Court annuls dismissal due to failure to link poor evaluation to disability under Article 208 of Personnel Regulations.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the dismissal of Magda Blondeel for professional unfitness while rejecting her separate appeal regarding her performance evaluation. The court found that the provincial council's decision to dismiss her without explicitly linking her poor evaluation results to the statutory requirement for professional unfitness under Article 208 of the Personnel Regulations was legally flawed. Consequently, the dismissal was set aside, but the evaluation itself was upheld, leaving the employer free to decide on future disciplinary measures.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticle 208 of the Personnel Regulations; Article 208 of the Personnel Regulations: A dismissal for professional unfitness based on a negative performance evaluation must explicitly demonstrate the causal link between the evaluation results and the finding of unfitness; a failure to make this connection renders the dismissal decision void.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Xe KAMER
nr. 237.281 van 3 februari 2017
in de zaken A. 209.492/X-16.010
A. 210.973/X-16.015.
In zake : Magda BLONDEEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispijn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16
bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten Blondeel kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Markt 4
tegen :
de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de beroepen
1. Het beroep, ingesteld op 17 juli 2013 en gekend onder nr. A. 209.492, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de provinciegriffier van de provincie Oost-Vlaanderen van 21 januari 2013 dat het resultaat van de evaluatie van Magda Blondeel voor de evaluatieperiode van 23 mei 2012 tot en met 23 november 2012 “ongunstig – geheel onvoldoende”
blijft.
Het beroep, ingesteld op 6 december 2013 en gekend onder nr. A. 210.973, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de deputatie
X-16.010-16.015-1/27
van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 3 oktober 2013 tot ontslag van Magda Blondeel wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid.
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 226.473 van 19 februari 2014 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zaak A. 210.973 verworpen.
Verzoekster heeft in de zaak A. 210.973 een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend.
Auditeur Jurgen Neuts heeft in beide zaken een verslag opgesteld.
Verzoekster heeft in de zaak A. 209.492 een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in voormelde zaak een laatste memorie ingediend.
Verzoekster heeft in de zaak A. 210.973 een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in voormelde zaak een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2016.
Kamervoorzitter Johan Lust heeft in beide zaken verslag uitgebracht.
X-16.010-16.015-2/27
Advocaat Flore Aerens, die in beide zaken loco advocaten Peter Crispyn en Maarten Blondeel verschijnt voor verzoekster, en advocaat Philippe Dreesen, die in beide zaken loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Jurgen Neuts heeft in beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten
3. Op 21 mei 2012 wordt het functioneren van verzoekster, statutair celhoofd Administratie bij de dienst Patrimonium van de provincie Oost-Vlaanderen, voor de periode van 1 juli 2010 tot 30 juni 2012 “ongunstig –
geheel onvoldoende” geëvalueerd.
Ook over de periode van 23 mei 2012 tot 23 november 2012
beoordelen de evaluatoren, onder wie verzoeksters diensthoofd K.G., op 26 november 2012 het functioneren van verzoekster als “ongunstig – geheel onvoldoende”.
Verzoekster stelt tegen die evaluatie van 26 november 2012
beroep in bij de Beroepscommissie Evaluatie, die na een “tegensprekelijk debat”
op 14 januari 2013 adviseert het ongunstig resultaat, geheel onvoldoende, te behouden en verzoeksters competenties en talenten verder in te zetten in een gepaste functie.
Op grond van dit advies, dat de provinciegriffier letterlijk overneemt, beslist hij dat het ongunstig resultaat van de evaluatie van verzoekster
X-16.010-16.015-3/27
voor de periode van 23 mei 2012 tot 23 november 2012 “ongunstig – geheel onvoldoende” blijft. Dit is de bestreden beslissing in de zaak A. 209.492.
4. Op 27 februari 2013 schrijft de verwerende partij aan verzoekster dat volgens artikel 208 van de rechtspositieregeling de deputatie kan overgaan tot haar ontslag, maar dat vooralsnog werd beslist te onderzoeken wat de mogelijkheden tot heroriëntatie zijn; de dienst Werving en Loopbaan heeft een mogelijkheid tot ambtshalve herplaatsing in een lagere graad naar voor geschoven.
Verzoekster antwoordt op 20 maart 2013 dat niet aan de voorwaarden voor een ambtshalve herplaatsing in een lagere graad is voldaan. Zij doet kennen wel te kunnen instemmen met een ambtshalve herplaatsing in een passende functie van dezelfde rang.
Aangezien verzoekster niet ingaat op het aangeboden alternatief voor een ontslag, wordt zij met een brief van 25 april 2013 opgeroepen voor een hoorzitting op 8 mei 2013. Verwezen wordt naar artikel 208, § 4, van de rechtspositieregeling. Verzoekster is op de hoorzitting afwezig wegens ziekte.
Ook op de uitnodigingen voor een hoorzitting op 6 juni 2013, op 20 juni 2013 en op 19 september 2013 gaat zij om medische redenen niet in.
Uiteindelijk besluit de deputatie op 3 oktober 2013, zonder verzoekster te hebben gehoord of van haar een schriftelijk verweer te hebben ontvangen, haar wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid te ontslaan. Dit is het aangevochten besluit in de zaak A. 210.973.
IV. Samenvoeging
5. Er is reden om de behandeling van de beide zaken wegens verknochtheid samen te voegen.
X-16.010-16.015-4/27
V. Onderzoek van de zaak A. 209.492
A. Tweede middel
Uiteenzetting van het middel
6. Een tweede middel is afgeleid uit de “schending van artikel 180, 202, 193 en 187 Rechtspositieregeling provinciebestuur Oost-
Vlaanderen”.
Toegelicht wordt in de eerste plaats dat verzoekster niet geëvalueerd werd op de competentie “stressbestendig”, noch wat de mate betreft waarin zij beantwoordt aan haar functiebeschrijving (de resultaatgebieden).
Voorts merkt verzoekster op dat het evaluatieverslag van 26 november 2012 blijkens de vermeldingen ervan een periodieke evaluatie is.
