ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.295 · Conseil d'État
Synthèse Legislator
Généré par l'IAHet beroep, ingesteld op 10 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 4 november 2014 van de gemeenteraad van Retie waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vossekot herziening” definitief wordt vastgesteld en b. het besluit van 11 december 2014 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vossekot herziening” wordt goedgekeurd.
Regeste Legislator
Généré par l'IAECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.295 · Conseil d'État: ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets’ en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, evenals van “de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven”.
Mots-clés
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 237.295 van 7 februari 2017
in de zaak A. 215.570/X-16.208.
In zake : 1. Peter HERMANS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Storme kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. Adri WEYGERS
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Igor Rogiers kantoor houdend te 9270 Kalken Kalkendorp 17/A
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
1. de GEMEENTE RETIE
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Christophe Smeyers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 27
bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de PROVINCIE ANTWERPEN
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 10 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van:
a. het besluit van 4 november 2014 van de gemeenteraad van Retie waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vossekot herziening” definitief wordt vastgesteld en b. het besluit van 11 december 2014 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Vossekot herziening” wordt goedgekeurd.
X-16.208-1/29
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 231.954 van 15 juli 2015 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.
De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016.
Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Kristof De Spiegelere, die loco advocaat Matthias Storme verschijnt voor eerste verzoeker en die loco advocaat Igor Rogiers verschijnt voor tweede verzoeker, advocaten Christophe Smeyers en Nele Ansoms, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de eerste verwerende partij en Veronique Elsemans, juriste, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven.
X-16.208-2/29
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op het op 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol staat aansluitend met de woonkern van de gemeente Retie een gebied voor dagrecreatie ingetekend (hierna: het recreatiegebied).
Ten zuiden van het recreatiegebied staat op hetzelfde gewestplan een woongebied met landelijk karakter ingetekend langs de straat Geenend waarin zich de woning van de verzoekende partijen bevindt, met daarachter een agrarisch gebied (hierna: het westelijk agrarisch gebied). Rechts naast het woonperceel van de verzoekende partijen bevindt zich een onverharde losweg die doorloopt in het westelijk agrarisch gebied (hierna: de bestaande losweg).
Ten oosten van het recreatiegebied voorziet het meergenoemde gewestplan een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen (hierna: het KMO-gebied) met daarachter achtereenvolgens een woon(uitbreidings)gebied met een breedte tussen 400 en 1000 meter en een agrarisch gebied (hierna: het oostelijk agrarisch gebied). Doorheen het oostelijk agrarisch gebied loopt de Zwarte Nete, dit is één van de zijtakken van de Kleine Nete waarlangs zich het overeenkomstig de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 ‘inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna’ (hierna: de habitatrichtlijn) aangeduide habitatrichtlijngebied “BE2100026 Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden” (hierna: het habitatrichtlijngebied) uitstrekt.
Ter verduidelijking is hierna een uittreksel uit het gewestplan weergegeven, waarop bij benadering het woonperceel van de verzoekende partijen is aangeduid.
X-16.208-3/29
4. De verzoekende partijen zijn eigenaar van ongeveer 1 hectare grond, gelegen Geenend/De Bleeken te Retie.
Het gedeelte van de grond aan de straatkant is gelegen binnen de omtrek van een verkaveling, die door het gemeentebestuur van Retie werd vergund op 18 september 1973.
De verzoekende partijen hebben aan de straat een woning opgetrokken met een bouwvergunning die zij daarvoor van de gemeente verkregen op 3 september 1996.
Voor het overige richtten zij hun eigendom in als een ruime tuin, die overgaat in het achterliggende landbouwgebied middels de aanplant van houtwallen, inheemse bomen- en struikensoorten, een boomgaard, en ten slotte (het diepst gelegen) een schapenweide die omzoomd wordt door loofbomen.
5. Op een zekere afstand van de woning van de verzoekende partijen bevindt zich in het recreatiegebied het sportcentrum “Vossekot”, waar nu tennisinfrastructuur, een atletiekveld, een dressuurpiste en een jeugdlokaal aanwezig zijn.
X-16.208-4/29
6. Het is de bedoeling van het gemeentebestuur van Retie om deze installaties gevoelig uit te breiden met ruimte voor onder andere voetbalvelden, volleybal, korfbal, een multifunctioneel plein en een nieuw dressuurparcours, dit alles tot achter de woonst van de verzoekende partijen.
De beleidsoptie om dit te doen werd door het gemeentebestuur van Retie vastgelegd in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat werd goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 8 juni 2006, ondanks het bezwaar dat de verzoekende partijen dienaangaande indienden.
7. In vergadering van 12 december 2005 gaat de gemeenteraad van Retie over tot de voorlopige aanneming van een ontwerp van bijzonder plan van aanleg “Vossekot” (hierna: het BPA). De plannen bevatten een gevoelige uitbreiding van de reeds op het gewestplan ingekleurde zone voor dagrecreatie met een nieuwe zone voor recreatie, waar volgens de voorschriften sport- en speelvelden, een sporthal en aanverwante activiteiten als hoofdbestemming worden voorzien.
Deze nieuwe zone komt tot vlak achter de woonst van de verzoekende partijen, met er tussenin een zone voor groenbuffer.
Bij het ontwerp-BPA wordt een onteigeningsplan gevoegd, volgens hetwelk de verzoekende partijen ruim 86 are van hun eigendom zouden moeten afstaan.
8. Op 3 juli 2006 gaat de gemeenteraad van Retie over tot de definitieve aanneming van het BPA. De gemeenteraad sluit zich daarbij aan bij de bespreking van de bezwaren, zoals deze is gebeurd door de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: de Gecoro).
9. Bij arrest nr. 179.932 van 20 februari 2008 beveelt de Raad van State, op vordering van de verzoekende partijen, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 17 april 2007 van de Vlaamse minister van
X-16.208-5/29
Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het BPA, en waarbij tevens wordt bepaald dat het algemeen nut de onteigening vordert van een aantal op een onteigeningsplan aangegeven onroerende goederen, en aan de gemeente machtiging tot onteigening wordt verleend.
Zoals wordt vastgesteld in het arrest nr. 183.777 van 4 juni 2008 van de Raad van State trekt de laatstgenoemde minister op 20 februari 2008
het voornoemde besluit in.
10. Het bestuur van de gemeente Retie beslist om ter realisatie van de hiervoor (randnr. 6) bedoelde beleidsoptie een voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) “Vossekot” op te maken.
