Court dismisses teacher's appeal against non-renewal of temporary contract based on pending evaluation.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected Wilfried Wouters' appeal challenging the school director's decision not to renew his temporary teaching contract. Wouters argued that the director improperly relied on an evaluation still subject to potential annulment, claiming this violated his rights. The court held that the director acted within her broad discretion to prioritize school interests and that the existence of a pending appeal did not render the evaluation invalid for the purpose of the contract decision.
Regeste Legislator
Généré par l'IAWet van de Raad van State, titel VI, hoofdstuk II; The school director possesses broad discretion to decide on temporary teaching contracts based on current evaluations, and a pending appeal against that evaluation does not preclude its use in the decision-making process.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
IXe KAMER
nr. 237.347 van 13 februari 2017
in de zaak A. 202.é/IX-8110
In zake: Wilfried WOUTERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guido Wuyts kantoor houdend te 2200 Herentals Lierseweg 116
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 1
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 220 bus 14
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 27 oktober 2011, strekt tot de nietig-
verklaring van de beslissing van de directrice van het KTA Zwijndrecht-
Cenflumarin van 31 augustus 2011 om Wilfried Wouters niet aan te stellen als leraar.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 235.069 van 14 juni 2016 is het debat heropend.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een aanvul-
lend verslag opgesteld.
IX-8110-1/12
De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat-
ste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017.
Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge-
bracht.
Advocaat Niels Van Herck, die loco advocaat Guido Wuyts verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur-afdelingshoofd Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge-
coördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. Verzoeker is sedert het schooljaar 2005-2006 tijdelijk aange-
steld als leraar maritieme opleiding aan het KTA Zwijndrecht-Cenflumarin, on-
derwijsinstelling die behoort tot scholengroep 1 van het Gemeenschapsonderwijs.
3.2. Op 12 mei 2011 kent de directrice van de betrokken school als eerste evaluator aan verzoeker een evaluatie ‘onvoldoende’ toe.
Na bezwaar van verzoeker, geeft de directrice op 27 mei 2011
aan verzoeker te kennen dat zij haar evaluatie ‘onvoldoende’ handhaaft.
IX-8110-2/12
3.3. Op beroep van verzoeker vernietigt de kamer voor het Gemeen-
schapsonderwijs van het college van beroep op 6 juli 2011 de evaluatiebeslissing van 12 mei 2011 en de handhaving van deze beslissing, omdat de eerste beslis-
sing de op straffe van nietigheid voorgeschreven vermelding van de beroepsmo-
gelijkheden niet vermeldt en de handhaving het lot moet ondergaan van de ge-
handhaafde beslissing die van rechtswege nietig is.
3.4. Op 26 augustus 2011 kent de directrice aan verzoeker ander-
maal een beoordeling ‘onvoldoende’ toe, waarbij ditmaal in de beslissing ook de beroepsmogelijkheden worden vermeld.
Verzoeker tekent tegen deze evaluatiebeslissing beroep aan bij de bevoegde kamer van het college van beroep.
3.5. Bij schrijven van 31 augustus 2011 deelt de directrice van het KTA Zwijndrecht-Cenflumarin aan verzoeker mee:
“Rekening houdend met het belang van de school en van de leerlingen en gelet op het evaluatieverslag met conclusie ‘onvoldoende’ beslis ik om u niet aan te stellen per 1 september 2011.”
Dit is de thans bestreden beslissing.
3.6. Eveneens op 31 augustus 2011 geeft de algemeen directeur van de betrokken scholengroep aan verzoeker te kennen:
“Ik krijg kennis van het evaluatieverslag met conclusie ‘onvoldoende’ en de beslissing van uw directeur om u niet aan te stellen. Voor zoveel als nodig deel ik u mee dat u ook als TADD niet aangesteld wordt.
Huidige beslissing neem ik als algemeen directeur bij hoogdringendheid.
Deze beslissing wordt voorgelegd op de eerstvolgende vergadering van de raad van bestuur van de scholengroep.”
Het beroep tot nietigverklaring dat verzoeker heeft ingesteld tegen deze beslissing verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 235.068 van 14 juni 2016.
IX-8110-3/12
3.7. Op 5 oktober 2011 beslist de kamer voor het Gemeenschapson-
derwijs van het college van beroep om de evaluatie ‘onvoldoende’ van 26 augus-
tus 2011 te vernietigen. Deze beslissing van 5 oktober 2011 wordt bij arrest nr. 223.506 van 17 mei 2013 vernietigd door de Raad van State.
