Court annuls regulator's refusal to treat biogas engines as new installations due to lack of technical investigation.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State annulled the Flemish Regulator's decision refusing to classify specific biogas engines as new production installations. The applicant argued the regulator failed to conduct a technical assessment despite providing evidence, while the regulator claimed the inquiry was unnecessary. The court ruled that the regulator's failure to investigate technical characteristics violated the requirement for a reasoned decision, necessitating the annulment.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 14 and 15 of the Coordinated Council of State Laws; an administrative authority must conduct a substantive technical investigation when requested and cannot rely solely on prior decisions or vague references to existing regulations to justify a refusal.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IAJurisprudence citée
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.265 van 2 februari 2017
in de zaak A. 210.151/VII-38.896.
In zake : de INTERCOMMUNALE VERENIGING HOOGE MAEY
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Geldhof en Marthe Maselis kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE REGULATOR VAN DE ELEKTRICITEITS-
EN GASMARKT (VREG)
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Damien Verhoeven kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 9 september 2013, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits-
en Gasmarkt (hierna: VREG) van 9 juli 2013 waarbij niet wordt ingegaan op het verzoek om een aantal biogasmotoren, gelegen op de site Moerstraat 55, Haven 550 te Antwerpen, te beschouwen als nieuwe productie-installaties in de zin van artikel 7.1.1 van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna: Energiedecreet).
VII-38.896-1/19
II. Verloop van de rechtspleging
2. Bij arrest nr. 234.002 van 3 maart 2016 is het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast het onderzoek van de zaak voort te zetten.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een aanvullend verslag opgesteld.
De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december 2016.
Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht.
Advocaten Wouter Geldhof en Marthe Maselis, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Amaury Verhoustraeten, die loco advocaat Damien Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
VII-38.896-2/19
III. Feiten
3. De gegevens van de zaak werden reeds samengevat in tussenarrest nr. 234.002 van 3 maart 2016.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Exceptie omtrent het voorwerp van het beroep
Standpunt van de partijen
4. De verwerende partij werpt op dat de bestreden brief van 9 juli 2013 geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling is in de zin van artikel 14
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De mededeling is slechts een nadere duiding door de VREG van de bestaande regelgeving omtrent de periode van minimumsteun in de vorm van groenestroomcertificaten (hierna : GSC’s) en de verlengingsmogelijkheden daarvan, op vraag van de verzoekende partij. De brief van 9 juli 2013 wijzigt de rechtstoestand van de verzoekende partij niet. De ‘nadelen’ waarop zij zich beroept, volgen louter en alleen uit de toepassing van het Energiedecreet. De stortgasinstallatie van de verzoekende partij komt in globo in aanmerking voor een tienjarige steunperiode en deze periode neemt aanvang vanaf de indienstname van deze productie-installatie, zijnde in de loop van 2004. Dit rechtsgevolg is van rechtswege en komt niet tot stand na het doorlopen van enige procedure. Men kan geen aanvechtbare beslissingen “creëren” door inlichtingen in te winnen bij de regulator over de betekenis van een norm in een bepaald geval. De VREG is evenmin bevoegd om aanvragen tot verlenging van een steunperiode te beoordelen: dit is de exclusieve taak van het Vlaams Energieagentschap (hierna: VEA). Een annulatieberoep dat gericht is tegen een standpunt over de toepassing van een norm in concrete gevallen, zonder dat er voorwaarden worden toegevoegd aan deze norm, is, zo besluit de verwerende partij, onontvankelijk.
VII-38.896-3/19
5. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat de bestreden beslissing niet louter neerkomt op een informatieve mededeling over de toepassing van de bestaande regelgeving, dat de betwisting immers is ontstaan na een vraag over de toepassing van de eindigheid van de steunperiode voor haar verschillende stortgasinstallaties, dat de verwerende partij op basis van de door haar verschafte documenten heeft onderzocht of de installaties al dan niet als volledig nieuwe productie-installaties kunnen worden beschouwd en dat de bestreden beslissing het resultaat is van dat onderzoek.
