Court dismisses urgent injunction request against public tender award to KPMG and BDO over audit firm selection.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected an urgent application by Mazars and Grant Thornton to suspend a public tender awarding audit services to KPMG and BDO. The applicants argued that the tender violated independence rules and failed to meet selection criteria, but the court found their claims unconvincing. The court determined that the alleged breaches were not substantiated by the tender documents and that the price for additional sessions was included in the global bid.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 10 and 11 of the Code of Public Procurement; the court holds that a tender award is valid if the alleged procedural irregularities are not substantiated by the tender documents and do not constitute serious grounds for suspension.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 237.296 van 7 februari 2017
in de zaak A. 221.156/XII-8292
In zake: 1. de CVBA MAZARS BEDRIJFSREVISOREN
2. de CVBA GRANT THORNTON BEDRIJFSREVISOREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Günther L’Heureux kantoor houdend te 1200 Brussel Gulledelle 96/3
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
1. de NV INFRABEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Rozanne Vander Hulst kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
2. de NV NMBS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Barteld Schutyser kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99
bij wie woonplaats wordt gekozen
3. de NV HR RAIL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Rozanne Vander Hulst kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
XII-8292-1/25
Tussenkomende partijen:
1. de CVBA KPMG BEDRIJFSREVISOREN
2. de CVBA BDO BEDRIJFSREVISOREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Anthony Verheggen kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 6 januari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissingen van [de nv Infrabel, de nv NMBS en de nv HR Rail] van respectievelijk 19 december 2016, 23 december 2016 en 8 december 2016 […] om de overheidsopdracht onder de vorm van een raamovereenkomst voor het aanduiden van revisoren voor de controle van de statutaire en de geconsolideerde rekeningen van Infrabel, NMBS en HR Rail te gunnen aan [de cvba KPMG
Bedrijfsrevisoren en de cvba BDO Bedrijfsrevisoren] en niet aan [de cvba Mazars Bedrijfsrevisoren en de cvba Grant Thornton Bedrijfsrevisoren]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partijen hebben een nota ingediend.
Met een verzoekschrift van 19 januari 2017 hebben de cvba KPMG Bedrijfsrevisoren en de cvba BDO Bedrijfsrevisoren, gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari 2017, om 11.00 uur.
Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht.
XII-8292-2/25
Advocaat Günther L’Heureux, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaten Leopold Schellekens en Rozanne Vander Hulst, die verschijnen voor de eerste en derde verwerende partijen, en advocaten Carlos De Wolf en Charlotte De Wolf, die verschijnen voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
Eerste auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3.1. De nv Infrabel schrijft een overheidsopdracht voor de aanneming van diensten uit met als voorwerp “Aanduiding van revisoren voor de controle van statutaire en geconsolideerde rekeningen van Infrabel, NMBS en HR Rail”. Er volgt een bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen en in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De nv Infrabel treedt voor deze opdracht op als opdrachten-
centrale. De te gunnen diensten zijn bestemd voor de nv Infrabel, de nv NMBS en de nv HR Rail.
De opdracht betreft een raamovereenkomst over de boekjaren 2017, 2018 en 2019, verlengbaar met 3 jaar.
De verzoekende partijen zijn de zittende dienstverlener sinds het boekjaar 2011.
3.2. De opdracht wordt gegund met een onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
XII-8292-3/25
3.3. Om geselecteerd te worden dienen twee rechtspersonen, die niet met elkaar verbonden zijn in de zin van het Wetboek van Vennootschappen, gezamenlijk te kandideren. Conform de aankondiging dient de revisor vanuit de eerste rechtspersoon Nederlandstalig te zijn en de revisor vanuit de tweede rechtspersoon Franstalig te zijn.
De verzoekende partijen en de tussenkomende partijen dienen een kandidatuur in.
3.4. De selectie van beide kandidaten wordt goedgekeurd op 30 juni 2016 door de CFO’s van de nv Infrabel, van de nv NMBS en van de nv HR Rail.
3.5. De opdracht is onderworpen aan het bestek met referentie AAC/0000393369.
Op 30 juni 2016 wordt het bestek aan de beide kandidaten verstuurd. Tot 29 juli 2016 wordt de mogelijkheid geboden om vragen omtrent het bestek schriftelijk te stellen. De vragen en antwoorden worden aan de beide kandidaten overgemaakt per e-mailbericht van 12 augustus 2016.
3.6. In het bestek worden drie gunningscriteria bepaald: “aantal werkuren uitgedrukt in AUEB” (dit is Aantal Uren Equivalent Bedrijfsrevisor) op 40 punten van de 100, “prijs” op 40 punten en “methodologische benadering en planning van de tussenkomst” 20 punten.
Het derde gunningscriterium wordt in het bestek onder artikel 8.4. als volgt toegelicht:
“De inschrijver voegt aan zijn offerte een beschrijving toe van de methodologische benadering die meer bepaald betrekking moet hebben op de volgende elementen:
• Voorstelling van het werkprogramma, beschrijving van de uit te voeren controlewerkzaamheden, permanent dossier, controledossier;
• Beschrijving en kennis van de bijzonderheden van de activiteitensector van de te controleren entiteit (invloed van sectorale regelgevingen, voorschriften van de toezichthoudende overheid, enz);
XII-8292-4/25
• Beschrijving van de planning van de tussenkomst, controleperiode, inventaris, enz;
• Beschrijving van de kennis van SAP en impact hiervan op het werkprogramma • Beschrijving van de kennis van IFRS
Dit kan beoordeeld worden via een interview met de Aankoop Jury.”
3.7. Beide kandidaten dienen een eerste offerte in.
3.8. Per e-mailbericht van 26 september 2016 worden de beide inschrijvers uitgenodigd voor een interview met de aankoopjury op 5 oktober 2016.