Daarop beslist de bevoegde kamer van het college van beroep op 12 september 2013 andermaal om de evaluatiebeslissing van 26 augustus 2011
te vernietigen. Bij arrest nr. 229.367 van 27 november 2014 vernietigt de Raad van State deze beslissing van het college van beroep van 12 september 2013.
Op 26 februari 2015 bevestigt het college van beroep de initiële evaluatie ‘onvoldoende’. Een door verzoeker hiertegen ingesteld beroep tot nie-
tigverklaring verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 234.920 van 2 juni 2016.
IV. Onderzoek van de middelen
A. Vooraf
4. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker ten overvloede het inleidend verzoekschrift en zijn repliek in de memorie van wederantwoord. Vanaf bladzijde 22 tot bladzijde 25 van de laatste memorie geeft verzoeker dan “repliek op auditoraatsverslag”. Hierin antwoordt verzoeker echter geenszins op de beoor-
deling door het auditoraat van de vier in het inleidend verzoekschrift aangevoerde middelen. Wat verzoeker wél doet, is commentaar geven – volgens hem een ‘nu-
ancering’ – op de arresten nrs. 234.920 van 2 juni 2016 en 235.068 tot 235.070
van 14 juni 2016, in een poging om de Raad alsnog ervan te overtuigen dat de verwerende partij slechts over een gebonden bevoegdheid beschikte om zijn tijde-
lijke aanstelling van doorlopende duur (TADD) te erkennen en hem dienovereen-
komstig te benoemen.
Verzoeker gaat er alzo aan voorbij dat over dit geschil met be-
trekking tot zijn TADD definitief uitspraak is gedaan bij arrest nr. 235.068 van
IX-8110-4/12
14 juni 2016, waarbij de Raad immers zijn beroep heeft verworpen tegen de wei-
gering om hem als TADD aan te stellen. Of zoals verzoeker reeds in arrest nr. 235.069 van 14 juni 2016 – tussenarrest in de huidige zaak – kon lezen:
“Het beroep van verzoeker tegen de weigering van zijn aanstelling voor doorlopende duur is verworpen bij arrest nr. 235.068 van heden. Hiermee staat vast dat verzoeker geen aanspraken op TADD meer mag doen gel-
den voor het schooljaar 2011-2012 bij het KTA Zwijndrecht-
Cenflumarin.”
Het geschil waarover thans uitspraak volgt, heeft geen betrek-
king op de weigering tot aanstelling van verzoeker als TADD, maar enkel over de weigering om verzoeker als leraar aan te stellen voor bepaalde duur, namelijk voor het schooljaar 2011-2012.
B. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
5. Het eerste middel is geput “uit de schending van artikel 14 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, doordat de bestreden beslissing genomen door de directeur van een schoolinstel-
ling behorende tot het Gemeenschapsonderwijs besluit tot niet aanstelling van een personeelslid hetgeen een machtsoverschrijding, minstens een machtsafwending is van de bevoegdheid aan de directeur in artikel 14, 8° van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 toegekend nu betreffende deze bepaling de directeur enkel be-
voegd is voor tijdelijke aanstelling van personeelsleden ten behoeve van de scho-
len en tevens strijdig is met artikel 73quaterdecies decreet rechtspositie”.
Verzoeker beschrijft de totstandkoming van zijn evaluatie ‘on-
voldoende’. Hieruit zou volgens verzoeker een gebrek aan objectiviteit vanwege de directrice moeten blijken.
IX-8110-5/12
Voorts betoogt hij dat over zijn ontslag enkel door de raad van bestuur kan worden beslist, overeenkomstig artikel 73quaterdecies van het de-
creet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden Gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet). Bovendien kan dit enkel na een definitieve evalua-
tie met eindconclusie ‘onvoldoende’.
Beoordeling
6. De bestreden beslissing is geen ontslag.
Het middel, dat ervan uitgaat dat de bestreden beslissing een ontslag behelst en waartoe dan zou zijn beslist met schending van artikel 14, § 1, 8°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 ‘betreffende het gemeenschapson-
derwijs’ of artikel 73quaterdecies van het rechtspositiedecreet, mist in zoverre feitelijke grondslag.