6. De verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie dat de bestreden brief de rechtstoestand van de verzoekende partij niet wijzigt omdat zij bevestigt dat “de aanvraag geen voorwerp heeft, minstens een definitief beslecht punt betreft”. Ondergeschikt stelt zij dat het gaat om een louter bevestigende beslissing; er zou enkel verwezen worden naar de standpunten ingenomen in “de beslissingen van 31 augustus 2004 en de wijzigingen ervan”. In voormelde beslissing van 31 augustus 2004 en de daaropvolgende wijzigingen ervan zouden de betrokken stortgasmotoren steevast als uitbreidingen van de bestaande installatie zijn gekwalificeerd. In deze, inmiddels definitief geworden, beslissingen zou ook bij herhaling de startdatum van de steunperiode vastgesteld zijn vanaf 1 augustus 2004.
7. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden dat de verwerende partij met de bestreden beslissing afwijkt van haar vroegere mededelingen omtrent de definitie van “nieuwe productie-installatie” zodat haar rechtstoestand wel degelijk wordt gewijzigd. Voorts herhaalt zij dat de kwalificatie van de nieuwe stortgasinstallaties in vroegere beslissingen niet aan de orde was.
Uit het gebruik van het woord “uitbreiding” blijkt niet meer dan het “gefaseerde karakter” van het dossier. Integendeel zijn er minstens evenveel, en zelfs meer, elementen voorhanden die erop wijzen dat zij de kwestieuze stortgasinstallaties steeds heeft beschouwd als aparte productie-installaties. De verzoekende partij betwist ten slotte dat in vroegere beslissingen van de verwerende partij zou zijn gestipuleerd dat de steunperiode aanvangt vanaf 1 augustus 2004. Zij stelt in dit
VII-38.896-4/19
verband dat deze bewering feitelijke grondslag mist en dat in elke latere wijzigingsbeslissing gewag wordt gemaakt van een nieuw keuringsverslag dat geldt als datum voor de toekenning van de eerste groenestroomcertificaten voor elke nieuwe stortgasinstallatie.
Beoordeling
8. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten.
9. Zoals gesteld in tussenarrest nr. 234.002 van 3 maart 2016 heeft de verwerende partij de bestreden beslissing genomen in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid en dus niet op grond van “de louter gebonden toepassing of interpretatie van reglementair vastgestelde voorwaarden”. Het in de bestreden beslissing uitgedrukte standpunt dat de biogasmotoren die de verzoekende partij in 2005, 2007 en 2009 heeft bijgeplaatst niet als nieuwe productie-installaties kunnen worden beschouwd, heeft als concreet gevolg dat de datum van ingebruikname van elk van deze installaties geen afzonderlijke steunperiode van tien jaar doet ingaan. Zodoende heeft de verwerende partij een voor de verzoekende partij nadelig rechtsgevolg gecreëerd. De toekenning van GSC’s wordt immers beperkt door de verknoping met de lopende steunperiode die is ingegaan vanaf de initiële beslissing van 31 augustus 2004.
Zoals bij de beoordeling van de grond van de zaak zal blijken, kan de wijziging van een bestaande installatie onder bepaalde voorwaarden beschouwd worden als een afzonderlijke productie-installatie. Het feit dat in de gecoördineerde versies van de beslissing van 31 augustus 2004 telkens sprake is
VII-38.896-5/19
van de “uitbreiding” van de productie-installatie, noch het feit dat in de achtereenvolgende aanvraagdossiers van de verzoekende partij melding wordt gemaakt van de “uitbreiding” met bijkomende stortgasmotoren, impliceren dat de verwerende partij reeds voordien definitief standpunt heeft ingenomen over de aanvangsdatum van de steunperiode. Bovendien heeft de verwerende partij met een brief van 16 mei 2013 meegedeeld dat zij, rekening houdend met de door de verzoekende partij bijkomend te verschaffen gegevens en inlichtingen over de bijgeplaatste installaties, zal onderzoeken of de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasmotoren als nieuwe productie-installaties kunnen worden beschouwd. De bestreden beslissing, die zich aandient als het resultaat van een nieuw besluitvormingsproces, kan niet als een louter bevestigende beslissing worden aangemerkt.