3.9. Met een schrijven van 14 oktober 2016 “Request for Quotation”
van de nv Infrabel wordt aan de beide inschrijvers het volgende gemeld:
“Gedurende de onderhandelingsvergaderingen hebben we vastgesteld dat er een noodzaak is om de taakverdeling tussen de auditoren van het Rekenhof en de revisoren van deze opdracht te verklaren.
Hierbij verduidelijken we dat het Rekenhof zijn taken voor het College m.b.t. de statutaire audit op de jaarrekening beperkt tot het gebruik van de diverse overheidsdotaties en de activiteitensectoren.”
De inschrijvers worden in dit schrijven tevens verzocht om uiterlijk op 19 oktober 2016 hun “best and final offer” in te dienen, daarbij rekening houdend met de tabellen gevoegd als bijlagen 1, 2 en 3 bij dit schrijven en die betrekking hebben op de drie gunningscriteria.
3.10. Op 19 oktober 2016 dienen de beide inschrijvers een BAFO in.
3.11. Het voorstel tot gunning van de opdracht van november 2016 dat ondertekend is door de CFO’s van de verwerende partijen en door de “Head of Procurement” van de nv Infrabel, bevat de volgende beoordeling van de gunningscriteria:
“Criterium 1: aantal werkuren uitgedrukt in Aantal Uren Equivalent Bedrijfsrevisor (AUEB) (40%)
XII-8292-5/25
[...]
Vergelijking offertes:
Aantal uren/jaar ingeschat voor de uitvoering van de opdracht
Bedrijfsrevisor Bedrijfsrevisor Stagiair Andere Totaal Permanente medewerker bedrijfsrevisor medewerker Aanta vertegenwoordiger l uren Aantal uren Equivalent 700 2.608 1.980 1.120 6.408
Bedrijfsrevisoren Mazars-Grant Thornton antal uren Equivalent 1.218 1.365 1.318 2.213 6.114
Bedrijfsrevisoren KPMG-BDO
Rangschikking:
1. Mazars-Grant Thornton: 40/40
2. KPMG-BDO:
38,16/40
[...]
Criterium 2: de prijs (40%)
[...]
Criterium 3: methodologische benadering en planning van de tussenkomst (20%)
Bij de omschrijving van gunningscriterium 3 in het bestek wordt specifiek verwezen naar een aantal elementen die de methodologische benadering en planning van de tussenkomst beschrijven. Voor een aantal van deze elementen heeft de Aankoop jury een onderscheid tussen beide geschreven offertes kunnen waarnemen. Deze verschillen alsook een aantal bijkomende bevindingen ten gevolge van de interviews worden hieronder beschreven.
Voor wat betreft de beschrijving en kennis van de bijzonderheden van de activiteitensector van de te controleren entiteit (invloed van sectorale regelgevingen, voorschriften van de toezichthoudende overheid, enz.) in het gunningscriterium 3, vinden we in de offerte van KPMG BDO
verschillende passages terug die hierop inspelen, met name:
• Pagina 19: Waardering van de materiële en immateriële vaste activa – verwijzing naar de herwaarderingsoefening die gebeurd is in het kader van de hervorming van de NMBS Groep • Pagina 20: Naleving van wet- en regelgeving • Pagina 21: Consistent gebruik van verdeelsleutels voor de rapportering omtrent activiteitensectoren • Pagina 30 en 31: Rekeningen per activiteitensector
We vinden dit in dezelfde mate terug in de offerte van Mazars Grant Thornton:
• Pagina 19: Waardering van de materiële vaste activa
XII-8292-6/25
• Pagina 8: Samenwerking met het Rekenhof – verwijzing naar ISSAI (ISA voor public sector)
• Pagina 10: Kwalitatieve aspect belangrijk bij overheidsbedrijven gezien sommige zaken (politiek) gevoelig liggen • Pagina 12: Key audit matters voor instellingen van openbaar belang • Pagina 15: Laws en regulations/compliance – regulatory watch:
verwijzing naar Wet van 1991, wetgeving inzake openbare aanbestedingen, afgesloten beheerscontracten, ...
• Pagina 20: ESR 2010
Echter ondanks het feit dat KPMG BDO momenteel geen mandaat uitoefenen bij NMBS, Infrabel of HR Rail, hebben zij, in het kader van hun auditaanpak die gebaseerd is op een doorgedreven risicoanalyse, een aantal risico’s geïdentificeerd die de beheersorganen cruciaal achten en die niet door Mazars Grant Thornton werden genoemd, met name:
• Pagina 20: Financiering van aanschaffing van activa en operationale activiteiten alsook de indekking van de gerelateerde risico’s • Pagina 21: Continuïteit van de ondernemingen rekening houdend met het steeds wijzigend juridische en politieke landschap • Pagina 20: Correcte toepassing van IFRS, en in het bijzonder de permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen in de IFRS-standaarden die in de auditprocedures worden voorgesteld.
We kunnen dus besluiten dat KPMG BDO, ondanks het feit dat zij momenteel geen mandaat uitoefenen bij NMBS, Infrabel of HR Rail, een meer pertinente risico-analyse hebben voorgesteld dan Mazars Grant Thornton.
Gezien de geïdentificeerde risico’s een belangrijke factor zijn bij het bepalen van de auditstrategie, laat dit KPMG BDO toe om, beter dan Mazars Grant Thornton, hun controlewerkzaamheden in hun auditplan te richten op de risicogebieden. Bijgevolg kunnen we stellen dat het door KPMG BDO voorgestelde werkprogramma (opgenomen in gunningscriterium 3), beter aangepast is aan de risico’s verbonden aan de activiteiten en de situatie van NMBS, Infrabel en HR Rail.
In de offerte van KPMG BDO zijn er 1613 manuren (bijlage 3) voorzien voor de tussenkomst van specialisten, terwijl slechts 1360 manuren (bijlage 3) bij Mazars Grant Thornton. Er wordt verwacht dat het inzetten van een groter aandeel experten/specialisten tijdens de werkzaamheden een positieve invloed heeft op de kwaliteit van de controlewerkzaamheden.
