september 2014

inzage in stukken van het strafdossier en toestemming voor gebruik op tuchtvlak gevraagd. De tuchtoverheid verwijten dat ze gedurende de hele periode passief is gebleven en niet de nodige stappen heeft ondernomen is niet ernstig.

Door het feit dat het opsporings- en/of gerechtelijk onderzoek geheim is, was het derhalve onmogelijk om de materialiteit van de feiten vast te stellen en na te gaan of het voorwerp van het opsporingsonderzoek dat lopende was, dezelfde feiten betrof, zonder dat ik als tuchtoverheid inzage kreeg en nam in het strafrechtelijk dossier.

Het was mij derhalve onmogelijk om op een andere wijze dan mits inzage van het dossier de wezenlijke elementen die in de zaak aan de orde zijn, de omstandigheden, de toerekeningsvatbaarheid, te onderzoeken. Het was, zonder te kunnen beschikken over de stukken van het strafdossier, waaronder het PV waarin u attesteerde dat de bevelen tot medebrenging werden betekend, overigens ook onmogelijk de feiten afdoende te bewijzen.

Pas op 4 december 2014 werd de inzage van de stukken van het strafdossier bekomen. Op dat ogenblik heb ik als tuchtoverheid zelf de feiten in hun volledigheid kunnen vaststellen. 4 december 2014 is dan ook logischerwijze de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag. Pas op dat ogenblik kon het vooronderzoek ook pas, met kennis van het volledige dossier, worden voortgezet.

Pas op 4 december 2014, na inzage van het dossier, kon de materialiteit, de ernst en de omvang en zwaarwichtigheid van de feiten worden vastgesteld. Indien ik enkel en alleen op de informatie uit het informatierapport zou voortgegaan zijn en de feiten als bewezen zou hebben geacht, zonder over de stukken van het dossier te hebben beschikt, zou mij het lichtzinnig uiten van beschuldigingen en het onvoldoende nauwkeurig verzamelen van bewijskrachtige gegevens worden verweten. De Raad van State besliste in 2013 trouwens zelf ‘dat er slechts kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten is in de zin van artikel 56, eerste lid van

XIV-37.119-8/76

de Tuchtwet op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot de feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Aldus wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het is pas dan dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Tuchtwet ingaat’.

Met een informatieverslag van 12 december 2014 van de korpschef van de lokale politie Mechelen word ik in kennis gesteld dat voor deze feiten ook PV wegens valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar werd opgesteld. Uit het informatieverslag blijkt dat de korpschef met een informatieverslag d.d. 9 december 2014 uitgaande van commissaris [D.], die aangesteld was als voorafgaand onderzoeker en in die hoedanigheid inzage had gekregen in het strafdossier van het parket van de procureur des Konings van het arrondissement Brugge, dit proces-verbaal opstelde op 5 december 2014 voor vermoedelijke feiten van valsheid in authentieke en openbare geschriften, door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies. Als politieambtenaar is er de wettelijke verplichting om bij vaststelling van feiten, die mogelijk een misdrijf uitmaken, dat hij deze feiten ter kennis brengt aan de gerechtelijke autoriteiten en als commissaris dient U te weten dat dit normaal gebeurt via het opstellen van een proces-verbaal dat overgemaakt wordt aan de procureur des Konings, die dan over de discretionaire bevoegdheid beschikt om al of niet te vervolgen na een eventueel onderzoek.

Met een schrijven van 13 maart 2015 werd ik door de Procureur des Konings te Antwerpen - afdeling Mechelen in kennis gesteld dat het strafdossier werd geseponeerd. Het feit dat het strafdossier geseponeerd werd betekent niet dat de tuchtprocedure niet kan verder gezet worden als er ernstige en zwaarwichtige beroepsfouten kunnen worden vastgesteld, zoals in dit geval en zoals gemotiveerd in het inleidend verslag d.d. 28 mei 2015. Er werd trouwens niet gewacht op de mededeling van het parket dat het strafdossier geseponeerd was om het voorafgaand onderzoek verder te laten zetten met betrekking tot beide feiten, het niet betekenen van de bevelen tot medebrenging en het afleveren van zelfgemaakte niet authentieke attesten voor het bekomen van syndicaal verlof door de aanstelling van commissaris [V.] als voorafgaand onderzoeker in het volledige dossier d.d.

4 februari 2015. Vanaf het ogenblik dat ik als tuchtoverheid op 4 december 2014 ten volle kennis had gekregen van het feit[…] met betrekking tot de niet betekening van de bevelen tot medebrenging werd trouwens het voorafgaand onderzoek m.b.t. die feiten reeds verdergezet.

Er dient vastgesteld te worden dat dit middel faalt.”

Inzake het tweede tuchtfeit is ter zake het volgende uiteengezet:

“[…] U zaait ten onrechte verwarring door te verwijzen naar een eerder opgelopen tuchtstraf (tuchtstraf van blaam, opgelegd op 10 juni 2013 voor feiten die los staan van dit tuchtdossier, met name onwettige afwezigheid) en het in het kader daarvan gevoerde voorafgaand onderzoek. De feiten die aan die tuchtstraf ten grondslag lagen - in essentie een onwettige, want niet behoorlijk gestaafde afwezigheid - zijn immers andere feiten dan de feiten die thans de basis vormen voor dit tuchtdossier, met name het binnenleveren van zelfgemaakte niet authentieke attesten voor het bekomen van syndicaal verlof. Op het ogenblik dat de tuchtstraf van de blaam werd opgelegd - in juni 2013 - waren de feiten die thans tot dit tuchtdossier hebben geleid nog niet bekend; die feiten kwamen immers pas in december 2013 aan het licht. Na kennis te hebben genomen van deze feiten heeft de bevoegde overheid met de nodige spoed, maar ook met oog voor de complexiteit van dit dossier, gehandeld.

XIV-37.119-9/76

In het vierde middel voert U aan dat de tuchtoverheid niet het nodige heeft gedaan om een eigen administratief onderzoek te voeren, U kan mij als tuchtoverheid echter niet verwijten zelf niet het nodige onderzoek te hebben gedaan. De Raad van State overwoog recent immers:

‘Te dezen blijkt bovendien dat de tuchtoverheid de tuchtvordering gekoppeld heeft aan de strafrechtelijke kwalificatie: aan verzoekster wordt een bepaald misdrijf, omschreven in het strafwetboek, ten laste gelegd. Het bewijs van de tuchtfeiten valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor de gerechtelijke instanties instaan. Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van de feiten, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die gerechtelijke instanties.

De tuchtoverheid kan evenmin worden verweten al te passief de gerechtelijke eindbeslissing te hebben afgewacht, zoals blijkt uit de brieven die zij aan de gerechtelijke overheid heeft gericht en waarin zij naar de stand van de gerechtelijke procedure heeft geïnformeerd.

(…)

Uit niets blijkt dan ook dat verzoekster, vóór de kennisgeving van het eindvonnis door de procureur des Konings aan de verwerende partij, op enig ogenblik de feiten heeft toegegeven of heeft willen toegeven aan de tuchtoverheid. Verzoekster toont evenmin aan op grond van welke concrete gegevens de verwerende partij eind 2009

een tuchtvordering kon instellen.

De tuchtoverheid kon dan ook redelijkerwijze oordelen dat het schrijven van de procureur des Konings van 27 november 2009 niet volstond om met voldoende zekerheid te stellen dat de feiten die aan verzoekster ten laste werden gelegd bewezen zijn. Zij beschikte zelf niet over de middelen om de waarheid aan het licht te brengen nu een eigen administratief onderzoek het gerechtelijk onderzoek dreigde te doorkruisen en zij heeft herhaaldelijk geïnformeerd naar de stand van het gerechtelijk onderzoek zodat haar niet kan worden verweten dat zij inert is gebleven om de werkelijke toedracht van het tuchtfeit te achterhalen.’ ([…]).

Er valt dan ook niet in te zien wat de verwerende partij in casu nog meer moest doen dan regelmatig te informeren naar de stand van het strafonderzoek en mijn vraag te herhalen om een kopie van het strafdossier te mogen ontvangen.

Bij brief van 11 december 2014, ontvangen op 17 december 2014, liet de minister van Binnenlandse Zaken weten aan mij als burgemeester en tuchtoverheid dat hij de tuchtbevoegdheid niet wenste over te nemen. Op dat ogenblik kwam de tuchtbevoegdheid terug toe aan de burgemeester, in casu mij.

Bij brief dd. 20 januari 2015 verleent de procureur des Konings de toelating om een afschrift van het strafdossier te bekomen, alsook de toelating om dit afschrift te gebruiken in tuchtzaken. Pas sindsdien - gelet op het hierboven geciteerde arrest -

kan ik als tuchtoverheid ook met de tuchtprocedure verder en heb ik onverwijld het nodige gedaan.

Ik heb als tuchtoverheid immers op 4 februari 2015 commissaris [V.] als voorafgaand onderzoeker aangesteld. Zij heeft hiervan kennis genomen op 6 februari 2015.

Op 20 februari 2015 heeft de voorafgaand onderzoeker een kopie van het strafdossier opgehaald op het parket en is zij haar onderzoek gestart. U werd uitgenodigd voor een gesprek in het raam van het voorafgaand onderzoek, doch daagde niet op. Nadien diende U een ziekte-attest in.

Mij als tuchtoverheid verwijten dat ik ongerechtvaardigd heb stilgezeten is dan ook niet ernstig.

Het feit dat op 28 mei 2015 door mij een inleidend verslag werd opgesteld, aan U

aangetekend verzonden op 30 mei en 1 juni 2015, dus nog tijdens het lopende gerechtelijke onderzoek, bewijst dat er niet gewacht werd tot de gerechtelijke

XIV-37.119-10/76

overheden hun strafrechtelijk onderzoek beëindigd hebben om de tuchtprocedure op te starten. Het was mij als tuchtoverheid onmogelijk om klaarheid te brengen in de zaak omtrent alle wezenlijke elementen die aan de grondslag van dit dossier liggen zoals ik hiervoor reeds aanhaalde. Na inzage van het dossier, kon ik pas de ernst en de omvang en zwaarwichtigheid van de feiten vaststellen. Ook pas dan kan het bewijs van de feiten worden geleverd. Indien ik enkel en alleen op de informatie uit het informatierapport d.d. 6 december 2013 zou voortgegaan zijn en de feiten als bewezen zou hebben geacht, zonder over de stukken van het dossier te beschikken, zou mij het lichtzinnig uiten van beschuldigingen en het onvoldoende nauwkeurig verzamelen van bewijskrachtige gegevens worden verweten. De Raad van State besliste in 2013 trouwens zelf ‘dat er slechts kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten is in de zin van artikel 56, eerste lid van de Tuchtwet op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot de feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Aldus wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevenstuchtprocedure wordt aangevat. Het is pas dan dat verjaringstermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Tuchtwet ingaat.’ Tenslotte indien U stelt dat ‘deze onverantwoorde vertraging in de procedure en het ongerechtvaardigd stilzitten is integraal toerekenbaar aan de tuchtoverheid’, dien ik te verwijzen naar een schrijven d.d. 18 april 2014 dat ik mocht ontvangen van de eerste substituut procureur des Konings, Parket Antwerpen - afdeling Mechelen waaruit ik citeer: ‘Aansluitend aan het schrijven van mijn Ambt van 9 april jl. kan ik U mededelen dat de onderzoekers mij melden dat het informatieonderzoek enige vertraging oploopt ingevolge het gebrek aan medewerking aan het onderzoek door [verzoeker]. (...).’ Uit dit schrijven blijkt dat het parket van de procureur des Konings, Antwerpen afdeling Mechelen geen inzage in het dossier kon geven gezien de vertraging in haar (opsporings)onderzoek.

De vertraging in hoofde van het parket kan niet aan de tuchtoverheid worden toegerekend.

Het feit dat het parket deze vertraging dan ook nog toeschrijft aan een gebrek aan medewerking van Uwentwege, maar dat dat U niet belet om desondanks de tuchtoverheid te verwijten het tuchtdossier te laten aanslepen, getuigt dan ook van een gebrek aan alle redelijkheid.

Er dient vastgesteld te worden dat dit middel faalt.”

Op 27 juli 2015 wordt een tweede, identiek aan het eerste, voorstel van zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege geformuleerd door de burgemeester van de stad Mechelen.

3.9. Verzoeker dient een verzoek tot heroverweging in tegen beide voorstellen tot zware tuchtstraf bij de Tuchtraad, die in zijn definitief advies van 25 mei 2016 adviseert:

“[1.] dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1.2. eerste onderdeel niet bewezen zijn in hoofde van de verzoeker nu de exceptie van het strafrechtelijk gewijsde gegrond is; [2.] dat de ten laste gelegde feiten, zoals omschreven in punt 5.1.1. en 5.1.2. tweede onderdeel, wel bewezen zijn en aan

XIV-37.119-11/76

verzoeker dienen te worden toegerekend; [3.] dat die bewezen gebleven feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; en [4.] dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een aangepaste straf is voor de bewezen gebleven feiten”.

3.10. Het politiecollege van de politiezone Mechelen/Willebroek beslist op 9 juni 2016 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen.

Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motivering:

“2. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.1. Feiten die betrekking hebben op het uitvoeren van opdrachten van gerechtelijke politie, in casu het niet betekenen van bevelen tot medebrenging Op 21 oktober 2013 worden tijdens een actie ter voorkoming van inbraken op ons grondgebied, 3 personen weerhouden die over geen geldige verblijfsdocumenten beschikken. De arrestatie wordt bevestigd door het parket van de procureur des Konings te Mechelen.

Uit verder onderzoek blijkt dat de 3 personen mogelijk betrokken zijn bij strafrechtelijke feiten waarvoor in opdracht van het parket van de procureur des Konings te Mechelen contact dient opgenomen te worden met het parket van de procureur des Konings te Brugge.

Door de onderzoeksrechter te Brugge worden voor deze drie verdachten bevelen tot medebrenging afgeleverd en overgemaakt aan de PZ Mechelen voor uitvoering.

Bij aankomst van deze 3 verdachten te Brugge wordt vastgesteld dat de bevelen tot medebrenging wel ondertekend werden door U, maar niet betekend werden aan deze 3 personen. Deze 3 personen dienden vervolgens in vrijheid te worden gesteld.

Op deze bevelen echter hebt U zelf vermeld dat U deze betekende, en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en U heeft dit ook zo in het proces-verbaal ter zake bevestigd.

Door deze zware beroepsfouten diende een lopend strafrechtelijk onderzoek inzake diefstal met braak in woningen zonder resultaat te worden afgesloten en wordt het imago en de geloofwaardigheid van de lokale politie Mechelen bij de gerechtelijke overheden zwaar in het gedrang gebracht. Uw integriteit en geloofwaardigheid als leidinggevend officier wordt door deze feiten eveneens op zeer zwaarwichtige wijze in het gedrang gebracht.

2.2. Feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof als syndicaal afgevaardigde In het voorstel van zware tuchtstraf werden deze feiten ais volgt omschreven:

‘In 2012 en 2013 leverde u, als syndicaal afgevaardigde, op onregelmatige en dus niet gerechtvaardigde wijze meer dan 90 zelfgemaakte niet authentieke attesten ter staving van aanvragen voor syndicaal verlof binnen bij de personeelsdienst van de lokale politie Mechelen. Voor minstens 20 data werd bovendien door de vakbond waarvan U deel uitmaakt, in casu NSPV, geen syndicaal verlof toegekend. Tot op

XIV-37.119-12/76

heden hebt U voor geen enkel met zelf gemaakte niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd.

Door deze handelswijze wordt Uw integriteit en geloofwaardigheid als personeelslid van de lokale politie Mechelen en als syndicaal afgevaardigde op zeer zwaarwichtige wijze in het gedrang gebracht.’ De Tuchtraad heeft in zijn advies deze feiten opgesplitst in twee onderdelen:

- Meer dan 90 zelf gemaakte niet authentieke attesten ter staving van aanvragen voor syndicaal verlof binnen bij de personeelsdienst van de lokale politie Mechelen te hebben ingediend waarbij voor minstens 20 data door de vakbond geen syndicaal verlof werd toegekend (eerste onderdeel)

- En voor geen enkel zelf gemaakt niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben (tweede onderdeel).

De Tuchtraad is van oordeel dat voor het eerste onderdeel het gezag van strafrechtelijk gewijsde geldt. Dit advies wordt gevolgd. Dit onderdeel wordt daarom niet langer in aanmerking genomen. Het tweede tuchtfeit beperkt zich tot het tweede onderdeel, zoals hierboven omschreven.

3. Uiteenzetting van de gevolgen De feiten die betrekking hebben op het niet betekenen van bevelen tot medebrenging hebben ertoe geleid dat de 3 verdachten te Brugge in vrijheid dienden gesteld te worden.

U heeft zware beroepsfouten gemaakt door ‘het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal’;

Door te verzaken aan de nauwkeurigheid en professionaliteit die van een leidinggevende commissaris van politie mag verwacht worden, het imago en de geloofwaardigheid van de overheid die in het algemeen en van de politie in het bijzonder zeer ernstig in het gedrang gebracht, de politie als belangrijkste taak heeft de wet te doen naleven en dat deze opdracht pas in alle ernst kan gerealiseerd worden als de burger niet geschaad wordt in het vertrouwen dat hij in een politieambtenaar mag stellen.

U heeft voor geen enkel van de zelf gemaakte niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd.

Door deze handelswijze wordt Uw integriteit en geloofwaardigheid als personeelslid van de lokale politie Mechelen en als syndicaal afgevaardigde op zeer zwaarwichtige wijze in het gedrang gebracht.

4. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier;

4.1. Menen wij dat de feiten die betrekking hebben op het niet betekenen van bevelen tot medebrenging, zoals omschreven onder punt 2.1. vaststaan en dat deze feiten aan U kunnen worden toegerekend.

Artikel 7 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis stelt:

‘Het bevel tot medebrenging wordt betekend op het ogenblik van de aanhouding zo hiertoe wordt overgegaan ter uitvoering van dat bevel of uiterlijk binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming indien de aflevering van het bevel is voorafgegaan door een maatregel getroffen door de agenten van de openbare macht of door de procureur des Konings.

Er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt:

(a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming;

(b) het juiste uur van de betekening van het bevel tot medebrenging aan de betrokkene;

(c) alles wat de agenten van de openbare macht hebben verricht om de betrokkene ter beschikking van de onderzoeksrechter te stellen.’

XIV-37.119-13/76

Artikel 8 van dezelfde wet stelt:

‘Het bevel tot medebrenging wordt betekend door een agent van de openbare macht, die een afschrift van het bevel aan de betrokkene ter hand stelt en daarvan een akte opmaakt.