10. De bevoegdheid van het VEA om de reguliere steunperiode te verlengen zoals bepaald in artikel 7.1.1, § 1, derde tot zesde lid, van het Energiedecreet, doet niet ter zake. De bestreden beslissing is immers niet tot stand gekomen ingevolge een vraag van de verzoekende partij om de steunperiode te verlengen. Derhalve bestaat er ook geen aanleiding om in te gaan op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onbevoegdheid met betrekking tot de verlenging van de duurtijd van de steunperiode.
De exceptie wordt verworpen.
B. Exceptie omtrent het wettig belang van de verzoekende partij
Standpunt van de partijen
11. De verwerende partij stelt dat de verzoekende partij geen wettig belang heeft bij haar beroep omdat de “aangevoerde nadelen louter aan haarzelf te wijten zijn”. Zij zou namelijk in haar aanvragen tot toekenning van GSC’s zelf melding hebben gemaakt van de gefaseerde uitbreiding van één bestaande productie-installatie. Bovendien heeft ze nagelaten de vroegere
VII-38.896-6/19
wijzigingsbeslissingen van 9 mei 2006, 11 maart 2008, 10 mei 2010 en 14 augustus 2012, waarin steevast sprake is van slechts één productie-installatie, aan te vechten. Ook zou de verzoekende partij niet verduidelijken of zij een verlengingsaanvraag voor de periode van minimumsteun heeft ingediend bij het VEA en evenmin waarom de rendabiliteit van de gedane investeringen op die manier niet kan worden verzekerd. De verwerende partij zegt in haar brief van 8 oktober 2013 uitdrukkelijk te hebben gewezen op deze mogelijkheid.
12. De verzoekende partij dupliceert dat ze in haar aanvraagdossiers van 2005, 2007 en 2009 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het om andere productie-installaties ging. Voorts benadrukt ze dat vóór de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2012 houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie de toekenning van de GSC’s niet in de tijd was beperkt, zodat de aard van de installatie op dat ogenblik niet relevant was. Zelfs indien zij in haar vroegere aanvragen al melding zou hebben gemaakt van een “uitbreiding” van een productie-installatie dan nog doet dit geen afbreuk aan het feit dat ook een uitbreiding onder bepaalde voorwaarden gezien kan worden als een nieuwe productie-installatie. Dit wordt overigens ook expliciet erkend door de verwerende partij in haar mededelingen MEDE-2011-3 en MEDE-2013-3.
De beslissingen van 31 augustus 2004, 9 mei 2006, 11 maart 2008 en 10 mei 2010 werden genomen op een ogenblik dat er nog geen beperking in de tijd bestond op de toekenning van GSC’s zodat er hoegenaamd geen noodzaak bestond een dergelijke beslissing aan te vechten. De bestreden beslissing vormt geen louter bevestigende beslissing, maar is tot stand gekomen na kennisgeving van nieuwe gegevens én na een nieuw onderzoek door de verwerende partij. De verzoekende partij preciseert dat haar belang erin gelegen is om te laten vaststellen dat de verwerende partij het begrip “nieuwe productie-installatie” verkeerd heeft toegepast waardoor zij uitzicht krijgt op een nieuwe beslissing waarbij de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasinstallaties aanzien worden als zelfstandige, onderscheiden productie-installaties die elk recht
VII-38.896-7/19
geven op GSC’s voor een periode van minimaal 10 jaar vanaf de datum van ingebruikname (tot respectievelijk 2015, 2017 en 2019).
13. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat een vraag tot uitbreiding op zich nooit aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van GSC’s, ook niet vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsdecreet van 13 juli 2012, en dat een uitbreiding hoogstens invloed had op het aantal toegekende GSC’s. Voorts herhaalt ze dat reeds in vroegere beslissingen definitief standpunt werd ingenomen over het twistpunt in kwestie, dat die beslissingen door de verzoekende partij niet werden aangevochten en dat in die beslissingen wel degelijk de aanvangsdatum van de steunperiode wordt vastgesteld op 1 augustus 2004 zodat zij “reeds [heeft] beslist dat de aanvullende motoren niet aanleiding geven tot een eigen eerste datum van recht op toekenning van GSC’s”. Tot slot merkt de verwerende partij op dat het “a priori niet [is] uitgesloten […] dat, zelfs met een verlenging van de steunperiode van 5 jaar, verzoekster in globo meer certificaten krijgt dan indien aparte steunperiodes van 10 jaar voor elke uitbreiding worden toegepast”.
