Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.335 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.335 Généré par l'IA

Court annuls dismissal of civil servant due to violation of hearing obligations and lack of prior notice.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.335
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Admis (Allowed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State annulled the royal decree dismissing Anja Van Brabant without notice. The court found that the administration failed to properly invite the civil servant to explain her position or describe the facts before taking action. Consequently, the dismissal was declared void because the statutory hearing requirements were not met.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 112 § 3, 5° of the Royal Decree of 1999; Art. 112 § 3, 5° of the Royal Decree of 1999; The administration must invite the civil servant to explain her position and describe the facts before taking a measure.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative dismissal hearing obligations prior notice civil servant rights Royal Decree 1999 procedural fairness non-notice termination licenciement administratif

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 112 § 3, 5° of the Royal Decree of 1999
‘Daar wij geen reactie van uwentwege mochten ontvangen wordt uw aandacht gevestigd op art. 112, § 3, 5° van het K.B.
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

IXe KAMER

nr. 237.335 van 9 februari 2017

in de zaak A. 216.204/IX-8667

In zake : Anja VAN BRABANT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B

Koning Albert II-laan 33 bus 15

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 18 juni 2015, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 3 april 2015 waarbij Anja Van Brabant ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar hoedanigheid van rijksambtenaar wordt ontslagen met ingang van 1 oktober 2014.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

IX-8667-1/14

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld.

De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 januari 2017.

Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verzoekende partij en Selim Dedeli, attaché, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoekster is sinds 1 april 1999 benoemd in de graad van inspecteur van een fiscaal bestuur bij de Federale Overheidsdienst Financiën (hierna: FOD Financiën).

3.2. Op 18 april 2001 vraagt verzoekster een dienstvrijstelling aan voor het vervullen van een opdracht bij de Europese Commissie met ingang van 16 juni 2001. Die wordt haar bij ministerieel besluit van 15 januari 2003 door de

IX-8667-2/14

minister van Financiën voor één jaar toegestaan voor de periode van 16 juni 2001

tot 15 juni 2002.

3.3. Bij ministerieel besluit van 22 juli 2003 wordt aan verzoekster een tweede dienstvrijstelling van één jaar toegestaan voor de periode van 16 juni 2002 tot 15 juni 2003 om haar toe te laten een opdracht als nationaal deskundige te vervullen bij de Europese Commissie.

3.4. Vervolgens vraagt verzoekster op 10 juni 2003 een derde dienstvrijstelling aan van één jaar voor de periode van 16 juni 2003 tot 15 juni 2004, op 14 juni 2004 een vierde dienstvrijstelling voor de periode van 16 juni 2004 tot 15 juni 2005 en op 7 juni 2006 een vijfde dienstvrijstelling, ditmaal voor onbepaalde duur met ingang van 16 juni 2006.

3.5. Met een brief van 22 juli 2014 meldt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën aan verzoekster dat uit nazicht van haar administratief dossier blijkt dat zij bij ministerieel besluit van 22 juli 2003 een dienstvrijstelling kreeg toegestaan voor het uitoefenen van een opdracht als nationaal deskundige bij de Europese Commissie en dat die vrijstelling afliep op 15 juni 2003. Er wordt haar gevraagd zo snel mogelijk contact op te nemen met het oog op de regularisatie van haar dossier.

3.6. In een aangetekende brief van 23 juli 2014 gericht aan verzoekster, herhaalt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën wat hij in zijn brief van 22 juli 2014 heeft gesteld en hij voegt hieraan toe dat aan de drie aanvragen van respectievelijk 10 juni 2003, 14 juni 2004 en 7 juni 2006 geen gevolg kon worden gegeven aangezien bij deze aanvragen geen attest van de Europese Commissie was gevoegd ter staving van haar opdracht. Er wordt gevraagd de ontbrekende attesten vóór 1 september 2014 in te dienen.

Deze aangetekende brief wordt niet afgehaald.

IX-8667-3/14

3.7. In een aangetekende brief van 2 september 2014 gericht aan verzoekster, herhaalt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën wat hij in zijn brief van 23 juli 2014 heeft gesteld en wordt gevraagd de ontbrekende attesten vóór 1 oktober 2014 in te dienen.