Indien het bevel tot medebrenging niet betekend is binnen vierentwintig uren te rekenen van de effectieve vrijheidsbeneming, wordt de betrokkene terug in vrijheid gesteld’.

De circulaire COL 5/2010 dd. 22 april 2010 van het college van Procureurs-generaal bij de Hoven van Beroep - Richtlijn inzake het overbrengen van een gearresteerde persoon van een arrondissement naar een ander-, bepaalt:

‘II Richtlijnen-Noodzaak om een bevel tot medebrenging te vorderen [...] de politiediensten die een gearresteerde persoon bij zich hebben of de door hen verwittigde lokale parketmagistraat moet dadelijk de parketmagistraat, die zich met de zaak zal gelasten of een gerechtelijk onderzoek zal vorderen telefonisch contacteren. Deze laatste parketmagistraat zal voortaan dadelijk zijn collega of de politiediensten, die hem inlichten, in kennis stellen van de in zijn arrondissement gebruikelijke werkwijze, en er bijgevolg eventueel op wijzen dat moet gewacht worden met de overbrenging van de gearresteerde tot een medebrengingsbevel zal uitgevaardigd worden en overgemaakt zijn, en tot dit bevel door de politie aan de gearresteerde zal betekend worden vóór de overbrenging.’ Uit de stukken van het dossier blijkt overduidelijk dat de betrokken bevelen tot medebrenging die werden afgeleverd door de onderzoeksrechter te Brugge niet werden betekend. Dit blijkt onder meer uit de volgende passage van het schrijven van 25 oktober 2013 van onderzoeksrechter [G.] aan de procureur des Konings te Brugge:

‘Met beleefd verzoek kennis te willen nemen dat mijn Ambt niet is kunnen overgaan tot de gevorderde aanhouding van de betrokkenen.

Door het feit dat de uitvoerende politiedienst te Mechelen niet is overgegaan tot betekening van de bevelen tot medebrenging aan de betrokkenen kon de uitvoering van dit bevel niet benaarstigd worden daar de periode van 24 uren van arrestatie op het ogenblik dat de betrokkenen in Knokke-Heist aankwamen reeds verstreken was.’ In het schrijven van 4 november 2014 van de procureur des Konings West-Vlaanderen afdeling Brugge, waarin wordt verwezen naar hogervermeld schrijven van 25 oktober 2013 van onderzoeksrechter [G.], staat hieromtrent nog volgende duidelijke passage :

‘In antwoord op uw brief van 2 september 2014 inzake BG10.[XXXXX]13 - CP

[…] kan ik u het volgende mededelen.

De zaak i.v.m. de diefstal met braak in woningen is gefixeerd op 19 november 2014 voor de Raadkamer.

Ons ambt vordert de buitenvervolgstelling. Door het feit dat betrokkene mogelijke daders niet zijn kunnen aangehouden worden door de laksheid van de uitvoerende politiedienst te Mechelen, heeft het onderzoek inderdaad geen resultaten opgeleverd.

In bijlage vindt u een belangrijke brief van de onderzoeksrechter te Brugge van 25 oktober 2013 aan het parket waarin de fout van politie Mechelen duidelijk staat vermeld.’ De bevelen werden tijdig door de onderzoeksrechter te Brugge aan ons korps overgemaakt en hadden bijgevolg door U tijdig kunnen betekend worden.

U vermeldt als verantwoordelijke wachtofficier in het navolgend PV nr.

02[…]3/13 dd 22/10/2013 aan aanvankelijk PV ME.10.L1.02[…]3/2013 zelf dat de bevelen om 11:45 uur binnenkomen en betekend werden om 12:00 uur, hoewel dit laatste niet werd uitgevoerd.

XIV-37.119-14/76

Uit het verslag en de verhoren die werden afgenomen tijdens het voorafgaand onderzoek blijkt dat INP's [F.] en [H.] nooit een opdracht kregen om de bevelen te betekenen.

Op de bevelen stelt U dat U de bevelen als agent van de openbare macht aan betrokkenen betekend hebt en tekende U ook zelf op de documenten. Vermits Uzelf op de documenten vermeldde dat U deze betekende, en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en dit ook zo in het proces-verbaal ter zake bevestigde, moet vastgesteld worden dat U in een proces-verbaal feiten hebt geacteerd die niet overeenstemmen met de waarheid. Door het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal, werden door U dan ook zware beroepsfouten gemaakt.

U diende voorafgaand aan het acteren van het feit van de betekening van de bevelen tot medebrenging, zich ervan te vergewissen dat wat U had vermeld in de authentieke akte, die een proces-verbaal is en waaraan een bijzondere bewijskracht wordt toegekend, effectief was uitgevoerd. Indien U zelf de betekening niet uitvoerde, had U dit dienen te vermelden in het proces-verbaal en diende U, indien U deze opdracht aan een medewerker zou hebben gedelegeerd, wat echter door de andere stukken uit hel dossier wordt tegengesproken, te controleren of de opdracht daadwerkelijk was uitgevoerd alvorens de documenten in een omslag mee te geven met de INP's die belast waren met de overbrenging.

De Tuchtraad is van oordeel dat voormelde feiten sub 4.1. bewezen zijn in Uwen hoofde en verwijst hiervoor naar de uitvoerige motieven van bewijs zoals door de hogere tuchtoverheid uiteengezet.

De Tuchtraad acht deze motieven deugdelijk en afdoende ten bewijze van deze feiten.

4.2. wat de feiten m.b.t. het opnemen van syndicaal verlof betreft Gelet op hetgeen in het advies van de Tuchtraad werd uiteengezet met betrekking tot de exceptie van strafrechtelijk gewijsde - en dat door de hogere tuchtoverheid wordt bijgevallen - wordt het onderzoek naar het bewijs van de feiten beperkt tot de feiten zoals vernoemd in onderdeel 2 van de feiten sub 2.2

omschreven meer bepaald: ‘voor geen enkel met zelf gemaakte niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben’.

In het verslag van vooronderzoek van 16 april 2015 staat te lezen dat:

- Voor 21 dagen van 35 dagen dat het niet authentiek attest niet werd afgedekt door een echt attest van het Nationaal Secretariaat van het NSPV;

- 5 dagen van die 21 dagen vergaderingen van het BOC te Mechelen betreffen waarvoor een effectieve dienstprestatie in rekening werd gebracht (en dus geen attest syndicaal verlof vereist was).

Deze vaststellingen staan tevens te lezen in het proces-verbaal van 5 juni 2014

nr. 10[XXXX]/14.

In uw pleitnota, neergelegd ter zitting van de Tuchtraad van 26 april 2016, houdt U voor dat voor 6 van die 16 resterende dagen wel degelijk een authentiek attest werd voorgelegd.

Zelfs indien dit gegeven juist zou zijn dan blijven er nog steeds 10 dagen over waarvoor U syndicaal verlof niet dekte door een authentiek attest.

Dit deel van de feiten sub 2.2 onderdeel 2 is bewezen.

4.3. Toerekening van de feiten De Tuchtraad adviseert dat de feiten toerekenbaar zijn op grond van de volgende overwegingen van de hogere tuchtoverheid met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten sub 2.1:

XIV-37.119-15/76

‘Ik meen op afdoende wijze reeds te hebben aangetoond dat ik meen dat zowel voor de feiten met betrekking tot het niet betekenen van de bevelen tot medebrenging als de feiten met betrekking tot het afleveren van zelfgemaakte niet authentieke syndicale attesten, deze dienen beschouwd te worden als zwaarwichtige tuchtfeiten, dewelke vaststaan en aan U toerekenbaar zijn.

Als tuchtoverheid heb ik na het (laten) uitvoeren van een voorafgaand onderzoek onderzocht of de feiten tuchtfouten uitmaken, deze bewezen zijn, niet verjaard, niet voorafgaand tuchtrechtelijk gestraft werden en/of op enige andere wijze binnen het korps van de Lokale Politie werden behandeld. Pas dan heb ik overwogen, niet alleen in het belang van korps van de lokale politie, maar ook van de maatschappij, temeer daar het vertrouwen dat de burger in zijn politieorganisatie moet kunnen stellen onbezoedeld moet zijn en blijven, om in dit dossier disciplinair op te treden en voor deze zeer zwaarwichtige feiten een zware tuchtstraf op te leggen zoals uitgebreid gemotiveerd in punt 4 van het inleidend verslag d.d. 28 mei 2015, zoals U

aangetekend verzonden op 30 mei en 1 juni 2015.

Uiteraard dien ik vervolgens na te gaan aan wie deze feiten daadwerkelijk kunnen worden toegerekend, met andere woorden heb ik onderzocht op basis van de dossiergegevens of en wie hiervoor de verantwoordelijkheid draagt, in casu U.

Met betrekking tot het betekenen van bevelen tot medebrenging blijkt uit het onderzoek dat op de bevelen U stelt, dat U de bevelen als agent van de openbare macht aan betrokkenen betekend hebt en tekende U ook zelf op de documenten.

Vermits Uzelf op de documenten vermeldde dat U deze betekende, en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en dit ook zo in het proces-verbaal ter zake bevestigde, moet vastgesteld worden dat U in een proces-verbaal feiten hebt geacteerd die niet overeenstemmen met de waarheid. Door het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal en het gebrek aan nauwkeurigheid en het niet controleren of de opdracht daadwerkelijk was uitgevoerd indien U deze zou gedelegeerd hebben aan medewerkers, werden zware beroepsfouten gemaakt, die enkel aan U verweten kunnen worden.

Met betrekking tot het afleveren van zelfgemaakte niet authentieke syndicale attesten om Uw aanvragen om syndicaal verlof te staven hebt U duidelijk Uw afwezigheden zonder correcte rechtvaardiging gestaafd en allerminst op een doordachte wijze gebruik willen maken van de statutaire mogelijkheden, hetgeen een zeer ernstige inbreuk uitmaakt, die eveneens enkel aan U verweten kunnen worden.

Bovendien wordt in het tuchtrecht geen onderscheid gemaakt tussen opzettelijke en niet-opzettelijke fouten: het louter feit van de tuchtfout volstaat. […] Met andere woorden, hoewel ik op ondubbelzinnige wijze heb aangetoond dat U zwaarwichtige tuchtfeiten wetens en willens hebt gepleegd, dient de tuchtoverheid, in casu ik, niet te bewijzen dat er een opzet was en evenmin dat U de wil had om schade toe te brengen. Het kan echter niet ontkend worden dat door het niet betekenen van de bevelen tot medebrenging onherstelbare schade werd toegebracht aan het strafrechtelijk dossier van het parket van de procureur des Konings te Brugge en door het afleveren van de zelfgemaakte niet authentieke syndicale attesten niet alleen het vertrouwen in U als commissaris en als lid van een politiedienst zwaar geschaad wordt, maar U hierdoor tevens voor minstens 20 data, waarvoor U

zelfgemaakte niet authentieke attesten voor syndicaal verlof binnenleverde, bovendien door de vakbond waarvan U deel uitmaakt, in casu het NSPV, geen syndicaal verlof werd toegekend, waardoor U ten onrechte 7:36 uur prestaties werden toegekend en uitbetaald.

XIV-37.119-16/76

U kan niet ontkennen dat U als commissaris volledig op de hoogte bent van de regels met betrekking tot het betekenen van bevelen tot medebrenging. Zoals terecht door de onderzoeksrechter van Brugge wordt gezegd, is het louter aan het lakse optreden van de lokale politie Mechelen, in casu U, te wijten dat de 3 verdachten dienden vrijgelaten en buiten vervolging te worden gesteld. Dit loutere feit houdt een zware professionele tekortkoming in.

Als personeelslid van de lokale politie Mechelen en lid van het BOC, weet U

heel goed wat de regels zijn voor het bekomen van syndicaal verlof. Het afleveren van zelfgemaakte niet authentieke syndicale attesten is een opzettelijke handeling, waardoor U afwezigheden op een niet legitieme wijze liet registreren als syndicaal verlof.

Op 21 oktober 2013 kon U niet deelnemen aan een actie ter voorkoming van inbraken op het grondgebied van de politiezone Mechelen. U was volgens de dienstregistraties in GaLoP op 21 oktober 2013 met syndicaal/niet syndicaal verlof.

De eerste dag dat U in oktober 2013 werkte was 22 oktober 2013 en dit met de dienst wachtoverste vroeg (WO-V). Ik voeg hierbij een outprint van het individueel activiteitenverslag (01-10-2013 - 31-10-2013): […] (445301é) van […]

(445301é).

Als wachtoverste was U verantwoordelijk voor de overbrenging van de 3

verdachten, die daags voordien in het kader van de actie ter voorkoming van inbraken op het grondgebied van de politiezone Mechelen door Uw collega's waren aangehouden, naar Brugge. Met het oog op de overbrenging werden door de onderzoeksrechter te Brugge 3 bevelen tot medebrenging overgemaakt. De bevelen werden tijdig door de onderzoeksrechter te Brugge aan ons korps overgemaakt en hadden bijgevolg door U tijdig kunnen betekend worden.

U vermeldt als verantwoordelijke wachtofficier in het navolgend PV nr.

02[XXXX]/13 dd 22/10/2013 aan aanvankelijk PV ME.10.L1.0[XXXX]3/2013

zelf dat de bevelen om 11:45 uur binnenkomen en betekend werden om 12:00 uur, hoewel dit laatste niet werd uitgevoerd.

Uit het verslag en de verhoren die werden afgenomen tijdens het voorafgaand onderzoek blijkt dat INP's [F.] en [H.] nooit een opdracht kregen om de bevelen te betekenen.

Op de bevelen stelt U dat U de bevelen als agent van de openbare macht aan betrokkenen betekend hebt en tekende U ook zelf op de documenten. Vermits Uzelf op de documenten vermeldde dat U deze betekende, en een afschrift aan de betrokkenen overhandigde en dit ook zo in het proces-verbaal ter zake bevestigde, moet vastgesteld worden dat U in een proces-verbaal feiten hebt geacteerd die niet overeenstemmen met de waarheid. Door het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal, werden door U dan ook zware beroepsfouten gemaakt.

U diende voorafgaand aan het acteren van het feit van de betekening van de bevelen tot medebrenging, zich ervan te vergewissen dat wat U had vermeld in de authentieke akte, die een proces-verbaal is en waaraan een bijzondere bewijskracht wordt toegekend, effectief was uitgevoerd. Indien U zelf de betekening niet uitvoerde, had U dit dienen te vermelden in het proces-verbaal en diende U, indien U deze opdracht aan een medewerker zou hebben gedelegeerd, wat echter door de andere stukken uit het dossier wordt tegengesproken, te controleren of de opdracht daadwerkelijk was uitgevoerd alvorens de documenten in een omslag mee te geven met de INP's die belast waren met de overbrenging.

Door te verzaken aan de nauwkeurigheid en professionaliteit die van een leidinggevende commissaris van politie mag verwacht worden, wordt het imago en de geloofwaardigheid van de overheid in het algemeen en van de politie in het

XIV-37.119-17/76

bijzonder zeer ernstig in het gedrang gebracht. De overheid in casu de politie heeft als belangrijkste taak de wet te doen naleven. Deze opdracht kan pas in alle ernst en objectiviteit gerealiseerd worden als de burger en de maatschappij niet geschaad worden in het vertrouwen dat zij in een politieambtenaar terecht mogen stellen.

Uit de stukken van het dossier blijkt overduidelijk dat de betrokken bevelen tot medebrenging die werden afgeleverd door de onderzoeksrechter te Brugge niet werden betekend. Dit blijkt onder meer uit de volgende passage van het schrijven van 25 oktober 2013 van onderzoeksrechter [G.] aan de procureur des Konings te Brugge:

‘Met beleefd verzoek kennis te willen nemen dat mijn Ambt niet is kunnen overgaan tot de gevorderde aanhouding van de betrokkenen.

Door het feit dat de uitvoerende politiedienst te Mechelen niet is overgegaan tot betekening van de bevelen tot medebrenging aan de betrokkenen kon de uitvoering van dit bevel niet benaarstigd worden daar de periode van 24 uren van arrestatie op het ogenblik dat de betrokkenen in Knokke-Heist aankwamen reeds verstreken was.’ In het schrijven van 4 november 2014 van de procureur des Konings West-Vlaanderen afdeling Brugge, waarin wordt verwezen naar hogervermeld schrijven van 25 oktober 2013 van onderzoeksrechter [G.], staat hieromtrent nog volgende duidelijke passage:

‘In antwoord op uw brief van 2 september 2014 inzake BG10.[XXXX]-13 - CP

[…] kan ik u het volgende mededelen.

De zaak i.v.m. de diefstal met braak in woningen is gefixeerd op 19 november 2014 voor de Raadkamer.

Ons ambt vordert de buitenvervolgstelling. Door het feit dat betrokkene mogelijke daders niet zijn kunnen aangehouden worden door de laksheid van de uitvoerende politiedienst te Mechelen, heeft het onderzoek inderdaad geen resultaten opgeleverd.

In bijlage vindt u een belangrijke brief van de onderzoeksrechter te Brugge van 25 oktober 2013 aan het parket waarin de fout van politie Mechelen duidelijk staat vermeld.’ Stellen dat U geen schuld hebt aan de goede werking van de dienst dient dan ook als niet ernstig te worden afgedaan.

U werd inderdaad door Commissaris [D.], die aangesteld was als vooronderzoeker en die proces-verbaal ME.25.L1.[XXX]92/2014 had opgesteld ten Uwen laste niet uitgenodigd voor verhoor. Door het feit dat hij gebonden is door het beroepsgeheim en het geheim van het onderzoek en zelf de opsteller was van het aanvankelijk proces-verbaal, verkoos hij te wachten op een opdracht van het parket van de procureur des Konings Mechelen alvorens verder onderzoek te verrichten. U

werd ter zake uitgenodigd door commissaris [V.] om gehoord te worden op 15

maart 2015, waar U niet aanwezig was.

Het feit dat de procureur des Konings het dossier inzake de valsheid in authentieke en openbare geschriften door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies seponeerde, neemt niet weg dat het feit dat U de bevelen tot medebrenging niet hebt betekend en hierdoor het ambt van de procureur des Konings te Brugge een buitenvervolging voor de mogelijke betrokken daders heeft gevorderd omdat ze niet zijn kunnen aangehouden worden, vaststaan, wat op zijn minst een zwaarwichtige professionele fout is die, zoals uit het vooronderzoek blijkt enkel aan U, als verantwoordelijke wachtoverste en commissaris, verweten kan worden.