14. De verzoekende partij zet in haar laatste memorie uiteen dat voor het wijzigingsdecreet van 13 juli 2012 geen onderscheid werd gemaakt tussen “productie-installaties” en “uitbreidingen” ervan, dat het feit dat de verwerende partij elke aanvraag voor de toekenning van GSC’s heeft aanvaard erop wijst dat de stortgasinstallaties als op zichzelf staande installaties werden beschouwd en dat zij in die aanvragen telkens gewag heeft gemaakt van nieuwe productie-installaties met vermelding van het vermogen van de motor van de desbetreffende installatie.
Voorts herhaalt zij dat de standpunten van de verwerende partij indruisen tegen haar eigen mededelingen, dat zij geen belang had om de vroegere begunstigende beslissingen van de VREG aan te vechten en dat er wel degelijk sprake is van een nieuw onderzoek van de zaak. Tot slot leidt zij uit sommige bewoordingen van de tweede laatste memorie van de verwerende partij af dat haar belang bij het annulatieberoep wordt erkend.
VII-38.896-8/19
Beoordeling
15. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn. Vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden. Voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.
Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
16. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat het nadeel dat de verzoekende partij met de nietigverklaring van de bestreden beslissing ongedaan wil maken te wijten zou zijn aan haar eigen handelwijze of niet rechtstreeks uit de bestreden beslissing zou voortvloeien. Zoals reeds werd aangegeven in randnummer 9, hangt de kwalificatie van de bijgeplaatste stortgasmotoren samen met de beoordeling van de grond van de zaak. In zoverre de verzoekende partij wordt verweten geen rechtsmiddelen te hebben aangewend tegen de vroegere beslissingen van 9 mei 2006, 11 maart 2008, 10 mei 2010 en 14 augustus 2012, volstaat de vaststelling dat deze beslissingen zich niet uitspreken over de aanvang van de steunperiode voor de bijgeplaatste stortgasmotoren zodat die beslissingen op dit punt niet griefhoudend zijn voor de verzoekende partij.
Om dezelfde redenen als uiteengezet in randnummer 10 doen de mogelijkheid om de steunperiode door het VEA te laten verlengen en nog minder
VII-38.896-9/19
de vrijblijvende speculatie van de verwerende partij omtrent de omvang van het recht op GSC’s indien de verzoekende partij van die mogelijkheid gebruik zou maken, ter zake.
De exceptie wordt verworpen.
V. Onderzoek van de middelen
Tweede middel
Standpunt van de partijen
17. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht:
“Doordat de vermelding dat in de beslissing van 31 augustus 2004 met betrekking tot de toekenning van groenestroomcertificaten, en in de latere wijzigingen daarvan, reeds sprake was van een totaal vermogen van 4.093 kW
pertinent onjuist is; in de bestreden beslissing voorbijgegaan wordt aan het feit dat de verzoekende partij voor elke afzonderlijke stortgasinstallatie een nieuwe aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten heeft ingediend voor een nieuwe productie-installatie; de gegevens die de verzoekende partij bij haar schrijven van 29 mei 2013 aan de verwerende partij overmaakte niet, minstens onvoldoende bij de bestreden beslissing betrokken zijn; en de vermelding dat de verzoekende partij zich niet verzet heeft tegen de vroegere beslissingen van de verwerende partij niet relevant is;
Terwijl een beslissing slechts rechtsgeldig genomen kan worden op grond van vaststaande en behoorlijk bewezen feiten; dit enkel mogelijk is mits een zorgvuldig onderzoek van het dossier; een zorgvuldig onderzoek van het dossier in ieder geval inhoudt dat de verwerende partij alle feiten in rekening moet brengen die de besluitvorming kunnen beïnvloeden; de beslissing moet gebaseerd zijn op feiten die juist zijn.