3.8. Met een aangetekende brief van 27 oktober 2014 deelt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën aan verzoekster het volgende mee:

“Bij aangetekend schrijven van 23 juli en van 2 september j.l. – waarvan kopie in bijlage –, werd u uitgenodigd uw administratieve toestand te regulariseren.

Hiertoe werd u verzocht vóór 1 oktober 2014 de vereiste aanvragen en attesten toe te sturen teneinde de periode van 16 juni 2003 tot heden te normaliseren.

Volgens de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 kunt u niet afwezig zijn van de dienst tenzij u vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen.

Daar wij geen reactie van uwentwege mochten ontvangen wordt uw aandacht gevestigd op art 112, § 3, 5° van het K.B. van 2 oktober 1937

houdende het statuut van het rijkspersoneel […] waarin bepaald wordt dat:

§ 3 Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar:

5° die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht is;

Het besluit tot regularisatie van de betreffende periode evenals het voorstel tot ontslag van ambtswege met ingang van 1 oktober 2014, zal naar de bevoegde dienst worden doorgestuurd teneinde het nodige te doen.”

3.9. Met een e-mail van 5 november 2014 deelt verzoekster aan de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën mee dat zij “over de jaren alle contact verloren [heeft] met de personeelsdienst die vroeger [haar]

dossier behandelde”, dat zij werd “overgeplaatst […] naar een andere dienst” en dat zij “nooit enig contact gehad [heeft] met iemand op die nieuwe dienst”. Zij vraagt de in te vullen documenten elektronisch door te sturen.

3.10. Met een e-mail van 6 november 2014 antwoordt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën aan verzoekster dat zij op het door haar opgegeven nummer niet kan worden bereikt, dat het dossier waarbij haar

IX-8667-4/14

administratieve toestand wordt geregulariseerd op 3 november 2014 werd doorgestuurd naar de voorzitter van de FOD Financiën en dat aangezien geen reactie werd ontvangen op de aangetekende brieven van 23 juli 2014 en 2 september 2014, het niet opportuun leek nog langer te wachten om de procedure tot regularisatie op te starten.

3.11. Met een e-mail van 6 november 2014 vraagt verzoekster aan de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën wat het doorsturen naar de voorzitter van de FOD Financiën precies betekent, of men de contactgegevens van de voorzitter kan laten geworden opdat zij met hem contact kan opnemen met betrekking tot haar dossier en of de laatste e-mail van de stafdienst Personeel en Organisatie impliceert dat er geen mogelijkheid is om alsnog het doorsturen van haar dossier te herroepen.

3.12. Met een besluit van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 13 november 2014 wordt verzoekster van rechtswege in de administratieve stand non-activiteit geplaatst voor de periode van 16 juni 2003 tot 30 september 2014. Dit besluit steunt op de volgende overwegingen:

“Overwegende dat de mevrouw Van Brabant Anja, attaché, bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (sector Directe Belastingen), stamnummer 710 152 760, van de dienst afwezig is voor het vervullen van een opdracht bij de Europese Commissie gedurende de periode van 16 juni 2003 tot heden, zonder daartoe de vereiste aanvragen en attesten voor te leggen;

Overwegende dat betrokkene bij aangetekend schrijven van 23 juli en van 2 september 2014 verzocht werd haar administratieve toestand te regulariseren door het indienen van de nodige aanvragen en attesten respectievelijk vóór 1 september 2014 en vóór 1 oktober 2014;

Overwegende dat betrokkene naliet gevolg te geven aan het verzoek van de administratie.”

Dat besluit wordt door de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën aan verzoekster meegedeeld met een aangetekende brief van 21 november 2014.

IX-8667-5/14

3.13. Met een e-mail van 25 november 2014 reageert verzoekster op de aangetekende brief van 27 oktober 2014. Zij stelt dat zij wel degelijk haar administratieve toestand wil regulariseren maar geen antwoord mocht ontvangen op haar vraag daartoe. Zij geeft aan een verzoek tot bemiddeling in te dienen bij de Belgische ambassade in Zweden, stelt dat er geen sprake is van kwaad opzet van harentwege maar dat er sprake is van een situatie waarbij twee partijen elk contact zijn verloren en dat mits enige goede wil van de verwerende partij de regularisatie al lang op gang kon worden gebracht.

3.14. Met een e-mail van 25 november 2014 deelt de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën aan verzoekster mee dat haar dossier voor verdere afhandeling werd overgedragen aan een andere dienst.