Dit onderscheid voor beide kandidaten is nog groter voor wat het aantal manuren voor IT-specialisten betreft: 813 (bijlage 3) bij KPMG BDO tegen 640 (bijlage 3) bij Mazars Grant Thornton. Het gebruik van IT-specialisten die ons SAP-systeem begrijpen, onderzoeken en testen is essentieel bij een
XII-8292-7/25
goede auditaanpak. Daarom is dit ook een expliciet element opgenomen in het criterium 3, nl. beschrijving van de kennis van SAP en impact hiervan op het werkprogramma. Daarnaast leidt meer IT audit tot een lagere werklast bij de geauditeerde ondernemingen gezien minder gegevens manueel dienen te worden aangeleverd.
Het aantal manuren voor IFRS-specialisten is daarentegen hoger bij Mazars Grant Thornton (460 manuren in bijlage 3) dan bij KPMG BDO
(400 manuren op bijlage 3). Kennis van IFRS is absoluut noodzakelijk, daarom is ook dit een element opgenomen in het criterium 3, nl.
beschrijving van de kennis van IFRS.
Mazars Grant Thornton voorziet 139 manuren (bijlage 3) in het budget voor Taks-specialisten voor de 3 entiteiten (in vergelijking met 115
manuren in bijlage 3 bij KPMG BDO). Het inzetten van een groot aantal manuren van Taks-specialisten lijkt ons niet opportuun gezien het feit dat Infrabel niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting en gezien de fiscale situatie van minder belang is voor NMBS.
Tijdens het interview van de kandidaten door de Aankoop Jury kwam bij beide kandidaten het ‘single audit’ principe door samenwerking met het Rekenhof en interne audit aan bod. De nauwe en efficiënte samenwerking alsook de verbondenheid tussen de 2 revisorenkantoren onderling kwam echter sterker naar voor bij de mondelinge presentatie van KPMG BDO
dan bij Mazars Grant Thornton.
Naast de verbondenheid, hebben beide tekenende vennoten van KPMG
BDO hun expertise aangetoond tijdens het interview. Bij de kandidaat Mazars Grant Thornton hebben de tekenende vennoten vooral beroep gedaan op de Technical Partner om hun kwaliteiten aan te tonen. De rol van de Technical Partner is in principe echter beperkt tot een teamlid ‘achter de schermen’ die toeziet op de toepassing van de kwaliteit van de audit en die niet in direct contact staat met de beheersorganen en andere officiële organen.
De offerte van KPMG BDO voorziet in 759 manuren (bijlage 3) voor de bedrijfsrevisor permanent vertegenwoordiger (dit zijn de tekenende vennoten) tegenover 750 manuren (bijlage 3) bij Mazars Grant Thornton.
Een maximale betrokkenheid en beschikbaarheid van de tekenende vennoten draagt in belangrijke mate bij tot een kwaliteitsvolle audit.
Tijdens het interview werd door de kandidaat Mazars Grant Thornton de nadruk gelegd op een auditaanpak en een transparante rapportering in overeenstemming met de ISA’s (International Standars on Audit), en meer bepaald deze voor zogenaamde Public Intrest Entities (deze laatste van toepassing zijnde vanaf 2017), als waarborg van een kwaliteitsvolle audit.
Uit het interview van KPMG en BDO bleek dat zij hun rol breder zien dan het toepassen van auditprocedures en het rapporteren van hun bevindingen
XII-8292-8/25
(volgens de ISA’s), door een proactieve partner te zijn voor de NMBS, Infrabel en HR Rail, zoals door het voeren van een permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen in de bestaande ISA/IFRS
normen en het bespreken en toetsen van nieuwe topics (pagina 20) en het geven van trainingssessies door het IFRS Institute aan de medewerkers van de 3 vennootschappen (pagina 28).
De Aankoop jury kent aan de kandidaat Mazars Grant Thornton een score toe van 12/20. Ten opzichte van zijn eerste offerte kunnen we stellen dat de finale RFQ van de kandidaat een verbetering inhield van zijn score met 2
punten. De Aankoop jury blijft echter van mening dat de kandidaat een offerte heeft ingediend die voldoet aan de eisen van het lastenboek, maar die slechts weinig bijkomende meerwaarde biedt.
De offerte van kandidaat KPMG BDO overtreft echter in belangrijke mate de eisen gesteld in het lastenboek en biedt daardoor een additionele meerwaarde voor de drie ondernemingen. KMPG BDO wist de aankoop jury te overtuigen dat zij een proactieve partner willen zijn voor de NMBS, Infrabel en HR Rail. Voorbeelden hiervan zijn de grotere inzet van specialisten, niet alleen in aantal uren, maar ook in het aantal domeinen (eveneens milieu bv.), het hoog aantal uren voorzien voor IT specialisten, de meer pertinente risico analyse en beter werkprogramma, het groter aantal uren dat voorzien is voor de tekenende vennoten, de permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen in ISA/IFRS normen, het geven van IFRS trainingssessies, etc. De Aankoop jury kent dan ook een score van 17/20 toe aan de kandidaat KPMG BDO.
Rangschikking:
1. KPGM-BDO: 17
punten 2. Mazars-Grant Thornton: 12 punten
Totaal Mazars – Grant Thornton KPMG-BDO
Aantal werkuren uitgedrukt in AUEB (40%) 40 38,16
Prijs (40%) 40 38,10
Methodologische benadering en planning van de tussenkomst 12 17
(20%)
Totaal punten 92 93,26
rangschikking 2 1
.”
Aan de raden van bestuur van de nv Infrabel, van de nv NMBS
en de nv HR Rail wordt voorgesteld om hun goedkeuring te verlenen aan het voorstel tot gunnen van de opdracht aan de tussenkomende partijen, wat gebeurt op 19 december 2016, 8 december 2016 en 23 december 2016.