Zodat de bestreden beslissing de in het tweede middel aangehaalde wettelijke bepaling en algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt”.
VII-38.896-10/19
In de toelichting bij het middel stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing is gesteund op een aantal pertinent onjuiste feiten. Zo wordt in de bestreden beslissing ten onrechte vermeld dat in de beslissing van 31 augustus 2004 met betrekking tot de toekenning van GSC’s en de latere wijzigingen ervan reeds sprake was van een productie-installatie met een totaal vermogen van 4.093 kW. Dat vermogen slaat evenwel op het totaal vermogen van de op de site aanwezige stortgasinstallaties dat bereikt werd na plaatsing van de navolgende stortgasinstallaties in 2005, 2007 en 2009. Het spreekt voor zich dat dit totale vermogen in 2004 niet aanwezig was. De verwerende partij laat eveneens verkeerdelijk uitschijnen als zou er sprake zijn van één productie-installatie. Zij heeft voor de zelfstandige stortgasinstallaties die in gebruik werden genomen in 2005, 2007 en 2009 telkens een nieuwe aanvraag tot toekenning van GSC’s ingediend. In elk aanvraagdossier werd uitdrukkelijk aangegeven dat het ging om een andere productie-installatie dan deze die voordien op de site aanwezig waren en werd steeds melding gemaakt van een productie-installatie waarvan het vermogen beperkt was tot het vermogen van de betreffende motor. Het is dus niet zo dat slechts één productie-installatie werd aangemeld zoals de verwerende partij in de bestreden beslissing laat uitschijnen. Overigens vermeldt de toekenningsbeslissing voor de uitbreiding toegevoegd in 2009 zelf uitdrukkelijk dat voor deze installatie pas voor de eerste keer in 2009 certificaten uitgereikt zullen worden.
Waar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat zij zich destijds niet heeft verzet tegen de beslissing van 31 augustus 2004 of de latere wijzigingen ervan, merkt de verzoekende partij op dat tot vóór de inwerkingtreding op 30 juli 2012 van het wijzigingsdecreet van het Energiedecreet van 13 juli 2012
er geen beperking bestond op de periode voor toekenning van GSC’s en dat zij er dan ook geen enkel belang bij had om tegen de beslissing van 31 augustus 2004 en de latere wijzigingen ervan op te komen.
18. De verwerende partij antwoordt dat het middel kennelijk onontvankelijk is, nu zij is uitgegaan van het correcte totale huidige vermogen van
VII-38.896-11/19
de stortgasinstallatie (4.093 kW) en “het vermogen van de installaties […] geen enkel impact [heeft] op wat in de bestreden handeling werd benadrukt, c.q. op de correcte toepassing van de modaliteiten van eindigheid van de toekenning van GSC’s als gevolg van het decreet van 13 juli 2012”.
Over de grond van de zaak argumenteert zij dat de aanvraag van de verzoekende partij ernstig werd onderzocht waarbij rekening werd gehouden met verscheidene uitbreidingen van de productie-installatie die ertoe hebben geleid dat deze thans een vermogen heeft van 4.093 kW, dat de verzoekende partij van in den beginne heeft verduidelijkt dat de productie-installatie, zijnde de stortgasinstallatie, gefaseerd zou worden uitgebreid en dat ten gevolge van die uitbreidingen haar initiële beslissing van 31 augustus 2004 herhaalde malen, laatst op 10 mei 2010, werd gewijzigd en geactualiseerd. Zo er al sprake zou zijn van een materiële vergissing, in de zin dat niet de beslissing van 31 augustus 2004, maar wel “deze beslissing zoals gewijzigd door latere beslissingen, een totaal vermogen van 4.093 kW vermeldt”, heeft deze vergissing geen enkele impact op de wettigheid van de bestreden brief van 9 juli 2013. Immers diende zij het totale vermogen van de productie-installatie in haar beoordeling te betrekken en haar standpunt mee te delen of de vier biogasmotoren al dan niet beschouwd moeten worden als een aparte productie-installatie. De materiëlemotiveringsverplichting werd niet geschonden. De bestreden beslissing steunt op het draagkrachtige motief waarin gesteld wordt dat “het zowel naar de keuze van verzoekster zelf, als in de eerdere beslissingen van de VREG, heeft gegaan om één productie-installatie”.
19. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat zij wel degelijk belang heeft bij het middel. Voorts merkt zij op dat de verwerende partij geen verweer voert over “het feit dat zij de gegevens die de verzoekende partij haar overgemaakt heeft bij schrijven van 29 mei 2013 […] niet of onvoldoende bij de bestreden beslissing betrokken heeft”. Deze gegevens werden nochtans opgevraagd door de verwerende partij bij schrijven van 16 mei 2013 precies met het doel om na te gaan of de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasinstallaties elk afzonderlijk beschouwd kunnen worden als een “nieuwe
VII-38.896-12/19
productie-installatie” overeenkomstig de invulling die de verwerende partij daaraan geeft in haar MEDE-2011-3 en MEDE-2013-3. De motieven die de verwerende partij in de bestreden beslissing opgeeft, beperken zich tot de vermelding dat (i) de productie-installatie die het voorwerp van de beslissing van 31 augustus 2004 en haar latere wijzigingen uitmaakt, in deze beslissing reeds voldoende ruim omschreven werd en (ii) dat de verzoekende partij zich destijds niet tegen deze beslissing of wijzigingen ervan verzet heeft waardoor er post factum geen reden zou zijn om hiervan af te wijken. Beide in de bestreden beslissing vermelde motieven zijn evenwel niet draagkrachtig. Vóór de inwerkingtreding op 30 juli 2012 van het wijzigingsdecreet van het Energiedecreet van 13 juli 2012 bestond er geen beperking op de periode voor toekenning van GSC’s. Zij had er dan ook geen enkel belang bij om tegen de beslissing van 31 augustus 2004 en de latere wijzigingen ervan op te komen. Daarenboven heeft de verwerende partij zich in haar schrijven van 16 mei 2013 bereid verklaard om op basis van bijkomende documenten te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van onderscheiden, zelfstandige productie-installaties. Voorts beklemtoont de verzoekende partij dat de bestreden beslissing een miskenning inhoudt van het feit dat “de stortgasinstallaties op de site gradueel werden gerealiseerd” en dat “pas sinds de plaatsing van de vierde stortgasinstallatie in 2009 […] het totaal huidige vermogen van 4.093 kW aanwezig is”. Ook laat de verwerende partij in de bestreden beslissing verkeerdelijk uitschijnen dat er sprake is van één productie-installatie terwijl zij in haar aanvraagdossiers voor de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasinstallaties steeds heeft aangegeven dat het gaat om andere productie-installaties.
20. De verwerende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat het middel in het verslag van de auditeur werd uitgebreid en dat de brief van 16 mei 2013 slechts een vraag tot informatie betreft die geen bindende juridische gevolgen tot stand kan brengen. Andermaal stelt de verwerende partij dat de eerste datum voor toekenning van GSC’s definitief werd vastgesteld in haar beslissing van 2004
zodat haar bevoegdheid op dit punt was “uitgeput”. De invoering door het decreet van 13 juli 2012 van een beperking in de tijd voor de toekenning van GSC’s, doet
VII-38.896-13/19
volgens de verwerende partij geen nieuwe beroepstermijn ingaan tegen administratieve rechtshandelingen die vóór de inwerkingtreding van dit decreet definitief zijn geworden. Desgewenst had de verzoekende partij haar kritiek moeten richten tegen voornoemd decreet.
21. In haar laatste memorie haalt de verzoekende partij citaten aan uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord om aan te tonen dat het middel door de auditeur niet werd uitgebreid. Zij ontkent voorts dat de kwestie definitief beslecht was met de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2012 en vraagt “een correcte toepassing van de beleidslijnen uitgevaardigd door Verwerende partij in haar Mededelingen MEDE-2011-3 en MEDE-2013-3, op haar situatie”.