3.15. Bij koninklijk besluit van 3 april 2015 wordt verzoekster “ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar hoedanigheid van rijksambtenaar ontslagen met ingang van 1 oktober 2014”. Dit besluit steunt op de volgende motieven:

“Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, inzonderheid op artikel 112, § 3, 5°;

Overwegende dat mevrouw Van Brabant, hierna vermeld, na een periode van afwezigheid op 1 oktober 2014 de dienst niet heeft hervat;

Overwegende dat betrokkene derhalve onwettig afwezig is gebleven;

Overwegende dat mevrouw Van Brabant bij ter post aangetekende brieven van 23 juli en 2 september 2014 om opheldering werd verzocht met betrekking tot haar afwezigheid en haar administratieve toestand; dat zij niet heeft gereageerd op de brieven; dat haar aandacht bij een ter post aangetekende brief van 27 oktober 2014 werd gevestigd op het feit dat het niet hernemen van de dienst aanleiding kan geven tot ambtshalve ontslag, overeenkomstig artikel 112, § 3, 5°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937;

Overwegende dat betrokken ambtenaar op 14 november 2014 ontvangst heeft gemeld van deze brief;

Overwegende dat mevrouw Van Brabant hierop verder niet heeft gereageerd en dat zij de dienst niet heeft hervat;

Overwegende dat de afwezigheid van de betrokkene sedert 1 oktober 2014

derhalve niet gerechtvaardigd is door een geldig motief;

Overwegende dat mevrouw Van Brabant bijgevolg zonder geldige reden heeft nagelaten haar dienst waar te nemen.”

IX-8667-6/14

Dit is het bestreden besluit.

3.16. Het bestreden besluit wordt met een gewone en een aangetekende brief met bericht van ontvangst van 15 april 2015 aan verzoekster ter kennis gebracht.

IV. Ontvankelijkheid

Belang

4. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoekster niet het rechtens vereiste belang heeft. Zij licht deze exceptie toe als volgt:

“Verzoekster vraagt de annulatie van het koninklijk besluit van 3 april 2015

waarbij zij met ingang van 1 oktober 2014 ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar hoedanigheid van Rijksambtenaar wordt ontslagen […].

Een annulatieberoep strekt zich uit tot de aangevochten akte in de mate dat verzoekster er door wordt benadeeld. Verzoekster stelt enkel dat zij een evident belang heeft bij de vernietiging omdat zij door het aangevochten besluit ambtshalve haar hoedanigheid van Rijksambtenaar verliest. Verder licht verzoekster haar rechtsreeks, individueel en actueel belang niet nader toe.

Noch uit het administratief dossier, noch uit het verzoekschrift of de memorie van wederantwoord blijkt dat verzoekster bereid is om haar taak als Rijksambtenaar terug op te nemen. Verzoekster wenst kennelijk haar hoedanigheid als Rijksambtenaar te behouden als ‘verzekering’ of als noodplan.

De vraag rijst dan ook of verzoekster wel het rechtens vereist belang heeft.

Een louter hypothetisch of theoretisch belang is immers niet voldoende om het hier aangevochten besluit in vraag te stellen.

Daarbij mag niet uit het oog verloren worden dat het verlies van zending van verzoekster voor verweerder belastende implicaties heeft. Zelfs al moet verweerder haar wedde niet dragen, dan nog moet haar toestand administratief gevolgd worden en moeten gedurende haar afwezigheid de nodige schikkingen getroffen worden om haar re-integratie in de diensten van verweerder open te houden.

Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster een laatste maal een aanvraag heeft ingediend op 7 juni 2006 voor een verlof voor zending bij de Europese Commissie ‘voor onbepaalde tijd of de maximaal toegelaten periode’ en dat haar bezoldiging werd stopgezet op 16 juni 2006 […].

Verder geeft verzoekster aan dat zij sinds 2006 respectievelijk tewerkgesteld was bij het ‘European Agency for Reconstruction’ te Servië van 16 juni 2006 tot 15 juni 2008, bij het ‘European Police College’ in Engeland van

IX-8667-7/14

16 juni 2008 tot 15 juni 2010 en bij het Europees Agentschap voor Ziektebestrijding in Zweden vanaf 16 juni 2010 tot op heden alwaar zij ook woonachtig is […].