Dergelijke evaluatie moet een periode van twee jaar beslaan. Bovendien moest de evaluatieperiode vanaf 1 juli 2012 aanvangen. Ten slotte moeten er tijdens de tweejaarlijkse periodieke evaluatie twee functioneringsgesprekken doorgaan en heeft verzoekster geen kennis van een eerste dergelijk functioneringsgesprek in de loop van het eerste jaar van de lopende periode.
Beoordeling
7. Verzoekster werd op 21 mei 2012 “ongunstig - geheel onvoldoende” geëvalueerd over de periode van 1 juli 2010 tot 30 juni 2012. Zij nam kennis van het evaluatieverslag op 21 mei 2012. Zij maakte geen gebruik van de mogelijkheid om tegen de evaluatie beroep in te stellen bij de Beroepscommissie Evaluatie.
Overeenkomstig artikel 208, § 1, van de toepasselijke rechtspositieregeling kan aan een ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende), “ontslag wegens beroepsongeschiktheid” gekoppeld worden. Wel
X-16.010-16.015-5/27
is, gelet op § 2, de toepassing van dit gevolg alleen mogelijk als uit een tussentijdse evaluatie blijkt dat het personeelslid “nog steeds niet voldoet”. Die tussentijdse evaluatie “wordt uitgevoerd na een termijn van 6 maanden volgend op de kennisgeving aan het personeelslid van het ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende)”.
Dienovereenkomstig werd verzoekster op 26 november 2012
geëvalueerd over de periode van 23 mei 2012 tot 23 november 2012. Rekening houdend met het advies van de Beroepscommissie Evaluatie behoudt de provinciegriffier op 21 januari 2013 het ongunstig resultaat van deze tussenevaluatie. Problematisch blijken inzonderheid de tekortkomingen op het stuk van leidinggeven, coachen en communiceren, die verzoekster zelf de belangrijkste competenties in haar functie noemt.
8. Uit wat voorafgaat, volgt dat de bestreden beslissing van de provinciegriffier niet de gewone periodieke, tweejaarlijkse, evaluatie van artikel 193 van de rechtspositieregeling betreft maar de in artikel 208 specifiek bedoelde “tussentijdse evaluatie”.
9. De verplichting van artikel 187 van de rechtspositieregeling om tijdens de tweejaarlijkse periodieke evaluatie verplicht in twee functioneringsgesprekken te voorzien, is ter zake niet van toepassing.
10. Zoals door voormeld artikel 208 voorgeschreven, ging de termijn van de zes maanden waarop de tussentijdse evaluatie betrekking heeft, lopen vanaf de kennisgeving van het ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende) – dit is op 21 mei 2012, en niet pas op 1 juli 2012.
11. Luidens artikel 180 van de rechtspositieregeling houdt de evaluatie een toetsing in van (lees: aan) het opgedragen takenpakket. Ze gebeurt, aldus artikel 202, op basis van de competenties zoals aangegeven in het competentiehandboek van het provinciebestuur. Volgens de beslissing van de deputatie van de provincieraad tot goedkeuring van het gebruik van het
X-16.010-16.015-6/27
competentiehandboek van 30 april 2008 geeft een competentie aan wat een personeelslid nodig heeft inzake kennis, vaardigheden of attitudes om zijn functie binnen de organisatie efficiënt uit te voeren.
De beslissing van de provinciegriffier van 21 januari 2013 dat verzoekster nog steeds niet voldoet, berust inzonderheid op gebreken inzake de drie competenties die verzoekster zelf het belangrijkst noemt. Dat geen speciale aandacht ging naar de competentie “stressbestendig” vermag geen afbreuk te doen aan die gebreken. Alleszins doet verzoekster dat niet concreet aannemen.
Ter staving dat verzoekster niet voldoet wat de drie vermelde competenties betreft, wordt in de beslissing in beroep van de provinciegriffier van 21 januari 2013 onder meer verwezen naar een onvoldoende doortastend optreden van verzoekster in een aantal dossiers en naar tekortkomingen in het sturen van en communiceren naar de medewerkers. Dit doet ervan blijken dat de beoordeling van de competenties berust op een afweging van de resultaten die verzoekster heeft behaald met betrekking tot de doelstellingen en verwachtingen inzake haar prestaties en taken.
12. Het middel is in zijn geheel ongegrond.
B. Eerste middel
Uiteenzetting van het middel
13. Verzoekster leidt een eerste middel af uit de “[s]chending van de formele en de materiële motiveringsplicht, schending artikel 203 en artikel 205
Rechtspositieregeling provinciebestuur Oost-Vlaanderen”.
In de eerste plaats gaat zij in op het evaluatieverslag van 26 november 2012, dat zij verwijt zowel niet afdoende formeel gemotiveerd te zijn als op ondeugdelijke motieven te berusten.
X-16.010-16.015-7/27
Wat de formele motivering betreft, zegt verzoekster niet te kunnen begrijpen “op grond van welke feitelijke en juridische gegevens deze beslissing is genomen en hoe ze aldus afdoende kan worden verantwoord”:
- Het evaluatieverslag behelst een lijst van competenties, onderverdeeld in een aantal gedragsindicatoren. Het is niet duidelijk hoe en volgens welke meettechniek de gedragsindicatoren zijn beoordeeld, noch op welke wijze uit de score voor de gedragsindicatoren is besloten tot het resultaat voor de competenties. Bovendien blijkt de beoordeling van de gedragsindicatoren soms tegenstrijdig. Ook worden bij verschillende competenties twee beoordelingen gegeven die mekaar uitsluiten.
- De beoordeling van een competentie als “niet ontwikkeld” vereist dat de taakuitoefening er onder lijdt. Uit niets blijkt dat verzoeksters taakuitoefening heeft geleden door het gemis van een competentie.
- Voor de eindbeoordeling “geheel onvoldoende” moet er gevaar zijn voor de goede uitoefening van de functie en de job of de goede werking van de dienst.
Niets bewijst dit in het geval van verzoekster.
- Men kan verzoekster niet vragen om tegelijk meer én minder kritisch te zijn.
- Het beschrijvend, kwalitatief gedeelte in het evaluatieverslag is bijzonder vaag en cryptisch, “zonder werkelijke aanknopingspunten met concrete feiten”. “In tegendeel” worden er ook positieve bemerkingen in gemaakt. De evaluatoren maken een onderscheid tussen essentiële en minder essentiële competenties waarvoor geen grond in het statuut bestaat. Meer nog, zij zien ook “zin voor initiatief” als een essentiële competentie, terwijl die competentie niet bestaat of niet van toepassing is op verzoekster.
Wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht door het evaluatieverslag van 26 november 2012 aangaat, voert verzoekster aan:
- De motivering kan de gegeven “quotering op een schaal” niet schragen. “Indien men iemand beoordeelt aan de hand van een schaal [...] dient ook te blijken vanaf wanneer een competentie als niet, matig, voldoende dan wel sterk ontwikkeld kan worden beoordeeld.” Zo niet is er sprake van willekeur, zoals te dezen wordt bewezen door meerdere dubbele quoteringen.
X-16.010-16.015-8/27
- Blote beweringen worden gelanceerd zonder ook maar één enkele verwijzing naar feitelijke gegevens en verschillende beoordelingen worden geformuleerd in algemene, nietszeggende bewoordingen.
- De tweede gedragsindicator van de competentie “belangstellingsbreedte” is niet gemeten.
- De beschrijvende eindbeoordeling is een samenraapsel van wat vermeld staat bij de beoordelingen van de competenties, “zonder onderbouwing van concrete feiten”. Tevens worden twee rubrieken toegevoegd, people management en change management, die geen van beide “als dusdanig” een te evalueren competentie uitmaken.
- Bij herhaling wordt verzoekster een gebrek aan initiatief verweten, ofschoon die competentie niet in verzoeksters functiebeschrijving is opgenomen en niet op haar van toepassing is.
- Van het evaluatiegesprek is geen enkel spoor terug te vinden.
Vervolgens doet verzoekster met betrekking tot het advies van de Beroepscommissie Evaluatie en de beslissing van de provinciegriffier van 21 januari 2013 gelden:
- De verwijzing in het verslag van de hoorzitting bij de Beroepscommissie Evaluatie, ter weerlegging van verzoeksters klacht over de vaagheid van de evaluatie en de functioneringsgesprekken, naar slechts twee voorbeelden kan onmogelijk de diverse beoordelingen in het evaluatieverslag concreet duiden en nog minder tot de eindbeoordeling “geheel onvoldoende” leiden.
- Inzake de competentie “leidinggeven” worden een viertal dossiers opgesomd zonder dat geconcretiseerd wordt “waarin verzoekster dan wel verkeerd zou hebben gehandeld”. Het is aan de verwerende partij om dat aan te tonen. Het dossier “alternatieve verwarming” betreft overigens een voorval van na de evaluatieperiode. Noch kwantitatief, noch kwalitatief kunnen de vier dossiers de beslissing van 21 januari 2013 dragen.
- Wat de competenties “coachen” en “communiceren” betreft, worden alleen maar de vage formuleringen in het evaluatieverslag herhaald.
- De beslissing van 21 januari 2013 houdt slechts rekening met drie competenties niettegenstaande verzoekster beoordeeld werd op vijftien competenties.
X-16.010-16.015-9/27
- Er wordt geen melding gemaakt van de wettelijke bepalingen inzake de evaluatie. Het evaluatieverslag maakt uitdrukkelijk melding van een periodieke evaluatie, terwijl, gelet op de artikelen 191 en volgende van de rechtspositieregeling, een dergelijke evaluatie in principe twee jaar beslaat.
Beoordeling
14. Verzoekster betwist niet dat er naar aanleiding van het evaluatieverslag van 26 november 2012 een evaluatiegesprek heeft plaatsgehad.
Wel heeft zij er kritiek op dat er in strijd met artikel 210 van de rechtspositieregeling geen verslag over opgemaakt is.
Een dergelijk verslag is ten eerste niet vereist. Artikel 210, § 2, bepaalt dat van het evaluatiegesprek, waarin het evaluatieverslag wordt geduid, “geen apart verslag” – naast het evaluatieverslag – wordt opgemaakt.
Het is ten tweede niet relevant, want hoe dan ook niet van aard om de beslissing in beroep van de provinciegriffier aan te tasten.
15. Tegen de evaluatie van 26 november 2012 is door verzoekster een met redenen omkleed beroep ingesteld bij de Beroepscommissie Evaluatie, die verzoekster en de evaluatoren “in een tegensprekelijk debat” heeft gehoord en vervolgens een gemotiveerd advies heeft uitgebracht. Het is vervolgens op basis van dit advies dat de provinciegriffier zijn beslissing van 21 januari 2013 heeft genomen en meer bepaald beslist heeft om de evaluatie niet aan te passen, maar te behouden.
Tegen die beslissing kunnen niet nuttig grieven worden ingebracht die uitsluitend verband houden met het initiële evaluatieverslag van 26 november 2012. Dat geldt niet alleen voor verzoeksters kritiek met betrekking tot het evaluatiegesprek van artikel 210 en de afwezigheid van een verslag erover, maar evengoed de grieven die zij uit ten aanzien van de beoordeling in, en vermeldingen van, het evaluatieverslag, in zoverre althans de provinciegriffier
X-16.010-16.015-10/27
niet geacht moet worden die beoordeling en vermeldingen tot de zijne te hebben gemaakt in zijn beslissing in beroep van 21 januari 2013.
16. Het evaluatieverslag van 26 november 2012 bevat een beoordeling van vijftien competenties, evenals per competentie een beoordeling van meerdere gedragsindicatoren, zijnde “stellingen waarop men kan afwegen in hoeverre men een competentie bezit of waar men ze moet ontwikkelen”.
Conform artikel 204 van de rechtspositieregeling is de beoordeling van de indicatoren per competentie gebeurd door het aankruisen, al naargelang van het geval, van “nooit”, “soms”, “vaak”, “altijd”. Meestal is daarbij ook een “toelichting” onder woorden gebracht.
Conform artikel 203 van de rechtspositieregeling is de beoordeling van de verschillende competenties gebeurd aan de hand van de schaal “niet ontwikkeld”, “matig ontwikkeld”, “voldoende ontwikkeld”, “sterk ontwikkeld”.
Ook bevat het evaluatieverslag een eindbeoordeling, die overeenkomstig artikel 205 van de rechtspositieregeling is gemotiveerd door een beschrijvend, kwalitatief verslag van drie bladzijden.