11. Op 28 juni 2011 stelt de gemeenteraad van Retie het ontwerp van gemeentelijk RUP voorlopig vast.
Het ontwerpplan voorziet een uitbreiding van de bestaande zone voor recreatie met het gedeelte van het westelijk agrarisch gebied dat ten noorden van de losweg ligt. Aldus zal de “Zone voor recreatie” ook de percelen achter de woonst van de verzoekende partijen beslaan, met inbegrip van hun percelen nrs. 342/d en 343/a met een oppervlakte van ruim 86 are die ook in een bijbehorend onteigeningsplan worden opgenomen. Rond de recreatiezone wordt een zone voor groenbuffer ingekleurd. De onverharde losweg die onmiddellijk naast de woning van de verzoekende partijen loopt en die toegang geeft tot de achterliggende landbouwgronden (weg die ook eigendom is van de verzoekende partijen), wordt bestemd tot “Zone voor toegangsweg” naar de uitgebreide recreatiezone, ten behoeve van zachte weggebruikers en hulp- en onderhoudsdiensten. Deze toegangsweg wordt eens in de recreatiezone, een “Centrale as - indicatieve aanduiding in overdruk” voor langzaam verkeer die dwars door het recreatiegebied loopt om uit te monden bij de parking in het noordelijk deel van het plangebied.
X-16.208-6/29
De zone ten zuiden van de losweg wordt bestemd tot “Multifunctioneel landbouwgebied”.
Ten slotte wordt aan de woningen aan de binnenzijde van het gebied langs de Geenend en de Geelsebaan een bestemming als “Zone voor wonen met landelijk karakter”, respectievelijk “Zone voor open en halfopen bebouwing” gegeven, hier en daar voorzien van stukjes “Zone voor tuinen”.
12. Op 31 januari 2012 stelt de gemeenteraad van Retie het gemeentelijk RUP “Vossekot”, “bestaande uit een verordenend grafisch plan, een onteigeningsplan en een ontwerpnota met stedenbouwkundige voorschriften”, definitief vast.
13. Op 26 april 2012 keurt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het gemeentelijk RUP “Vossekot” goed.
14. Bij arrest nr. 222.543 van 18 februari 2013 beveelt de Raad van State, op vordering van de verzoekende partijen, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 31 januari 2012 van de gemeenteraad van Retie waarbij het ontwerp-RUP “Vossekot” definitief wordt aangenomen en van het besluit van 26 april 2012 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het gemeentelijk RUP “Vossekot” wordt goedgekeurd.
Bij arrest nr. 226.148 van 21 januari 2014 vernietigt de Raad van State vervolgens, op vordering van de verzoekende partijen, beide voormelde besluiten.
15. Het bestuur van de gemeente beslist vervolgens om de opmaakprocedure van het RUP te hernemen.
In maart 2014 maakt de Intercommunale Ontwikkelingsmaatschappij voor de Kempen, in opdracht van de gemeente Retie,
X-16.208-7/29
een nieuw plan-MER-screeningsnota van het voornoemde RUP op (hierna: de screeningsnota).
Op 8 mei 2014 beslist de dienst Milieueffectenrapportage van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Vlaamse Gewest (hierna:
de dienst Mer) “dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is”.
16. Op 27 mei 2014 vindt over het voorontwerp-RUP een plenaire vergadering plaats.
17. Een nieuw ontwerp van gemeentelijk RUP “Vossekot” met bijbehorend onteigeningsplan wordt door de gemeenteraad van Retie voorlopig vastgesteld bij besluit van 24 juni 2014.
18. Tijdens het van 18 juli tot 15 september 2014 gehouden openbaar onderzoek over het ontwerp-RUP worden twee bezwaarschriften ingediend, waarvan een door eerste verzoeker.
19. De Gecoro van de gemeente Retie verleent advies op 16
oktober 2014, en verwerpt daarbij de ingediende bezwaren.
20.1. Op 4 november 2014 stelt de gemeenteraad van Retie het gemeentelijk RUP “Vossekot herziening”, “bestaande uit een verordenend grafisch plan, een onteigeningsplan en een toelichtingsnota met stedenbouwkundige voorschriften” definitief vast.
20.2. De stedenbouwkundige voorschriften voor de “Zone voor recreatie” stellen het volgende:
“Art. 3.1 Bestemming Het gebied is bestemd voor laagdynamische, lokale dagrecreatie.
Jeug[d]verblijfrecreatie vormt hierop een uitzondering en wordt toegelaten.
Volgende activiteiten zijn verboden:
– geluidsintensieve en gemotoriseerde sporten;
X-16.208-8/29
– hoogdynamische recreatieve activiteiten.
Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de realisatie van de bestemming, zijn toegelaten.
[…]
[Art. 3.2] Inrichting Plaatsing van de gebouwen Maximum 15% van de zone mag worden bebouwd, met een bouwvrije afstand t.o.v. de buffer van minimaal 10m en mits respecteren van de 45°-
regel.
De inplanting van de gebouwen gebeurt op een optimaal zongeoriënteerde wijze.
De inplanting van de gebouwen gebeurt op [een] wijze waarbij de bebouwingscoëfficiënt afneemt van noord naar zuid zodat een geleidelijke overgang wordt gecreëerd naar het open landschap in het multifunctioneel landbouwgebied.
Afmetingen van de gebouwen De netto vloeroppervlakte van één gebouw bedraagt maximaal 2.500m².
De vrije hoogte boven de overdekte sportvelden bedraagt maximaal 9 meter.
Ondersteunende infrastructuur zoals kantines, kleedkamers, …(niet limitatieve opsomming) en jeugdinfrastructuur omvat maximaal 2 bouwlagen.
De gebouwen worden ontworpen vanuit een optimaal zongeoriënteerde vorm en oriëntatie van de daken.
Welstand van de gebouwen Materiaalkeuze: Onesthetische materialen worden niet toegelaten voor de gevel. De keuze van gevelmateriaal, kleur en vormgeving van de gebouwen dient mede gekozen te worden vanuit het streven naar eenvormigheid en harmonie t.o.v. de onmiddellijke omgeving.
Niet-bebouwde delen Maximaal 50% van de zone kan worden verhard i.f.v. recreatie. De verhardingen worden mogelijk uitgevoerd in kleinschalige waterdoorlatende materialen tenzij de sportactiviteiten waarvoor de verharding wordt aangelegd niet-waterdoorlatende verharding eisen.
Bij de inplanting van het terrein is het aangewezen om, indien mogelijk, rekening te houden met bestaande kleinschalige landschapselementen zoals grachten en houtkanten. Anderzijds kan de aanwezigheid van bestaande KLE’s de realisatie van het recreatiegebied niet in het gedrang brengen.