Vanaf haar laatste aanvraag van 7 juni 2006 tot de brief van de Stafdienst Personeel en Organisatie, Shared Service Center Tijdsbeheer van de Federale Overheidsdienst Financiën van 27 oktober 2014, heeft verzoekster geen belangstelling meer getoond voor haar betrekking bij de Federale Overheidsdienst Financiën zodat dient te worden aangenomen dat verzoekster niet langer wenst om haar betrekking bij de Federale Overheidsdienst terug op te nemen.

Ook na het hier aangevochten besluit heeft verzoekster niet voorgesteld dat zij haar functie terug wenst op te nemen.

Gelet op de duur van de tewerkstelling bij de Europese Commissie, op het feit dat zij nagelaten heeft de meest elementaire verplichtingen te vervullen om haar hoedanigheid van Rijksambtenaar te behouden, moet aangenomen worden dat verzoekster niet langer een belang heeft bij haar vordering.”

Beoordeling

5.1. Verzoekster vordert de nietigverklaring van het bestreden besluit waarbij zij ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar hoedanigheid van rijksambtenaar wordt ontslagen met ingang van 1 oktober 2014.

5.2. In geval van vernietiging staat juridisch vast dat zij de hoedanigheid van rijksambtenaar niet heeft verloren en dat verleent haar principieel het vereiste belang bij het beroep.

In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, blijkt nergens uit dat verzoekster niet langer haar ambt wenst te behouden. Integendeel, uit het e-mailverkeer met de verwerende partij blijkt duidelijk dat zij in dienst wenst te blijven en haar administratieve toestand wil regulariseren maar geen antwoord mocht ontvangen op haar vraag daartoe. Dat verzoekster niet bereid zou zijn om haar taak als rijksambtenaar terug op te nemen is dan ook vooralsnog een loutere hypothese. Verzoekster is trouwens op geen enkel ogenblik aangemaand om haar ambt bij de FOD Financiën terug op te nemen. De verwerende partij is overigens slecht geplaatst om aan te voeren dat verzoekster geen belangstelling

IX-8667-8/14

meer heeft getoond voor haar betrekking bij de FOD Financiën, aangezien zij zelf bijna tien jaar geen enkele belangstelling voor verzoekster heeft getoond.

5.3. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekster nog steeds belang heeft bij haar beroep.

6. De exceptie is niet gegrond.

V. Onderzoek van het eerste middel

Standpunt van de partijen

7. In het eerste middel voert verzoekster onder meer de schending aan van de hoorplicht. Zij licht dit middel toe als volgt:

“Het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht houdt in dat tegen niemand een ernstige maatregel, gegrond op zijn persoonlijk gedrag, die van aard is om zijn belangen zwaar te treffen, kan worden genomen, zonder dat hij vooraf in de gelegenheid gesteld wordt om voor zijn standpunt op te komen met betrekking tot de determinerende motieven die de overheid tot het nemen van de ongunstige beslissing aanzetten. […]

De bestreden beslissing is gegrond op het persoonlijk gedrag van verzoekster, met name op het feit dat zij niet zou gereageerd hebben op de brieven waarin zij werd verzocht opheldering te verstrekken met betrekking tot haar afwezigheid en haar administratieve toestand.

De bestreden beslissing is uiteraard ook van aard om haar belangen zwaar te treffen, aangezien zij ambtshalve wordt ontslagen.

Bijgevolg had verzoekster op een nuttige wijze haar standpunt moeten kunnen uiteenzetten met betrekking tot de redenen die aan de basis liggen van het ontslag.

Zij heeft deze mogelijkheid niet gekregen, zodat de hoorplicht werd geschonden.”

8.1. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij vooreerst dat het standpunt van verzoekster dat haar niet de mogelijkheid werd gegeven om opheldering te verstrekken met betrekking tot haar afwezigheid geen steun vindt in het administratief dossier. Verzoekster werd immers tot viermaal toe gevraagd de nodige attesten toe te sturen. Uit het administratief dossier blijkt ook

IX-8667-9/14

dat de aangetekende brieven van 2 september 2014 en 27 oktober 2014 door een gevolmachtigde van verzoekster in ontvangst werden genomen.