Dit zijn de bestreden gunningsbeslissingen.
XII-8292-9/25
IV. Tussenkomst
4. De cvba KPMG en de cvba BDO, blijken voordeel te halen uit de bestreden gunningsbeslissingen en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt hun verzoek tot tussenkomst ingewilligd.
V. Schorsingsvoorwaarden
5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’ van toepassing.
Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissingen in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.
Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kunnen verantwoorden.
XII-8292-10/25
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
6.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 4, eerste lid, 8°, 5, 9°, en 8, § 1, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’, van artikel 106 van het koninklijk besluit van 16 juli 2012 ‘plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren’ juncto de artikelen 5, 53, § 1, en 55 van de wet van 15 juni 2006
‘overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Samengevat lichten de verzoekende partijen toe dat het voorstel tot gunnen een tegenstrijdigheid bevat inzake het aantal werkuren die door de “bedrijfsrevisor permanent vertegenwoordiger” van de tussenkomende partijen zullen worden gepresteerd; bij de beoordeling van het eerste gunningscriterium is er sprake van 1.218 manuren terwijl volgens het voorstel tot gunnen in hun offerte er slechts sprake is van 759 manuren. Minstens zijn de verwerende partijen onzorgvuldig geweest en uitgegaan van een foutief gegeven.
Gelet op deze tegenstrijdigheid is het voor de verzoekende partijen niet mogelijk om te achterhalen waarom aan de offerte van de tussenkomende partijen de voorkeur wordt gegeven. Wanneer immers bij het eerste gunningscriterium niet wordt uitgegaan van 1218 manuren maar wel van 759 manuren, heeft dit een belangrijke impact op de uitkomst van het eerste gunningscriterium. In dat geval zou de score van de tussenkomende partijen op het eerste gunningscriterium niet 38,16 punten bedragen, maar wel 35,30 punten of een totaalscore van 90,4 waardoor de verzoekende partijen als eerste gerangschikt zouden worden.
XII-8292-11/25
Ten slotte formuleren de verzoekende partijen een “voorbehoud” omtrent de allocatie van de opgegeven werkuren over de verschillende categorieën.
Beoordeling
6.2. Op pagina 4/9 van het voorstel tot gunnen waar er sprake is van 1218 manuren bij de offerte van de tussenkomende partijen, wordt in de vergelijkende tabel onder “criterium 1: aantal werkuren uitgedrukt in Aantal Uren Equivalent Bedrijfsrevisor (AUEB) (40%)” verwezen naar de gegevens die de inschrijvers dienden aan te vullen in de tabel die als bijlage 1 bij de Request for Quotation van 14 oktober 2016 was gevoegd en die op het eerste gunningscriterium betrekking heeft.
Op pagina 7/9 van het voorstel tot gunnen waar er sprake is van 759 manuren bij de offerte van de tussenkomende partijen, wordt verwezen naar de gegevens die de inschrijvers dienden aan te vullen in de tabel die als bijlage 3 bij voormelde Request for Quotation was gevoegd en die betrekking heeft op het derde gunningscriterium.
Terecht lijken de verwerende partijen op te merken dat de in het voorstel tot gunnen opgegeven manuren bevestiging vinden in de aangepaste offerte van de tussenkomende partijen. De schijnbare tegenstrijdigheid wordt verklaard door de verschillende insteek van de voormelde bijlagen 1 en 3. De eerste in bijlage 1 lijkt louter kwantitatief van aard. De derde in bijlage 3 lijkt echter kwalitatief van opzet en te peilen naar de concrete inzet van de verschillende profielen onder wie de tekenende vennoten, exclusief de uren besteed aan de samenwerking met het Rekenhof en de administratieve taken.
De verzoekende partijen maken derhalve niet met de vereiste ernst aannemelijk dat de overheid hier zou zijn uitgegaan van onjuiste gegevens.
Overigens lijkt met de verwerende partijen te moeten worden vastgesteld dat het voorstel tot gunnen een materiële vergissing bevat; het aantal manuren voor “de bedrijfsrevisor permanent vertegenwoordiger” in de offerte van XII-8292-12/25
de verzoekende partijen als beoordelingselement van gunningscriterium 3, lijkt ten onrechte niet te zijn verminderd met het aantal uren samenwerking met het Rekenhof en administratieve taken, wat lijkt te impliceren, zoals de verwerende partijen opmerken, dat de verzoekende partijen hier 450 uren bieden en geen 700
zoals verkeerdelijk vermeld in het voorstel tot gunnen. De verwerende partijen benadrukken wel dat bij de puntentoekenning zij wel degelijk rekening hebben gehouden met het cijfer van 450 uren.
Voor zover er al gevolgen zouden moeten worden verbonden aan het “voorbehoud” van de verzoekende partijen blijkt dit niet tot andere inzichten te leiden.
Het middel is niet ernstig.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
7.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 4, eerste lid, 8°, 5, 9°, en 8, § 1, van de voormelde wet van 17 juni 2013, van artikel 106 van het voormelde koninklijk besluit van 16 juli 2012 juncto de artikelen 5, 53, § 1, en 55 van de voormelde wet van 15 juni 2006, van de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991, van het bestek en het patere legem quam ipse fecisti beginsel en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheids-
beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
Zij betoogt:
“De motieven opgegeven in het voorstel tot gunnen van de opdracht, dat door de bestreden beslissingen goedgekeurd werd, met betrekking tot de kwalitatieve beoordeling van het derde gunningscriterium zijn niet draagkrachtig. Deze motieven laten niet toe om in alle redelijkheid te oordelen dat de offerte van KPMG-BDO voor wat het derde gunningscriterium betreft voordeliger is dan de offerte van de verzoekende partijen of minstens dat aan de offerte van KPMG-BDO 17 punten dienen te worden toegekend en aan de offerte van verzoekende partijen slechts 12
XII-8292-13/25
punten. Uit de bewoordingen van het voorstel tot het gunnen van de opdracht, dat door de bestreden beslissingen wordt goedgekeurd, kan immers niet worden afgeleid waarom aan de betrokken offertes voor wat het derde gunningscriterium betreft de toegekende punten zijn toebedeeld, hetgeen strijdt met de formele motiveringsplicht.