Parkeren van personenvoertuigen is nergens toegelaten.
De niet aangelegde delen worden voorzien van een groenaanleg bestaande uit overwegend gazon, bodembedekkers en lage heesters aangevuld met hoogstammen. Bij de aanleg van deze delen kan desgewenst aandacht besteed worden aan het behoud, de verdere uitbouw of de creatie van gewenste biotopen in functie van de instandhouding van binnen het plangebied aanwezige beschermde diersoorten.
Reclame Reclamepanelen mogen worden opgesteld langsheen de speelvelden, maar dienen in hoogte beperkt te worden tot 1,20 meter.
Het bedekken van gevelopeningen met reclamepanelen is altijd verboden.
X-16.208-9/29
Het opstellen van tijdelijke reclame voor specifieke activiteiten zoals tornooien is toegelaten.”
20.3. De stedenbouwkundige voorschriften voor het “Multifunctioneel landbouwgebied” luiden:
“Art. 4.1 Bestemming De zone is bestemd voor:
– beroepslandbouw – hobbylandbouw Recreatief medegebruik of plattelandstoerisme is mogelijk, als ondergeschikte functie aan de landbouw, met dien verstande dat:
– het recreatief medegebruik of het plattelandstoerisme inherent verbonden moet zijn aan de landbouw, – de relatie van het recreatief medegebruik of het plattelandstoerisme met de landbouw van lokale aard moet zijn, met name binnen deze zone.
Art. 4.2 Inrichting Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de hoofd- en/of nevenbestemmingen zijn toegelaten, met uitzondering van het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies. Hierbij worden met gebouwen en vergelijkbare constructies niet bedoeld:
– constructies die dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen en na de oogst worden verwijderd, – schuilhokken voor weidedieren, – constructies voor kleinschalige energieopwekking die tijdelijk geplaatst worden of gemakkelijk verplaatsbaar zijn.
Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten:
– het aanbrengen van kleinschalige infrastructuur, gericht op het al dan niet toegankelijk maken van het gebied voor educatief of recreatief medegebruik of plattelandstoerisme, waaronder het aanleggen, inrichten of uitrusten van paden voor niet-gemotoriseerd verkeer;
– het herstellen, heraanleggen of verplaatsen van bestaande openbare wegen en nutsleidingen;
– de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden.”
20.4. De stedenbouwkundige voorschriften voor de “Zone voor groenbuffer” luiden:
“Art. 5.1 Bestemming Zone met bouwverbod voor de aanleg van groenelementen ten einde de terreinen en gebouwen voor recreatieve activiteiten te bufferen ten aanzien van de omliggende functies.
X-16.208-10/29
Binnen deze zone wordt de aanleg van private wegenis ter ontsluiting van het recreatiegebied toegelaten:
– ter hoogte van de zone voor parking;
– waar de indicatieve aanduiding van de centrale as de buffer doorsnijdt.
Art. 5.2 Inrichting De bufferstrook wordt beplant met streekeigen heesters en hoogstammen.
In deze zone wordt verharding toegelaten in functie van de ontsluiting van het recreatiegebied. De verharding wordt uitgevoerd met kleinschalige waterdoorlatende materialen.
Het opslaan of stapelen van materialen binnen deze zone is verboden.
In de groenbuffer is verlichting uitgesloten, tenzij ter hoogte van de twee ontsluitingen.
Op plaatsen binnen deze zone waar een vitale nestkoepel van de rode bosmier aanwezig is en op plaatsen in delen van de bufferzone welke in de omgeving (straal van 40,00m) van zo’n nestkoepel gelegen zijn, dient bij de plantkeuze rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de rode bosmier (standplaats geschikt streekeigen beplanting, bij voorkeur bestaande uit een combinatie van naald- en loofhout). Indien deze delen van de bufferstrook een breedte hebben van meer dan 5,00m, kunnen open, zonrijke plekken gelaten worden of gecreëerd worden in functie van het in stand houden van de rode bosmier. Deze open, zonrijke plekken dienen niet aangeplant te worden met bufferbeplanting onder voorwaarde dat de visueel bufferende functie van de bufferstrook hierdoor niet in het gedrang komt.
Alleszins dient een minimale breedte van 5,00m beplant te worden/blijven.”
20.5. De stedenbouwkundige voorschriften voor de “Zone voor toegangsweg” en de “Centrale as” luiden:
“Art. 7 Zone voor toegangsweg [...]
Art. 7.1 Bestemming De zone is bestemd om toegang te verlenen tot het recreatiegebied voor zachte weggebruikers en hulp- en/of onderhoudsdiensten.
Alle werken, infrastructuur, handelingen en wijziging die nodig of nuttig zijn voor de realisatie en/of de instandhouding van de bestemming zijn toegelaten.
Art. 7.2 Inrichting De weg wordt onverhard ingericht of mag worden ingericht met kleinschalige waterdoorlatende materialen.
De aanleg van parkeerplaatsen is verboden.
Er worden geen gebouwen binnen deze zone toegelaten.
[…]
Art. 9 Centrale as (indicatieve aanduiding in overdruk)
[...]
Art. 9.1 Bestemming De centrale as is een indicatieve aanduiding in overdruk, loopt doorheen het recreatiegebied van noord naar zuid en heeft als doel structuur en
X-16.208-11/29
herkenbaarheid in het gebied aan te brengen. De centrale as fungeert als drager van het recreatiegebied en is bedoeld voor langzaam verkeer.
Gemotoriseerde voertuigen op deze centrale wandel- en fiets-as zijn niet toegelaten met uitzondering van dienstvoertuigen en hulpdiensten.
Art. 9.2 Inrichting De lijn op het plan bepaalt de as van de mogelijke ‘toekomstige’ wegenis. Bij de situering van de centrale as is een afwijking van maximaal 30 m vanuit de aangeduide as toegelaten evenals asverspringingen en asverschuivingen.
De centrale as is maximaal 4 m. breed en mag verhard worden met kleinschalige waterdoorlatende verhardingsmaterialen zoals betonstraatstenen, klinkers, grind of dolomiet. Naar aanleg moet er eenvormigheid zijn in materiaal, verlichtingselementen en straatmeubilair.
Om de as te versterken worden er laanbomen geplant.
Bij gefaseerde ontwikkeling dient steeds aangetakt te worden op de as.”