De seponering door het parket van de procureur des Konings, betekent niet dat de feiten van de niet betekening van de bevelen tot medebrenging niet bestaan en is niet gelijk aan een vrijspraak door een rechter ten gronde. De niet vervolging in een strafdossier weerhoudt de tuchtoverheid niet om het feit dat U de bevelen tot

XIV-37.119-18/76

medebrenging niet hebt betekend, doch dit wel als ware dit wel correct uitgevoerd in een proces-verbaal en op de bevelen door U vermeld, vast te stellen en voor deze zware beroepsfout een tuchtprocedure op te starten. De strafprocedure staat in deze volledig los van de tuchtprocedure.’ Met betrekking tot de toerekenbaarheid van het niet inleveren van de originele authentieke attesten (feit 2.2.) verwijst de Tuchtraad naar de volgende overwegingen in het voorstel tot zware straf:

- ‘Tijdens het reeds vernoemde verhoor van 20 maart 2014 dat het voorwerp uitmaakt van het navolgend proces-verbaal 10[XXXX]/14 van 20 maart 2014

verklaart U ook nog het volgende “Ik deed dit om administratief in orde te zijn. Ik deed dit niet met de bedoeling om aan de personeelsdienst te laten geloven dat het om echte attesten ging. Men heeft mij nooit eerder vragen gesteld over de echtheid van de attesten. Als dan op een later tijdstip de echte attesten syndicaal verlof aankwamen, leverde ik die niet binnen bij de personeelsdienst maar hield ik die zelf bij.

Ik weet niet of ik de echte attesten syndicaal verlof nog heb.’ Hieruit blijkt dus nogmaals duidelijk dat U zelf gemaakte met authentieke attesten binnenleverde en ook dat U tot op heden geen enkele moeite hebt gedaan om eventuele authentieke attesten binnen te leveren bij de personeelsdienst.’ - De procedure om syndicaal verlof aan te vragen en te bewijzen is eenduidig en wordt in onze zone volledig in overeenstemming met de wettelijke bepalingen, zoals deze opgenomen zijn in het Koninklijk Besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, geregeld.

- In de verklaring van [V.] die werd afgenomen tijdens het voorafgaand onderzoek staat over de te volgen procedure met betrekking tot het aanvragen van syndicaal verlof de volgende passage:

[…]

Rond het aanvragen, staven en valideren van syndicale verloven is geen aparte korpsnota, noch zijn er afspraken gemaakt ter zake op het BOC. Hiertoe is geen noodzaak omdat alle belanghebbenden zeer goed op de hoogte zijn van de geldende afspraken.

Ook Uw bewering ‘Men heeft mij nooit eerder vragen gesteld over de echtheid van de attesten’ is totaal misplaatst en is eveneens een illustratie van zeer vergaande normvervaging. Uiteraard werden door de personeelsdienst tot het ogenblik dat de feiten aan het licht kwamen geen vragen gesteld over de echtheid van de attesten.

De personeelsdienst vertrekt van het vertrouwen dat zij in de integriteit van een personeelslid van de lokale politie mag stellen en de authenticiteit in documenten die hij/zij aflevert. Bovendien kan van een commissaris van politie en tevens syndicaal afgevaardigde verwacht worden dat zijn integriteit boven elke twijfel staat en dat hij strikt omgaat met procedures.

- Ook Uw bewering ‘Als dan op een later tijdstip de echte attesten syndicaal verlof aankwamen, leverde ik die niet binnen bij de personeelsdienst maar hield ik die zelf bij. Ik weet niet of ik de echte attesten syndicaal verlof nog heb.’ Is eveneens totaal misplaatst. Het valt immers totaal niet in te zien hoe een zorgvuldig en integer personeelslid tot de conclusie kan komen om echte attesten syndicaal verlof dat het ontvangt niet af te geven aan de bevoegde dienst. Het is evenmin te begrijpen dat U blijkbaar geen enkele moeite heeft gedaan om op zoek te gaan naar de echte attesten aangezien U, zelfs nadat U weet dat een opsporingsonderzoek lopende is, nog steeds beweert niet te weten of U de echte attesten syndicaal verlof nog heeft. Ook dit gegeven is dan ook een zoveelste illustratie van zeer vergaande normvervaging.

XIV-37.119-19/76

De Tuchtraad voegt daaraan toe dat de inspecteur-generaal terecht stelt dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat U niet wist wat U deed of dat er omstandigheden waren die U buiten Uw wil deden handelen.

De Tuchtraad is eveneens van oordeel dat de bewezen feiten aan U toerekenbaar zijn en dat de desbetreffende motieven van de tuchtoverheid deugdelijk en afdoende zijn.

4.3. De feiten maken een tuchtvergrijp uit Artikel 3 van de wet van 19 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten bepaalt de tuchtvergrijpen als volgt:

‘Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.’ De Tuchtraad verwijst in haar advies dat de tuchtoverheid terecht stelde in het voorstel van zware straf met betrekking tot de feiten 2.1.

- Dat U zware beroepsfouten heeft gemaakt door ‘het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal’;

- Door te verzaken aan de nauwkeurigheid en professionaliteit die van een leidinggevende commissaris van politie mag verwacht worden, wordt het imago en de geloofwaardigheid van de overheid in het algemeen en van de politie in hef bijzonder zeer ernstig in het gedrang gebracht. De overheid in casu de politie heeft als belangrijkste taak de wet te doen naleven. Deze opdracht kan pas in alle ernst en objectiviteit gerealiseerd worden als de burger niet geschaad wordt in het vertrouwen dat hij in een politieambtenaar terecht mag stellen.

Wij menen dat deze feiten zoals omschreven onder punt 2.1. hierboven hel volgende tuchtvergrijp uitmaken :

- inbreuk op artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten: ‘Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten of die van aard is de waardigheid van het ambt in hef gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.’ - inbreuk op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 houdende de organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus: ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen.’ - inbreuk op punt 17, eerste lid van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006):

‘De personeelsleden nemen de adequate initiatieven met het oog op de goede uitvoering van hun opdrachten. Zij doen dit met respect voor de wettelijke en reglementaire beschikkingen en in de geest van de bevelen en richtlijnen van hun chef.’ - inbreuk op punt 28 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is.

Zij vermijden eveneens elke gedraging die hef vertrouwen van de bevolking in de politie kan aantasten.’

XIV-37.119-20/76

- inbreuk op punt 32 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006) : ‘De personeelsleden nemen hun eigen verantwoordelijkheden op.’ - inbreuk op punt 41, vierde lid van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006):

‘De personeelsleden gedragen zich voorbeeldig, in het bijzonder door zelf de wetten en reglementen na te leven.’ - inbreuk op punt 47 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘De personeelsleden leven de procedureregels na die vervat zijn in het Wetboek van Strafvordering, in de andere wettelijke en reglementaire voorschriften en in de ministeriële omzendbrieven en richtlijnen van de parketten. Zodoende waarborgen zij de rechten van de rechtsonderhorigen, bieden ze de bevoegde magistraten de mogelijkheid hun ambt doeltreffend uit te oefenen en bevorderen ze het harmonieuze verloop van de eventuele vaststellingen, onderzoeken en strafrechtelijke vervolgingen.

Die verplichting is in het bijzonder van toepassing wanneer er sprake is van voorlopige hechtenis of wanneer een beroep wordt gedaan op de bijzondere opsporingsmethoden of bij een proactieve aanpak van de misdaadfenomenen.’ - inbreuk op punt 48 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘De personeelsleden brengen de bevoegde gerechtelijke overheden, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en de wet op het politieambt, op de hoogte van de inlichtingen en gegevens die nodig zijn om die overheden de mogelijkheid te bieden de leiding over de opsporings- of gerechtelijke onderzoeken effectief uit te oefenen.

Zij delen deze elementen ook mee aan de andere politiediensten die ze nodig hebben om hun taken correct uit te voeren en aan de verschillende internationale en nationale overheden die door de wet op het politieambt en andere wettelijke bepalingen worden bepaald.

Ongeacht de context waarin de personeelsleden hun opdrachten van politie uitoefenen, stellen ze onverwijld en zonder enige beperking de bevoegde bestuurlijke en/of gerechtelijke overheden in kennis van informatie die voor de uitoefening van de bestuurlijke en/of gerechtelijke politie van belang is met naleving van de geldende dwingende richtlijnen.’ Wat het bewezen onderdeel 2 van het feit sub 2.2 betreft maakt dit feit een inbreuk uit op volgende bepalingen:

- inbreuk op artikel 3 van de wet van 13mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten: ‘Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.’ - inbreuk op artikel 132 van de wet van 7 december 1998 houdende de organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus: ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is. De politieambtenaren moeten eerbied tonen voor het Staatshoofd, de andere gestelde machten en de overheidsinstellingen.’ - inbreuk op artikel 125 van de wet van 7 december 1998 houdende de organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus: ‘Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun beschikbaarheid.

De politieambtenaren moeten gevolg geven aan elke oproep in verband met het vervullen van de dienst en alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek in hun beschikbaarheid kan schaden. De politieambtenaren mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven.’

XIV-37.119-21/76

- inbreuk op punt 19 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘De personeelsleden mogen niet zonder toelating of rechtvaardiging van hun dienst wegblijven.

Zij gebruiken de statutaire mogelijkheden op een weldoordachte wijze.’ - inbreuk op punt 28 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is.

Zij vermijden eveneens elke gedraging die het vertrouwen van de bevolking in de politie kan aantasten.’ - inbreuk op punt 32 van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006): ‘De personeelsleden nemen hun eigen verantwoordelijkheden op.’ - inbreuk op punt 41, vierde lid van de Deontologische Code van de politiediensten zoals vastgesteld door het K.B. van 10 mei 2006 (B.S. 30 mei 2006):

‘De personeelsleden gedragen zich voorbeeldig, in het bijzonder door zelf de wetten en reglementen na te leven.’ De Tuchtraad heeft zich in zijn advies hierbij aangesloten.

5. Advies van de tuchtraad betreffende de strafmaat De Tuchtraad is van oordeel dat de door de tuchtoverheid voorgestelde straf van ontslag van ambtswege in redelijke verhouding van evenredigheid staat zelfs tot de bewezen gebleven tuchtfeiten.

De Tuchtraad komt tot deze conclusie op basis van de volgende overwegingen:

‘De tuchtoverheid motiveerde op pagina 61 en 62 het opleggen van deze straf door onder meer te stellen dat:

- de niet betekening van de bevelen tot medebrenging waardoor 3 verdachten dienden in vrijheid gesteld te worden door de onderzoeksrechter van Brugge en nadien de buitenvervolging diende gevorderd te worden door de procureur des Konings van Brugge een zeer zwaarwichtig feit is;

- de verzoeker reeds tuchtstraffen opliep:

Uzelf hebt in Uw verweernota-tucht verwezen naar Uw tuchtverleden, waardoor Uw uitspraak ‘zo goed als onberispelijke staat van dienst van meer dan 30 jaar’ enige relativering vereist. U kreeg immers reeds de volgende tuchtstraffen: een blaam in maart 2013 wegens het besturen van een voertuig in aan staat van alcoholintoxicatie en een blaam op 10 juni 2013 wegens onwettige afwezigheid.

Bovendien is het, zoals u zelf zeer goed weet, manifest onjuist dat U aan de basis ligt van het opstarten van de door U opgesomde projecten - Leidinggevende officieren hebben een voorbeeldfunctie waarvoor overheden dan ook een streng verwachtingspatroon mogen hanteren met betrekking tot onder andere het respecteren van en het zich conformeren aan de deontologische principes.

- het imago van het korps op onherstelbare wijze beschadigd tegenover de gerechtelijke diensten te Brugge en de tuchtoverheid voegde daaraan toe:

‘Indien U het vrijlaten en niet kunnen vervolgen van 3 verdachten in een opsporings- en gerechtelijk onderzoek de verstoring van de orde binnen de dienst als ‘slechts miniem’ noemt, dan houdt U geen rekening met het feit dat de politie als deel van de uitvoerende macht een belangrijke verantwoordelijkheid heeft binnen de gerechtelijke organisatie en haar opdrachten om daders van misdrijven op te sporen, misdrijven te onderzoek en voor de rechter te brengen.’ - Er wel degelijk een belangrijke verstoring was van de interne orde binnen de dienst, hetgeen volgens de tuchtoverheid duidelijk blijkt uit het intern e-mailverkeer

XIV-37.119-22/76

en de verslagen die gemaakt werden naar aanleiding van de niet betekening van de bevelen tot medebrenging.

- Het vertrouwen dat de burger mag stellen in de politie en het geloof dat zij moeten kunnen hechten aan de akten en geschriften, die ze opstelt, op zwaarwichtige wijze gehypothekeerd werd;

- Het vertrouwen van de tuchtoverheid in het functioneren van de verzoeker op definitieve wijze geschonden werd en hij uitermate oncollegiaal gehandeld heeft nu de collega's, dewelke wel de nodige professionaliteit aan de dag hebben gelegd, geconfronteerd werden met het gegeven dat door zeer ernstige tuchtvergrijpen al hun werk teniet werd gedaan;

- Dit gebrek aan respect voor het werk van zijn collega's ongetwijfeld heeft gezorgd heeft voor een vertrouwensbreuk.

De Tuchtraad hecht een enorm belang aan het feit dat de verzoeker in de uitvoering van de betekening van de bevelen tot medebrenging handelde als leidinggevende officier en aan het feit dat verzoeker in een nadien opgesteld en officieel document bevestigde de betekening eigenhandig te hebben gedaan en dit alles in tegenstelling met de realiteit.

Het niet inleveren van authentieke attesten voor het syndicaal verlof van 10 dagen getuigt tevens van een zekere nonchalance die een officier niet eigen mag zijn, noch die een officier waardig is.

De Tuchtraad twijfelt niet aan het feit dat elke overheid in dezelfde omstandigheden zou hebben besloten tot een straf die net zo zwaar is als het ambtshalve ontslag, zijnde de grondslag voor de toetsing van de proportionaliteit van de straf.

In tegenstelling met hetgeen de inspecteur-generaal adviseert in zijn deskundigenverslag is de Tuchtraad van oordeel dat er wel degelijk een vertrouwensbreuk plaatsvond met de tuchtoverheid en dat het terug inschakelen van de verzoeker enkel en alleen het gevolg is geweest van de vrijspraak door de correctionele rechtbank van 26 november 2015.

Wat de straf betreft, heeft de tuchtraad op datum van 24 mei 2016 geadviseerd dat de voorgestelde zware straf van ontslag van ambtswege een aangepaste straf is voor de bewezen gebleven feiten. Het politiecollege in haar hoedanigheid van hogere tuchtoverheid schaart zich ten volle achter dat advies van de tuchtraad.

De hogere tuchtoverheid sluit zich eveneens aan bij de overwegingen van de Tuchtraad ter verwerping van de door u aangevoerde middelen.

[…].”

IV. De schorsingsvoorwaarden

4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

XIV-37.119-23/76

V. Ernst van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker voert in het eerste middel de onbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid aan, alsook de schending van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001), van het recht van verdediging en van artikel 30 van de tuchtwet.

Een eerste onderdeel betreft de onbevoegdheid van de hogere tuchtoverheid en de schending van artikel 38sexies van de tuchtwet. Verzoeker voert aan dat de tuchtbeslissing is aangetast door een onregelmatigheid wegens het initiële optreden van een onbevoegde tuchtoverheid. Hij wijst er op dat het koninklijk besluit van 25 april 2014 voorziet in de installatie van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek. Dit besluit is op 23 mei 2014 bekendgemaakt en onmiddellijk in werking getreden. Uit artikel 91/6

van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) stelt verzoeker dat het mandaat van lid van het politiecollege van de nieuwe politiezone aanvangt op 23 mei 2014. Hij besluit op grond van die teksten dat een tuchtprocedure lastens hem maar kon worden gevoerd door het politiecollege van de politiezone Mechelen/Willebroek. Zelfs al wordt aangenomen dat het politiecollege maar actief zou zijn vanaf de instelling van de politiezone middels het tweede koninklijk besluit van 17 juli 2015, dan nog kan er geen twijfel meer bestaan omtrent de onbevoegdheid van de burgemeester als tuchtoverheid. Per koninklijk besluit van 19 december 2014 werd de korpschef van de nieuwe

XIV-37.119-24/76

politiezone benoemd en dit ter voorbereiding van de officiële start van de eengemaakte politiezone op 1 januari 2015. Bovendien wordt in het koninklijk besluit van 17 juli 2015 bevestigd dat de lokale politie wordt ingesteld op 1 januari 2015. Met dit besluit wordt volgens verzoeker alle twijfel weggenomen omtrent de bevoegdheid van het politiecollege Mechelen/Willebroek. Hij besluit, op basis van de verschillende publicaties inzake de installatie van de politiezone, de benoeming van de korpschef, de instelling van de lokale politie en de verklaringen hieromtrent van de betrokken burgemeesters, dat het vaststaat dat de nieuwe politiezone alsook de organen ervan hun bevoegdheden waarnemen met ingang van 1 januari 2015.

Het koninklijk besluit van 17 juli 2015 is volgens verzoeker dan ook slechts de bevestiging van een organisatie die reeds vanaf januari 2015 werd geïmplementeerd en installeert geenszins retroactief een nieuwe organisatie.

Aangezien de instelling van de nieuwe politiezone met retroactiviteit vanaf 1 januari 2015 slechts beantwoordt aan de feitelijke situatie, stellen er zich evenmin problemen omtrent de rechtszekerheid. Het louter declaratief/bevestigend karakter van de instelling van de nieuwe politiezone maakt dat de retroactiviteit in de praktijk bijzonder weinig problemen stelt en kan worden verantwoord naar recht. Gelet op het feit dat het inleidend verslag slechts werd betekend op 28 mei 2015 en het voorstel tot tuchtstraf hem ter kennis werd gebracht op 16 en 29 juli 2015, besluit verzoeker tot de bevoegdheid van het politiecollege en dit niet alleen voor de eindbeslissing maar ook voor de voorbereidende handelingen: het inleidend verslag werd opgesteld door de burgemeester van de stad Mechelen die onbevoegd is. Hetzelfde geldt voor de voorstellen van zware tuchtstraf. Vanaf 23 mei 2014, minstens vanaf 1 januari 2015 beschikte de burgemeester van de stad Mechelen niet langer over enige tuchtbevoegdheid. De tuchtvordering vervalt en de eindbeslissing kan die voorafgaande onregelmatigheden niet regulariseren.