De verwerende partij vervolgt:

“Het is juist dat verzoekster, na de brief van de adviseur van de Stafdienst Personeel en Organisatie, Shared Service Center Tijdsbeheer van de Federale Overheidsdienst Financiën van 27 oktober 2014, de administratie heeft gecontacteerd per e-mail. Doch uit de berichtuitwisseling tussen verzoekster en de Stafdienst Personeel en Organisatie, Shared Service Center Tijdsbeheer van de Federale Overheidsdienst Financiën blijkt niet dat verzoekster de gevraagde documenten heeft bezorgd […].

2. Ook na de beslissing van de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën van 13 november 2014, waarbij verzoekster in de administratieve stand non-activiteit wordt geplaatst, heeft verzoekster geen gevolg gegeven aan de vraag van de administratie om de nodige documenten toe te sturen. In haar e-mail van 25 november 2014 stelt zij daarentegen voor dat zij de Belgische ambassade te Zweden zou contacteren met de vraag om als bemiddelaar op te treden […].

Na de beslissing van de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Financiën van 13 november 2014 welke aan verzoekster werd toegestuurd met een brief van 21 november 2014, had verzoekster nog ruim vier maanden om vooralsnog haar situatie te laten regulariseren daar de hier aangevochten beslissing pas genomen werd op 3 april 2015.

3. Zij heeft duidelijk zelf nagelaten om te voldoen aan de vraag van de administratie om haar administratieve situatie te regulariseren.

In elk geval moet vastgesteld worden dat verzoekster werd gecontacteerd op het door haar aan verweerder opgegeven adres. Dat zij niet bereikbaar was op dat adres is niet aan verweerder toe te schrijven. De vraag rijst dan ook of verzoekster wel een belang heeft bij haar middel. Zelfs al zou zij uitgenodigd zijn om gehoord te worden en al zou haar daarvoor een redelijke termijn toegekend zijn, zou zij, door haar eigen toedoen, daar geen gevolg aan gegeven hebben.

De stelling van verzoekster dat haar ten onrechte de mogelijkheid niet werd gegeven om haar standpunt te formuleren met betrekking tot de grondslag van het ontslag, kan bijgevolg niet worden bijgetreden.”

8.2. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat het standpunt dat geen opheldering zou zijn gevraagd aan verzoekster overeenkomstig artikel 112, § 3, 5°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ en haar evenmin de gelegenheid is geboden om haar standpunt mee te delen nopens het ontslag van ambtswege zoals de hoorplicht het vereist, niet kan overtuigen. Zij licht dit nader toe als volgt:

IX-8667-10/14

“Met de brief van de Stafdienst Personeel en Organisatie van de Federale Overheidsdienst Financiën van 27 oktober 2014 wordt aan verzoekster het volgende meegedeeld:

‘Daar wij geen reactie van uwentwege mochten ontvangen wordt uw aandacht gevestigd op art. 112, § 3, 5° van het K.B. van 2 oktober 1937

houdende het statuut van het rijkspersoneel, laatst gewijzigd bij het K.B. van 10 april 2014 (B.S. 09/05/2014), waarin bepaald wordt dat:

§ 3 Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar:

5° die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht is’.

Vanaf voornoemde brief van de Stafdienst Personeel en Organisatie van de Federale Overheidsdienst Financiën van 27 oktober 2015, waarvan de ontvangst niet wordt betwist, tot op het ogenblik dat het hier aangevochten koninklijk besluit van 3 april 2015 werd genomen, had verzoekster een termijn van vijf maanden om haar standpunt mee te delen aan verweerder.

Verzoekster heeft zelf nagelaten om haar afwezigheid toe te lichten. Aan verzoekster werd reeds op 23 juli 2014 en 2 september 2014 aangeboden om haar toestand te regulariseren.

Er kan enkel vastgesteld worden dat verzoekster nalatig is gebleven om haar administratieve toestand te regelen, zoals dit kan verwacht worden van ieder ambtenaar tegenover de overheid waarin hij zijn functie uitoefent.

Verweerder roept met andere woorden niet enkel in dat verzoekster, niettegenstaande haar de mogelijkheid werd geboden, naliet om haar standpunt mee te delen, doch ook heeft nagelaten om zoals van een zorgvuldig ambtenaar kan worden verwacht, haar administratieve toestand te regulariseren alhoewel zij ook hieraan werd herinnerd.