20.6. Artikel 10, tweede en derde lid, van de stedenbouwkundige voorschriften inzake de “Verbinding voor gemotoriseerd verkeer (indicatieve aanduiding)” luidt:
“De verbinding voor gemotoriseerd verkeer is een indicatieve aanduiding in overdruk.
De verbinding voor gemotoriseerd verkeer is een onverharde, openbare wegenis met de daarbij horende infrastructuur.”
20.7. Uit de in de toelichtingsnota opgenomen ruimtebalans blijkt dat het recreatiegebied van het gewestplan een oppervlakte heeft van 81.338 m² en de “Zone voor recreatie” van het gemeentelijk RUP een oppervlakte van 105.024
m². De stijging van de recreatieoppervlakte wordt gerealiseerd in het westelijk agrarisch gebied en in het 11.449 m² groot gedeelte van het KMO-gebied van het gewestplan dat in het plangebied wordt opgenomen. Blijkens dezelfde ruimtebalans heeft de rond de “Zone voor recreatie” gelegen “Zone voor groenbuffer” een oppervlakte van 13.850 m².
21. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen keurt het gemeentelijk RUP “Vossekot herziening” goed op 11 december 2014.
Van het vaststellings- en het goedkeuringsbesluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2015.
X-16.208-12/29
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
22.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2.2.2, § 1, 2.2.13, § 1 en 2.2.14, §§ 1 tot 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 ‘met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer’, artikel 42 van het Gemeentedecreet, “het beginsel van behoorlijk bestuur dat elke administratieve overheid verplicht om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven” en artikel 8 van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurbehoudsdecreet), evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht.
22.2. De verzoekende partijen merken in een eerste middelonderdeel op dat blijkens de toelichtingsnota er naar gestreefd wordt om de bebouwing en de verharding in de “Zone voor recreatie” zo veel mogelijk te beperken. In die zin bepalen de stedenbouwkundige voorschriften dat maximaal 15 % van die zone mag worden bebouwd en 50 % mag worden verhard. Wat de hoogte van “de gebouwen die sportterreinen omvatten” betreft, is er echter, zo stelt het verzoekschrift, “volstrekte vrijheid”. De vrije hoogte boven de overdekte sportvelden wordt door de vastgestelde voorschriften weliswaar beperkt tot maximaal 9 meter, maar aldus “wordt enkel de binnenhoogte begrensd; er werd echter geen maximum opgelegd aan de buitenhoogte”.
22.3. De verzoekende partijen wijzen er in een tweede middelonderdeel op dat er nergens is bepaald hoe breed de in artikel 10 van de stedenbouwkundige voorschriften bedoelde “verbinding voor gemotoriseerd verkeer” zal zijn en waar ze zal worden aangelegd. Volgens de verzoekende
X-16.208-13/29
partijen wordt de beslissing omtrent de ligging en breedte van deze weg in “volle vrijheid” overgelaten aan het college van burgemeester en schepenen, in strijd met de door artikel 42 van het Gemeentedecreet aan de gemeenteraad toegekende volheid van bevoegdheid voor de zaak van de wegen.
22.4. In een derde middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat hun bezwaar tegen het feit dat de toegangsweg op een te korte afstand van twintig meter van het op hun eigendom aanwezige mierennest wordt ingeplant “op geen enkele wijze werd behandeld”.
23. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen met betrekking tot hun derde middelonderdeel dat twintig meter ten zuiden van het mierennest de voorziene groenbuffer doorsneden zal worden door de “Zone voor toegangsweg” en de daarop aansluitende “Centrale as”. Artikel 11 van de vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften zal in de praktijk enkel de ten zuiden van de toegangsweg gelegen kleine landschapselementen beschermen.
Beoordeling
24. Volgens het grondbeginsel van de rechtszekerheid moet de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. Uit het voorgaande volgt dat stedenbouwkundige voorschriften, ter wille van de rechtszekerheid, voldoende duidelijk dienen te worden geformuleerd. Het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften verhindert evenwel niet dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid kunnen verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning.
X-16.208-14/29
De verplichting om het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek te onderwerpen en de resultaten ervan voor advies aan de Gecoro voor te leggen, brengt met zich mee dat de Gecoro in de eerste plaats, zo niet alleszins de gemeenteraad, kennis moet nemen van de tijdens het openbaar onderzoek op regelmatige wijze geformuleerde en met de ruimtelijke ordening verband houdende bezwaren en opmerkingen, en deze moet onderzoeken en beoordelen. De redenen waarom de gemaakte bezwaren en opmerkingen al dan niet worden bijgetreden, moeten blijken, zo niet uit de beslissing zelf dan minstens uit de stukken van het dossier. Deze redenen moeten afdoende zijn.
25. Zoals de verzoekende partijen zelf erkennen is de doelstelling om de bebouwing en de verharding in de “Zone voor recreatie” te beperken in de eerste plaats vertaald in de door de stedenbouwkundige voorschriften opgelegde maximale bebouwings- en verhardingspercentages. Verder bevatten de stedenbouwkundige voorschriften onder meer beperkingen inzake de netto-
vloeroppervlakte van gebouwen en het aantal bouwlagen. De verzoekende partijen kunnen er niet van overtuigen dat het om te voldoen aan de aangevoerde rechtsregels vereist was in de stedenbouwkundige voorschriften ook een maximale “buitenhoogte” op te leggen voor “de gebouwen die sportterreinen omvatten”.
26. Wat het aangevoerde tweede middelonderdeel betreft moet er vooreerst worden vastgesteld dat het verordenend grafisch plan een “verbinding voor gemotoriseerd verkeer” voorziet doorheen een ongeveer vijf meter brede strook die paalt aan de bestaande straat Geenend. De verzoekende partijen kunnen er niet van overtuigen dat in de gegeven omstandigheden de precieze ligging van de “verbinding voor gemotoriseerd verkeer” binnen de laatstgenoemde strook en de breedte ervan elementen waren die op straffe van schending van de in het middel aangevoerde rechtsregels in het bestreden RUP
zelf moesten zijn bepaald.
X-16.208-15/29
Verder valt niet in te zien hoe uit de indicatieve aanduiding in een ruimtelijk uitvoeringsplan dat er binnen een bepaalde zone een weg zal moeten worden voorzien een bevoegdheidsoverdracht voor het bepalen van de ligging en de breedte van deze weg van de gemeenteraad naar het college van burgemeester en schepenen zou volgen.
27.1. Met betrekking tot de in het derde middelonderdeel geviseerde toegangsweg moet vooreerst worden vastgesteld dat deze samenvalt met de bestaande losweg, die op twintig meter van het bestaande mierennest gelegen is.