In het tweede onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. Volgens verzoeker mag het duidelijk zijn op basis van het inleidend verslag en het voorstel tot zware tuchtstraf, zoals hernomen in de bestreden beslissing, dat de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd, in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn

XIV-37.119-25/76

verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde. Hoewel dat door de tuchtoverheid in twijfel wordt getrokken, kan redelijkerwijze niet worden betwist dat het syndicaal verlof wezenlijk deel uitmaakt van de prerogatieven van een syndicaal afgevaardigde. Dat het gebruik van gedupliceerde syndicale attesten als zodanig geen verband houdt met de behartiging van de belangen van andere personeelsleden, doet hieraan geen afbreuk. Niet alleen werden zijn dienstprestaties gecontroleerd, ook zijn activiteiten als syndicaal afgevaardigde werden volledig onderzocht. Verzoeker wijst er op dat de wetgever de syndicale afgevaardigden net tegen dergelijke verregaande inmenging in hun taken als vakbondsafgevaardigden heeft willen beschermen door artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001.

In het derde onderdeel voert verzoeker de onregelmatige samenstelling van de tuchtoverheid bij de beraadslaging aan, alsook de schending van het recht van verdediging en van artikel 30 van de tuchtwet. Hij voert aan dat uit de notulen noch uit de bestreden beslissing blijkt dat de burgemeester van de gemeente Willebroek en de korpschef de zitting van het politiecollege van 2 juni 2016 hebben verlaten op het ogenblik dat het politiecollege overging tot beraadslaging en besluitvorming. De tuchtoverheid heeft aldus beraadslaagd en besloten tot de bestreden beslissing in een andere samenstelling dan die waarin hij werd gehoord.

Beoordeling

Eerste onderdeel

6. In essentie voert verzoeker aan dat het inleidend verslag en de voorstellen van zware tuchtstraf niet rechtsgeldig door de burgemeester van de stad Mechelen konden worden genomen omdat die ter zake onbevoegd was.

Op grond van artikel 17 van de tuchtwet is de hogere tuchtoverheid bevoegd tot het opleggen van een zware tuchtstraf als de

XIV-37.119-26/76

voorliggende. Voor het geval van verzoeker is dit overeenkomstig artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet, “de burgemeester of naargelang het geval, het politiecollege”

en dit in functie van het gegeven of de lokale politiezone een eengemeentezone dan wel een meergemeentezone vormt.

Te dezen dient de vraag wie op grond van die bepaling in het voorliggende geschil bevoegd is om het inleidend verslag op te stellen en de voorstellen van straf te formuleren, te worden onderzocht in het specifieke kader van de oprichting van de politiezone Mechelen/Willebroek met eigen rechtspersoonlijkheid. Die wordt opgericht ingevolge de vrijwillige samensmelting van de politiezone Mechelen met de politiezone Willebroek overeenkomstig artikel 91/2, eerste lid van de wet van 7 december 1998.

De tuchtwet voorziet niet in bijzondere bepalingen die de weerslag van de samensmelting van politiezones op het verloop van tuchtprocedures regelen. Toepassing dient derhalve te worden gemaakt van de gemeenrechtelijke bepalingen ter zake vervat in de wet van 7 december 1998.

7. De in de stand van het geding relevante bepalingen van de wet van 7 december 1998 luiden:

“Art. 91/1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder:

1° de vorige politiezone: de politiezone waarvan het ambtsgebied voordien door de Koning werd vastgelegd;

2° de nieuwe politiezone: de politiezone die voortvloeit uit de samensmelting van twee of meerdere vorige politiezones die bij dit hoofdstuk wordt geregeld.

Art. 91/2. De gemeente- of politieraden van de betrokken politiezones kunnen gezamenlijk een aanvraag tot vrijwillige samensmelting van hun vorige politiezones indienen bij de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.

De Koning kan op voordracht van beide ministers het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone bepalen.

Art. 91/6. Het mandaat van lid van het politiecollege van een nieuwe politiezone vangt aan op de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone.

[…]

Art. 257quinquies/4. Vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone, worden de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones waarop zij zal opvolgen beperkt tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over

XIV-37.119-27/76

de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken. Zoniet zijn de genomen beslissingen of hun gevolgen niet tegenstelbaar aan de organen van de nieuwe politiezone.

Art. 257quinquies/5. De Koning stelt de lokale politie van de nieuwe politiezone in, op de eerste dag van een trimester, wanneer Hij vaststelt dat de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1° het territoriaal ambtsgebied van de politiezone is vastgesteld overeenkomstig artikel 91/2;

2° de personeelsformatie is bepaald;

3° het bedrag van de gemeentedotaties op de begroting van de nieuwe politiezone, is conform met artikel 91/9;

4° de eindrekening is opgemaakt en goedgekeurd overeenkomstig artikel 257quinquies/9, § 1.

Art. 257quinquies/6. De instelling van de lokale politie van de nieuwe politiezone stelt een einde aan het bestaan van de vorige politiezones en stelt van rechtswege een einde aan het mandaat van de politieraadsleden van de vorige politiezones.

[…]

Art. 257quinquies/9. § 1. De eindrekening van de vorige politiezones wordt opgemaakt op de laatste dag van het trimester dat de oprichting van de lokale politie bedoeld in artikel 257quinquies/5 voorafgaat.

§ 2. De nieuwe politiezone neemt van rechtswege de activa en passiva van de vorige politiezones waarop zij opvolgt, over.

§ 3. De eindrekening wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de politieraad van de nieuwe politiezone.”

Overeenkomstig artikel 91/2, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 kan de Koning, op voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, het territoriaal ambtsgebied bepalen van de nieuwe politiezone, waarbij de “nieuwe politiezone” die is welke voortvloeit uit de samensmelting van beide vorige politiezones (art. 91/1, 2° van de wet van 7 december 1998). Luidens artikel 91/6 van de wet van 7 december 1998 vangt het mandaat van lid van het politiecollege van een nieuwe politiezone aan op de datum van bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone. Op grond van artikel 257quinquies/4 van diezelfde wet worden “vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone, […] de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones waarop zij zal opvolgen beperkt tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken. Zoniet zijn de genomen beslissingen of hun gevolgen niet tegenstelbaar aan de organen van de nieuwe politiezone.”

XIV-37.119-28/76

Luidens art. 257quinquies/5 van diezelfde wet stelt de Koning de lokale politie van de nieuwe politiezone in op de eerste dag van een trimester wanneer Hij vaststelt dat, cumulatief, het territoriaal ambtsgebied van de politiezone is vastgesteld overeenkomstig artikel 91/2 van de wet van 7 december 1998, dat de personeelsformatie is bepaald, dat het bedrag van de gemeentedotaties op de begroting van de nieuwe politiezone conform is met artikel 91/9 van de wet van 7 december 1998 en dat de eindrekening is opgemaakt en goedgekeurd overeenkomstig artikel 257quinquies/9, § 1, van diezelfde wet. Volgens die bepaling wordt de eindrekening van de vorige politiezones opgemaakt “op de laatste dag van het trimester dat de oprichting van de lokale politie bedoeld in artikel 257quinquies/5 voorafgaat.” De instelling van de lokale politie van de nieuwe politiezone stelt een einde aan het bestaan van de vorige politiezones (art.

257quinquies/6 van de wet van 7 december 1998).

8. Uit de voormelde bepalingen van de wet van 7 december 1998

kan op het eerste gezicht worden afgeleid dat de organen van de vorige politiezones en de organen van de nieuwe politiezone gedurende een bepaalde transitieperiode gelijktijdig bestaan en functioneren. In de memorie van toelichting bij de wet van 30 december 2009 ‘houdende diverse bepalingen’, wordt dat als volgt verwoord (Parl. St. Kamer, 2009-2010, nr. 52-2299/1, 129):

“Om de toepassing van een aantal bepalingen van het huidig ontwerp mogelijk te maken, zullen de organen van de vorige én van de nieuwe politiezones gedurende de periode tussen het door de Koning bepalen van het grondgebied en de eigenlijke inplaatsstelling, gelijktijdig functioneren.

De organen van de politiezones die zullen verdwijnen, zullen in deze periode geen beslissingen nemen die de nieuwe zone buitenmatig verbinden of die buitensporige gevolgen zouden hebben. In deze geest beperkt het ontwerp de prerogatieven van de uittredende organen tot het dagelijks beheer en het beheer van dringende of lopende zaken.

De beslissingen van de uittredende organen die niet kaderen binnen deze grenzen zullen de organen van de nieuwe politiezone niet binden.”

Het gelijktijdig functioneren vindt plaats “vanaf de bekendmaking van het koninklijk besluit tot bepaling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezone” (art. 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998) en dat tot aan de instelling door de Koning van de nieuwe lokale

XIV-37.119-29/76

politiezone op grond van artikel 257quinquies/5 van de wet van 7 december 1998

aangezien die instelling een einde maakt aan het bestaan van de vorige politiezones (art. 257quinquies/6 van de wet van 7 december 1998).

Voorts volgt uit het aangehaalde artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998 dat de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones gedurende die transitieperiode beperkt zijn tot “de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken”.

9. Inzake de procedure tot vrijwillige samensmelting van de politiezones Mechelen enerzijds en Willebroek anderzijds, wordt bij artikel 2, 2°, van het koninklijk besluit van 25 april 2014 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 2000 houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’ het territoriaal ambtsgebied van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bepaald. Het voormelde koninklijk besluit van 25 april 2014 is bekendgemaakt in het Belgische Staatsblad van 23 mei 2014.

Hetzelfde koninklijk besluit voorziet in artikel 2, 2°, de opheffing van de territoriale ambtsgebieden van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek, maar dit “op de dag van de instelling van de lokale politie” van de nieuwe politiezone Mechelen-Willebroek (art. 4 van het koninklijk besluit van 25 april 2014).

Op grond van wat voorafgaat volgt dat vanaf 23 mei 2014 de transitieperiode aanvat en dat de organen van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek en de organen van de nieuwe politiezone Mechelen-Willebroek, gedurende die transitieperiode gelijktijdig bestaan en functioneren. De prerogatieven van de organen van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek zijn gedurende die periode beperkt tot “de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken” (art. 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999).

Omwille van de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde korte

XIV-37.119-30/76

verjaringstermijn om de tuchtprocedure op te starten en de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen, kan het opstarten en afhandelen van een tuchtprocedure op het eerste gezicht worden beschouwd als een dringende zaak in de zin van de voornoemde bepaling.

10. Op het ogenblik dat de burgemeester van de stad Mechelen het inleidend verslag van 28 mei 2015 opstelde en de voorstellen van zware tuchtstraf van 14 en 27 juli 2015 nam, was de procedure tot vrijwillige samensmelting van de vorige politiezones Mechelen en Willebroek nog niet afgerond. Hieruit volgt dat de burgemeester van de stad Mechelen op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1999 bevoegd was om die handelingen te stellen.

De omstandigheid dat bij koninklijk besluit van 17 juli 2015 ‘tot instelling van de lokale politie van de politiezone Mechelen/Willebroek’ de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek met terugwerkende kracht op datum van 1 januari 2015 wordt ingesteld - waardoor die op die datum rechtspersoonlijkheid verwerft - doet hieraan geen afbreuk.

De retroactieve instelling door het voornoemde koninklijk besluit van 17 juli 2015 van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek, impliceert immers niet dat daardoor met ingang van 1 januari 2015 “declaratief” en op retroactieve wijze (enkel) het politiecollege van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek bevoegd zou zijn om de tuchtprocedure lastens verzoeker te voeren. Om de temporeel bevoegde tuchtoverheid aan te wijzen, dient immers op het eerst gezicht te worden gekeken naar het ogenblik waarop het voormelde instellingsbesluit tot stand is gekomen. Het besluit van 17 juli 2015 bestaat te dezen slechts vanaf het moment waarop het door de Koning is ondertekend. Het kan nooit eerder bestaan of worden geacht te bestaan. Ook bepalingen met een terugwerkende kracht regelen dus de toekomst, ongeacht de temporele functie ervan. Terugwerkende kracht betekent derhalve enkel dat voor de toekomst nieuwe rechtsgevolgen worden vastgeknoopt aan oude rechtsfeiten. Aangezien niet kan

XIV-37.119-31/76

worden teruggekeerd in de tijd en slechts nieuwe rechtsgevolgen kunnen worden vastgeknoopt aan oude rechtsfeiten, moet aldus bij de bevoegdheidskwalificatie worden gekeken naar het ogenblik waarop het voormelde besluit tot stand komt en niet naar de temporele werkingssfeer ervan. Op het eerste gezicht mag aldus uit de temporele werking van het voornoemde instellingsbesluit alleen worden afgeleid dat voor de toekomst aan de door de burgemeester van de stad Mechelen tijdens de overgangsperiode overeenkomstig artikel 257quinquies/4 van de wet van 7 december 1998, in het kader van de lastens verzoeker gevoerde tuchtprocedure wettig gestelde handelingen, als rechtsgevolg wordt aangeknoopt dat die moeten worden toegerekend aan het politiecollege van de nieuwe politiezone Mechelen/Willebroek.

11. Het argument dat op basis van verschillende publicaties inzake de installatie van de nieuwe politiezone, de benoeming van de korpschef, de instelling van de lokale politie en de verklaringen hieromtrent van de betrokken burgemeesters, vast zou staan dat de nieuwe politiezone alsook de organen ervan hun bevoegdheden waarnemen met ingang van 1 januari 2015, overtuigt op het eerste gezicht niet.

Zoals hiervoor is vastgesteld, bestaan en functioneren immers gedurende de transitieperiode de organen van zowel de vorige als van de nieuwe politiezone. De (feitelijke) omstandigheid dat de nieuwe organisatie en organen vanaf 1 januari 2015 in plaats zouden zijn gesteld, doet aldus geen uitspraak over de wettigheid van de beslissingen genomen gedurende die transitieperiode door de burgemeester van de vorige politiezone.

12. Evenmin overtuigt het argument dat de tuchtoverheid goed op de hoogte was van de stand van zaken van de samensmelting.

Het gegeven dat het koninklijk besluit bestaat sinds de ondertekening ervan op 17 juli 2015, houdt niet in dat het vanaf die datum tegenwerpelijk is aan de (organen van de) vorige en nieuwe politiezone(s) en die

XIV-37.119-32/76

bindt. Het inleidend verslag en het eerste voorstel van tuchtstraf dateren van voor de datum van het voornoemde koninklijk besluit. Het tweede voorstel van zware tuchtstraf van 27 juli 2015 dateert weliswaar van erna, maar van voor de bekendmaking ervan op 31 juli 2015 in het Belgisch Staatsblad. Zonder dat de Raad van State in de huidige stand van het geding moet onderzoeken of dat tweede voorstel van zware straf zich niet aandient als overbodig, toont verzoeker niet aan dat de burgemeester van de stad Mechelen kennis van het koninklijk besluit van 17 juli 2005 had of moest hebben vooraleer hij de gegriefde handelingen heeft gesteld en dat het hem moet worden tegengeworpen.

13. Verzoeker stelt tot slot in het middel ook nog dat zijn interpretatie betreffende het koninklijk besluit van 17 juli 2015 conform artikel 257

van de wet van 7 december 1998 is. Die bepaling heeft betrekking op het eerste nationaal veiligheidsplan gezamenlijk voor te bereiden door de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten, en de algemene politiesteundienst. Het is de Raad van State niet op het eerste gezicht duidelijk in welke zin die bepaling bijdraagt tot de interpretatie van het voornoemde koninklijk besluit.

14. Het eerste onderdeel is niet ernstig.

Tweede onderdeel

15. Artikel 61 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 luidt:

“Art. 61. De bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen mogen, tenzij wat de naleving van artikel 127, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en artikel 17 van de wet betreft, niet worden toegepast op de syndicale afgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven.

De adviezen en beoordelingen uitgebracht in het raam van tuchtprocedures, procedures inzake bevordering, ambtsontheffing en beoordeling van de morele hoedanigheden of de beroepsbekwaamheden mogen niet steunen op de handelingen verricht als syndicale afgevaardigde, noch ervan gewag maken.”

XIV-37.119-33/76

Uit het te dezen ter zake zijnde eerste lid van de aangehaalde bepaling blijkt dat de bepalingen betreffende de tuchtregeling en de tuchtstraffen “niet worden toegepast op de syndicale afgevaardigden voor de handelingen die zij in die hoedanigheid verrichten en die rechtstreeks verband houden met de door hen uitgeoefende prerogatieven.” De bedoelde prerogatieven worden opgesomd in de artikelen 14 en 15 van de wet van 24 maart 1999 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten’ die respectievelijk de erkende en de representatieve vakorganisaties betreffen.

In beginsel genieten syndicale afgevaardigden aldus de bescherming bedoeld in artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 voor alle handelingen die zij stellen als syndicale afgevaardigde en die rechtstreeks verband houden met hun opdracht. Toch ontsnapt niet elk optreden van een syndicale afgevaardigde aan de mogelijkheid van een tuchtrechtelijke vervolging vanwege de tuchtoverheid. In het bijzonder kunnen op het eerste gezicht handelingen gesteld in het kader van een onrechtmatige uitoefening van de prerogatieven van de vakorganisaties wel tuchtrechtelijk worden gestraft.

Voorts lijkt het prerogatief van een syndicale afgevaardigde om in die hoedanigheid bij de overheid op te komen voor een individueel personeelsbelang, het behartigen van de belangen van personeelsleden, andere dan hemzelf, te betreffen. Elke politieambtenaar heeft immers het recht om voor zijn eigen belangen op te komen. Een syndicale afgevaardigde die opkomt voor zijn eigen belang als personeelslid oefent dan ook enkel het recht uit dat elk personeelslid toebehoort om voor zijn eigen belangen op te komen. Hij heeft daarvoor geen bijzonder prerogatief nodig en derhalve oefent hij op dat ogenblik geen bijzonder prerogatief uit. Hij geniet daarbij dan ook niet de bijzondere bescherming van artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001.

De in artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 bepaalde voorwaarden zijn tot slot op het eerste gezicht

XIV-37.119-34/76

cumulatief. Ze moeten beiden zijn vervuld opdat het personeelslid de erin besloten bijzondere bescherming geniet.

Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om desgevraagd zelf een beoordeling te maken van de vraag of de syndicale afgevaardigde voor de hem verweten handeling of gedraging de hiervoor bepaalde bijzondere bescherming geniet. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde reglementaire bepaling binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

16. Hetgeen aan verzoeker wordt ten laste gelegd is, is hiervoor reeds weergegeven (supra, punt 3.10.). Er wordt naar verwezen.

Inzake het eerste tuchtfeit voert verzoeker in het tweede onderdeel van het middel geen kritiek, zodat het onderdeel op dat punt faalt.