Verzoekende partijen stellen vast dat de verwerende partijen bij de beoordeling van het derde gunningscriterium rekening hebben gehouden met (sub)gunningscriteria of minstens elementen die niet in het bestek voorkomen, met elementen die niet in de offertes van de inschrijvers terug te vinden zijn of met elementen waarmee geen rekening mocht worden gehouden. Door met deze elementen rekening te houden hebben verwerende partijen het bestek en het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ geschonden.
Gelet op het voorgaande hebben verwerende partijen niet in alle redelijkheid de economisch voordeligste offerte gekozen, hetgeen een schending inhoudt van het bestek en van artikel 106 van het KB van 16 juni 2012 plaatsing overheidsopdrachten speciale sectoren.”
In een lang uitgesponnen en erg complexe toelichting lijken de verzoekende partijen de volgende grieven, zoals de Raad ze gemakshalve heeft gestructureerd en meer in extenso aan bod laat komen bij de beoordeling, te laten gelden.
In wezen lijken de grieven van de verzoekende partijen te herleiden tot drie clusters. In de eerste plaats stellen de verzoekende partijen zich vragen over hoe de elementen in het bestek bepaald onder het derde gunningscriterium “Methodologische benadering en planning van de tussenkomst”
moeten worden gekwalificeerd en hoe ze moeten worden ingepast in de beoordelingsvrijheid van de aanbestedende overheid. Voorts menen zij dat er een schending is van de formelemotiveringsplicht. Ten slotte geven de verzoekende partijen tal van redenen op waarom de gegeven motieven volgens hen niet deugdelijk en draagkrachtig zijn.
Beoordeling
7.2.1. Wat de elementen opgenomen in het bestek onder het derde gunningscriterium – zie hiervoor randnummer 3.6. – betreft, menen de verzoekende partijen dat het gaat om subcriteria waaraan de verwerende partijen
XII-8292-14/25
niet als dusdanig hebben getoetst. Zij stellen dat er van de andere kant zaken bij de beoordeling zijn betrokken, die niet kaderen binnen voornoemde elementen.
Prima facie lijken de in het bestek opgegeven elementen te gaan om een lijst met verplicht bij de offerte te voegen beschrijvingen en voorstellingen die de beoordeling van het derde gunningscriterium zoals opgevat door de verwerende partijen, moet vergemakkelijken. Het lijkt niet te gaan om elementen die zelf zonder meer als maatstaf van beoordeling zouden kunnen dienen. De kritiek van de verzoekende partijen dat het zou gaan om een limitatieve lijst van beoordelingselementen, is niet ernstig.
Voorts moet worden vastgesteld dat de gehanteerde elementen zich alle lijken te laten inpassen in het betrokken derde gunningscriterium.
Minstens moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in gebreke blijven om concreet aannemelijk te maken dat de verwerende partijen, door in de offertes van de betrokken inschrijvers met elementen als een proactieve aanpak, de inzet van experten en van tekenende vennoten en het geven van IFRS trainingssessies, in de offertes van de betrokken inschrijvers rekening te houden, aan het derde gunningscriterium een van het bestek afwijkende en voor de inschrijvers onverwachte invulling zouden hebben gegeven.
De grieven zijn niet ernstig.
7.2.2. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, kan deze kritiek evenmin worden aanvaard om de volgende redenen.
De verwerende partijen hebben hier klaarblijkelijk geopteerd voor een werkwijze waarbij enkel de vastgestelde verschillen tussen de offertes en een aantal bijkomende bevindingen, naar voor gehaald bij de interviews, een neerslag hebben gevonden in de gunningsbeslissing.
In het licht van de overwegingen sub 7.2.1. is het te dezen aanvaardbaar dat de verwerende partijen, in het kader van het onderzoek en de beoordeling van de BAFO’s, bij de bespreking van de specifieke sterke en zwakke XII-8292-15/25
punten van de ene dan wel van de andere offerte, niet elk beoordelingselement dat in het bestek is vermeld maar dat in de offertes van de beide inschrijvers gelijklopend positief of negatief wordt beoordeeld, telkens uitdrukkelijk opnieuw hebben benoemd of dat zij additioneel, doch volledig in aansluiting op het bestek, elementen in hun beoordeling hebben betrokken die zij als een meerwaarde van de offertes aanzien.
Voorts, in zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat er niet is gemotiveerd waarom hun BAFO twee punten beter scoort dan hun oorspronkelijke offerte, lijkt dit enigszins inherent aan een onderhandelings-
procedure. De finale offertes, zoals die werden aangepast tijdens het proces van de onderhandelingen, kunnen in hun onderlinge vergelijking een aanzienlijk hogere of lagere eindscore behalen dan de eerste offertes. Dit geldt te dezen des te meer nu in het Request for Quotation bijkomende documenten werden gevraagd.
In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de bestreden gunningsbeslissing steunt op interviews van de aankoopjury met de inschrijvers maar waarvan er geen geschreven verslag is voorgelegd, stelt de Raad vast dat de bestreden gunningsbeslissing de essentie van de bevindingen van de aankoopjury lijkt weer te geven en – weze het beknopt – inzicht biedt in de volgens deze jury relevante verschillen tussen de beide offertes. Met deze motieven mag dan ook rekening worden gehouden. Hierbij moet overigens worden opgemerkt dat het voorstel tot gunning zoals ondertekend door de CFO’s van de verwerende partijen, medeondetekend is door F.B. “Head of Procurement Infrabel” die, wat niet door de verzoekende partijen wordt betwist, de secretaris van de aankoopjury is, zodat lijkt te mogen worden aangenomen dat het voorstel van gunning in elk geval mede lijkt uit te gaan van deze jury.