Beoordeling
22. Blijkens de uitdrukkelijke bewoordingen van het verzoekschrift voert de verzoekende partij onder meer aan dat de bestreden beslissing voorbijgaat aan het feit dat zij “voor elke afzonderlijke stortgasinstallatie een nieuwe aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten heeft ingediend voor een nieuwe productie-installatie” en dat de gegevens die zij met haar schrijven van 29 mei 2013 aan de verwerende partij heeft overgemaakt “niet, minstens onvoldoende bij de bestreden beslissing betrokken zijn”.
Uit het enkele feit dat de bestreden beslissing een correcte weergave bevat van het totale vermogen van de stortgasinstallaties, volgt - in het licht van de in het middel aangevoerde grieven - niet dat de bestreden beslissing op deugdelijke motieven steunt en op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Het middel is ontvankelijk.
23. Behoudens voor wat de productie van zonne-energie betreft, werd er tot vóór de inwerkingtreding van het decreet van 13 juli 2012 houdende
VII-38.896-14/19
wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie (hierna: decreet van 13 juli 2012 ) geen tijdsbeperking gekoppeld aan de toekenning van GSC’s aan producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Onder de gelding van die regeling kwamen de stortgasmotoren die de verzoekende partij heeft bijgeplaatst in aanmerking voor de toekenning van GSC’s, ongeacht of zij al dan niet beschouwd moeten worden als een uitbreiding van de oorspronkelijke productie-installatie. Door de vervanging van artikel 7.1.1
van het Energiedecreet bij artikel 4 van het decreet van 13 juli 2012 werd de steunperiode voor productie-installaties met startdatum vóór 1 januari 2013 in beginsel beperkt tot een periode van tien jaar na de eerste ingebruikname.
Sindsdien kan in bepaalde gevallen betwisting ontstaan over de aanvang van de steunperiode.
24. In een mededeling van de VREG van 1 augustus 2011 over de ‘concrete toepassing door de VREG van een aantal recente decreetswijzigingen met betrekking tot de toekenning van groenestroomcertificaten, op het vlak van de minimumsteun en de bijstook van biomassa in kolencentrales’ (hierna: MEDE-2011-3) wordt het volgende gesteld omtrent het begrip “nieuwe productie-installatie”:
“1.3.2. Wat is een ‘nieuwe productie-installatie’?
Elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen geeft recht op de betaling van minimumsteun gedurende tien jaar na de eerste inwerkingstelling van de productie-installatie. Deze periode vangt aan bij de inwerkingstelling van een nieuwe productie-installatie. Een uitzondering op deze regeling zijn nieuwe én bestaande installaties voor gft-vergisting met nacompostering die recht hebben op minimumsteun gedurende twintig jaar vanaf de inwerkingstelling.
Een nieuwe productie-installatie is een productie-installatie die volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kan opwekken en die daarnaast niet samengesteld is uit tweedehandsonderdelen. Om dit vast te stellen, kan de VREG alle aankoopfacturen opvragen van de installatie.
Hieronder worden de onderdelen opgesomd die zeker tot de productie-installatie behoren, deze lijst is niet exhaustief:
[…]
- biogas: vergistingsinstallatie/afvalwaterzuiveringsinstallatie, gasmotor/turbine, generator en sturing;
[…]
VII-38.896-15/19
Ook voor uitbreidingen van productie-installaties geldt dat slechts een volledig nieuwe, zelfstandig functionerende productie-installatie naast de bestaande - die nog steeds op regelmatige basis op haar volledig mechanisch vermogen (in de toepasselijke normcondities) in bedrijf zal zijn - in aanmerking komt voor een nieuwe periode van minimumsteun.
In geval van een gedeeltelijke vervanging van een productie-installatie loopt de termijn van 10 jaar waarbinnen de minimumsteun voor certificaten te verkrijgen is door, de datum van inwerkingstelling blijft dus gelijk aan deze van de oorspronkelijke productie-installatie”.
Aldus laat punt 1.3.2 van MEDE-2011-3 toe dat uitbreidingen van bestaande productie-installaties onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een nieuwe tienjarige periode van minimumsteun.