Het tweede feit betreft het “voor geen enkel zelfgemaakt niet authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof, authentieke attesten binnengeleverd te hebben (tweede onderdeel).” De verwerende partij blijft te dezen binnen de perken van haar beoordelingsbevoegdheid, door ten aanzien van verzoeker dat feit te beschouwen als een aan verzoeker toerekenbaar tuchtvergrijp en dus niet als een handeling die de bijzondere bescherming dient te genieten op grond van artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. In concreto maakt verzoeker niet aannemelijk dat het niet-binnenleveren van authentieke attesten voor de door hemzelf gemaakte niet authentieke attesten voor syndicaal verlof, een handeling is gesteld in het kader van een rechtmatige uitoefening van de prerogatieven van de vakorganisaties, en dit los van de vraag of dat tweede feit wel rechtstreeks verband houdt met de door verzoeker als syndicaal afgevaardigde uitgeoefende prerogatieven.

XIV-37.119-35/76

Verzoeker beperkt zich te dezen tot de algemene opmerkingen dat de hem ten laste gelegde feiten “in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde” en tot de blote bemerking dat “redelijkerwijze niet [kan] worden betwist dat het syndicaal verlof wezenlijk deel uitmaakt van de prerogatieven van een syndicaal afgevaardigde”, zonder te doen blijken dat is voldaan aan de hiervoor in rechte geldende cumulatieve voorwaarden vereist op grond van het aangehaalde artikel 61. Anders dan hoe verzoeker het evenwel ziet, volgt uit de door verzoeker geschonden geachte bepaling niet dat het op zich zou volstaan dat de hem ten laste gelegde feiten “in belangrijke mate, zo niet exclusief, zijn verbonden aan zijn statuut van syndicaal afgevaardigde”, opdat verzoeker de bijzondere bescherming zou genieten vervat in het aangehaalde artikel 61, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001.

Voorts staat in de gevoerde tuchtprocedure geenszins ter discussie dat het syndicaal verlof een wezenlijk deel uitmaakt van verzoekers syndicale prerogatieven, maar wel het niet-overleggen van authentieke attesten die dat verlof staven. Het feit dat verzoeker die handelingen stelde als “syndicaal afgevaardigde” doet daar geen afbreuk aan. Verzoeker geeft aldus blijk van een eigen feitelijke beoordeling van het tweede tuchtfeit als handeling die binnen de bescherming van het voormelde artikel 61, eerste lid, valt, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, op dat punt tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.

17. Het tweede onderdeel is niet ernstig.

Derde onderdeel

18. Artikel 30 van de tuchtwet luidt:

“Indien een tuchtstraf opgelegd wordt door het politiecollege, mogen de leden ervan die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig

XIV-37.119-36/76

waren, niet deelnemen aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtstraf.”

Die bepaling heeft enkel betrekking op de tuchtvordering voor het politiecollege optredend als hogere tuchtoverheid. Zij sluit uit dat de leden van dat politiecollege die niet aanwezig waren bij de verhoren die in het kader van de tuchtvervolging gehouden zijn, deelnemen aan de beraadslaging en aan de stemming over de tuchtstraf. Vereist is aldus dat het politiecollege, in haar hoedanigheid van tuchtoverheid, verzoeker in de voorafgaande tuchtprocedure mondeling heeft gehoord.

Te dezen lijkt dat niet het geval te zijn. Verzoeker werd immers op 3 juli 2015 niet gehoord door het politiecollege, maar wel door de burgemeester van de stad Mechelen, optredend als tuchtoverheid van de vorige politiezone Mechelen. Zoals uit de behandeling van het eerste onderdeel blijkt, was die de op dat ogenblik bevoegde tuchtoverheid. De betrokken burgemeester trad hierbij niet op als lid van het politiecollege van de nieuwe politiezone, hetgeen overigens in strijd zou zijn geweest met de op dat ogenblik geldende bevoegdheid inzake tuchtaangelegenheden. Aangezien het horen van verzoeker op 3 juli 2015 aldus niet gebeurde door het politiecollege, kan op het eerste gezicht artikel 30 niet zijn geschonden. De omstandigheid dat nadien het politiecollege de bevoegde tuchtoverheid werd, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk.

Aangezien geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling lijkt te vereisen dat een lid van het na de samensmelting van politiezones bevoegd geworden politiecollege, dat evenwel niet had mogen aanwezig zijn bij het verhoor door de toen bevoegde tuchtoverheid, niet mag deelnemen aan de beraadslaging of stemming over de op te leggen straf, faalt het middel op het eerste gezicht in rechte.

In de mate dat verzoeker zijn grief dat de eindbeslissing is genomen door een tuchtoverheid die anders is samengesteld dan op het ogenblik van verhoor, afleidt uit de schending van het recht van verdediging, lijken in deze stand van het geding de verplichtingen die de tuchtoverheid ter zake heeft, dezelfde draagwijdte te hebben als die vervat in artikel 30 van de tuchtwet, hetgeen op het

XIV-37.119-37/76

eerste gezicht door verzoeker wordt erkend waar hij stelt dat “het […] bijgevolg niet nodig [is] dat deze regel uitdrukkelijk in een wettelijke bepaling is geformuleerd om van toepassing te zijn.” Een toetsing ter zake aan het recht van verdediging mag derhalve niet tot een andere conclusie leiden.

19. In de mate dat verzoeker in het middel opmerkt dat niet blijkt dat de korpschef de zitting niet heeft verlaten, zet hij niet uiteen in welke mate dat de door hem aangevoerde beginselen en bepalingen schendt. Het onderdeel is op dat punt op het eerste gezicht niet ontvankelijk.

20. Het derde onderdeel is niet ernstig.

Conclusie

21. Het eerste middel is niet ernstig.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

22. Verzoeker voert in het tweede middel de schending aan van het vermoeden van onschuld, de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van ne bis in idem. Hij meent, samengevat, dat het optreden van de tuchtoverheid onregelmatig is, daar een deel van de feiten onvoldoende wordt bewezen en een ander deel van de feiten reeds is verjaard, minstens reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een eerdere tuchtprocedure.

Verzoeker onderscheidt vier onderdelen in zijn middel.

XIV-37.119-38/76

Eerste onderdeel

23. In het eerste onderdeel voert verzoeker de schending aan van het strafrechtelijk gewijsde en het vermoeden van onschuld. Na een eigen analyse van het verloop van de tuchtprocedure, betoogt hij dat (een deel van) de hem ten laste gelegde feiten onvoldoende is/zijn bewezen ten gevolge van de beperkte inspanningen waarmee de tuchtoverheid het onderzoek heeft gevoerd. Hij wijst ter zake op de volgens hem beperkte inhoud van het vooronderzoek hetgeen hij uitgebreid detailleert. Hij wijst hierbij “volledigheidshalve” op het feit dat de tuchtoverheid slechts eenmaal kennisneemt van een deel van het strafdossier en dat lopende het strafrechtelijk onderzoek in februari-maart 2015 en dat zijn verweer ter terechtzitting en in conclusie nog geen deel uitmaakte van dat dossier op het ogenblik van inzage ervan door de tuchtoverheid. Ook de documenten naar aanleiding van het bijkomend onderzoek zijn niet gevoegd. Verzoeker besluit dat de tuchtoverheid zich alle moeite heeft bespaard om de gegevens van het strafdossier verder op te volgen en te actualiseren. Volgens verzoeker leveren de overige stukken van het dossier geen bijkomende relevante informatie op inzake de hem ten laste gelegde feiten. Wel kon de tuchtoverheid uit haar kopie van een deel van het strafdossier afleiden dat hij de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof ten stelligste betwist. Zij heeft naar aanleiding daarvan geen bijkomende onderzoekmaatregelen bevolen, noch achtte zij het kennelijk nodig verzoeker hierover te horen, dan wel het strafrechtelijk dossier verder op te volgen.

Ook blijkt uit het verslag van de vooronderzoeker dat verzoeker inzake de feiten die betrekking hebben op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, een andere mening was toegedaan dan de betrokken hoofdinspecteurs die in het kader van het vooronderzoek werden verhoord. Volgens verzoeker vond de tuchtoverheid het opnieuw niet nodig hem hierover te horen, niettegenstaande de procureur des Konings volgens hem de mening was toegedaan dat een onderzoek te weinig elementen opleverde om de situatie op te helderen. Verzoeker bevindt het opmerkelijk dat de hogere tuchtoverheid op basis van dezelfde informatie wel de schuldige meent te kunnen aanduiden.

XIV-37.119-39/76

Voorts vestigt verzoeker verder “de aandacht op enkele elementen, die door de tuchtoverheid niet in overweging zijn genomen doch die aan haar bekend waren dan wel bekend zouden zijn geweest indien zij zich had gekweten van een zorgvuldige feitenvinding”. In een breed uitgesponnen betoog gaat verzoeker ter zake vooreerst in op de feiten met betrekking tot het niet-betekenen van de bevelen tot medebrenging. In essentie voert hij aan dat hem concreet wordt verweten dat hij op de bevelen tot medebrenging heeft vermeld dat hij zelf die bevelen betekende en een afschrift ervan aan de betrokkenen zou hebben overhandigd en dat zulks zo tevens door hem werd bevestigd in het proces-verbaal. Waar de tuchtoverheid evenwel bij hoog en bij laag volhoudt dat de enkele verantwoordelijkheid voor de betekening van de bevelen tot medebrenging bij verzoeker ligt, betoogt verzoeker dat het openbaar ministerie niet tot een dergelijk besluit is gekomen en dat het geheel onduidelijk is op basis van welke bijkomende informatie de tuchtoverheid heeft kunnen besluiten tot de enkele schuld van verzoeker. Hij benadrukt dat hij steeds heeft verklaard dat hij aan het “WOT” de onmiddellijke opdracht had gegeven om de bevelen te betekenen. Zijn schuld aan de verstoring van de goede werking van de dienst wordt dan ook in geen geval aangetoond. Ook benadrukt verzoeker dat het opmerkelijk is dat C.F., G.V. en K.H. in december 2014 werden gehoord door de vooronderzoeker en verzoeker niet: hij ontving een uitnodiging tot verhoor voor het eerst op 15 maart 2015. Volgens verzoeker is het bijzonder dat de tuchtoverheid het wegens het geheim van het onderzoek aangewezen acht hem niet te horen, terwijl zij geen enkel bezwaar heeft tegen het verhoor van andere betrokkenen. Verzoeker voert aan dat de vooronderzoeker haar besluiten enkel steunt op de verklaringen in het kader van het vooronderzoek van commissaris D.B. en van de andere betrokkenen die mogelijks evenzeer schuld dragen voor de buitenvervolgingstelling van drie verdachten van diefstal met braak. De vooronderzoeker houdt op geen enkele wijze rekening met de bevindingen en bedenkingen van het openbaar ministerie, dat op haar beurt besluit tot onvoldoende bewijzen lastens verzoeker. Volgens verzoeker raakt een dergelijke werkwijze kant noch wal. Zo is het tevens onduidelijk op basis van de gegevens van het dossier of bij het WOT op dat ogenblik ander personeel aanwezig was dat hierover

XIV-37.119-40/76

bijkomend zou kunnen worden ondervraagd. Het parket beslist tot seponering van het dossier inzake valsheid in authentieke en openbare geschriften door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functies en dit wegens gebrek aan enig bewijs van schuld. Volgens verzoeker is het onduidelijk op basis van welke feiten de tuchtoverheid verzoekers verantwoordelijkheid afleidt en hierbij voorbijgaat aan het vermoeden van onschuld. Het feit dat de bevelen niet werden betekend, hetgeen heeft geleid tot de vrijlating van de verdachten, kan op basis van de voorliggende bewijsstukken niet onverkort worden toegerekend aan verzoeker.

Verzoeker stelt te begrijpen dat hij niet op de bevelen had moeten vermelden dat hij zelf die bevelen had betekend en een afschrift aan de betrokkenen zou hebben overhandigd, doch het is volgens hem niet die verkeerde vermelding die de vrijlating van de verdachten heeft veroorzaakt, maar wel het feit dat de bevelen achteraf niet zijn betekend en dat allicht door een miscommunicatie die evenwel niet volledig toerekenbaar is aan verzoeker.

Inzake het tweede tuchtfeit betoogt verzoeker dat er geen bijkomende elementen voorliggen voor die tekortkoming en de toerekenbaarheid ervan aan verzoeker. Hij wijst erop dat de correctionele rechtbank oordeelde dat het geheel van de feiten zoals uiteengezet in de dagvaarding niet afdoende bewezen is. De rechtbank is hierbij ingegaan op verzoekers verweer waarin hij niet alleen het bestaan van feitelijke tekortkomingen nuanceert, maar in het bijzonder het gebrek aan schuld bepleit. Inzake het verwijt dat hij authentieke attesten, waarvan hij stelt dat hij ze inleverde in het raam van het strafrechtelijk onderzoek, niet zou hebben ingeleverd bij de personeelsdienst, betoogt hij dat die dienst nauwelijks beschikt over enig authentiek attest. Volgens een ingeburgerde praktijk werd het syndicaal verlof geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten en van de syndicale afgevaardigden werd niet verwacht dat zij later een ‘authentiek’ attest binnenleverden. Het kan hem dan ook niet worden verweten dat hij, buiten een uitdrukkelijk verzoek om, dan ook geen authentieke attesten inleverde.

Aangezien de personeelsdienst jarenlang heeft getolereerd voor alle syndicale afgevaardigden dat zij hun syndicaal verlof staafden op basis van niet-authentieke attesten, treft hem geen schuld wat dat tuchtfeit betreft.

XIV-37.119-41/76

Tweede onderdeel

24. In het tweede onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet. Hij betoogt dat de datum van de vaststelling of de kennisneming van de feiten zoals die door de hogere tuchtoverheid wordt aangegeven in het inleidend verslag en gehandhaafd wordt in de bestreden beslissing, niet correct is, minstens dat onterecht toepassing is gemaakt van het tweede lid van artikel 56 van de tuchtwet. Ook de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (hierna: de AIG) en de Tuchtraad zouden het kennelijk niet eens zijn over de wijze waarop artikel 56 van de tuchtwet te dezen dient te worden toegepast. Verzoeker meent dat de beide tuchtfeiten verjaard zijn.

Met betrekking tot het eerste tuchtfeit, met name de feiten die betrekking hebben op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, betoogt verzoeker dat de hogere tuchtoverheid ingevolge het informatieverslag van 30 oktober 2013, haar op 4 november 2013 ter kennis gebracht, op voldoende nauwkeurige wijze de feiten heeft kunnen vaststellen, minstens had de hogere tuchtoverheid op dat ogenblik alle gegevens in handen om onmiddellijk klaarheid te brengen in de situatie. De verjaringstermijn voor het eerste tuchtfeit begon dan ook op 4 november 2013 te lopen, waardoor de tuchtvordering verviel op 4 mei 2014. Voorts zet verzoeker omstandig uiteen dat die vervaltermijn van zes maanden in geen geval is gestuit door enig lopend strafrechtelijk onderzoek lastens hem. Een eerste en enig proces-verbaal lastens hem werd opgesteld op 5 december 2015, hetgeen zich situeert na het verstrijken van de initiële verjaringstermijn.

Met betrekking tot het tweede feit, met name de feiten betreffende het opnemen van syndicaal verlof, stelt verzoeker dat de hogere tuchtoverheid al vanaf 2 april 2013 op de hoogte was van de feiten, met name in het kader van een voorafgaande tuchtprocedure lastens verzoeker. Te dezen stelt hij het volgende:

XIV-37.119-42/76

“Immers kan op basis van het verslag voorafgaand onderzoek in het kader van deze eerste tuchtprocedure d.d. 2 april 2013 worden vastgesteld dat aan de tuchtoverheid het volgende reeds eerder uitdrukkelijk ter kennis werd gebracht:

- ‘Ter zake dien ik vast te stellen dat de meeste attesten die door [verzoeker]

worden afgeleverd slechts een kopiehandtekening bevatten.’ - ‘Bij nazicht blijkt hij trouwens ook meer syndicale verlofdagen dan de toegestane 60 te hebben opgenomen en/of aangevraagd’ - ‘Met betrekking tot de regels in verband met het aanvragen van syndicaal verlof, is het ook zo dat deze meestal niet op een correcte wijze worden toegepast door [verzoeker]. Ik bezorg jou een lijst van syndicale verloven, waarvoor niet op voorhand een aanvraag werd gedaan samen met een volledige lijst van verloven die hij ter zake heeft genomen.’ (stuk 2b - bijlage 2: verhoor [V.])”

Dat naar aanleiding van de verklaringen van verzoeker in die procedure geen materieel feit aan het licht kwam, is volgens verzoeker slechts te wijten aan het stilzitten van de tuchtoverheid zelf die naar aanleiding van die informatie geen verdere actie heeft genomen. Die feiten hebben weliswaar het voorwerp uitgemaakt van een opsporingsonderzoek, maar dat betekent niet dat artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet zomaar kan worden toegepast. De Raad van State gaat na of een tuchtoverheid de gepaste initiatieven heeft genomen en of de tuchtoverheid niet in de mogelijkheid was om, los van het strafonderzoek, een eigen onderzoek te voeren. Te dezen bevindt verzoeker het “op zijn minst merkwaardig” dat de tuchtoverheid, na de dagvaarding van verzoeker en diens verweer ter terechtzitting dat leidde tot zijn vrijspraak, plots besluit om het resultaat van de strafprocedure niet af te wachten en in alle haast de tuchtprocedure te hernemen opdat zij geen rekening zou moeten houden met het vonnis in het voordeel van verzoeker.

Verzoeker stelt voorts dat de hogere tuchtoverheid vanaf de kennisneming van de feiten op 2 april 2013 tot en met 29 december 2014 heeft stilgezeten. Van eigen onderzoek is er gedurende die tijd geen sprake en geen enkele onderzoekshandeling is verricht. Inzake de datum van 20 januari 2015 is verzoeker van mening dat de tuchtoverheid reeds veel eerder over de nodige informatie beschikte om een vooronderzoek inzake tucht op te starten. Het blijkt volgens verzoeker heel duidelijk uit het dossier dat het geheel van de feiten wel degelijk aan de tuchtoverheid bekend was, minstens had kunnen zijn op basis van

XIV-37.119-43/76

een louter intern onderzoek, naar aanleiding van de documenten die V. in het kader van een eerste tuchtprocedure ter beschikking heeft gesteld. Verzoeker oordeelt dat de hogere tuchtoverheid, mits het stellen van enkele onderzoeksdaden hetgeen zij heeft nagelaten, de ware toedracht van de feiten zeer spoedig had kunnen achterhalen. Een proces-verbaal dat op 5 december 2013 “pour les besoins de la cause” werd bezorgd aan de procureur des Konings kan de verjaring van de feiten niet ongedaan maken.