7. De bestreden beslissing is een weigering tot tijdelijke aanstel-
ling voor bepaalde duur.
Artikel 14, § 1, 8°, van het voormelde bijzonder decreet van 14 juli 1998 draagt aan de directeur de bevoegdheid op voor “de tijdelijke aan-
stelling van personeelsleden ten behoeve van de scholen”.
Deze bevoegdheid voor de tijdelijke aanstelling omvat ook de bevoegdheid om in voorkomend geval een kandidaat voor een tijdelijke aanstel-
ling af te wijzen en dus niet tot zijn aanstelling over te gaan.
Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
8. Voor zover het middel is afgeleid uit machtsafwending en ver-
zoeker daarvoor argumenten put uit de totstandkoming van zijn evaluatie, vol-
IX-8110-6/12
staat het om vast te stellen dat zijn beroep tegen de evaluatie ‘onvoldoende’ is verworpen. Er blijkt dus niet dat deze evaluatie op onregelmatige wijze tot stand zou zijn gekomen, laat staan dat de directeur deze evaluatieprocedure zou hebben afgeleid van het wettig doel ervan, met als enige en onwettige oogmerk om ver-
volgens de aanstelling van verzoeker te kunnen weigeren.
9. Het eerste middel wordt verworpen.
C. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
10. Het tweede middel is geput “uit de schending van artikel 21bis decreet rechtspositie op grond waarvan een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking van een bepaalde of voor een doorlopende duur en de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur een recht is onder voorwaarden van deze bepaling, doordat de bestreden beslissing besluit tot niet aanstelling van verzoeker hoewel er maar liefst 47 vacante uren zijn, terwijl verzoeker door diens goedkeuring TADD een recht heeft op deze aanstelling”.
Beoordeling
11. Verzoeker betoogt dat hij een recht zou hebben op de hem met de thans bestreden beslissing geweigerde aanstelling van bepaalde duur, op grond van het gegeven dat hij een recht heeft op een aanstelling TADD.
Aangezien uit arrest nr. 235.068 van 14 juni 2016 is gebleken dat verzoeker voor het schooljaar 2011-2012 geen recht heeft op een aanstelling TADD, vertrekt dit middel van een feitelijk verkeerd uitgangspunt. Die vaststel-
ling volstaat om het tweede middel af te wijzen.
IX-8110-7/12
D. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
12. Het derde middel is geput uit de schending “van artikel 26 de-
creet rechtspositie op grond waarvan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor bepaalde duur slechts kan worden beëindigd indien hem een gemotiveerd beoordelingsverslag met vermelding ‘onvoldoende’ werd toegekend en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vijftien kalender-
dagen, terwijl noch een dergelijke gemotiveerd beoordelingsverslag met vermel-
ding ‘onvoldoende’ voorligt en tevens de opzegtermijn van 15 kalenderdagen niet werd nageleefd”.
Beoordeling
13. Daargelaten de vraag of artikel 26 van het rechtspositiedecreet op de voorliggende zaak van toepassing is, wat de verwerende partij betwist, moet andermaal worden vastgesteld dat het middel hoe dan ook uitgaat van een verkeerd feitelijk uitgangspunt.
Met de thans bestreden beslissing besluit de verwerende partij immers niet tot een ontslag van verzoeker “voor het ambt in die instelling waarop de evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ betrekking heeft” overeenkomstig artikel 73quaterdecies van het rechtspositiedecreet of tot welke andere beëindi-
ging ook van zijn tijdelijke aanstelling voor bepaalde duur voor het schooljaar 2010-2011. Zij weigert een aanstelling voor bepaalde duur voor het daarop vol-
gende schooljaar 2011-2012 – zoals de Raad overigens reeds heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 235.069 van 14 juni 2016.
14. Het derde middel wordt verworpen.
IX-8110-8/12
E. Vierde middel
Uiteenzetting van het middel
15. Het vierde middel is geput uit de schending van “artikel 3 van de wet van [29] juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de be-
stuurshandeling op grond waarvan de opgelegde motivering de juridische en fei-
telijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dewelke afdoende moet zijn, doordat de bestreden beslissing geenszins de ju-
ridische en feitelijke overwegingen bevat, daarbij onvolledig is dan wel volstrekt foutief”.