MEDE-2011-3 werd vervangen door de mededeling van de VREG van 28 mei 2013 over ‘de concrete toepassing door de VREG van het Energiedecreet en het Energiebesluit met betrekking tot warmte-krachtcertificaten en groenestroomcertificaten voor alle energiebronnen met uitzondering van zonne-energie’ (hierna: MEDE-2013-3). Onder punt 3.9.1 van MEDE-2013-3
wordt volgende uitleg gegeven over het begrip “nieuwe groenestroomproductie-installatie”:
“Een nieuwe groenestroomproductie-installatie is een nieuw opgerichte installatie die volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekt. De onderdelen van de installatie mogen nog niet eerder gebruikt zijn in een groenestroomproductie-installatie op dezelfde site, of op een andere site die eigendom is van hetzelfde bedrijf (inclusief moeder-, zuster- en dochterondernemingen). Om dit vast te stellen, kan de VREG alle aankoopfacturen opvragen van de (onderdelen van de) installatie. Hieronder worden de onderdelen opgesomd die zeker tot de groenestroomproductie-installatie behoren, deze lijst is niet exhaustief:
[…]
- biogas uit RWZI of stortgas: motor of turbine, generator en sturing;
- andere biogasstromen: vergistingsinstallatie, motor of turbine, generator en sturing.
Uiteraard dienen alle metingen nodig voor de bepaling van de netto groenestroomproductie door de nieuwe groenestroomproductie-installatie voorzien te worden”.
VII-38.896-16/19
Onder punt 3.15 wordt stilgestaan bij de wijziging aan een bestaande installatie:
“[…]
Enkel indien er naast de bestaande installatie een volledig nieuwe installatie wordt gebouwd, zoals bedoeld in ‘3.9 Nieuwe installatie’, kan deze wijziging als een aparte installatie worden beschouwd […]”.
25. De bestreden beslissing is tot stand gekomen ingevolge een uitdrukkelijke vraag van de verzoekende partij om standpunt in te nemen over de duur van de steunperiode voor de stortgasinstallaties die in 2005, 2007 en 2009
werden geplaatst. Bij brief van 16 mei 2013 heeft de verwerende partij meegedeeld ervoor open te staan om te onderzoeken of de stortgasmotoren in kwestie als nieuwe productie-installaties kunnen worden beschouwd. De verzoekende partij wordt verzocht om aan de hand van facturen, lastenboeken, werfverslagen, foto’s en dergelijke aan te tonen dat voor elk van deze eenheden de motor, generator en sturing volledig nieuw zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de verwerende partij de technische aspecten van de installaties zou onderzoeken om na te gaan of de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasmotoren aparte installaties zijn die volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekken (cfr. punt 3.9.1 van MEDE-2013-3), waardoor een nieuwe steuntermijn van 10 jaar aanvangt zoals bepaald in artikel 7.1.1, § 1, eerste lid, van het Energiedecreet.
26. Noch uit de motivering van de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij een daadwerkelijk onderzoek heeft gevoerd naar de technische kenmerken van de installaties, niettegenstaande de verzoekende partij tal van documenten en stukken heeft overgemaakt die een dergelijke beoordeling toelaten.
In de bestreden beslissing wordt enkel aangeven dat in artikel 1
van de beslissing van 31 augustus 2004 de productie-installatie voldoende
VII-38.896-17/19
duidelijk wordt omschreven en dat de verzoekende partij zich tegen deze beslissing of de wijzigingen ervan destijds niet heeft verzet.
Dit motief is niet afdoende omdat het geen enkele duiding bevat of de in 2005, 2007 en 2009 geplaatste stortgasmotoren volledig zelfstandig elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekken.
Het tweede middel is gegrond.
BESLISSING
1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt van 9 juli 2013 waarbij niet wordt ingegaan op het verzoek om een aantal biogasmotoren, gelegen op de site Moerstraat 55, Haven 550 te Antwerpen, te beschouwen als nieuwe productie-installaties in de zin van artikel 7.1.1 van het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid.
2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.
3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro.
VII-38.896-18/19
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier.
De griffier De voorzitter
Elisabeth Impens Eric Brewaeys
VII-38.896-19/19
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.265