17. Een en ander volstaat opdat de evaluatie als afdoende formeel gemotiveerd kan worden beschouwd. Meer in het bijzonder is daartoe niet vereist dat ook wordt aangegeven vanaf welke precies bepaalde frequentie een gedragsindicator als “nooit” voorhanden wordt geacht, of als “soms”, “vaak” of “altijd”, noch op welke exact te meten wijze uit de beoordeling van de gedragsindicatoren tot de score voor de bewuste competentie wordt gekomen.
Anders dan verzoekster lijkt te menen, zijn de betrokken beoordelingen, die weliswaar binnen de grenzen van de redelijkheid moeten blijven, geen wiskundige berekeningen waarvan het resultaat louter af te leiden is uit de toepassing van precies afgelijnde maatstaven. Daarom ook mag het niet
X-16.010-16.015-11/27
verwonderen, en is het niet foutief te achten, dat bij sommige gedragsindicatoren zowel “soms” als “vaak” werd aangekruist en dat in sommige gevallen de beoordeling van de competenties, op grond van de gedragsindicatoren, zich niet liet vatten in een eenduidig “niet ontwikkeld” of “matig ontwikkeld” of “voldoende ontwikkeld” of “sterk ontwikkeld”.
18. Wat de inhoudelijke merites van de evaluatie van 26 november 2012 betreft, meent verzoekster dat een competentie alleen als “niet ontwikkeld”
mag worden beschouwd als bewezen wordt dat de taakuitoefening er effectief onder geleden heeft.
De Raad van State volgt die zienswijze niet. Als reeds gezegd, geeft een competentie per definitie aan wat een personeelslid nodig heeft om zijn functie efficiënt uit te voeren. Het gemis van de competentie is dus ipso facto bezwaarlijk voor de taakuitoefening.
19. De tegenspraak die verzoekster hierin meent te zien doordat, enerzijds, haar wordt tegengeworpen dat zij haar medewerkers niet zou aansturen en dat zij meer kritisch moet zijn en doordat, anderzijds, haar is afgeraden om de kritiek op de andere cellen ter sprake te brengen op het wekelijks overleg met de celhoofden, bestaat niet. Het gaat er om, zoals in het auditoraatsverslag wordt opgemerkt, waartegen verzoekster zich kritisch moet opstellen: dat is kennelijk in de eerste plaats ten opzichte van het eigen functioneren en het functioneren van de eigen cel.
20. Ook valt de Raad van State niet de grief van verzoekster bij dat, in strijd met artikel 205 van de rechtspositieregeling, uit niets zou blijken dat bij haar de nodige competenties maar in die mate, of zelfs niet, zijn ontwikkeld “dat het kritisch is voor de goede uitoefening van de functie en [...] dat de job er ernstig onder lijdt en/of de goede werking van [de] dienst erdoor in het gedrang komt”.
X-16.010-16.015-12/27
Verzoekster kreeg op 21 mei 2012 de evaluatie “geheel onvoldoende”, wat betekent: “de nodige competenties zijn niet of matig ontwikkeld in die mate dat het kritisch is voor de goede uitoefening van de functie en in die mate dat de job er ernstig onder lijdt en/of de goede werking van [de] dienst erdoor in het gedrang komt”. Zij heeft die evaluatie niet betwist.
In zijn tussentijdse evaluatie, na een termijn van zes maanden, oordeelt de provinciegriffier dat zij nog steeds niet voldoet.
Anders dan de evaluatoren deden in het evaluatieverslag van 26 november 2012, hanteert de provinciegriffier daartoe geen eigenmachtig gemaakt onderscheid tussen essentiële competenties en andere, noch brengt hij de probleempunten samen onder thema’s als “people management” en “change management”, noch houdt hij rekening met een competentie “zin voor initiatief”.
De kritiek die verzoekster in dit verband geeft, is dan ook niet dienend, omdat ze niet op de beslissing in beroep van de provinciegriffier betrokken en toegepast kan worden.
Zich baserend op het tegensprekelijk debat bij, en het advies van, de Beroepscommissie Evaluatie, doet de provinciegriffier zijn beslissing om het evaluatieresultaat “ongunstig - geheel onvoldoende” te behouden wezenlijk berusten op de beoordeling van drie competenties: leidinggeven, coachen en communiceren – zijnde de drie competenties die verzoekster zelf de belangrijkste vindt in haar functie.
Wat verzoeksters tekortkomingen op die punten concreet inhouden en wat de weerslag ervan op haar dienst is, wordt als volgt toegelicht en gestaafd in het advies van de Beroepscommissie Evaluatie, dat door de provinciegriffier letterlijk en integraal wordt overgenomen:
“Leidinggeven:
- Als een rode draad doorheen de toelichtingen/beschrijvende eindbeoordeling en verhoor komt naar voor dat appellant beperkte leidinggevende kwaliteiten heeft waarbij ze moeilijk doortastend kan ingrijpen. De eerste evaluator is gedwongen in een aantal
X-16.010-16.015-13/27
dossiers (dossier Melsenbeek, implementatie 3P, aanspreken medewerkers dienst appellant) een deel van het takenpakket van appellant naar zich toe te trekken. Van een leidinggevende mag een grotere doortastendheid en initiatief verwacht worden.
Appellant is weinig conflictbeheersend.
- In het dossier van de alternatieve verwarming in een gehuurd gebouw is gebleken dat de aanpak en inschatting ondermaats was.
In de wetenschap dat het electriciteitsnet de alternatieve verwarming niet aankon, werd er louter gecommuniceerd en niet proactief gehandeld. Er was geen reflectie of de alternatieve verwarming wel een goede oplossing was en achteraf was er geen controle. Ook dit dossier werd uiteindelijk aan appellant onttrokken.
- Appellant vraagt veel sturing van haar leidinggevenden.
Coachen:
- De bereidheid tot coachen is ongetwijfeld aanwezig maar appellant staat inhoudelijk niet sterk en stuurt weinig aan. De inbreng is niet wat van een leidinggevende mag verwacht worden, zeker gekoppeld aan het feit dat zij weinig kritische zin, creativiteit en initiatief ontplooit.