De afstand van twintig meter tussen het mierennest en de weg volgt dus uit de feitelijke toestand ter plaatse.
Het bestreden RUP strekt er toe om de bestaande losweg om te vormen tot een wandel- en fietsweg, die verboden is voor gemotoriseerde voertuigen, met uitzondering van hulp- of onderhoudsdiensten. Krachtens de vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften wordt deze weg “onverhard ingericht of mag [hij] worden ingericht met kleinschalige waterdoorlatende materialen”.
27.2. In het tijdens het openbaar onderzoek door de verzoekende partijen ingediende bezwaarschrift wordt het volgende gesteld:
“In het voorliggende RUP werden er een aantal maatregelen opgenomen om de impact van de recreatie of een mogelijke verstoring te beperken.
Echter de gevraagde maatregelen en aanbevelingen worden niet gevolgd. In een straal van 40 meter rond de nestkoepel moet een buffer aangelegd worden waarin de plantkeuze wordt vastgelegd. Echter de bufferzone op de plek waar zich de nestkoepel situeert is slechts 20-25 meter. Gezien het nest [zich] zo een 10 meter binnen het recreatiegebied bevindt, moet de bufferzone op die plaats minstens 50 meter zijn. Op de naastliggende percelen (reeds in eigendom van de gemeente) in het (voorziene)
multifunctioneel landbouwgebied, wordt die wel meer dan 55 meter voorzien. Echter, dit is niet op de correcte plaats. Dit is alsof men een pleister naast de wonde plakt...
Daarenboven komt er een toegangsweg op minder dan 20 meter van het nest wat te dicht is om de bescherming van het nest te waarborgen.”
X-16.208-16/29
27.3. Het door de verzoekende partijen ingediende bezwaarschrift werd als volgt besproken door de Gecoro:
“Bespreking Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot het vorige RUP Vossekot, werd in nauw overleg met ANB de maatregelen in functie van het behoud van de populatie rode bosmier genomen.
In eerste instantie werd een terreinbezoek gedaan, waar een vaststelling en determinatie van de populatie gebeurd is.
Er werd in het ‘verzoek tot raadpleging’ in het kader van de plan-MER
wetgeving een voorstel gedaan naar maatregelen die het behoud van deze soort op deze plaats mogelijk maakten. Deze voorstellen zijn grondig doorsproken met ANB en op het overleg is een overeenkomst bereikt naar maatregelen toe. Volgende conclusies werden op dit overleg getrokken - Het boscomplex ten zuiden van het plangebied moet bereikbaar zijn voor de populatie bosmieren. Het is belangrijk dat er een continue verbinding is naar dit bosgebied.
-> in antwoord hierop werd in het RUP art. 11 ‘behoud kleine landschapselementen’ aan het RUP toegevoegd.
- De bufferzone ter hoogte van het koepelnest diende te worden verbreedt om het foerageergebied van de populatie kansen te geven. Een minimale breedte van 10m is noodzakelijk.
-> in antwoord hierop werden volgende zaken gedaan:
- De buffer ter hoogte van het koepelnest werd verbreed van 5 m naar een 25-tal meter, zodat het koepelnest te midden van de groenbuffer komt te liggen (en niet in het recreatiegebied zoals in het bezwaar beweerd wordt).
- De percelen 358B en 358C, ten zuiden van het perceel waarop het koepelnest gelegen is, werden mee bestemd als zone voor groenbuffer om het leefgebied in functie van deze soort mee te vergroten. Recreatief medegebruik binnen deze zone is ook mogelijk. Door het betrekken van deze percelen bij het leefgebied van de bosmier krijg je een groter aaneengesloten blok ter plaatse en dat vormt een meerwaarde.
In het bezwaar wordt aangehaald dat de buffer 40m breed moet zijn.
Deze afstand, die komt uit de stedenbouwkundige voorschriften van de inrichting van de groenbuffer, wordt hier verkeerdelijk geïnterpreteerd. Het is zo dat in functie van de leefbaarheid van het vitale koepelnest van de rode bosmier in de bufferzone (die qua de breedte en de ligging een akkoord kreeg van ANB ifv de leefbaarheid van de mierenpopulatie), een specifieke inrichting werd opgelegd. Deze inrichting, zoals beschreven in het RUP, dient te worden toegepast binnen de groenbuffer die in een straal van 40m rond het koepelnest is gelegen.
Het onderdeel van het bezwaarschrift waarin staat dat het koepelnest 10m in het recreatiegebied ligt klopt niet. Het nest ligt centraal in de zone aangeduid als groenbuffer.
De aangeduide groenbuffers met de specifieke inrichtingsmaatregelen en de bereikbaarheid van het naastgelegen bosgebied door het behoud van een netwerk van kleine landschapselementen zorgen voor het behoud op de
X-16.208-17/29
huidige locatie van het aanwezige nest van rode bosmieren en zorgen voor voldoende migratiemogelijkheden. Het huidige RUP werd door ANB
gunstig geadviseerd.
Aanpassingen De Gecoro meent dat gelet op bovenstaande bespreking het niet aangewezen is om op basis van dit onderdeel van het bezwaarschrift aanpassingen door te voeren in het RUP.”
27.4. Uit de in randnummer 27.3 weergegeven weerlegging blijkt dat de Gecoro het bezwaarschrift van de verzoekende partijen in detail heeft behandeld. In het licht van de in randnummer 27.1 vermelde gegevens blijkt uit hetgeen in het derde middelonderdeel wordt aangevoerd niet dat deze weerlegging geen afdoend antwoord op het bezwaar van de verzoekende partijen zou zijn.
28. Het eerste middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
29.1. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 5 tot 8 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid’, artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006
‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets’ en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, evenals van “de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven”.
29.2. Volgens de verzoekende partijen bevatten de bestreden besluiten geen “waterparagraaf”, zodat uit de motieven niet blijkt dat de plannende overheid rekening heeft gehouden met de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid.
X-16.208-18/29
Beoordeling
30.1. Vastgesteld wordt dat de waterproblematiek onderzocht en geëvalueerd werd bij de plan-MER-screening die de opmaakprocedure van het RUP voorafging. In de toelichtingsnota bij het bestreden RUP worden de met betrekking tot de discipline water in de screeningsnota onderzochte elementen als volgt overgenomen:
“Infiltratiemogelijkheden Door de aanleg van bijkomende infrastructuur/verharding, worden de infiltratiemogelijkheden mogelijk plaatselijk verstoord. De bebouwing en de verharding zal in het RUP worden beperkt.