Verzoeker stelt vast dat de beslissing bij wijze van motivering enkel verwijst naar het belang van de school en van de leerlingen en naar het eva-
luatieverslag met conclusie ‘onvoldoende’. Hij noemt dit vaag, dubbelzinnig en niet precies. In welke mate verzoeker een “gevaar” zou zijn voor het belang van de school en van de leerlingen is volgens hem niet te achterhalen en staat in schril contrast met zijn jarenlange ervaringen en jaren dienst zonder problemen.
Verzoeker erkent dat de verwerende partij over een discretio-
naire bevoegdheid beschikt om een personeelslid voor bepaalde duur aan te stel-
len, maar hij wijst erop dat er 47 vacante uren beschikbaar waren waarvoor hij in aanmerking kwam. In het licht daarvan is de motivering bijzonder summier en onvolledig.
Verzoeker wijst voorts op de procedures die door hem zijn in-
gesteld tegen de evaluatie, waarbij het college van beroep die evaluatie heeft ver-
nietigd. De bestreden beslissing wordt dan ook gemotiveerd door te verwijzen naar een evaluatieverslag dat onbestaande is. Hij wijst er ook op dat het rechtspo-
sitiedecreet enkel gevolgen knoopt aan het “definitief” geworden evaluatiever-
slag. Ten tijde van de bestreden beslissing was de evaluatie alleszins nog niet definitief.
IX-8110-9/12
Beoordeling
16. Zoals verzoeker in het inleidend verzoekschrift zelf stelt, bevat de bestreden beslissing wel degelijk een veruitwendigde motivering.
17. Die formele motivering noemt verzoeker ten onrechte niet af-
doende. Uit oogpunt van de formelemotiveringsplicht is verzoeker meegedeeld dat hij niet wordt aangesteld omdat hem een evaluatie met conclusie ‘onvoldoen-
de’ is gegeven en een nieuwe aanstelling in die omstandigheden het belang van de school en de leerlingen niet dient.
Hiermee is inderdaad summier, maar wel duidelijk, aangegeven om welke reden de aanstelling is afgewezen. Het evaluatieverslag en de redenen die geleid hebben tot de evaluatie ‘onvoldoende’ zijn aan verzoeker genoegzaam bekend. Dat een directie de aanstelling van een leraar die in haar ogen niet vol-
doet onverenigbaar acht met het belang van de school en de leerlingen behoeft geen nadere toelichting.
18. In de veronderstelling dat het middel ook zo begrepen moet worden dat verzoeker een schending van de materiëlemotiveringsplicht wenst aan te voeren, toont verzoeker bovendien niet aan dat deze gronden niet volstaan bin-
nen de – zoals hij zelf terecht erkent – ruime beoordelingsvrijheid van de directri-
ce om over een tijdelijke aanstelling voor bepaalde duur te beslissen.
Verzoeker vergist zich daarbij om het evaluatieverslag “onbe-
staande” te achten. Op het ogenblik waarop de directrice zijn aanstelling weigert, was weliswaar nog een beroepsprocedure hangende en was het verslag nog niet definitief. Daarom evenwel was het nog niet “onbestaande”. Zoals in het feitenre-
laas is aangegeven, sub 3.7, heeft het college van beroep finaal ook de evaluatie-
beslissing bevestigd.
IX-8110-10/12
Zo het rechtspositiedecreet weliswaar aangeeft dat het evalua-
tieverslag geen gevolgen heeft voor een eventueel te geven ontslag zolang het niet “definitief” is, dan voert verzoeker geen bepaling aan die de verwerende par-
tij uitdrukkelijk verbiedt met een nog niet definitief geworden evaluatieverslag rekening te houden in het kader van een aanstelling voor bepaalde duur.
Ook toont verzoeker niet aan welke bepaling of welk rechtsbe-
ginsel de directrice eraan in de weg zou staan om, binnen de beoordelingsvrijheid waarover zij beschikt bij de aanwerving van leraren, in het belang van de kwali-
teit van het onderwijs rekening te houden met een voorlopig evaluatieverslag bij een beslissing over een tijdelijke aanstelling voor bepaalde duur, zelfs indien de kans bestaat dat die evaluatie in de toekomst nog kan worden vernietigd.
Het loutere feit dat er uren beschikbaar waren, verandert daar-
aan niets.
19. Het vierde middel is ongegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro.
IX-8110-11/12
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 februari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:
Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier.
De griffier De voorzitter
Vera Wauters Geert Van Haegendoren
IX-8110-12/12
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.347