Communiceren:
- Opnieuw loopt als rode draad doorheen de toelichtingen/beschrijvende eindbeoordeling en verhoor dat appellant te weinig inbreng heeft door een gebrek aan initiatief, visie en plan van aanpak. Ook in de toelichting van het laatste evaluatieverslag over de competentie kritisch denken wordt dit duidelijk verwoord.
- Sturing en communicatie naar de medewerkers op de dienst van appellant is onvoldoende.
- Communicatie naar derden zonder proactief initiatief is niet voldoende (zie dossier alternatieve verwarming). Dit wordt bevestigd in de toelichting rond competentie klantgerichtheid (o.a.
weinig inhoudelijk sterk, waardoor weinig adequaat).”
21. Dat het “dossier Melsenbeek” te lang bleef aanslepen wordt door verzoekster tijdens de hoorzitting bij de Beroepscommissie Evaluatie bevestigd. Eveneens bevestigde zij er dat de “implementatie 3P” “heel moeilijk”
is gegaan.
Ook het gebrek aan proactief en doortastend handelen inzake het “dossier alternatieve verwarming” blijkt niet te worden betwist, weze het dat de verwerende partij dan weer van haar kant niet betwist dat het dossier maar half december 2012, dus na de evaluatieperiode, aan de orde was.
X-16.010-16.015-14/27
Voorts geeft verzoekster tijdens de hoorzitting bijvoorbeeld aan “dat ze al eerder opmerkingen kreeg over de manier waarop ze haar medewerkers stuurt maar dat ze er nu pas echt aan beginnen werken is”, en dat ze diverse opleidingen rond leidinggeven heeft gevolgd en er veel van opgestoken heeft, “maar veel te laat, de periode was te kort om hier effectief iets mee te doen”.
Op een vraag, tijdens de hoorzitting, aan de evaluatoren of zij de vaagheid van de evaluatie en functioneringsgesprekken erkennen, dan wel tijdens de gesprekken concrete zaken hebben aangehaald, antwoordt diensthoofd K.G. dat hij dat dagelijks doet en dikwijls concrete voorbeelden heeft gegeven.
Hij noemt er twee. Opvallend genoeg is verzoeksters reactie hierop niet dat de bewering van K.G. en de voorbeelden onjuist zouden zijn, maar alleen dat ze niet voldoende zijn ten aanzien van de formelemotiveringsplicht: “Het is niet omdat iemand een formele motivering kent dat er aan de plicht van de formele motivering voldaan is”.
22. In de gegeven omstandigheden kan verzoekster er niet van overtuigen dat het de bestreden beslissing van de provinciegriffier aan een voldoende vaststaande feitelijke grondslag ontbreekt en dat, integendeel, haar competenties en functioneren na de ongunstige evaluatie van 21 mei 2012 in die zin geëvolueerd zouden zijn dat de goede werking van de dienst geen gevaar meer loopt en dat zij is gaan voldoen.
23. Terecht verwijst de provinciegriffier in zijn besluit voor de juridische grondslag ervan naar het artikel 237 van de rechtspositieregeling, dat erin voorziet dat het hoofd van personeel binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van het advies van de Beroepscommissie Evaluatie beslist over het gevolg aan het beroep.
Dat de beslissing waartegen het beroep gericht is, een tussentijdse evaluatie betreft als bedoeld in artikel 208, § 2, van de rechtspositieregeling hoefde des te minder door de provinciegriffier te worden geëxpliciteerd waar immers verzoekster zelf in haar beroepschrift (p. 6) zich
X-16.010-16.015-15/27
uitdrukkelijk erop beriep dat de betwiste evaluatie van 26 november 2012 een tussentijdse evaluatie overeenkomstig artikel 208, § 2, van de rechtspositieregeling betreft.
24. Dat vijftien competenties werden getoetst en verzoekster door de provinciegriffier uiteindelijk ongunstig wordt beoordeeld vanwege tekortkomingen op het stuk van slechts drie ervan – te weten leidinggeven, coachen en communicatie – maakt geen onwettigheid uit.
In dit licht is het dan ook zonder relevantie dat er met betrekking tot de competentie “belangstellingsbreedte” beweerdelijk één gedragsindicator ten onrechte niet zou zijn afgewogen.
25. Evenmin is het onwettig dat er bij de evaluatie, weze het in graad van eerste of tweede administratieve aanleg, ook positieve opmerkingen over verzoekster zijn gemaakt. Het is van aard te staven dat de evaluatie op een evenwichtige afweging berust.
26. Het middel wordt in al zijn onderdelen verworpen.
C. Derde middel
Uiteenzetting van het middel
27. In een derde middel voert verzoekster de schending aan “van de Wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel (syndicale wet) en het KB van 29 augustus 1985 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel”.
Verzoekster legt uit dat het competentiehandboek aan de grondslag ligt van onder meer de evaluaties en hoe dan ook een belangrijk
X-16.010-16.015-16/27
instrument is, zo al niet hét instrument voor competentiemanagement. Het is bijgevolg onderhandelingsmaterie, minstens een overlegmaterie.
Beoordeling
28. Uit de artikelen 201 en 202 van de rechtspositieregeling is af te leiden:
- dat het competentiehandboek de beschrijvingen bevat van alle relevante organisatiegebonden competenties;
- dat de inhoud ervan wordt vastgelegd door het hoofd van personeel, die ook per functiebeschrijving vastlegt welke competenties uit het competentiehandboek van toepassing zijn.
In zijn verslag stelt de auditeur vast dat, zoals blijkt uit het protocol van 18 januari 2010 met betrekking tot de beëindiging van de onderhandelingen in de schoot van het bijzonder onderhandelingscomité over het ontwerp van het provincieraadsbesluit tot vastlegging van de functiebeschrijvingen, de verwerende partij wel degelijk met de representatieve vakorganisaties onderhandeld heeft over de functiebeschrijving van het ambt waarin verzoekster ongunstig is geëvalueerd (celhoofd Administratie bij de dienst Patrimonium), welke functiebeschrijving de betrokken kern-, gedrags- en technische competenties omvat.
29. In deze omstandigheden vraagt de Raad van State zich, met de auditeur in zijn verslag, af welk belang verzoekster er nog bij heeft dat het competentiehandboek niet zelf aan onderhandelingen of overleg werd onderworpen.