Het systeem van infiltratie van hemelwater naar grondwater moet in evenwicht gehouden worden. Aangezien de gebouwen en verhardingen gelegen zijn op een bodem die infiltratiegevoelig is, dienen de verhardingen zoveel mogelijk worden beperkt of te worden voorzien met een waterdoorlatend karakter. Voor de verharding die wordt voorzien in het RUP, is vastgelegd dat dit dient te gebeuren in waterdoorlatende materialen.
Indien het water niet ter plaatse kan infiltreren, dan dient dit water te worden opgevangen en vertraagd afgevoerd. De gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater is van toepassing, waardoor geen negatief effect verwacht wordt in vergelijking met de referentiesituatie.
Overstromingsregime – veiligheid Gezien het onderzoeksgebied niet gelegen is binnen een risicozone (NOG, ROG, risicozone op overstromingen of overstromingsgevoelig gebied), lijkt de veiligheid tegen overstromingen gegarandeerd. Er is verder geen schadelijk effect te verwachten indien het hemelwater wordt afgekoppeld van de verharde oppervlakte, wordt opgevangen en nuttig verbruikt. Het overtollige regenwater dient ter plaatse te infiltreren. Indien deze maatregelen genomen worden, is er geen significant effect op het overstromingsregime te verwachten in vergelijking met de referentiesituatie.
Waterkwaliteit Bij vergunningverlening moet worden toegekeken dat de kwaliteit van het grondwater niet in gevaar wordt gebracht. Het eventuele afvalwater mag niet ongezuiverd worden geloosd. Aangezien recent gescheiden riolering is aangelegd in de St-Pieterstraat, wordt de mogelijkheid gecreëerd om afvalwater via riolering te lozen. Bij navolging van de milieuwetgeving hieromtrent, wordt geen negatief effect verwacht in vergelijking met de referentiesituatie.
Waterparagraaf Op basis van de getoetste elementen kan een gunstige beoordeling gebeuren met betrekking tot de watertoets op planniveau:
X-16.208-19/29
- de planinhoud lijkt geen aanleiding te geven tot een significant nadelig of schadelijk effect op het watersysteem.
– op basis van de voorziene reguliere maatregelen en randvoorwaarden lijkt met andere woorden geconcludeerd te kunnen worden dat het plan verenigbaar is met de doelstellingen en beginselen van het decreet integraal waterbeleid.
– de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 5 van het decreet op het integraal waterbeleid werden in acht genomen bij de opmaak van het plan.
Daarbij werd uitgegaan van de relevante beginselen zoals geformuleerd in artikel 6.
Volgende voorwaarden en maatregelen dienen te worden ingewerkt in de relevante artikels van de stedenbouwkundige voorschriften:
– maximaal hergebruik van afgekoppeld hemelwater van de verharde oppervlakte en gescheiden lozing van overtollig regenwater – beoordeling van individuele vergunningsaanvragen op basis van de watertoets – bij vergunningverlening moet worden toegekeken dat de kwaliteit van het grondwater niet in gevaar wordt gebracht. Het eventuele afvalwater mag niet ongezuiverd worden geloosd.
Op basis van deze voorwaarden en maatregelen kan met andere woorden geconcludeerd worden dat het plan de doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5, 6 en 7 van het decreet integraal waterbeleid, in acht heeft genomen.”
30.2. In het eerste bestreden besluit wordt, met verwijzing naar hetgeen in randnummer 30.1 is geciteerd, onder meer het volgende overwogen:
“Overwegende dat volgens artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 en latere wijzigingen betreffende het integraal waterbeleid het plan onderworpen dient te worden aan de watertoets; dat het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 en latere wijzigingen nadere regels vaststelt voor de toepassing van de watertoets; dat het plan werd getoetst aan de kenmerken van het watersysteem en aan de relevante doelstellingen en beginselen van artikel 5,6 en 7 van het decreet integraal waterbeleid; dat er in het screeningsdossier een toetsing is gebeurd van het RUP – Vossekot ten aanzien van het watersysteem; dat het plan de doelstellingen en beginselen, vermeld in artikel 5,6 en 7 van het decreet integraal waterbeleid, in acht heeft genomen; dat hierdoor in alle redelijkheid kan worden geoordeeld dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan –
Vossekot verenigbaar is met het watersysteem en geen schadelijk effect op de waterhuishouding veroorzaakt.”
In het tweede bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen:
“Overwegende dat volgens artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 en latere wijzigingen betreffende het integraal waterbeleid het plan
X-16.208-20/29
onderworpen dient te worden aan de watertoets; dat het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 en latere wijzigingen nadere regels vaststelt voor de toepassing van de watertoets; dat het plan werd getoetst aan de kenmerken van het watersysteem en aan de relevante doelstellingen en beginselen van artikel 5, 6 en 7 van het decreet Integraal waterbeleid; dat het plangebied niet gelegen is in overstromingsgevoelig gebied; dat hierdoor in alle redelijkheid kan worden geoordeeld dat het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Vossekot herziening’ verenigbaar is met het watersysteem en geen schadelijk effect op de waterhuishouding veroorzaakt.”
31. De verzoekende partijen gaan voorbij aan de in de randnummers 30.1 en 30.2 aangehaalde citaten en laten na de daarin vervatte watertoets te bekritiseren. Uit hetgeen zij aanvoeren blijkt niet waarom deze watertoets niet zou voldoen aan de aangevoerde rechtsregels.
32. Het tweede middel wordt verworpen.
C. Het derde middel
Uiteenzetting van het middel
33.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2.2.13 van de VCRO en van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Retie.
33.2. In het eerste middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat uit het richtinggevend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan blijkt dat de inplanting van multifunctionele landbouwzones voorafgaandelijk moet worden afgewogen “op basis van een verder uit te werken afwegingskader of toetsboek”. In casu ligt dergelijke afwegingskader of toetsboek niet voor;
minstens blijkt het bestaan ervan niet uit het administratief dossier.
33.3. In het tweede middelonderdeel wijzen de verzoekende partijen er op dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar “in het kader van het BPA” bevestigde dat in multifunctionele landbouwzones landbouw de
X-16.208-21/29
hoofdactiviteit moet uitmaken. Het in het bestreden RUP opgenomen “Multifunctioneel landbouwgebied” is echter in de eerste plaats een soort van recreatiegebied. Volgens de verzoekende partijen kan dit uiteraard niet. De hoofdbestemming moet landbouw zijn.