Ten slotte tonen de verzoekende partijen op het eerste gezicht niet aan dat de opgegeven motieven betrokken op de in het voorstel tot gunnen gestelde “additionele meerwaarde” van de gekozen offerte, hen niet in staat zouden hebben gesteld om terdege te oordelen of het zin had deze beoordeling aan te vechten met de middelen die het recht hun ter beschikking stelt. Het tegendeel blijkt veeleer uit die onderdelen van het middel waar de verzoekende partijen deze motieven inhoudelijk bekritiseren, hetgeen hierna wordt beoordeeld.
XII-8292-16/25
7.2.3.0. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde redenen betreft, waarom volgens hen de opgegeven motieven in het voorstel tot gunnen niet deugdelijk en draagkrachtig zijn, worden deze redenen evenmin aanvaard en wel hierom.
7.2.3.1. In de eerste plaats merkt de Raad van State op dat bij de toetsing van de offertes aan de gunningscriteria, in het bijzonder degene die peilen naar een inhoudelijk aspect, de aanbestedende overheid in beginsel over een grote beoordelingsvrijheid beschikt en dat hij zich in het kader van zijn toezicht niet in de plaats van het bestuur mag stellen en de rangschikking wijzigen. Zulks houdt echter niet in dat het oordeel van de aanbestedende overheid zou zijn onttrokken aan zijn wettigheidstoezicht. Aldus kan de Raad desgevraagd onder meer nagaan of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd, berust op voldoende draagkrachtige motieven, of de inschrijvers gelijk werden behandeld en of de verwerende partij de grenzen van een redelijke beoordeling niet te buiten is gegaan. Bij het beoordelen van een offerte in het kader van een offerteaanvraag dient de aanbestedende overheid immers op een zorgvuldige wijze te peilen naar de intrinsieke waarde van een offerte in de onderlinge vergelijking met de andere offertes waarbij het verschil zich op een redelijke en evenredige wijze moet vertalen in een onderscheiden quotering of waardering.
7.2.3.2.0. De verzoekende partijen halen zeven “voorbeelden” aan waaruit volgens hen zou blijken dat de puntentoekenning van 17 op 20 punten aan de offerte van de tussenkomende partijen bij de beoordeling van het derde gunningscriterium, niet verantwoord zou zijn.
7.2.3.2.1. In de eerste plaats merken de verzoekende partijen op dat de verwerende partijen ten onrechte het begrip “proactieve aanpak”, dat niet in het bestek zou zijn vermeld, hebben betrokken bij de beoordeling. Ook wijzen zij erop dat de verwerende partijen zich beroepen op een aantal niet vermelde voorbeelden door het woord “etc.” te gebruiken.
XII-8292-17/25
De verzoekende partijen viseren hier de volgende passage uit het voorstel tot gunning:
“De offerte van kandidaat KPMG BDO overtreft echter in belangrijke mate de eisen gesteld in het lastenboek en biedt daardoor een additionele meerwaarde voor de drie ondernemingen. KMPG BDO wist de aankoop jury te overtuigen dat zij een proactieve partner willen zijn voor de NMBS, Infrabel en HR Rail. Voorbeelden hiervan zijn de grotere inzet van specialisten, niet alleen in aantal uren, maar ook in het aantal domeinen (eveneens milieu bv.), het hoog aantal uren voorzien voor IT specialisten, de meer pertinente risico analyse en beter werkprogramma, het groter aantal uren dat voorzien is voor de tekenende vennoten, de permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen in ISA/IFRS normen, het geven van IFRS trainingssessies, etc. De Aankoop jury kent dan ook een score van 17/20 toe aan de kandidaat KPMG BDO.”
Zoals opgemerkt onder randnummer 7.2.1. is de Raad van oordeel dat de verzoekende partijen niet aantonen dat een element als “proactieve aanpak” niet zou passen binnen de beoordeling van het derde gunningscriterium.
Voorts lijkt de geciteerde passage een niet-exhaustieve synthese van elementen die elders in het voorstel over de waarde van de offerte van de tussenkomende partijen werden opgemerkt wat het gebruik van ‘etc.’ lijkt te verklaren. De bewering van de verzoekende partijen dat de verwerende partijen zich dan weer zouden steunen op niet bestaande voorbeelden, lijkt te worden tegengesproken door de inhoud van de offerte van de gekozen inschrijver waarop de Raad acht mag slaan.
7.2.3.2.2. Op de tweede plaats doen de verzoekende partijen gelden dat de verwerende partijen niet rechtmatig mochten oordelen dat de grotere inzet van specialisten, een meer positieve beoordeling van de offerte van de tussenkomende partijen verantwoordt. Zij geven daarvoor vijf redenen aan.
7.2.3.2.2.1. De verzoekende partijen merken op dat door bij de beoordeling van het derde gunningscriterium het aantal uren waarin is voorzien voor experten in rekening te brengen, de verwerende partijen eenzelfde eigenschap bij twee verschillende gunningscriteria, namelijk het eerste en het derde, toetsen, wat het bestek niet toelaat.
XII-8292-18/25
Deze kritiek kan niet worden aanvaard. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel– randnummer 6.2. – opgemerkt, lijken de verzoekende partijen het gegeven te miskennen dat in de Request for Quotation de inschrijvers werd gevraagd de manuren voor de verschillende profielen op twee verschillende manieren op te geven; de eerste bijlage, die verwijst naar het eerste gunnings-
criterium, was louter kwantitatief opgevat, terwijl de derde bijlage, die verwijst naar het derde gunningscriterium, een kwalitatieve insteek heeft en peilt naar de concrete inzet van de verschillende profielen. Anders dan de bijlage 1 voorziet de bijlage 3 in aparte rubrieken voor specialisten, nader opgesplitst in vier subrubrieken: tax, IT, IFRS en “andere”. De eigenschap van het “aantal uren” heeft in de bijlage 3 derhalve een totaal andere invulling gekregen. Er wordt niet op algemene en abstracte wijze gepeild naar het aantal manuren, maar wel naar specialisme en specifieke kennis in vakdomeinen om een kwalitatieve uitvoering van de betrokken opdracht te waarborgen. De verzoekende partijen maken dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partijen het bestek zouden hebben miskend door bijzondere aandacht te hebben voor het aantal uren waarin een inschrijver voorziet voor de inzet van specialisten in het kader van de beoordeling van het derde gunningscriterium.