Derde onderdeel

25. In het derde onderdeel voert verzoeker de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. Hij meent dat de feiten die betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof reeds het voorwerp uitmaakten van een onderzoek dat in het raam van een eerste tuchtprocedure wegens onwettige afwezigheid werd afgesloten met een eindbeslissing van 10 juni 2013. Volgens hem “betroffen de feiten in de eerste procedure evenzeer het mogelijk onregelmatig karakter van de aanvraag van syndicaal verlof door [verzoeker].” De feiten die hem nu worden verweten hebben allen plaatsgevonden in de periode van januari 2012 tot en met april 2013. Volgens hem kan de tuchtoverheid moeilijk voorhouden dat de eerste feiten wezenlijk verschillen van de feiten die thans het voorwerp uitmaken van de procedure. Hij benadrukt dat toen op 25 april 2013 een tuchtprocedure werd ingeleid en hij er op werd gewezen dat hij de voorgeschreven procedure inzake het indienen van syndicale attesten stipt moet volgen, hij bovendien geen enkele onregelmatigheid meer beging.

Vierde onderdeel

26. In het vierde onderdeel voert verzoeker de schending aan van artikel 7 van de tuchtwet. Het is geheel onduidelijk waarom de beide tuchtfeiten thans worden gevat in een enkele tuchtprocedure. De samenhang van de feiten wordt op geen enkele wijze door de tuchtoverheid uitgelegd. Meer nog, volgens verzoeker zou er samenhang zijn tussen het eerder op 10 juni 2013 bestrafte

XIV-37.119-44/76

tuchtfeit en de feiten die thans betrekking hebben op het opnemen van syndicaal verlof als syndicaal afgevaardigde, zodat die feiten samen dienden te worden behandeld in het raam van de eerste, in 2013 gevoerde tuchtprocedure.

27. De verwerende partij betwist in haar nota in hoofdorde de ontvankelijkheid van het middel. Zij voert aan dat verzoeker dat middel nooit heeft opgeworpen voor de tuchtoverheid hoewel hij daartoe verschillende gelegenheden heeft gehad. Het betreft nochtans een (vermeend) “zichtbaar gebrek”, zodat verzoeker verplicht was op grond van de op hem rustende zorgvuldigheid en het beginsel van behoorlijk burgerschap, dat voor de tuchtoverheid zelf op te werpen.

Door dat niet te doen, heeft hij het recht verwerkt dat middel, dat geenszins de openbare orde raakt, thans nog op te werpen.

Beoordeling

Eerste onderdeel

28. De Raad van State neemt in deze stand van het geding aan dat verzoeker in wezen een gebrek aan zorgvuldige feitenvinding aanvoert. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht.

Een tuchtstraf kan, rekening houdend met het vermoeden van onschuld, alleen wettig worden opgelegd wanneer de tuchtoverheid over voldoende gegevens beschikt om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. Uit de formele motivering moet blijken dat zulks het geval is.

Inzake de feitenvinding, heeft de tuchtoverheid bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelings-

bevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten.

XIV-37.119-45/76

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de toerekening ervan aan de overtreder.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

29. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.

Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een politieambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Het loutere feit van een professionele tekortkoming, ongeacht of die tekortkoming al dan niet opzettelijk werd begaan, volstaat evenwel te dezen opdat de tekortkoming tuchtrechtelijk kan worden vervolgd.

Geconcretiseerd op het voorliggende beroep, impliceert het voormelde zorgvuldigheidsbeginsel dat de tuchtoverheid, om vast te stellen of een feit een tuchtvergrijp is, moet nagaan of het betrokken personeelslid zelf - hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid - de schuld draagt voor de hem toegerekende beroepsfout. Het volstaat derhalve dat de beroepsfout aan hem moet worden toegerekend. Zoals hiervoor is gesteld, beoordeelt de tuchtoverheid zulks discretionair.

XIV-37.119-46/76

30. De bestreden beslissing zet uiteen waarom de feiten bewezen zijn, alsook de kwalificatie ervan als tuchtfeiten en de toerekening ervan aan verzoeker (zie supra, punt 3.10., punt 4 van de bestreden beslissing). Er wordt naar verwezen.

Inzake het eerste tuchtfeit dat betrekking heeft op het niet-betekenen van bevelen tot medebrenging, ontkent verzoeker die feiten op zich niet in het verzoekschrift. Hij geeft immers aan dat hij “begrijpt dat hij niet op de bevelen had moeten vermelden dat hij zelf deze bevelen had betekend en een afschrift aan betrokkenen zou hebben overhandigd”, doch minimaliseert de gevolgen van zijn beroepsfout door te betogen dat het niet die verkeerde vermelding is die de vrijlating van de verdachten heeft veroorzaakt, maar wel het feit dat de bevelen achteraf niet zijn betekend, “allicht door een miscommunicatie die evenwel niet (volledig) toerekenbaar is aan [verzoeker].” Te dezen bemerkt de Raad van State dat uit de bestreden beslissing aan verzoeker wordt toegerekend, samengevat, het feit dat “door het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal, […] door [verzoeker] dan ook zware beroepsfouten [werden] gemaakt.” De omstandigheid dat, volgens verzoekers feitelijke beoordeling, de begane beroepsfout niet de vrijlating van de verdachten heeft veroorzaakt, betreft niet de vraag naar de schuld of de toerekenbaarheid van de beroepsfout aan verzoeker, maar wel naar zijn aandeel in het al dan niet berokkenen van schade en de omvang ervan. Die kritiek van verzoeker is te dezen derhalve niet relevant.

Verzoeker voert ook aan dat geen rekening werd gehouden met de bedenkingen en bevindingen van het openbaar ministerie, waarbij volgens hem “het gebrek aan enig bewijs van schuld” de procureur des Konings heeft doen besluiten tot seponering van het strafdossier lastens hem. Dat argument overtuigt niet. Los van de vaststelling dat het strafdossier lastens verzoeker door het parket werd geseponeerd “wegens onvoldoende bewijzen” - wat op zich niet noodzakelijk inhoudt dat er geen “schuld” is in de tuchtrechtelijke zin - beperkt die

XIV-37.119-47/76

sepotbeslissing geenszins de beoordelingsbevoegdheid van de verwerende partij om te oordelen of het betrokken personeelslid zelf - hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid - de schuld draagt voor de hem toegerekende beroepsfout. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid, verwijzend naar het advies van de Tuchtraad, aanvoert dat verzoeker “niet [kan] ontkennen dat [hij], als commissaris volledig op de hoogte [is] van de regels met betrekking tot het betekenen van bevelen tot medebrenging”. Van een commissaris van politie die tevens wachtoverste was en waarvan niet wordt betwist dat hij verantwoordelijk was voor de overbrenging van drie verdachten, mag zulks immers redelijkerwijze worden verwacht. Door aldus de voormelde beroepsfout bestaande uit “het niet respecteren van de procedurevoorschriften en wettelijke bepalingen omtrent het uitvoeren van de bevelen tot medebrenging en de niet correcte registratie van de feiten in een proces-verbaal” toe te rekenen aan verzoeker, gaat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid ter zake niet te buiten.

Eenzelfde vaststelling geldt wat verzoekers argument betreft dat de vooronderzoeker zich louter heeft gebaseerd op verklaringen van anderen die volgens verzoeker evenzeer schuld dragen voor de buitenvervolgingstelling van drie verdachten. In deze stand van het geding volstaat te dezen de vaststelling dat dat gegeven op zich niets afdoet aan de hiervoor vastgestelde verantwoordelijkheid van verzoeker voor de door hem begane beroepsfout.

31. In de mate dat verzoeker met betrekking tot het tweede feit aanvoert dat ook dat feit het voorwerp uitmaakt van een strafprocedure en dat voor het geheel van de feiten uiteengezet in de dagvaarding de correctionele rechtbank oordeelde dat die feiten niet bewezen zijn, blijkt uit de dagvaarding niet dat verzoeker is vervolgd voor het thans als tuchtfeit omschreven feit bestaande uit het voor geen enkel zelf gemaakt niet-authentieke attest aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten te hebben binnengeleverd. Aldus staat in deze stand van het geding niet vast dat de strafrechter omtrent de feiten die het voorwerp van de

XIV-37.119-48/76

tuchtprocedure uitmaken, zeker en noodzakelijk heeft beslist dat die niet zijn bewezen.

Op het eerste gezicht zit de aan verzoeker ten laste gelegde uiteindelijke niet-staving door een authentiek document niet vervat in het moreel of materieel bestanddeel van de valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken waarover de correctionele rechtbank heeft beslist. Hieruit volgt dat op het eerste gezicht de vrijspraak door de correctionele rechtbank het opleggen van de tuchtstraf niet belet. In de mate dat verzoeker derhalve de schending van het gezag van gewijsde aanvoert, is die grief niet ernstig.

32. Verzoeker betoogt ook dat er volgens hem een “ingeburgerde praktijk” bestond dat het syndicaal verlof van de afgevaardigden werd geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten en dat “de personeelsdienst jarenlang heeft getolereerd, voor alle syndicale afgevaardigden, dat zij hun syndicaal verlof staafden op basis van niet-authentieke attesten”. Aldus treft hem geen schuld “wat betreft de niet-aflevering van de authentieke attesten, daar hij daartoe evenmin uitdrukkelijk werd verzocht, laat staan aangemaand.”

Ook dit argument overtuigt niet. Dat er een ingeburgerde praktijk zou bestaan dat het syndicaal verlof werd gestaafd of geregistreerd op basis van niet-authentieke attesten, is één zaak, maar aan verzoeker wordt op het eerste gezicht niet ten laste gelegd dat hij zijn syndicaal verlof registreerde of aanvroeg op basis van een niet-authentiek attest van zijn vakorganisatie, maar wel dat hij voor geen enkel met zelfgemaakte, niet-authentieke attesten aangevraagd syndicaal verlof een authentiek attest voorlegt of “binnenlevert”. Verzoeker toont niet aan dat er een “ingeburgerde praktijk” zou bestaan die zulks tolereert. Voorts belet de omstandigheid dat van hem noch van de overige syndicale afgevaardigden werd verwacht dat zij later een authentiek attest binnenleverden, niet dat hij voor elk syndicaal verlof aangevraagd door middel van een zelfgemaakt attest, een authentiek attest moet kunnen voorleggen of “binnenleveren”. Niet blijkt uit de door verzoeker voorgelegde stukken noch uit het administratief dossier dat zulks is

XIV-37.119-49/76

gebeurd. Op het eerste gezicht mag niettemin van een commissaris van politie die tevens syndicaal afgevaardigde is redelijkerwijze worden verwacht dat hij de regels inzake het aanvragen van syndicaal verlof beheerst en er strikt mee omgaat.

Door aldus de voormelde beroepsfout bestaande uit “het voor geen enkel zelfgemaakt niet-authentiek attesten aangevraagd syndicaal verlof authentieke attesten binnengeleverd te hebben” toe te rekenen aan verzoeker, gaat de tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid ter zake niet te buiten.

33. In de mate, tot slot, dat verzoeker de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel ziet in het feit dat de hogere tuchtoverheid het strafdossier niet correct is blijven opvolgen, blijkt uit de gegevens van de zaak dat de hogere tuchtoverheid op 6 oktober 2015 naar de stand van het dossier vroeg en om inzage en afschrift “van eventueel hieraan gekoppelde navolgende processen-verbaal te krijgen en toelating tot gebruikmaking ervan op tuchtgebied te bekomen”. Het Parket-Generaal heeft met een brief van 29 januari 2016 een “eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier” bezorgd aan de hogere tuchtoverheid.

Verzoeker heeft dat gegeven niet betrokken in zijn verzoekschrift. Zijn kritiek is, in het licht van de concrete samenstelling van het dossier, niet ernstig.

34. Het eerste onderdeel is niet ernstig.

Tweede onderdeel

35. Artikel 56, eerste en tweede lid, van de tuchtwet luidt:

“Art. 56. De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.

In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.”

XIV-37.119-50/76

Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

XIV-37.119-51/76

De beslissing om de definitieve uitspraak over de strafvordering niet af te wachten houdt dus op zich niet het bewijs in van een onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid.

De omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonderzoek tuchtrechtelijk op te treden, belet niet dat de tuchtoverheid na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het - definitief - afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt.

De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij ontstentenis van dat bewijs zal worden vastgesteld dat de tuchtvordering niet tijdig ingesteld is.

Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid

XIV-37.119-52/76

is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.

36. Inzake de verjaring van de tuchtvordering betreffende het eerste tuchtfeit, namelijk de feiten met betrekking tot de uitvoering van opdrachten van gerechtelijke politie.

37. Uit het inleidend verslag blijkt dat de opstart van de tuchtprocedure uitdrukkelijk steunt op de inzage op 4 december 2014 van de stukken uit het strafdossier ME.10.L1.[XXXXXX]/2013. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de hogere tuchtoverheid ingevolge het op 4 november 2013 aan haar ter kennis gebrachte informatieverslag van 30 oktober 2013, reeds op 4 november 2013 op voldoende nauwkeurige wijze de feiten heeft kunnen vaststellen, minstens had zij op dat ogenblik “alle gegevens in handen om onmiddellijk klaarheid te brengen in de situatie.”

Het informatieverslag is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.3.). Dat biedt voldoende duidelijkheid omtrent het feit dat blijkbaar de bevelen tot medebrenging niet werden betekend, maar op het eerste gezicht blijkt evenwel uit dat verslag dat er tegenspraak bestaat omtrent de vraag aan wie dat (vaststaande) feit moet worden toegerekend. Uit het hiervoor aangehaalde informatieverslag blijkt immers dat, waar verzoeker aan de wachtoverste G.V.

heeft verklaard dat hij “die [bevelen] had afgestempeld en getekend en dat hij had gevraagd om deze bevelen te laten betekenen”, alsook “dat hij aan ‘die van het WOT’ ([H.]) had gevraagd om de bevelen te laten betekenen.” Uit datzelfde informatieverslag blijkt evenwel dat H. aan de wachtoverste G.V. meedeelt dat verzoeker “dit noch aan hem noch aan iemand anders van de overbrengers heeft gevraagd”, alsook dat F. van de eerste ploeg heeft verklaard dat verzoeker “niemand [heeft] aangesproken om de bevelen te laten betekenen.” Niet wordt betwist dat te dezen de toerekenbaarheid van of schuld aan het niet-betekenen van de bevelen tot medebrenging een wezenlijk element betreft dat in de voorliggende tuchtzaak aan de orde is. Verzoeker toont aldus op het eerste gezicht niet aan dat de

XIV-37.119-53/76

hogere tuchtoverheid reeds op 4 november 2013 over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikte om zich een duidelijk beeld te vormen over dat wezenlijke element van het tuchtfeit, en om hiervoor de tuchtvordering lastens verzoeker in te stellen.

De hogere tuchtoverheid houdt voor, inzonderheid in het (eerste)

voorstel tot zware tuchtstraf (zie supra, punt 3.8.), dat het voor haar “derhalve onmogelijk [was] om op een andere wijze dan mits inzage van het dossier de wezenlijke elementen die in de zaak aan de orde zijn, de omstandigheden, de toerekeningsvatbaarheid, … te onderzoeken” en dat het “zonder te kunnen beschikken over de stukken van het tuchtdossier, waaronder het PV waarin [verzoeker] attesteerde dat de bevelen tot medebrenging werden betekend, overigens ook onmogelijk [was] de feiten afdoende te bewijzen.” De Raad van State is in deze stand van het geding dan ook van oordeel dat de hogere tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door te oordelen dat de gegevens waarover zij op 4 november 2013 beschikte, niet volstonden om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen.

38. Het inleidend verslag is een eerste maal op 1 juni 2015 en een tweede maal op 2 juni 2015 ter kennis gebracht van verzoeker. Te rekenen vanaf 4 december 2014, is op het eerste gezicht de tuchtvordering ingesteld binnen de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde termijn. De tuchtvordering is wat dat feit betreft, tijdig ingediend.

In de mate dat verzoeker ook bekritiseert dat de hogere tuchtoverheid foutieve toepassing maakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de tuchtvordering uit te stellen, volstaat, uit wat voorafgaat, de vaststelling dat de tuchtoverheid zich niet op die mogelijkheid beriep doch de vordering binnen de termijn bepaald in artikel 56, eerste lid, heeft ingesteld.

XIV-37.119-54/76

39. Inzake de verjaring van de tuchtvordering betreffende het tweede tuchtfeit, namelijk de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof.

40. Uit het inleidend verslag (zie supra, punt 3.7.) blijkt dat de tuchtoverheid toepassing heeft gemaakt van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet omdat de feiten waarvan zij kennisnam middels het informatierapport van 6 december 2013 (zie supra, punt 3.5.) het voorwerp uitmaken van een opsporingsonderzoek. Op 20 februari 2015 kreeg de tuchtoverheid inzage in het dossier en ontving zij een afschrift. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat de hogere tuchtoverheid reeds sinds 2 april 2013 op de hoogte was van de feiten en dat naar aanleiding van verklaringen afgelegd in het raam van een vroegere tuchtprocedure. Voorts vindt verzoeker het merkwaardig dat de tuchtoverheid plots besluit het resultaat van de strafrechtelijke procedure dan toch niet af te wachten.

Deze grieven worden hierna op hun merites beoordeeld.

41. In de mate dat verzoeker het “op zijn minst merkwaardig” vindt dat de tuchtoverheid na de dagvaarding van verzoeker en diens verweer plots zou hebben besloten om het resultaat van de strafprocedure niet af te wachten, is hiervoor reeds uiteengezet (supra, punt 35) dat de omstandigheid dat de tuchtoverheid aanvankelijk van oordeel is dat zij niet voldoende voorgelicht is om zonder de gegevens van het strafonderzoek tuchtrechtelijk op te treden, niet belet dat zij na verloop van tijd tot andere inzichten komt en alsnog voor het - definitief -

afsluiten van de strafrechtelijke procedure, tuchtrechtelijk optreedt met de gegevens waarover zij op dat ogenblik beschikt. Het gegeven dat de tuchtoverheid beslist om, na inzage van het strafdossier, de definitieve uitspraak over de strafvordering niet af te wachten - te meer daar er in hoofde van de tuchtoverheid een verplichting bestaat om binnen een redelijke termijn een tuchtzaak af te handelen en uit het hiervoor aangehaalde artikel 56 van de tuchtwet juist volgt dat, indien het eigen onderzoek voldoende klaarheid in de zaak brengt, het bestaan van

XIV-37.119-55/76

een strafonderzoek op zich geen deugdelijke reden zou zijn om de tuchtvordering niet op te starten - vitieert op zich de bestreden beslissing niet.