34. In hun memorie van wederantwoord wijzen de verzoekende partijen met betrekking tot het eerste middelonderdeel op de bindende bepaling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan die de afbakening van de multifunctionele landbouwzones door een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: afbakenings-RUP) voorziet. Dat het bestreden gemeentelijk RUP niet als een dergelijk afbakenings-RUP kan worden aanzien, wordt door de verzoekende partijen als volgt beargumenteerd:
“Er is immers geen sprake van de afbakening van “de multifunctionele landbouwzones” maar wel van de aanduiding van een eerdere beperkt gebied dat aansluit bij het sportcomplex.”
Beoordeling
35.1. Eén van de bindende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan luidt:
“De gemeente maakt een RUP op om de agrarische gebieden afgebakend door het Vlaamse Gewest verder te differentiëren. De volgende doelstellingen worden hierin uitgewerkt:
[...]
– De multifunctionele landbouwzones worden afgebakend en er worden stedenbouwkundige voorschriften vastgelegd voor agrarische en aan landbouw gerelateerde bebouwing.”
Anders dan de verzoekende partijen dit zien moet uit de hiervoor geciteerde bepaling niet worden afgeleid dat alle multifunctionele landbouwzones in één en hetzelfde gemeentelijk RUP dienen te worden afgebakend. Daaruit volgt dat het bestreden RUP, waarin één “Multifunctioneel landbouwgebied” wordt afgebakend, wel degelijk kan worden aanzien als een afbakenings-RUP dat de gemeente volgens die bindende bepaling moet vaststellen.
X-16.208-22/29
35.2. De in het middel ingeroepen bepaling van het richtinggevend gedeelte van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan luidt:
“3.2.4 Zones voor multifunctionele landbouw Gebieden die door hun ruimtelijke kenmerken en infrastructuur minder potenties bieden als uniform landbouwgebied, kunnen aangeduid worden als zones voor multifunctionele landbouw.
Hiervoor komen de randzones van de dorpskern en een aantal gehuchten in aanmerking. Het grootste deel van deze zones werd in de voorlopige afbakening van de agrarische structuur door Afdeling Land reeds gecatalogeerd als ‘structureel aangetast, uitsluiten uit agrarisch gebied’.
Ruimte -binnen randvoorwaarden- voor aan de landbouw gerelateerde activiteiten Binnen een aantal strikte randvoorwaarden kunnen deze gebieden ook aan de landbouw gerelateerde functies opnemen. Het betreft functies die binnen de overige gebieden van de agrarische structuur ontmoedigd of geweerd worden, omdat een ongecontroleerde inplanting het functioneren van de agrarische structuur kan ondermijnen. De strikte voorwaarden worden hieronder […] nader gespecifieerd. De functies die in multifunctionele landbouwzones onder voorwaarden kunnen worden opgenomen:
– Ruimte voor hobbylandbouw (niet – professionele landbouw)
– Ruimte voor bepaalde vormen van aan de landbouw gerelateerde bedrijven – Aan de landbouw gerelateerde toeleverende en verwerkende bedrijven horen in principe niet thuis in de gebieden van de agrarische structuur. Binnen multifunctionele landbouwzones kan hiervoor in beperkte mate wel ruimte geboden worden voor zover de schaal en de dynamiek inpasbaar is in de omgeving.
– Concreet betekent dit onder meer ruimte voor kleinschalige (lokale) loonwerkers, voor zover de ontsluiting goed is: in de eerste plaats komen de multifunctionele landbouwzones die onmiddellijk aansluiten op een invalsweg, hiervoor in aanmerking.
– Ook kan hier ruimte geboden worden bepaalde vormen van aan de landbouw gerelateerde dienstverlening (zoals veeartsen en dierenasielen).
– Ruimte voor kleinere serres, met randvoorwaarden – Lokaal en individueel afgewogen kan ruimte gelaten worden in de multifunctionele landbouwzones voor (kleinere) serres. Het betreft kleinschalige serres, horend bij een grondgebonden, niet-
veilinggerelateerd tuinbouwbedrijf. De mogelijkheid voor een beperkte kleinhandelsfunctie in functie van thuisverkoop dient afgewogen in functie van de ontsluiting van de locatie.
Kleinhandel als hoofdfunctie is niet mogelijk, maar hoort thuis in de kern.
– Ruimte voor aan de landbouw gerelateerde toeristisch – recreatieve bedrijven
X-16.208-23/29
– toeristisch recreatieve activiteiten gerelateerd aan de landbouw en die verder gaan dan hoevetoerisme. Voorbeelden zijn maneges, kinderboerderijen.
De inplanting dient evenwel nog steeds afgewogen op basis van een verder uit te werken afwegingskader of toetsboek, zodat de dynamiek gebiedsgericht afgestemd kan worden. De toetsingscriteria die in een RUP
moeten uitgewerkt worden, brengen onder meer volgende elementen in rekening: de ontsluitingsmogelijkheden, de verwachte dynamiek op basis van bezoekersaantallen e.a., de mate dat de locatie aansluit op bestaande bebouwingsconcentraties, de verwachte impact op het functioneren van de agrarische structuur.
Bij een functiewijziging van landbouw naar één van deze functies wordt steeds gestreefd naar een maximaal gebruik van bestaande bebouwing en infrastructuur.
Natuurontwikkeling ter realisatie van corridors e.a. kan een nevendoelstelling zijn.”
Zoals de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord terecht opmerkt is het niet – zoals de verzoekende partijen aannemen –
voor de afbakening van multifunctionele landbouwzones, maar voor inrichtingen zoals toeleverende en verwerkende bedrijven, loonwerkersbedrijven, serres, maneges en kinderboerderijen dat de hiervoor geciteerde bepaling een voorafgaande afweging “op basis van een verder uit te werken afwegingskader of toetsboek” voorziet. Daaruit volgt dat het eerste middelonderdeel steunt op een onjuist uitgangspunt.
36. Uit de voor het “Multifunctioneel landbouwgebied” geldende voorschriften (randnr. 20.3) blijkt met zoveel woorden dat “[r]ecreatief medegebruik of plattelandstoerisme” enkel mogelijk is “als ondergeschikte functie aan de landbouw”. Het is dan ook ten onrechte dat de verzoekende partijen in het tweede middelonderdeel voorhouden dat landbouw niet de hoofdbestemming van deze zone zou zijn.
