Court dismisses urgent stay of execution due to applicant's lack of standing as foreign worker lacks legal residence.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent stay of execution against the Flemish Minister's decision to deny a work permit. The applicant argued for the permit based on her employment needs, but the court found she lacked legal standing because her foreign worker was not in legal residence at the time of application. Consequently, the court ruled that the applicant had no legitimate interest in challenging the denial since she could not obtain the permit regardless of the decision's validity.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 1, 6° of the Royal Decree of 9 June 1999; Article 34, 7° of the same Decree: A party lacks standing to challenge a refusal of a work permit if the foreign worker does not possess legal residence rights at the time of application, rendering the outcome independent of the administrative decision's validity.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER
nr. 237.282 van 3 februari 2017
in de zaak A. 221.350/XIV-37.306
In zake: Annie TANT
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Schaarbeek Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen: het VLAAMS GEWEST
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenbergstraat 20
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 27 januari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport van 9 januari 2017 waarbij het beroep tegen de beslissing van het departement Werk en Sociale Economie van 25 augustus 2016 tot weigering van een arbeidsvergunning en een arbeidskaart B voor Kabiratou Nassam Alassani wordt verworpen.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend.
XIV-37.306-1/7
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 februari 2017, om 10.30 uur.
Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Verzoekster dient op 11 augustus 2016 een aanvraag in voor het verkrijgen van een arbeidsvergunning en een arbeidskaart B voor de tewerkstelling van Kabiratou Nassam Alassani. Deze laatste is op 17 april 2016 België binnengekomen met een Benins paspoort, voorzien van een visum voor kort verblijf dat geldig is van 15 april 2016 tot 15 juli 2016.
Met een beslissing van 25 augustus 2016 weigert het departement Werk en Sociale Economie de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart.
Op 20 september 2016 stelt verzoekster administratief beroep in tegen de voormelde beslissing.
XIV-37.306-2/7
De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport beslist op 9 januari 2017 het beroep ongegrond te verklaren en de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart B te weigeren. Dit is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van de vordering - belang
4. In de nota met opmerkingen werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op omwille van gebrek aan belang in hoofde van verzoekster. Kabiratou Nassam Alassani was ten tijde van de aanvraag en ook nadien niet in wettig verblijf in de zin van artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: het koninklijk besluit van 9 juni 1999), zodat de gevraagde arbeidsvergunning en de arbeidskaart moeten worden geweigerd, ook na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing.
5. Ter terechtzitting antwoordt verzoekster op deze exceptie dat de bestreden beslissing niet is gesteund op een onwettig verblijf van Kabiratou Nassam Alassani, zodat de verwerende partij zich niet op die grond kan beroepen om thans tot een gebrek aan belang in hoofde van verzoekster te besluiten.
Beoordeling
6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.
Een verzoekster beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te
XIV-37.306-3/7
lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.
Het belang waarvan een verzoekster blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en hij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar verzoekster moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging haar een concreet voordeel oplevert.
Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekster die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).
7. In artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 wordt wettig verblijf gedefinieerd als “de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.”
Artikel 34, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999, zoals het is ingevoegd bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 6 februari 2003 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: het koninklijk besluit van 6 februari 2003), voorziet in de volgende weigeringsgrond:
“De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer:
[…]
XIV-37.306-4/7
7°op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort”.
Het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 6 februari 2003 stelt inzake de bespreking van de artikelen 2, 6/, en 9:
“Artikel 2, 6° In die nieuwe bepaling wordt verduidelijkt dat behalve in de gevallen bedoeld in 19°en 22°, a), de vrijstellingen opgesomd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 niet van toepassing zijn wanneer ten opzichte van hun begunstigden een definitieve negatieve beslissing werd opgenomen met betrekking tot hun verblijf.
Diezelfde bepaling is ook terug te vinden in artikel 9 van dit besluit, waarin dezelfde reden van weigering van arbeidskaart wordt ingevoegd, evenals in artikel 10 (intrekking arbeidskaart).
Overigens zal er nagedacht worden over een systeem dat het mogelijk maakt om de werkgever ervan in kennis te stellen dat de betrokken persoon hier niet wettig verblijft.
[…]
Artikel 9
Door die bepaling wordt een geval van weigering van toekenning van arbeidskaart of arbeidsvergunning toegevoegd. Voor toelichting wordt verwezen naar de bespreking van artikel 2, 6°, van dit ontwerp.
Er dient vermeld te worden dat diegene die nooit een verblijfsvergunning bekomen heeft natuurlijk onderworpen is aan deze bepaling los van het feit dat er geen eigenlijke negatieve beslissing is, zoals dit bijvoorbeeld het geval zou zijn voor een clandestien.
Deze opmerking is eveneens van toepassing voor artikel 10.”
Met het koninklijk besluit van 6 februari 2003 is dus een nieuwe reden ingevoegd om de arbeidsvergunning te weigeren die betrekking heeft op alle personen die op de datum van de indiening van de aanvraag geen verblijfsrecht genieten, hetzij omdat ze dat recht nog niet hebben verkregen, hetzij omdat ze geen opschortend beroep hebben ingesteld tegen een negatieve beslissing over hun recht op verblijf.
8. Uit het administratief dossier blijkt, hetgeen door verzoekster niet wordt betwist, dat Kabiratou Nassam Alassani België is binnengekomen op 17 april 2016 met een Benins paspoort, voorzien van een visum voor kort verblijf dat geldig is van 15 april 2016 tot 15 juli 2016. Verder blijkt dat verzoekster de
XIV-37.306-5/7
aanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid, heeft ingediend op 11 augustus 2016.
Op het ogenblik van de indiening van de aanvraag voor een arbeidsvergunning en een arbeidskaart was Kabiratou Nassam Alassani derhalve niet in wettig verblijf. Aan dit gegeven wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat Kabiratou Nassam Alassani op 20 juli 2016 een aanvraag om machtiging tot verblijf overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ zou hebben ingediend. Verzoekster bevestigt immers dat zij op 14 september 2016 een “attest van inontvangstname” van de gemeente Overijse heeft ontvangen doch dat ten gronde nog geen beslissing over haar verblijfsaanvraag is genomen.
In deze stand van het geding lijkt verzoekster dan ook geen belang te hebben bij een nietigverklaring van de bestreden beslissing omdat zij ook na een eventuele nietigverklaring geen aanspraak zou kunnen maken op de gevraagde arbeidsvergunning en arbeidskaart omwille van het bepaalde in artikel 34, 7°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat dit thans geen uitdrukkelijk weigeringsmotief zou vormen van de bestreden beslissing.
9. De door de verwerende partij opgeworpen - maar desnoods ook ambtshalve op te werpen - exceptie vertoont een dergelijke graad van ernst, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure moet worden bijgevallen.
V. Conclusie
10. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet-ontvankelijk is.
XIV-37.306-6/7
BESLISSING
1. De Raad van State verwerpt de vordering.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:
Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.
De griffier De voorzitter
Joris Casneuf Carlo Adams
XIV-37.306-7/7
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.282