Evenmin heeft verzoekster haar betrekking bij de Federale Overheidsdienst Financiën terug opgenomen zodat dient te worden aangenomen dat het eerste middel ongegrond is.”

Beoordeling

9.1. Verzoekster voert aan dat bij het tot stand komen van het bestreden besluit de hoorplicht werd miskend.

9.2. Wanneer het bestuur het voornemen heeft om ten aanzien van een bestuurde een maatregel te nemen die hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen raakt en onder andere wanneer die maatregel gesteund is op zijn gedrag dat hem als een tekortkoming wordt aangerekend, is het bestuur

IX-8667-11/14

ertoe gehouden – vooraleer de kwestieuze maatregel te nemen – de bestuurde de mogelijkheid te geven om op nuttige wijze zijn standpunt daarover te doen kennen.

Deze hoorplicht vindt als beginsel van behoorlijk bestuur geen toepassing wanneer de betrokken regelgeving de rechten van de bestuurde expliciet en exhaustief regelt. Wanneer echter in de hoorplicht normatief is voorzien, maar de inhoud ervan niet nader of niet volledig is bepaald, moet ze worden omgeven met dezelfde waarborgen als degene die het bestuur dient na te leven op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht.

Artikel 112, § 3, 5°, van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 vereist dat het bestuur een personeelslid slechts ambtshalve kan ontslaan wegens postverlating als dit personeelslid “behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht”. Deze bepaling is de reglementaire vertaling, deels, van het door verzoekster aangevoerde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De verwerende partij heeft dit blijkens haar verweer ook zo goed begrepen.

Opdat de belanghebbende, “behoorlijk” en “op voorhand”

verwittigd zijnde en “om opheldering verzocht”, aldus op nuttige wijze zijn standpunt naar voor kan brengen, moeten heel wat modaliteiten zijn vervuld. Zo zal het bestuur onder meer de betrokkene behoorlijk moeten uitnodigen om dat standpunt kenbaar te maken, meer in het bijzonder moeten op voorhand de ten laste gelegde feiten precies worden omschreven, alsook de maatregel die het bestuur van plan is te nemen en de juridische grondslag ervan. Het tijdstip waarop de betrokkene wordt gehoord moet worden meegedeeld, of de wijze waarop dit horen eventueel schriftelijk kan gebeuren, waarbij het bestuur een redelijke termijn moet laten, zodat de betrokkene in staat gesteld wordt zijn verweer behoorlijk voor te bereiden.

9.3. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat met de brief van 2 september 2014 – die in grote mate gelijkluidend is aan de brieven

IX-8667-12/14

welke verzoekster op 22 en 23 juli 2014 zijn toegestuurd – gevraagd wordt om aan de verwerende partij de nodige documenten te bezorgen teneinde verzoeksters administratieve toestand te kunnen regulariseren.

De eerste keer dat verzoekster van de mogelijkheid van een ambtshalve ontslag in kennis wordt gesteld is slechts bij brief van 27 oktober 2014

waarin haar aandacht wordt gevestigd op bedoeld artikel. Doch in die brief wordt zij geenszins “behoorlijk en op voorhand” om opheldering verzocht, zoals reglementair is bepaald. Uit die brief blijkt zelfs dat het voorstel tot ontslag van ambtswege met ingang van 1 oktober 2014 reeds naar de bevoegde dienst was doorgestuurd teneinde het nodige te doen.

Aldus dient te worden vastgesteld dat niet aan verzoekster de opheldering werd gevraagd waarvan gewag wordt gemaakt in voornoemd artikel 112, § 3, 5°. Evenmin kreeg zij de gelegenheid over het voorgenomen ontslag van ambtswege haar standpunt te laten kennen zoals de hoorplicht vereist.

Het feit dat haar gevraagd werd de nodige attesten toe te sturen in het kader van een mogelijke regularisatie van haar toestand kan niet worden beschouwd als een vraag om opheldering in de zin van voornoemd artikel.

9.4. Uit wat voorafgaat volgt dat de hoorplicht is geschonden.

10. Het middel is gegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 3 april 2015

waarbij Anja Van Brabant ambtshalve en zonder vooropzeg uit haar hoedanigheid van rijksambtenaar wordt ontslagen met ingang van 1 oktober 2014.

IX-8667-13/14

2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.

3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 februari 2017, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit:

Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier.

De griffier De voorzitter

Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren

IX-8667-14/14

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.335