37. Het derde middel wordt verworpen.
X-16.208-24/29
D. Het vierde middel
Uiteenzetting van het middel
38.1. In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 6 en 7 van de habitatrichtlijn, artikel 8 van het natuurbehoudsdecreet, artikel 7 van het op 25 juni 1998 te Aarhus ondertekende verdrag ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’, het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 ‘tot aanwijzing met toepassing van de Habitatrichtlijn van de speciale beschermingszone ‘BE2100026 Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden, moerassen en heiden’ en tot definitieve vaststelling voor die zone en voor de met toepassing van de Vogelrichtlijn aangewezen speciale beschermingszones ‘BE2100424 De Zegge’ en ‘BE2101639 De Ronde Put’ van de bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen en prioriteiten’ (hierna: het besluit van 23 april 2014), evenals van het redelijkheidsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het voorzorgsbeginsel en het materieelmotiveringsbeginsel.
38.2. De verzoekende partijen stellen in hun verzoekschrift dat het habitatrichtlijngebied zich bevindt “op een minimale afstand van ongeveer 300
meter” van het plangebied van het bestreden RUP. Zij merken op dat bij de milieuscreening van het voorgenomen plan geoordeeld is dat er “gezien de ligging” geen aanzienlijke effecten op de soorten en de habitats in het habitatrichtlijngebied zullen zijn en dat daarbij werd erkend dat er een leemte in de kennis is omtrent “een gedetailleerde weergave van verstoringsgevoelige fauna” binnen dit habitatrichtlijngebied. Dat het evident is dat de screeningsnota “niet ernstig” is en dat het bestreden RUP een aanzienlijk negatief milieueffect kan hebben, wordt door de verzoekende partijen meer bepaald als volgt beargumenteerd:
“De bijkomende lozing van water in het Habitatrichtlijngebied kan [...]
van grote (negatieve) invloed zijn op de grote modderkruiper en de kleine modderkruiper die in wateren met een dikke modderlaag leven.
X-16.208-25/29
Vanzelfsprekend kan de toename van water komende van vele hectaren bijkomende verhardingen een invloed hebben op hun levensomstandigheden.”
De screeningsnota vermeldt weliswaar soorten en habitats die voorkomen in het habitatrichtlijngebied, doch dit zijn er aanzienlijk minder dan er zijn aangewezen in het besluit van 23 april 2014, zodat volgens de verzoekende partijen na de laatstgenoemde datum de screening en het openbaar onderzoek moesten zijn overgedaan.
39. In hun memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat de afwatering van het plangebied van het bestreden RUP
“(onrechtstreeks) terecht komt in [het] habitatrichtlijngebied”, zodat de toename van water als gevolg van de bijkomende verhardingen een invloed kan hebben op de levensomstandigheden van de grote en de kleine modderkruiper in het habitatrichtlijngebied.
40. In hun laatste memorie herhalen de verzoekende partijen dat de toename van de waterkwantiteit in het habitatrichtlijngebied nadelig kan zijn voor de aldaar levende grote en kleine modderkruipers.
Beoordeling
41. De Raad van State mag bij het toetsen van de wettigheid van een screeningsbeslissing van de dienst Mer geen eigen beoordeling van de te verwachten milieueffecten van het plan maken. Wel kan hij nagaan of deze dienst in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen, in het licht van de concrete kritiek die in het verzoekschrift wordt aangevoerd, te dezen dat er is voorbijgegaan aan het effect inzake “toename van water” op de in het habitatrichtlijngebied aanwezige grote en kleine modderkruiper.
42. Vooreerst moet worden vastgesteld dat in de screeningsnota uitdrukkelijk wordt beschreven dat de vispopulatie binnen “het gebied in de bovenloop” van het habitatrichtlijngebied onder meer bestaat uit de grote en de
X-16.208-26/29
kleine modderkruiper. Wat die aanwezigheid betreft wordt er in de screeningsnota geenszins een leemte in de kennis erkend.
Verder gaan de verzoekende partijen er aan voorbij dat artikel 3, § 2, van het besluit van 23 april 2014 weliswaar de kleine modderkruiper, doch niet de grote modderkruiper aanwijst, terwijl de screeningsnota beide soorten vermeldt. In die omstandigheden valt niet in te zien waarom het laatstgenoemde besluit de plannende overheid had moeten nopen tot het opmaken van een nieuwe screeningsnota of het organiseren van een nieuw openbaar onderzoek.
43. Voor het overige is het uitgangspunt van het middel dat het bestreden RUP als effect een “toename van water” in het habitatrichtlijngebied heeft.
Vooreerst moet in herinnering worden gebracht dat hiervoor, bij de beoordeling van het tweede middel, de kritiek van de verzoekende partijen inzake de watertoets verworpen is. In de voor het bestreden RUP uitgevoerde watertoets wordt de afwezigheid van een schadelijk effect op het watersysteem onder meer afgeleid uit het gegeven dat de stedenbouwkundige voorschriften zorgen voor een “maximaal hergebruik van afgekoppeld hemelwater van de verharde oppervlakte”. In beginsel zal het hemelwater nadat het aldus is “opgevangen en nuttig verbruikt” afvalwater worden dat terecht zal komen in de in de watertoets vermelde riolering onder de voorliggende straat. Het blijkt niet, en de verzoekende partijen beweren ook niet, dat dergelijk afvalwater terecht zou komen in het habitatrichtlijngebied.
Verder blijken de verzoekende partijen zonder meer aan te nemen dat de herbestemming van het westelijk agrarisch gebied van het gewestplan tot recreatiezone meebrengt dat het bestreden gemeentelijk RUP, in vergelijking met het gewestplan, in substantieel meer te verharden en te bebouwen terreinen voorziet. Daarbij gaan de verzoekende partijen er in de eerste plaats, aan voorbij dat het bestreden gemeentelijk RUP de stijging van de
X-16.208-27/29
recreatieoppervlakte met 23.686 m² mede realiseert binnen het 11.449 m² groot gedeelte van het KMO-gebied van het gewestplan (randnr. 20.7). De verzoekende partijen houden er evenmin rekening mee dat er onder vigeur van het gewestplan in het westelijk agrarisch gebied geen enkele beperking inzake het bebouwen en verharden gold, terwijl de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP verbieden om de 13.850 m² grote “Zone voor groenbuffer” te bebouwen of te verharden.
Uit het voorgaande volgt dat de juistheid van het voornoemde uitgangspunt niet blijkt.
44. De verzoekende partijen tonen met hun betoog de onregelmatigheid van de screeningsnota niet aan.
45. Het vierde middel wordt verworpen.
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt het beroep.
2. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro en op een rechtsplegingsvergoeding die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij, ten bedrage van, zoals door haar gevraagd, 700 euro.
X-16.208-28/29
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.208-29/29
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.295