7.2.3.2.2.2. De verzoekende partijen menen voorts dat bij de beoordeling voorbij is gegaan aan de impact van de financiële auditoren op de kwaliteit van de controlewerkzaamheden.
De verzoekende partijen worden hierin niet gevolgd. De verzoekende partijen hebben weliswaar in meer uren voorzien voor het aantal financiële auditors, uiteraard een belangrijk gegeven in het kader van de kwaliteit van de controlewerkzaamheden. Uit de gunningsbeslissing blijkt echter dat de verwerende partijen menen dat de grotere inzet van specialisten en de grotere betrokkenheid van de tekenende vennoten nog meer konden bijdragen aan de kwaliteit van de controlewerkzaamheden. Hiermee lijken de aanbestedende overheden de grenzen van de redelijkheid niet te hebben overschreden.
7.2.3.2.2.3. Als derde reden betogen de verzoekende partijen dat de verwerende partijen, door voorbij te gaan aan het hogere aantal specialisten in de
XII-8292-19/25
domeinen IFRS en fiscaliteit die zij boden, de offertes van de beide inschrijvers niet in alle objectiviteit en redelijkheid hebben vergeleken.
Evenmin is deze grief aanvaardbaar. De aanbestedende overheden erkennen uitdrukkelijk dat het aantal manuren voor IFRS-specialisten hoger is bij de offerte van de verzoekende partijen dan bij die van de tussenkomende partijen en dat de kennis van IFRS absoluut noodzakelijk is; het inzetten van een groot aantal manuren van Taks-specialisten achten de verwerende partijen dan weer niet opportuun “gezien het feit dat Infrabel niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting en gezien de fiscale situatie van minder belang is voor NMBS”. De verwerende partijen lijken de inzet van specialisten dus niet enkel globaal te hebben onderzocht, maar ook per domein. Het lijkt echter dat de verwerende partijen hun behoeften hebben afgewogen tegen het aanbod van de beide inschrijvers in de verschillende domeinen en voor een goede auditaanpak meer waarde hebben gehecht aan meer IT-audit en IFRS-kennis dan aan fiscale specialisatie.
7.2.3.2.2.4. Als vierde reden voeren de verzoekende partijen aan dat de verwerende partijen volledig zijn voorbijgegaan aan de reden waarom de verzoekende partijen minder specialisten, onder wie IT-specialisten, biedt, namelijk hun ervaring als zittende dienstverlener met het bij de verwerende partijen gebruikte SAP-systeem.
Hiertegenover moet echter worden opgemerkt dat in de offerte van de tussenkomende partijen herhaaldelijk naar het belang en de inschakeling van dit systeem wordt verwezen. De verzoekende partijen lijken trouwens ter terechtzitting niet tegen te spreken dat het SAP-systeem niet eigen is aan de verwerende partijen.
7.2.3.2.2.5. Ten slotte brengen de verzoekende partijen als vijfde reden aan dat de verwerende partijen geen andere specialisatiedomeinen aanhalen dan het niet nader gedocumenteerde domein milieu.
XII-8292-20/25
De tussenkomende partijen hebben echter nog in andere beleidsdomeinen dan milieu, experten voorgesteld zoals blijkt uit hun offerte, waar de Raad acht mag op slaan.
7.2.3.2.3. Met een derde voorbeeld betwisten de verzoekende partijen de stelling in het voorstel tot gunnen dat de offerte van de tussenkomende partijen een meer pertinente risicoanalyse zou bevatten. Zo zou de vermelding dat de beschrijving en kennis van de bijzonderheden van de activiteitensector van de te controleren entiteit in dezelfde mate terug te vinden is in de offertes van de beide inschrijvers, volgens de verzoekende partijen niet kloppen. Ook het motief dat in de offerte van de tussenkomende partijen een aantal risico’s worden geïdentificeerd die niet in de offerte van de verzoekende partijen worden geïdentificeerd, is volgens hen niet correct. Wat het risico inzake de financiering van aanschaffing van activa en operationele activiteiten alsook de indekking van de gerelateerde risico’s betreft, hebben de verzoekende partijen in hun offerte ESR
2010 als key audit matter geïdentificeerd. Wat het risico inzake de continuïteit van de onderneming rekening houdend met het steeds wijzigend juridisch en politiek landschap betreft, hebben de verzoekende partijen in hun offerte een risicomatrix opgenomen waarin continuïteit als risico wordt geïdentificeerd. Wat het risico inzake de correcte toepassing van IFRS, en in het bijzonder de permanente en proactieve communicatie in de IFRS-standaarden betreft, zetten de verzoekende partijen meer IFRS-experten in en behoort dergelijke communicatie niet tot de taken van de revisor-commissaris. De verwerende partijen stellen volgens de verzoekende partijen dan ook zonder verantwoording dat het door de tussenkomende partijen voorgestelde werkprogramma beter is.
Deze kritiek is op het eerste gezicht niet ernstig.