Verzoekster slaagt er niet in ter zake alsnog van een toereikend belang te overtuigen. Noch het feit dat het vaststellen van het competentiehandboek een belangrijke aangelegenheid is en een impact heeft op het tewerkgesteld personeel, noch het argument dat het een algemene draagwijdte bezit en ook aan de basis ligt van andere maatregelen dan enkel de
X-16.010-16.015-17/27
functiebeschrijving, zijn van aard in hoofde van verzoekster een belang te doen aannemen in de specifiek voorliggende casus.
30. Ook het derde en laatste middel in de zaak A. 209.492 wordt verworpen.
VI. Onderzoek van de zaak A. 210.973
A. Vooraf
31. Verzoekster voert acht middelen aan. De eerste drie stemmen woordelijk overeen met de middelen in de zaak A. 209.492. Van de overige middelen worden in het auditoraatsverslag het vijfde en het achtste (gedeeltelijk)
onderzocht.
B. Vijfde middel
Uiteenzetting van het middel
32. Verzoekster leidt een vijfde middel af uit de “schending van artikel 208, §3 RPR en de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur”.
Toegelicht wordt dat de hoorplicht inhoudt dat de betrokkene nuttig, dit is met kennis van zaken, moet worden gehoord. Dit vereist dat hem op voorhand wordt meegedeeld welke maatregel tegen hem wordt overwogen.
Voorts argumenteert verzoekster dat zij met een brief van 25 april 2013 is opgeroepen voor een hoorzitting op 8 mei 2013, maar dat zij om medische redenen niet aanwezig kon zijn. Zij werd “gezien haar afwezigheid om medische redenen” dan nog een drietal keer opgeroepen, waarbij er in deze oproepingen geen bijkomende uitleg werd verstrekt. Uiteindelijk is verzoekster niet gehoord vooraleer de deputatie tot ontslag overging. Zij heeft nochtans duidelijk te kennen gegeven dat zij geen afstand doet van haar recht om gehoord
X-16.010-16.015-18/27
te worden en dat de oproepingen tot de hoorzittingen onduidelijk waren, reden waarom zij hierover juist duidelijkheid vroeg.
Beoordeling
33. Luidens artikel 208 van de rechtspositieregeling kan aan een ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende) ontslag wegens beroepsongeschiktheid gekoppeld worden (§ 1). Evenwel is ontslag wegens beroepsongeschiktheid alleen mogelijk als uit een tussentijdse evaluatie, uitgevoerd na een termijn van zes maanden, blijkt dat het personeelslid nog steeds niet voldoet (§ 2). De deputatie beslist over de toepassing van dit gevolg en hoort het personeelslid erover (§ 3). Het personeelslid kan zich tijdens de hoorzitting niet laten vertegenwoordigen, maar wel laten bijstaan door een raadsman; indien het personeelslid door overmacht niet aanwezig kan zijn, kan een schriftelijk verweer worden ingediend (§ 4).
34. In een eerste fase na de beslissing van de provinciegriffier van 21 januari 2013 werd door de verwerende partij gezocht naar mogelijkheden “tot heroriëntering” van verzoekster.
Met een brief van 27 februari 2013 is aldus aan verzoekster meegedeeld dat, volgens artikel 208 van de rechtspositieregeling, de deputatie in haar dossier kan overgaan tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid, dat de deputatie beslist heeft om dit vooralsnog niet te doen en om de mogelijkheid tot heroriëntatie te onderzoeken, en dat na onderzoek door de dienst Werving en Loopbaan een mogelijkheid tot ambtshalve herplaatsing in een lagere graad naar voor is geschoven.
Verzoekster antwoordt er met een brief van 20 maart 2013 op dat voor een ambtshalve herplaatsing in een lagere graad niet is voldaan aan de voorwaarden daartoe. Wel zegt zij te kunnen instemmen met een ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang.
X-16.010-16.015-19/27
35. De deputatie richt hierna, op 25 april 2013, volgend schrijven tot verzoekster:
“In zitting van 7 februari 2013 besliste de deputatie vooralsnog niet over te gaan tot ontslag maar verder te onderzoeken naar de mogelijkheden tot heroriëntering. Er werd u per brief van 27 februari 2013 een alternatief aangeboden. U besliste niet in te gaan op dit geboden alternatief, uw advocaat bracht ons hiervan per brief op de hoogte.
In zitting van 11 april 2013 werd uw beslissing voorgelegd aan de deputatie. De deputatie besliste over te gaan tot een hoorzitting.
U wordt naar aanleiding van die beslissing uitgenodigd voor een hoorzitting. Deze vindt plaats op woensdag 8 mei 2013 om 11u30. U wordt verwacht in de deputatiezaal van het Provinciehuis, Gouvernementstraat 1
te Gent.
Overeenkomstig artikel 208, §4 van de rechtspositieregeling, heeft u het recht zich te laten bijstaan door een raadsman, u kan zich weliswaar niet laten vertegenwoordigen. Indien u door overmacht niet aanwezig kan zijn op de hoorzitting, kan er een schriftelijk verweer ingediend worden.”
De boodschap in de brief kan bezwaarlijk verkeerd worden begrepen: nu verzoekster niet op het geboden alternatief voor een ontslag wil ingaan, wordt zij opgeroepen om door de deputatie te worden gehoord;
daaromtrent wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikel 208, § 4, van de rechtspositieregeling, welk voorschrift exclusief betrekking heeft op de hoorzitting in het kader van de toepassing van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ten gevolge van een ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende).
36. Omdat verzoekster wegens ziekte afwezig blijft, wordt zij met een brief van 23 mei 2013 uitgenodigd voor een nieuwe hoorzitting, op 6 juni 2013. Die brief begint als volgt: “Naar aanleiding van uw ongunstige evaluatie werd u met brief van 25 april 2013 door de deputatie uitgenodigd voor een hoorzitting op woensdag 8 mei 2013 om 11u30”. Weer wordt de regeling van artikel 208, § 4, van de rechtspositieregeling expliciet in herinnering gebracht.