Uit de gegevens van de zaak en meer bepaald de aanstelling van de vooronderzoekster op 6 februari 2015, blijkt dat de tuchtoverheid eerst van oordeel was dat zij de uitkomst van de strafrechtelijke procedure moest afwachten, maar dat de tuchtoverheid - zoals blijkt uit het hiervoor aangehaalde uittreksel uit het eerste voorstel van zware straf (supra, punt 3.8.) - na inzage op 20 februari 2015 van het strafdossier door de aangewezen vooronderzoekster, “de ernst en de omvang en zwaarwichtigheid van de feiten [kan] vaststellen” en dat “pas dan […]

het bewijs van de feiten [kan] worden geleverd”. Voorts is de tuchtoverheid luidens het voorstel van zware straf de mening toegedaan dat, “indien [zij] enkel en alleen op de informatie uit het informatierapport [dd. 6 december] zou voortgegaan zijn en de feiten als bewezen zou hebben geacht, zou [haar] het lichtzinnig uiten van beschuldigingen en het onvoldoende nauwkeurig verzamelen van bewijskrachtige elementen worden verweten.” Gelet op de hiervoor geschetste appreciatieruimte die de tuchtoverheid heeft bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover zij beschikt volstaan om tuchtrechtelijk op te treden heeft, volgt uit wat voorafgaat dat verzoeker prima facie niet aannemelijk maakt dat de tuchtoverheid ter zake de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan, door te oordelen dat zij zich pas na inzage van het strafdossier op 20 februari 2015 een duidelijk beeld kon vormen omtrent het bestaan en de ernst van het tweede feit en de toerekening ervan aan verzoeker.

42. Verzoeker voert ook aan dat de tuchtoverheid reeds ten tijde van de in 2013 lastens verzoeker gevoerde tuchtprocedure - ingevolge het verslag van het voorafgaand onderzoek van 2 april 2013 - op de hoogte zou zijn geweest of zou moeten zijn geweest van het feit dat verzoeker zelfgemaakte attesten voor het aanvragen van syndicaal verlof vervaardigde en bij de personeelsdienst binnenleverde.

XIV-37.119-56/76

De Raad van State stelt vast dat verzoeker dat argument ook reeds heeft opgeworpen in de voorafgaande procedure voor de Tuchtraad. Te dezen heeft de Tuchtraad in zijn advies dat argument als volgt beoordeeld:

“4.1.2. Volgens de verzoeker werd de bevoegde tuchtoverheid door middel van een verslag voorafgaand onderzoek (in het kader van een eerste tuchtprocedure) d.d.

2 april 2013 van [L.] reeds in kennis gesteld van de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof op basis van zelf gemaakte attesten met gebruik van een gekopieerde handtekening.

Beoordeling Tuchtraad Uit de verklaring van [V]. (Bijlage 2 aan het verslag van vooronderzoek van 2

april 2013) blijkt dat deze op 12 november 2012 stelde dat:

‘- ik stel samen met u vast dat syndicaal attest, afgeleverd door [verzoeker] voor 14 oktober 2012 niet in origineel werd getekend maar een kopie is;

-ter zake dien ik te melden dat de meeste attesten die door [verzoeker] worden afgeleverd slechts een kopiehandtekening bevatten. Ik weet dus ook niet in hoeverre de secretaris van het NSPV, waarvoor hij afgevaardigde is, daadwerkelijk op de hoogte is van alle syndicale verloven die [verzoeker] heeft genomen;

-mij blijkt hij trouwens ook meer syndicale verlofdagen dan de toegestane 60 te hebben opgenomen en/of aangevraagd’.

Het staat vast dat het voorwerp van de voorgaande tuchtprocedure een onwettige, want niet behoorlijk gestaafde, afwezigheid betrof zijnde een totaal ander feit dan deze die ten grondslag liggen van huidige procedure.

Bij de lezing van voormelde verklaríng kan geenszins afgeleid worden dat het om zelf gefabriceerde attesten zou gaan maar eerder om een ‘kopie’, hetgeen een totaal andere dimensie geeft aan het feit.

Daarenboven betrof het een verklaring van een ondervraagd persoon in het kader van een ander feit zonder dat daarop dat ogenblik enig materieel stuk naar voor gebracht werd.

Samen met de tuchtoverheid is, wat de feiten sub 2 (hierna omschreven)

betreffen, de Tuchtraad van oordeel dat ook voor deze feiten het inleidend verslag tijdig werd betekend meer bepaald op 30 mei 2015.”

Ook stelt de Raad van State vast dat de hogere tuchtoverheid eveneens het voorliggende argument van verzoeker heeft beoordeeld in haar eerste voorstel van zware tuchtstraf (zie supra, punt 3.8.). Er wordt naar verwezen.

Voorts blijkt uit de behandeling van het derde onderdeel van het voorliggende middel dat uit de tuchtbeslissing van 10 juni 2013 blijkt dat de feiten die aan die tuchtveroordeling ten grondslag lagen, op het eerste gezicht identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn als die welke ten grondslag liggen van de thans bestreden tuchtbeslissing.

XIV-37.119-57/76

Verzoeker stelt weliswaar dat de redenering van de Tuchtraad niet kan worden gevolgd, maar bij het formuleren van zijn eigen standpunt omtrent de kennis die de tuchtoverheid had moeten hebben of kunnen hebben door de kennisneming van het verslag van het voorafgaand onderzoek van 2 april 2013, betrekt of bekritiseert hij geenszins de voorgaande beoordelingen. De Raad van State stelt bijgevolg in het raam van het voorliggende kort geding vast dat verzoeker op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat de hogere tuchtoverheid, door, om de redenen uiteengezet in het voorstel van zware tuchtstraf en in het advies van de Tuchtraad, verzoekers standpunt niet bij te treden omtrent de draagwijdte van dat voorafgaand onderzoek, de perken van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Door zich bijgevolg op het standpunt te plaatsen dat pas met de kennisneming van het informatieverslag van 6 december 2013 de tuchtoverheid voor het eerst kennis kreeg van de feiten met betrekking tot het opnemen van syndicaal verlof, maakt de hogere tuchtoverheid geen onredelijke toepassing van haar appreciatiebevoegdheid ter zake.

43. Verzoeker voert ook aan dat de hogere tuchtoverheid heeft stilgezeten en dat er van een eigen onderzoek geen sprake is geweest, noch dat er onderzoeksdaden werden verricht.

Te dezen beperkt verzoeker zich tot een algemene kritiek, zonder dat hij evenwel aangeeft - in een context waarin verzoeker de feiten betwist en een opsporingsonderzoek aanhangig is - welke voor de hand liggende tuchtrechtelijke onderzoeksdaden de tuchtoverheid of de aangestelde voorafgaande onderzoeker konden stellen om op tuchtrechtelijk vlak meer duidelijkheid in de zaak te krijgen betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst - zonder daarbij het strafonderzoek te hinderen en die zouden toelaten dat de tuchtoverheid op grond daarvan over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen. Verzoeker verwijst te dezen bij wege van enig

XIV-37.119-58/76

voorbeeld naar “het opvragen van bepaalde gegevens bij de dienst intern toezicht of de personeelsdienst”, maar hij verklaart niet nader in welke mate dat “opvragen”

zou hebben bijgedragen tot het verkrijgen van meer duidelijkheid inzake de wezenlijke elementen van de tuchtzaak. Hetzelfde geldt wat de uitnodiging tot horen betreft tijdens het voorafgaand onderzoek. Het enkele gegeven dat de tuchtoverheid verzoeker had kunnen horen, maakt op zich niet aannemelijk dat verzoeker gedurende het lopende strafonderzoek aan de tuchtoverheid klaarheid heeft willen geven over de wezenlijke elementen die in de voorliggende tuchtzaak aan de orde zijn zodat zijn tuchtrechtelijk verhoor redelijkerwijs te dezen een voor de hand liggende onderzoeksdaad zou zijn geweest. Voorts blijkt uit het dossier dat de tuchtoverheid op regelmatige tijdstippen bij de gerechtelijke overheden heeft geïnformeerd naar de stand van zaken zodat er op dat punt geen sprake lijkt te zijn van een passieve houding in hoofde van de tuchtoverheid.

44. Het is aan verzoeker die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht dat bewijs niet levert.

De Raad van State is in deze stand van het geding eveneens van oordeel dat de tuchtoverheid binnen de perken van haar appreciatiebevoegdheid blijft door geen eigen administratief onderzoek uit te voeren en door te wachten op de kennisgeving van het strafdossier om de werkelijke toedracht van het tweede tuchtfeit te achterhalen.

45. Het tweede onderdeel is niet ernstig.

Derde onderdeel

46. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat onder meer ook is opgenomen in artikel 4, lid 1 van het ten opzichte van België op 1 juli 2012

in werking getreden Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag tot bescherming van

XIV-37.119-59/76

de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, verbiedt een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede “misdrijf” voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn eraan ten grondslag liggen (EHRM (Grote kamer) 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, punt 82; EHRM 14 januari 2014, Muslija t. Bosnië en Herzegovina, punt 33; GwH 3 april 2014, nr. 61/2014, punt B.15.1.; GwH 19 december 2013, nr. 2013/181, punt B.3.1.).

47. Verzoekers kritiek betreft in wezen het idem-aspect van het geschonden geachte beginsel.

Uit de vergelijking van de feiten die aan de grondslag liggen van de aan verzoeker op 10 juni 2010 opgelegde tuchtstraf van de blaam (supra, punt 3.2.), met de feiten waarvoor de thans bestreden tuchtstraf wordt opgelegd (supra, punt 3.10.), blijkt op het eerste gezicht dat die identiek noch in hoofdzaak dezelfde zijn. De enkele omstandigheid dat de thans aan verzoeker verweten feiten zich allen situeren in de periode van januari 2012 tot en met april 2013 leidt niet tot een andere conclusie. Hetzelfde geldt wat verzoekers standpunt betreft dat hij sinds 20 april 2013 geen onregelmatigheid meer begin, noch het feit dat verzoeker ter zake niet akkoord is met het standpunt dat de Tuchtraad ter zake innam.

48. Het derde onderdeel is niet ernstig.

Vierde onderdeel

49. Van degene die moet verschijnen voor een bestuursorgaan dat over administratiefrechtelijke problemen, zoals een tuchtsanctie, een uitspraak moet doen, mag worden verwacht dat hij aan dat orgaan direct zichtbare - direct zichtbaar voor hem of voor een raadsman waar hij een beroep op kan doen -

administratiefrechtelijke bezwaren kenbaar maakt, zodoende dat orgaan voor de indruk behoedend dat hij over die bezwaren heenstapt. Wanneer iemand er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van onthoudt in een administratieve procedure zijn rechten te doen gelden en aldus belet dat het bestuur

XIV-37.119-60/76

eventuele gebreken in de procedure rechtzet op het ogenblik dat deze nog geen definitief nadeel hebben berokkend, kan die persoon er zich niet ontvankelijk voor het eerst bij de Raad van State over beklagen dat zijn rechten geschonden zijn.

50. Op grond van artikel 51bis van de tuchtwet kan het personeelslid aan wie een zware tuchtstraf wordt voorgesteld tegen die beslissing een verzoek tot heroverweging instellen bij de Tuchtraad. Dat is, op grond van de artikelen 39 en 40 van de tuchtwet, een permanent, collegiaal orgaan dat op nationaal niveau is ingesteld om, wanneer een tuchtoverheid tot het besluit komt dat een zware tuchtstraf opgelegd moet worden, als onafhankelijk orgaan het dossier nogmaals te onderzoeken, met inachtneming van “een uitgesponnen tegensprekelijke procedure (die) borg staat voor een correcte behandeling” (Parl. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, 16). In geval van beroep, is de Tuchtraad voorts verplicht om een gemotiveerd advies te formuleren en de tuchtoverheid kan bij haar eindbeslissing niet van dat advies afwijken zonder uitdrukkelijke verantwoording en nieuw verweer van de betrokkene.

In deze stand van het geding neemt de Raad van State aan dat dit door het personeelsstatuut georganiseerd administratief beroep bij een onafhankelijk orgaan, de tuchtrechtelijk vervolgde politieambtenaar de mogelijkheid biedt om zijn zaak reeds op louter administratief vlak ten goede te keren. Dat sluit voor hem dan ook de verplichting in om het bestuur te wijzen op de onregelmatigheden die volgens hem aan het voorstel van zware tuchtstraf kleven, om op die manier hetzij het stopzetten van de procedure te bewerkstelligen, dan wel het rechtzetten van een misslag waarmee hij zijn voordeel kan doen.

51. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat verzoeker de grieven inzake samenhang die hij thans in het onderdeel van het middel aanvoert en die op het eerste gezicht voor hem of voor zijn raadsman onmiddellijk zichtbaar moeten zijn geweest, heeft laten gelden voor de Tuchtraad of voor de tuchtoverheid.

Voorts wordt vastgesteld dat verzoeker ter terechtzitting niet heeft geantwoord op

XIV-37.119-61/76

de exceptie die de verwerende partij ter zake had opgeworpen in haar nota en die in het verslag van het auditoraat werd bijgetreden.

Uit wat voorafgaat volgt dat aldus verzoekers stilzwijgen ten aanzien van de Tuchtraad over de thans in het middel aangevoerde grieven met zich meebrengt dat hij thans niet die grieven voor de eerste maal op ontvankelijke wijze mag aanvoeren in het raam van het voorliggende geding.

52. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middelonderdeel wordt in deze stand van het geding bijgetreden.

Het vierde onderdeel is niet ontvankelijk.

Conclusie

53. Het tweede middel is niet ernstig.

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

54. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de redelijke termijn. Hij zet uiteen dat het feit dat de tuchtoverheid mag wachten op de uitspraak van de strafrechter, niet wegneemt dat die is gebonden door de redelijketermijneis. Dat impliceert dat de tuchtoverheid zich binnen een redelijke termijn moet uitspreken over de tuchtzaak, en houdt tevens voor de tuchtoverheid de verplichting in om een eigen administratief onderzoek te voeren naar de feiten.

Verzoeker betoogt dat van een dergelijk onderzoek niet het minste bewijs voorligt, daar waar volgens hem de hogere tuchtoverheid respectievelijk op 2 april 2013 en 4 november 2013 kennis heeft kunnen nemen

XIV-37.119-62/76

van de feiten, en zij vervolgens tot december 2014 wachtte om verdere stappen te nemen. Hij stelt zich hierbij ernstige vragen bij de redelijke termijn. Het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken is tussengekomen in de tuchtprocedure kan het stilzitten niet verantwoorden. Geheel onbegrijpelijk voor verzoeker is waarom de tuchtoverheid initieel de mening was toegedaan dat zij de uitspraak in de strafprocedure diende af te wachten, om vervolgens toch hangende die procedure een tuchtprocedure in te leiden. Verzoeker bevindt het standpunt van de tuchtoverheid minstens inconsequent, wat verklaart waarom hij aan de aanklacht van overschrijding van de redelijke termijn vasthoudt. Hij was akkoord met het uitstel van de procedure om de uitspraak in de gerechtelijke procedure af te wachten maar dat neemt niet weg dat de voorbereiding van het tuchtdossier en het voorafgaand onderzoek een tergend verloop hebben gekend. Die inactiviteit wordt niet verschoond met het bijkomend uitstel van drie maanden om het resultaat van de strafprocedure af te wachten.

Beoordeling

55. De draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel is hiervoor weergegeven (supra, punt 29). Er wordt naar verwezen. Verzoeker voert ook de schending van de redelijke termijn aan. Uit de ontwikkeling van het middel blijkt voorts dat verzoeker die schending van de redelijke termijn plaatst in het kader van artikel 56 van de tuchtwet. Het middel wordt dan ook vanuit dat oogpunt behandeld.

Voorts bemerkt de Raad van State dat er, wat de schending betreft van de redelijketermijnvereiste, geen absolute drempel bestaat waaronder of waarboven de duur van een tuchtprocedure noodzakelijkerwijze redelijk of onredelijk is. De beoordeling van het normale of abnormale karakter van de duur van een tuchtprocedure gebeurt immers in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de volgende criteria: de complexiteit van de zaak, de houding van degene lastens wie een tuchtprocedure wordt gevoerd en van de bevoegde autoriteiten, alsook het belang van de zaak voor de betrokken partijen.

XIV-37.119-63/76

De enkele kritiek dat een procedure lang heeft geduurd en, meer algemeen, de absolute tijdsduur ervan, volstaat aldus op zich niet om te besluiten tot het onredelijk karakter ervan. Te dezen komt het, zeker in het raam van een prima facie-onderzoek, aan verzoeker toe voldoende aannemelijk te maken dat die duur, in het licht van de omstandigheden van de zaak en aan de hand van de voormelde criteria, abnormaal lang is.

56. Een eerste kritiek betreft het feit dat van het voeren van enig onderzoek door de tuchtoverheid niet het minste bewijs voorligt.

Voorafgaandelijk bemerkt de Raad van State dat, in de mate dat verzoeker in zijn middel uitgaat van 2 april 2013 en 4 november 2013 als data waarop, naar hij stelt, de hogere tuchtoverheid kennis kon nemen van respectievelijk het tweede en het eerste tuchtfeit, uit de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel blijkt dat die aanname inzake het tweede tuchtfeit geen steun vindt in het dossier. Er wordt naar verwezen (supra, punten 39-44).

Verzoekers kritiek ter zake dient aldus te worden herleid tot de periode vanaf respectievelijk 4 november 2013 (kennisneming van het informatieverslag van 30 oktober 2013, supra, punt 3.3.) wat het eerste tuchtfeit betreft en vanaf 6 december 2013 (kennisneming van het informatieverslag, supra, punt 3.5.) wat het tweede tuchtfeit betreft.

Inzake het stilzitten betreffende het eerste feit blijkt uit de gegevens van de zaak dat de tuchtoverheid in de periode tussen het kennisnemen van het informatieverslag op 4 november 2013 en de inzage op 4 december 2014

van de stukken uit het strafdossier - en in een feitelijke context waarin verzoeker de feiten betwist en waarin zoals hiervoor is vastgesteld de inzage van het strafdossier pas duidelijkheid in de zaak verschafte betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn (zie supra, punten 36-38) - niet heeft stilgezeten ten einde over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens te beschikken over die wezenlijke elementen. Inzake die onderzoekstermijn voert verzoeker geen ernstige concrete grieven aan waaruit zou moeten blijken dat die

XIV-37.119-64/76

onderzoekstermijn abnormaal lang heeft geduurd en de tijd heeft overschreden die normaal nodig is om een zaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven. De zeer algemene bemerking dat hij “zich terecht ernstige vragen” stelt bij de redelijke termijn van het tuchtonderzoek, voldoet duidelijk niet aan deze eis tot in concreto nader toelichten.