Gelet op de technische complexiteit van de grief – het gaat hier om de bijzonderheden van de activiteitensector van de te controleren entiteiten inzake risicoanalyse en controlewerkzaamheden met begrippen als ISSAI, wetgeving key audit matters voor instellingen van openbaar belang, ESR 2010, impairment test op correcte toepassing van IFRS – beperkt de Raad zich er hier toe vast te stellen dat de voorstelling van de geïdentificeerde risico’s en de voornaamste audit procedures die zullen worden uitgevoerd, in de offerte van de XII-8292-21/25
tussenkomende partijen uitvoeriger en overzichtelijker lijkt aan bod te komen en dat de verwerende partijen op het eerste gezicht niet zonder enige verantwoording hebben geoordeeld dat het door de tussenkomende partijen voorgestelde werkprogramma beter zou zijn.
7.2.3.2.4. Met hun vierde voorbeeld betogen de verzoekende partijen dat ook de vaststelling dat in de offerte van de tussenkomende partijen in een hoger aantal uren voor de tekenende vennoten is voorzien, het verschil in punten-
toekenning niet kan verantwoorden. Hierbij formuleren zij volgende drie opmerkingen ten aanzien van het voorstel van gunning: het bestek wordt miskend doordat hetzelfde, wat uren betreft, gemeten wordt bij het eerste en derde gunningscriterium; er is slechts een verschil van negen uur tussen de beide offertes wat het aantal uren tekenende vennoot betreft; de rol van de zgn. “technical partner” en van de tekenende vennoot blijkt niet uit het bestek noch uit de offerte van de verzoekende partijen.
De Raad verwerpt ook deze kritiek. De eerste twee opmerkingen werden reeds weerlegd bij de beoordeling van het eerste middel, onder randnummer 6.2. waaruit volgt dat het verschil geen negen uur is maar 309 uur, wat volgens de verwerende partijen het cijfer is dat werd gehanteerd bij de puntentoekenning. Wat de derde opmerking betreft wijst de Raad in de eerste plaats naar haar overwegingen onder randnummer 7.2.1.; wat de rol van de interviews en hun waarde betreft verwijst hij naar de overweging onder randnummer 7.2.2., vijfde alinea; ten slotte merkt hij op dat de feitelijke aanwezigheid van de “technical partner” ter gelegenheid van dit interview door de verzoekende partijen niet lijkt te worden betwist, net zo min als de vaststelling dat zijn rol helemaal niet dezelfde verstrekkende rol is als die van de tekenende vennoot.
7.2.3.2.5. Met hun vijfde voorbeeld laten de verzoekende partijen gelden dat wat de verwerende partijen onder meer gunstig beoordeelden bij de offerte van de tussenkomende partijen, namelijk “permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen van IAS/IFRS normen”, voortvloeit uit het interview en niet uit de offerte van de tussenkomende partijen. Het initiatief zou ook strijden met de regels van onafhankelijkheid van de commissaris-revisor.
XII-8292-22/25
Uit de offerte van de tussenkomende partijen blijkt dat die wel degelijk hebben voorzien in “permanente en proactieve communicatie bij wijzigingen van IAS/IFRS normen”. Wat de beweerde schending van de regels van onafhankelijkheid betreft, laten de verzoekende partijen na deze bewering juridisch concreet te staven. De kritiek is niet ernstig.
7.2.3.2.6. Met hun zesde voorbeeld laten de verzoekende partijen gelden dat wat de verwerende partijen onder meer gunstig beoordeelden bij de offerte van de tussenkomende partijen, namelijk “het geven van IFRS trainingssessies”, voortvloeit uit het interview en niet uit de offerte van de tussenkomende partijen.
Het initiatief zou ook strijden met de regels van onafhankelijkheid van de commissaris-revisor. Voorts stellen zij dat het geven van die sessies niet past in het kader van het derde gunningscriterium en dat de prijs ervan niet is opgegeven in de prijs van de tussenkomende partijen.
Zoals sub 7.2.3.2.5. overwogen geldt ook hier dat uit de offerte van de tussenkomende partijen blijkt dat die hebben voorzien in de sessie en dat de beweerde schending van de regels van onafhankelijkheid niet juridisch concreet is gestaafd. Wat de inpasbaarheid in het derde gunningscriterium betreft, mag worden verwezen naar de overwegingen omtrent het begrip ‘proactieve aanpak’ die hier van overeenkomstige toepassing lijken ten aanzien van de voorgenomen sessies. Wat de prijs betreft is het voldoende op te merken dat het te dezen om een opdracht tegen globale prijs gaat wat ertoe leidt te mogen aannemen dat de prijs voor de sessies inbegrepen is. De kritiek is niet ernstig.
7.2.3.2.7. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen met hun zevende voorbeeld op het feit dat de in het voorstel tot gunning vermelde verbondenheid tussen de beide tussenkomende partijen slechts uit het interview blijkt en dat er dienvolgens geen rekening mag worden mee gehouden. In elk geval is verbondenheid door het bestek verboden aangezien hierin is bepaald dat twee rechtspersonen niet met elkaar mogen zijn verbonden in de zin van het Wetboek van Vennootschappen.
XII-8292-23/25
Zoals reeds onder de randnummers 7.2.2. en 7.2.3.2.4.
aangenomen lijkt met de bevindingen van de jury tijdens het interview rekening te mogen worden gehouden voor zover ze in het voorstel van gunnen zijn opgenomen, wat hier het geval is. Voorts tonen de verzoekende partijen helemaal niet aan dat de verbondenheid waarvan sprake in het voorstel tot gunnen enige overeenkomst zou hebben met de juridische verbondenheid van het Wetboek van Vennootschappen. De kritiek is niet ernstig.
7.2.4. Het middel is niet ernstig.
VII. Besluit
8. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.
BESLISSING
1. Het verzoek van de cvba KPMG Bedrijfsrevisoren en de cvba BDO
Bedrijfsrevisoren, tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een niet-betwiste rechtsplegingsvergoeding van 1400 euro waarvan 700 euro verschuldigd is aan de eerste en de derde verwerende partij, en 700 euro aan de tweede verwerende partij.
De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 300 euro, elk voor de helft.
XII-8292-24/25
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 februari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Pierre Barra, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Pierre Barra
XII-8292-25/25
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.296