Verzoekster laat op 4 juni 2013 weten om medische redenen niet aanwezig te zullen zijn op 6 juni 2013. Zij maakt geen gewag van enige onduidelijkheid omtrent de reden voor de hoorzitting en dient evenmin een schriftelijk verweer in.
X-16.010-16.015-20/27
37. Met een brief van 7 juni 2013 nodigt de deputatie verzoekster een derde keer uit naar een hoorzitting, nu op 20 juni 2013. Meegedeeld wordt onder meer: “Om de deputatie toe te laten met kennis van zaken een beslissing te nemen bepaalt artikel 208, §3 RPR dan ook dat de deputatie het betrokken personeelslid hierover hoort”. Artikel 208, § 3, schrijft, als reeds gezien, voor dat de deputatie beslist “over de toepassing van dit gevolg”, zijnde de toepassing van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid, en dat zij het betrokken personeelslid “hierover” hoort.
In de brief wordt eveneens erop gewezen dat verzoekster haar standpunt ook schriftelijk kan uiteenzetten.
Verzoekster mailt op 14 juni 2013 dat zij niet aanwezig zal zijn wegens ziekte.
38. De deputatie nodigt met een schrijven van 2 september 2013
verzoekster een vierde keer naar een hoorzitting uit, op 19 september 2013.
Verzoekster deelt met een brief van 16 september 2013 mee om medische redenen niet aanwezig te kunnen zijn, maar geen afstand te doen van haar recht om persoonlijk gehoord te worden.
In een brief van 18 september 2013 voegt zij daar aan toe dat het schrijven van de deputatie van 2 september 2013 “toch enige onduidelijkheid creëert”: enerzijds laat de brief uitschijnen dat hij kadert “binnen de hoorplicht ex art. 208§3 en 4”, maar in dat geval moest verzoekster voorafgaandelijk kennis hebben gekregen van de aard van de maatregel die wordt overwogen evenals van de “motivatie (feiten en grieven)” hiertoe, terwijl een “voorgestelde maatregel”
nu niet voorligt; anderzijds verwijst het schrijven van 2 september 2013 naar de ongunstige evaluatie, maar die evaluatieprocedure is al afgesloten en een hoorzitting in het kader van de evaluatieprocedure is geen hoorzitting zoals die waaraan de brief refereert “middels art. 208§3 en 4 RPR”. Gevraagd wordt “enige
X-16.010-16.015-21/27
duidelijkheid te verschaffen omtrent uw bedoeling met de uitnodiging [...] tot de door u voorgestelde ‘hoorzitting’”.
De onduidelijkheid die er zogenaamd in bestaat dat in verband met de hoorplicht ex artikel 208, §§ 3 en 4, gerefereerd wordt aan een ongunstige evaluatie, is een artificiële, niet bestaande onduidelijkheid.
Artikel 208, §§ 3 en 4, betreft nu eenmaal de hoorzitting vóór de deputatie over de toepassing van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid, als eventueel gevolg van een ongunstig evaluatieresultaat. De overwogen maatregel en de redenen daarvoor (“motivatie”) lijden geen twijfel. De twijfel die verzoekster voor het eerst in haar brief van 18 september 2013 doet gelden, is ongeloofwaardig.
39. Finaal besluit de deputatie op 3 oktober 2013 om verzoekster te ontslaan wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid. Met betrekking tot de hoorplicht wordt in het besluit onder andere overwogen:
“Het personeelslid heeft het bij het verkeerde eind wanneer hij meent dat hij onder alle omstandigheden de gelegenheid moet hebben om in persoon en mondeling voor het bestuur zijn verweer voor te dragen en tegenspraak te voeren. Het algemeen rechtsbeginsel vereist dit niet. Hetzelfde geldt voor het vereiste uit het statuut dat geen beslissing kan worden genomen dan nadat de betrokkene is gehoord. Er kunnen afdoende redenen zijn om het personeelslid niet letterlijk te horen. Het bestuur is niet verplicht om de behandeling van de zaak telkenmale uit te stellen en de procedure nodeloos op te houden. Het personeelslid moet enkel voldoende in de mogelijkheid zijn gesteld om zijn middelen van verweer te doen aannemen.”
40. Uit al het voorgaande concludeert de Raad van State dat het verzoekster redelijkerwijze genoegzaam duidelijk was, minstens moest zijn, dat zij door de verwerende partij werd uitgenodigd om te worden gehoord naar aanleiding van de eventuele toepassing van het in artikel 208 van de rechtspositieregeling bedoelde ontslag wegens beroepsongeschiktheid omdat zij een ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende) had opgelopen en uit een tussentijdse evaluatie was gebleken dat zij nog steeds niet voldeed.
X-16.010-16.015-22/27
Voorts blijkt uit het voorgaande dat verzoekster, ook na vier oproepingen en meer dan zes maanden uitstel, nog altijd niet letterlijk kon worden gehoord en evenmin, ofschoon zij bij herhaling op die mogelijkheid is gewezen, een schriftelijk verweer wilde indienen. Zij doet niet aannemen dat in die omstandigheden de in het vorige randnummer aangehaalde motivering onvoldoende is ter verantwoording dat de deputatie uiteindelijk tot het nemen van haar beslissing van 3 oktober 2013 is overgegaan zonder haar mondeling of schriftelijk te hebben gehoord.
41. Het middel wordt verworpen.
B. Achtste middel
Standpunt van de partijen
42. In een achtste middel noemt verzoekster onder meer de artikelen 35 en 54 van het provinciedecreet geschonden. Uit die bepalingen volgt, aldus verzoekster, dat de stemming inzake individuele personeelszaken geheim moet gebeuren, terwijl noch uit de beslissing van de deputatie noch uit enig ander stuk blijkt dat ter zitting van de deputatie van 3 oktober 2013 geheim werd gestemd over de beslissing tot ontslag.
43. De verwerende partij werpt ter zake in de memorie van antwoord tegen dat het vereiste van de geheime stemming slechts een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, dat er in het bestuursrecht geen ongeschreven beginsel bestaat dat een collegiaal orgaan verplicht over personeelsaangelegenheden steeds geheim te stemmen, dat niet blijkt in welk opzicht de vrijheid en onafhankelijkheid van de leden van de deputatie in het gedrang zouden zijn gekomen, en dat er geen sprake is van enige belangschade bij verzoekster, aangezien zij geen enkele betwisting of argumentatie liet gelden.
