Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.280 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.280 Généré par l'IA

Belgian State dismissed asylum seeker's appeal regarding age assessment timeline and custody termination.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.280
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Abdullah Jan Samadi's appeal against the termination of his placement under the Child Protection Service. The applicant argued that the medical age assessment was delayed beyond the statutory three-day deadline and that the administration failed to act with due diligence. The court held that the mere expiration of the procedural deadline does not automatically invalidate the decision, as no specific sanction exists for such delays. Consequently, the appeal was dismissed without merit, and the applicant was ordered to bear the costs.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Article 41, § 2 of the Act of 12 January 2007; The expiration of the three-day deadline for age assessment does not automatically render the administrative decision invalid absent specific sanctions or exceptional circumstances requiring extension.

Mots-clés

Généré par l'IA
asylum seeker age assessment procedural deadline expiration administrative due diligence child protection service custody non-mandatory procedural term asile pour ressortissants afghans renvoi malgré motifs médicaux inexigibilité du renvoi en Afghanistan

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 41, § 2 of the Act of 12 January 2007 on the reception of asylum seekers and certain other categories of foreigners
Title XIII, Chapter 6 of the Program Law of 24 December 2002
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER

nr. 237.280 van 3 februari 2017

in de zaak A. 219.504/XIV-37.076

In zake : Abdullah Jan SAMADI

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jessica De Bels kantoor houdend te 2950 Kapellen Lijsterbeslaan 8

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 14 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 15 april 2016 waarbij wordt vastgesteld dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6

‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002”, waardoor zijn plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege vervalt op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing.

XIV-37.076-1/8

II. Verloop van de rechtspleging

2. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november 2016.

Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Jessica De Bels, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. Verzoeker komt naar eigen zeggen België binnen op 8 februari 2016. Op 8 maart 2016 wil hij een asielaanvraag indienen en hij verklaart dan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 maart 2000. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst van de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene.

XIV-37.076-2/8

In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël (KU Leuven), departement Tandheelkunde, ondergaat verzoeker op 14 maart 2016 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar.

Op 15 april 2016 beslist de dienst Voogdij dat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6

‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002. Bijgevolg vervalt de plaatsing onder de hoede [van de dienst Voogdij] van Mijnheer Abdullah Jan SAMADI […] van rechtswege op de datum van de kennisgeving van deze beslissing.” Dit is de bestreden beslissing.

IV. Onderzoek van de middelen

A. Eerste middel

Uiteenzetting van het middel

4. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ en van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Verzoeker voert aan dat uit het beperkt medisch onderzoek van het departement Tandheelkunde zou blijken dat verzoeker 20,6 jaar oud is met een standaarddeviatie van 2 jaar, zodat de jongst mogelijke leeftijd 18,6 jaar is. Hij is van oordeel dat bijkomende medische onderzoeken wenselijk zijn omdat de voornoemde leeftijd zeer dicht aanleunt bij 18 jaar. Eén van de meest gekende onderzoeken is immers het leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linkerhand en de pols op basis waarvan iemands skeletleeftijd wordt bepaald en zijn leeftijd kan worden geschat. Dit geldt des te meer omdat verzoeker een Afghaans leeftijdsattest heeft. Volgens verzoeker hebben buitenlandse

XIV-37.076-3/8

documenten betreffende de staat van de persoon voorrang op de resultaten van een leeftijdsonderzoek. Zelfs indien een radiologie van de hand en de pols werd uitgevoerd, is verzoeker van oordeel dat het personeel van het departement Tandheelkunde hoogstwaarschijnlijk enkel tandheelkundige radiografieën kan analyseren en niet kan pretenderen expert te zijn in de analyse van radiografieën van de pols of de sleutelbeenderen. Verzoeker besluit dat de motieven van de bestreden beslissing niet voldoen aan de vereisten van in feite, in rechte en beleidsmatig correct te zijn en die beslissing te kunnen schragen.

Beoordeling

5. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is.

Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de gedetailleerde resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Het volledige verslag van het medisch onderzoek bevindt zich in het administratief dossier en verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.