Ook inzake het stilzitten betreffende het tweede feit blijkt uit de gegevens van de zaak dat de tuchtoverheid toepassing maakte van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet en in de periode tussen het kennisnemen van het informatieverslag op 6 december 2013 en de inzage op 20 februari 2015 van de stukken uit het strafdossier - en in een feitelijke context waarin verzoeker de feiten betwist en waarin zoals hiervoor is vastgesteld de inzage van het strafdossier pas duidelijkheid in de zaak verschafte betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn (supra, punten 41-42) - niet heeft stilgezeten ten einde over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens te beschikken over die wezenlijke elementen. Behoudens de hiervoor niet relevant bevonden algemene bemerking dat hij “zich terecht ernstige vragen” stelt bij de redelijke termijn van het tuchtonderzoek, bevindt verzoeker het te dezen “geheel onbegrijpelijk” en minstens “inconsequent” waarom de tuchtoverheid, na eerst te stellen de strafprocedure af te wachten, vervolgens toch optreedt. Ook dat argument overtuigt niet dat. Zoals bij de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel is vastgesteld (supra, punt 41), kwam de Raad van State tot de bevinding dat zulks de wettigheid van de bestreden beslissing niet vitieert en niet doet blijken van onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid. In de mate dat uit die “inconsequente houding” een schending van de redelijke termijn zou blijken, is bij de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel tevens vastgesteld dat die wissel in houding volgt uit het feit dat de tuchtoverheid van mening is dat de inzage van het strafonderzoek - dat zich in de tijd situeert voor de kennisneming op 10 december 2015 van het vonnis van 26 november 2015 van de correctionele rechtbank van Mechelen - duidelijkheid in de zaak verschafte betreffende de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn. Zoals hiervoor uit de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel blijkt, is dat

XIV-37.119-65/76

standpunt niet onwettig bevonden. Behoudens de algemene opmerking dat verzoeker die wijziging in houding “onbegrijpelijk” en “inconsequent” vindt, voert verzoeker inzake die onderzoekstermijn geen concrete grieven aan waaruit zou moeten blijken dat die onderzoektermijn abnormaal lang heeft geduurd en de tijd heeft overschreden die normaal nodig is om een zaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven. De Raad van State bemerkt te dezen overigens - zoals hij reeds bij de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel deed - dat, mocht de hogere tuchtoverheid de kennisneming van de uitspraak van de strafrechter niettemin hebben afgewacht terwijl zij door de inzage van het gehele strafdossier op 20 januari 2015 zich reeds een duidelijk beeld kon vormen over de wezenlijke elementen van het tweede tuchtfeit, zulks zou strijden met juist de verplichting om binnen een redelijke termijn een tuchtzaak af te handelen. Het bestaan van een strafonderzoek zou immers in dat geval op zich geen deugdelijke reden (meer) zijn om de tuchtvordering niet op te starten, aangezien zou vaststaan dat het eigen onderzoek voldoende klaarheid brengt in de zaak.

57. Een tweede kritiek heeft betrekking op het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken is tussengekomen in de tuchtprocedure en dat zulks het stilzitten van de burgemeester van de stad Mechelen niet kan verantwoorden.

Uit de gegevens van de zaak blijkt dat op 17 januari 2014 de burgemeester van de stad Mechelen aan de minister van Binnenlandse Zaken meedeelde dat hij wenste gebruik te maken van de in artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet bepaalde mogelijkheid tot overdracht van bevoegdheid. Na verschillende herinneringen verleent de minister met een brief van 11 december 2014 geen positief gevolg aan die vraag. Ook dat feit betreft wezenlijk de onderzoekstermijn die voorafgaat aan het tijdstip - 4 december 2014, respectievelijk 20 februari 2015

- waarop de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt over de wezenlijke elementen die in de tuchtzaak aan de orde zijn.

XIV-37.119-66/76

De zeer algemene bemerking dat het “tussenkomen” van de minister het stilzitten niet kan verantwoorden, voldoet duidelijk niet aan de eis tot in concreto nader toelichten waarom hieruit zou moeten blijken dat hierdoor de termijn abnormaal lang heeft geduurd en de tijd heeft overschreden die normaal nodig is om een zaak, rekening houdend met de specifieke gegevens ervan, haar beslag te geven. In dat verband bemerkt de Raad van State dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat op het eerste gezicht de hogere tuchtoverheid ook in die periode waarin de bevoegdheidsoverdracht werd gesolliciteerd niet heeft stilgezeten en inzonderheid op verschillende tijdstippen in die periode heeft gevraagd tot inzage in de betrokken strafdossiers en het verkrijgen van een afschrift ervan. Verzoeker betrekt die feitelijke activiteit van de hogere tuchtoverheid niet bij zijn algemene kritiek.

Tot slot leidt de eigen bemerking dat zijn instemming met het uitstel van de procedure om de uitspraak in de gerechtelijke procedure af te wachten niet wegneemt dat de voorbereiding van het tuchtdossier en het voorafgaand onderzoek een tergend verloop hebben gekend, niet tot een andere conclusie vermist hij bij die kritiek de beoordeling, aan de hand van de voormelde criteria, van het normale of abnormale karakter van de duur van de tuchtprocedure niet betrekt.

58. Het derde middel is niet ernstig.

D. Vierde middel

Uiteenzetting van het middel

59. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat hij zich steeds actief heeft ingezet als syndicaal afgevaardigde en dat hij zich tijdens onderhandelingen vaak in een positie bevond die lijnrecht stond tegenover zijn rechtstreekse meerderen. Hij wijst erop dat hij reeds in de voorafgaande fase van de voorlopige schorsing uit de dienst

XIV-37.119-67/76

had aangedrongen op een correcte en onpartijdige behandeling en dat hij, samen met de andere leden van de vakorganisatie, “de grootste twijfels [heeft] omtrent de constructieve sfeer en de geest van openheid die volgens de tuchtoverheid het lokaal overleg zouden kenmerken.” Verzoeker meent dat de burgemeester van de stad Mechelen, door een beroep te doen op de mogelijkheid van overdracht vervat in artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet, te dezen erkende dat zijn partijdigheid, dan wel zijn onafhankelijkheid mogelijk in het gedrang is, doch dat de burgemeester de lijn niet consequent door trekt. Zonder enige bijkomende maatregel te treffen om de onpartijdigheid en onafhankelijkheid te garanderen, bijvoorbeeld door zijn bevoegdheid te delegeren aan een plaatsvervanger, heeft de burgemeester van de stad Mechelen evenwel zijn tuchtbevoegdheid opnieuw opgenomen nadat de minister van Binnenlandse Zaken hem “zonder al te veel woorden” liet weten niet te willen optreden. Aldus handelt de burgemeester niet consequent en schept hij een sfeer van partijdigheid.

Verzoeker ziet het vermoeden van partijdigheid in hoofde van de burgemeester van Mechelen “alleen maar versterkt door de manifest disproportionele tuchtstraf die thans wordt opgelegd ingevolge een unanieme beslissing van het politiecollege, zonder dat hij evenwel door het voltallige college werd gehoord (supra).” Ook bevindt hij het opmerkelijk dat inzake de feiten met betrekking tot de uitvoering van gerechtelijke opdrachten enkel ten aanzien van hem enige maatregelen werden ondernomen, terwijl lastens de andere betrokken inspecteurs geen enkel onderzoek werd gevoerd. Ook is het opmerkelijk dat belangrijke waarde wordt gehecht aan de verklaringen van beide inspecteurs, “terwijl destijds niet eens de moeite werd genomen om de betreffende commissaris van politie uit te nodigen voor een verhoor”. Het onderzoek is eenzijdig gevoerd en het beginsel van de gelijke behandeling is hier ernstig in het gedrang en wordt volgens verzoeker “slechts ingegeven door een vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid.” Om die reden verzocht verzoeker eerder reeds zich te onthouden van enige beslissing tot preventieve schorsing en betreurt hij dat het verzoek tot wraking werd verworpen.

XIV-37.119-68/76

Bespreking

60. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.

Verzoeker beroept zich op het eerste gezicht op de subjectieve partijdigheid van de hogere tuchtoverheid.

Subjectieve partijdigheid wordt evenwel niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen.

61. In deze stand van het geding levert verzoeker dit bewijs niet.

Verzoeker wijst op de vooringenomen rol van een van de leden van het politiecollege, met name de burgemeester van de stad Mechelen. Het eerste gegeven dat verzoeker ter zake bijbrengt is dat hij zich steeds actief heeft ingezet als syndicaal afgevaardigde en dat hij zich aldus heel vaak in een lijnrechte positie bevond tegenover zijn rechtstreekse oversten. Dat enkele gegeven op zich volstaat evenwel niet om aannemelijk te maken dat de hogere tuchtoverheid zich in de huidige zaak niet onpartijdig zou hebben opgesteld. Een louter subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet. Die indruk moet immers objectief kunnen worden gerechtvaardigd, rekening houdend met de concrete elementen van de zaak. Dat doet verzoeker niet. Hij voert ter adstructie van zijn standpunt te dezen wel aan dat de hem ten laste gelegde feiten “wel degelijk gelieerd zijn aan zijn prerogatieven als vakbondsvertegenwoordiger”, doch bij de behandeling van het tweede onderdeel van het eerste middel (supra, punt 16) is inzake het tweede feit vastgesteld dat, als dat al rechtstreeks verband houden met de door verzoeker als

XIV-37.119-69/76

syndicaal afgevaardigde uitgeoefende prerogatieven, die feiten in ieder geval lijken te moeten worden beschouwd als handelingen gesteld in het raam van een onrechtmatige uitoefening van die prerogatieven. Ook het hebben van de grootste twijfels omtrent de constructieve sfeer en geest van openheid, zijn louter subjectieve indrukken die, bij gebreke aan concrete elementen, niet volstaan opdat hieruit een subjectieve partijdigheid door de burgemeester van de stad Mechelen in het voorliggende tuchtdossier zou moeten blijken.

Verzoeker ziet ook een concrete aanwijzing van vooringenomenheid in hoofde van de burgemeester van de stad Mechelen in het feit dat die volgens verzoeker erkende - door een beroep te doen op de mogelijkheid bepaald bij artikel 20, 1°, a), van de tuchtwet - dat zijn partijdigheid mogelijks in het gedrang is. De burgemeester heeft niettemin, volgens verzoeker, zonder bijkomende maatregelen om de onpartijdigheid en onafhankelijkheid te garanderen, zijn tuchtbevoegdheid opnieuw opgenomen nadat de minister van Binnenlandse Zaken hem zonder al te veel woorden liet weten niet te willen optreden in de zaak. Aldus handelt hij niet consequent en schept hij een sfeer van partijdigheid. Dat argument kan de Raad van State evenmin overtuigen. Uit zowel de hiervoor aangehaalde aanvraag van de burgemeester van de stad Mechelen tot overdracht van de tuchtbevoegdheid, als uit het eveneens hiervoor hernomen weigeringsantwoord van de minister van Binnenlandse Zaken (supra, punt 3.6.)

blijkt dat de minister van Binnenlandse zaken weigerde om de tuchtbevoegdheid over te nemen, precies omdat het verzoek tot overname niet was ingegeven door het feit dat de burgemeester van de stad Mechelen meende dat zijn onpartijdigheid in het gedrang zou kunnen komen. Een en ander impliceert dat het hiervoor door verzoeker aangehaalde argument niet strookt met de gegevens van het dossier en derhalve niet objectief kan rechtvaardigen - integendeel - dat er sprake is van een subjectieve partijdigheid of vooringenomenheid van een lid van de hogere tuchtoverheid.

Tot slot voert verzoeker aan dat de aanwijzing van partijdigheid blijkt uit het feit dat hem een manifest disproportionele straf werd opgelegd. Ook

XIV-37.119-70/76

dat argument overtuigt niet vermits uit de behandeling van het vijfde middel zal blijken dat niet is aangetoond dat de hogere tuchtoverheid een dergelijke disproportionele straf heeft opgelegd. In de mate dat verzoeker ook het eenzijdig karakter van het gevoerde onderzoek als aanwijzing ziet voor het partijdig optreden van de burgemeester van de stad Mechelen, stelt de Raad van State vast dat uit de stukken van het tuchtdossier blijkt dat de vooronderzoekers beiden door de burgemeester van de stad Mechelen met betrekking tot de feiten werden gelast “met het uitvoeren van een voorafgaand onderzoek ten laste en ten ontlaste”.

Verzoeker betrekt dat niet bij zijn algemene kritiek, zodat ook die kritiek niet doet blijken dat de burgemeester van de stad Mechelen vooringenomen of partijdig is geweest ten aanzien van verzoeker. Het feit dat verzoeker in het raam van dat vooronderzoek niet werd gehoord, leidt evenmin tot de conclusie dat er vooringenomenheid of partijdigheid bestaat in hoofde van de hogere tuchtoverheid. Niet alleen bestaat er in rechte geen verplichting om verzoeker te horen in het raam van het vooronderzoek (cfr. art. 10, tweede lid van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999

houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’), zodat het niet-horen in het raam van een vooronderzoek geen aanwijzing kan zijn van enige vooringenomenheid of onpartijdigheid in hoofde van de hogere tuchtoverheid. Bovendien blijkt dat verzoeker door de vooronderzoeker wel degelijk werd uitgenodigd om in het raam van het vooronderzoek te worden gehoord, maar dat hij zich ziek meldde. Tot slot houdt het gegeven dat de tuchtoverheid voordien reeds een preventieve schorsing heeft opgelegd niet in dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden indien die overheid naderhand ook de tuchtstraf oplegt. De preventieve schorsing is immers een louter voorlopige maatregel.

Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker op het eerste gezicht niet aannemelijk maakt dat er aanwijzingen in het dossier zijn dat de burgemeester van de stad Mechelen een persoonlijk of rechtstreeks belang zou hebben in de voorliggende tuchtzaak waardoor het onpartijdigheidsbeginsel geschonden zou zijn.

XIV-37.119-71/76

62. Het vierde middel is niet ernstig.

E. Vijfde middel

Uiteenzetting van het middel

63. Verzoeker voert in een zeer uitgesponnen uiteenzetting de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Hij werpt op dat de tuchtoverheid niet zonder nadere verantwoording de voorgestelde straf kan behouden wanneer de tenlasteleggingen worden afgezwakt. Hij acht de straf te zwaar inzonderheid omdat thans is komen vast te staan dat geen van de feiten een misdrijf uitmaken, waar de tuchtoverheid steeds is van uitgegaan. Hij voert aan dat zowel gegevens met betrekking tot de feiten als met betrekking tot de persoon van het personeelslid bij het bepalen van de tuchtstraf in overweging moeten worden genomen. Wat de ten laste gelegde feiten betreft, wijst verzoeker er op dat, wat het eerste tuchtfeit betreft, de graad van verstoring van de orde binnen de dienst door de feiten te dezen miniem is en dat hij na afloop van de preventieve schorsing werd gereïntegreerd en dat die geen problemen stelde. Ook de gerechtelijke overheden tilden niet zwaar aan de feiten. Voorts wijst verzoeker er op dat “deze slordigheid”

slechts een eenmalig feit betreft. Hij besluit dat concluderen dat op basis van die feiten een onherstelbare vertrouwensbreuk zou bestaan, is moeilijk verdedigbaar.

Hetzelfde geldt wat het tweede tuchtfeit betreft, hetgeen verzoeker omstandig detailleert. Met betrekking tot de persoon wijst verzoeker op zijn “zo goed als onberispelijke staat van dienst van meer dan 30 jaar binnen het politiekorps van Mechelen” en zijn uitstekende en onbesproken reputatie als professional, leidinggevende, collega en mens. De eerder opgelopen blaam wegens alcoholintoxicatie kan niet in overweging worden genomen ter beoordeling van de proportionaliteit. Tot slot wijst verzoeker er op dat het gebrek aan enig opzet om te schaden een belangrijk element is dat moet worden “weerhouden”.

XIV-37.119-72/76

Beoordeling

64. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd.

Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat.

De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt.

Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt.

Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen.

De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.

65. Verzoeker is een politieambtenaar, bekleed met de graad van commissaris van politie en derhalve deel uitmakend van het officierskader. Hij heeft aldus een interne en een externe voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt in hoofde van die leidend politieambtenaar ten aanzien van tuchtvergrijpen.

XIV-37.119-73/76

De strafmaat wordt in de bestreden beslissing omstandig verantwoord. Er wordt naar verwezen (supra, punt 3.10.). Hieruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich, wat de strafmaat betreft, ten volle achter het advies va de Tuchtraad schaart. Hieruit blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich steunt op specifieke vaststellingen met betrekking tot de weerslag van de feiten op de werking van de dienst, de ernst van de feiten, de weerslag van de feiten op het aanzien van de dienst bij het publiek, het tuchtrechtelijk verleden van verzoeker, de door verzoeker beklede voorbeeldfunctie en de ernstige vertrouwensbreuk tussen verweerder en verzoeker.

Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoeker is te dezen inzake de strafmaat een andere mening toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheids- of proportionaliteitsprincipe moet blijken.

Tot slot gaat ook verzoekers stelling niet op dat een lichtere tuchtstraf moet worden opgelegd dan het initieel voorgestelde ontslag van ambtswege omdat het tweede tuchtfeit, samengevat, voor een deel is weggevallen.

Uit het voorstel van zware tuchtstraf blijkt immers dat de tuchtoverheid van mening is dat beide tuchtvergrijpen elk een grote fout uitmaken, dewelke, elk apart reeds en a fortiori samen in beschouwing genomen, het verder functioneren van verzoeker in de politiezone onmogelijk maken. Een reducering van een feit leidt derhalve op het eerste gezicht niet noodzakelijkerwijze tot een reducering van de strafmaat.

66. Het vijfde middel is niet ernstig.

XIV-37.119-74/76

VI. Conclusie

67. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen.

VII. Anonimisering

68. Verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan.

Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten.

De vraag wordt ingewilligd.

VIII. Rechtsplegingsvergoeding

69. Wat de vraag van de partijen betreft tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding aan elk wat hen betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring.

XIV-37.119-75/76

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt de vordering.

2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien februari 2017, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Nick Hollevoet, toegevoegd griffier.

De griffier De voorzitter

Nick Hollevoet Geert Debersaques

XIV-37.119-76/76

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.377