Het middelonderdeel verandert aldus de verwerende partij “niets aan de enige keuze waarvoor de deputatie zich geplaatst heeft gezien ten
X-16.010-16.015-23/27
gevolge van enerzijds de weigering om in te stemmen met een alternatief en anderzijds op eigen verantwoordelijkheid te hebben nagelaten argumenten aan te dragen op grond waarvan niet tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid zou moeten worden gekomen”.
44. Ook nog in de laatste memorie blijft de verwerende partij erbij “dat het ontslag wegens beroepsongeschiktheid de enige (resterende) beslissing is (en blijft) voor de deputatie. Het moeten hernemen van de procedure na een gebeurlijke vernietiging kan enkel leiden tot eenzelfde beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid”. Hieruit volgt, volgens haar, “dat de waarborg van vrijheid en onafhankelijkheid van de individuele leden van de deputatie in het voorliggende geval niet relevant is”. Overigens zijn de vergaderingen van de deputatie niet openbaar en besloten, wat “evenzeer reeds tot doel [heeft] de vrijheid en onafhankelijkheid van de individuele leden van de deputatie te vrijwaren”.
Beoordeling
45. Uit artikel 35, § 2, 3°, iuncto artikel 54, vierde lid, van het provinciedecreet volgt dat de deputatie geheim stemt over individuele personeelszaken.
Ofschoon de toepassing van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid zo een individuele personeelszaak uitmaakt, blijkt niet, en wordt zelfs niet beweerd, dat de deputatie geheim heeft gestemd over haar beslissing van 3 oktober 2013 tot ontslag van verzoekster wegens beroepsongeschiktheid.
46. Zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 218.453 van 13 maart 2012 heeft overwogen, bestaat er in het bestuursrecht geen ongeschreven beginsel dat een collegiaal orgaan verplicht om in tuchtaangelegenheden geheim te stemmen, maar is het in principe aan de bevoegde regelgever om te bepalen of een stemming van een collegiale vergadering over tuchtzaken al dan niet geheim
X-16.010-16.015-24/27
moet zijn. Aan die regelgever komt het toe om, rekening houdend met de samenstelling en de situatie van de leden van het collegiaal orgaan en met de positie van de personen die het voorwerp zijn van een stemming inzake tucht, te appreciëren wat de risico’s van interne of externe druk op het stemgedrag van de leden kunnen zijn en om uit te maken of de stemming geheim moet zijn.
Zich van die inschatting kwijtend, heeft de decreetgever het nodig geoordeeld voor de deputatie in de verplichting te voorzien om over individuele personeelszaken geheim te stemmen. De daarmee – ook aan het betrokken personeelslid – verstrekte waarborg dat de leden van de deputatie hun stem vrij en onafhankelijk kunnen uitbrengen, wordt niet overbodig door het eventuele besloten karakter van de vergadering. Dit besloten karakter beveiligt alleen tegen de externe druk door de aanwezigheid van een publiek.
47. Dat het voorschrift van de geheime stemming niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, belet geenszins dat de overtreding ervan de wettigheid van het betrokken besluit aantast.
48. Ten onrechte betwist de verwerende partij verzoeksters belang bij het besproken middelonderdeel omdat het opgelegde ontslag beweerdelijk de enig mogelijke, resterende beslissing voor de deputatie was.
Uit het artikel 208 van de rechtspositieregeling volgt niet dat de deputatie verplicht is aan een ongunstig evaluatieresultaat (geheel onvoldoende)
het ontslag wegens beroepsongeschiktheid te koppelen – óók niet wanneer uit een tussentijdse evaluatie na een termijn van zes maanden is gebleken dat het personeelslid nog steeds niet voldoet, en evenmin wanneer het personeelslid op de hoorzitting over de toepassing van het ontslag afwezig blijft en geen schriftelijk verweer indient.
Dat er naar de mening van de verwerende partij, gelet op dit gebrek aan verweer van verzoekster, voor de deputatie niets anders restte dan verzoekster op grond van artikel 208 van de rechtspositieregeling te ontslaan
X-16.010-16.015-25/27
wegens beroepsongeschiktheid, is een keuze. Die keuze stelt de deputatie niet vrij van de eerbiediging van de in het middel aangevoerde bepalingen. Meer nog, het is een keuze die alleen rechtmatig gemaakt kan worden met naleving van die bepalingen.
49. Het besproken middelonderdeel is ontvankelijk en gegrond.
Uit de hierna uitgesproken vernietiging op grond ervan volgt dat de deputatie niet opnieuw met miskenning van de verplichting tot geheime stemming mag beslissen verzoekster op grond van artikel 208 van de rechtspositieregeling wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan.
50. In de laatste memorie vraagt de verwerende partij de Raad van State uitdrukkelijk om aan te geven “welke rechtsherstel kan of moet worden gegeven” in geval van vernietiging op grond van het middelonderdeel. Als zo een rechtsherstel aanziet zij kennelijk het nemen van een nieuwe beslissing tot ontslag van verzoekster.
De Raad van State moet de verwerende partij evenwel ontgoochelen. Het “rechtsherstel” waarin de deputatie na de vernietiging van haar beslissing van 3 oktober 2013 nog bijkomend dient te voorzien om de vastgestelde rechtsverstoring volledig goed te maken, omvat geen verplichting tot het nemen van een nieuwe beslissing tot ontslag van verzoekster. In dat verband doet verzoekster, in haar laatste memorie, terecht gelden dat de verwerende partij na de vernietiging “ook kan oordelen geen ontslag meer te benaarstigen”.
BESLISSING
1. De zaken A. 209.492 en A. 210.973 worden gevoegd.
2. De Raad van State vernietigt, in de zaak A. 210.973, de beslissing van de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van
X-16.010-16.015-26/27
3 oktober 2013 waarbij M. Blondeel wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid.
De Raad van State verwerpt het beroep in de zaak A. 209.492.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 210.973, begroot op 350 euro.
Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep in de zaak A. 209.492, begroot op 175 euro.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari 2017, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit:
Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier.
De griffier De voorzitter
Silvan De Clercq Johan Lust
X-16.010-16.015-27/27
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.281