Het eerste middel is ongegrond wat betreft de aangevoerde schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

6. Verzoeker betwist ook de draagkracht van de motieven van de bestreden beslissing, hetgeen betrekking heeft op de materiëlemotiveringsplicht.

Deze laatste houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de

XIV-37.076-4/8

beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.

De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, §1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, §2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Nu het medisch onderzoek door de wet zelf is ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd, blijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht door de bestreden beslissing te steunen op het resultaat van het leeftijdsonderzoek.

Verzoeker wijst erop dat slechts een “beperkt” medisch onderzoek werd uitgevoerd en hij haalt de mogelijkheid aan van een hand-polsradiografie om de leeftijd te schatten. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag vermits dergelijk onderzoek blijkt te zijn uitgevoerd met als besluit “een leeftijd van minstens 18 jaar”. Er blijkt trouwens ook een radiografie van het sleutelbeen te zijn gemaakt met als besluit “een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Verzoeker gaat er ook aan voorbij dat het medisch verslag voor ieder van deze twee onderzoeken vermeldt dat “het originele protocol van deze radiografie [werd] uitgevoerd en gevalideerd door een

XIV-37.076-5/8

erkend radioloog”, te dezen prof. dr. M. H. S., kliniekhoofd radiologie, en dus niet door “het personeel van het departement Tandheelkunde”.

Tot slot blijkt niet dat het bestuur over enig document betreffende verzoekers leeftijd beschikte op het ogenblik dat het de bestreden beslissing nam, zodat het er ook geen rekening mee kon houden en dit daargelaten de bewijswaarde van dergelijk stuk.

Het eerste middel is ongegrond wat betreft de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht.

B. Tweede middel

Uiteenzetting van het middel

7. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid de behoorlijke en correcte feitenvinding, de deskundige voorlichting en de informatieplicht en de volledigheid van het dossier”.

Verzoeker voert aan dat de verwerende partij erg onzorgvuldig heeft gehandeld bij het nemen van de bestreden beslissing, “omwille van dezelfde redenen uiteengezet onder het eerste middel”.

Beoordeling

8. Verzoeker verwijst slechts naar zijn toelichting bij het eerste middel. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat verzoeker geen onzorgvuldigheid bij het nemen van de bestreden beslissing aantoont.

Het tweede middel is ongegrond.

XIV-37.076-6/8

C. Derde middel

Uiteenzetting van het middel

9. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van artikel 41, § 2, van de wet van 12 januari 2007 ‘betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 12 januari 2007).

Verzoeker voert aan dat hij het Rijk is binnengekomen op 8 februari 2016 en dat het medisch onderzoek pas heeft plaatsgevonden op 14 maart 2016, zodat de in artikel 41, § 2, van de wet van 12 januari 2007 bepaalde termijn van drie werkdagen ruimschoots is overschreden. Ook indien rekening wordt gehouden met de datum waarop verzoeker zich bij de dienst Vreemdelingenzaken moest aanbieden, zijnde 8 maart 2016, is de termijn niet gerespecteerd. Die termijn kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden verlengd, doch dan had zulks moeten worden gemotiveerd.

Beoordeling

10. Naar luid van artikel 41, § 2, van de wet van 11 januari 2007

moet bij twijfel aangaande de voorgehouden minderjarigheid “de bepaling van de leeftijd plaatsvinden binnen de drie werkdagen na zijn aankomst aan de grens” en kan deze termijn, indien het onderzoek niet binnen die termijn kan plaatsvinden “uitzonderlijk verlengd worden met drie werkdagen”. Er is echter geen sanctie voorzien bij overschrijding van de voornoemde termijnen, zodat het een termijn van orde betreft.

De loutere overschrijding van de door verzoeker aangehaalde termijn volstaat derhalve niet om tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing te besluiten.

Het derde middel is ongegrond.

XIV-37.076-7/8

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2.Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier.

De griffier De voorzitter

Joris Casneuf Carlo Adams

XIV-37.076-8/8

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.280