Court dismisses inadmissibility objection, ruling advisory opinions are not executable decisions requiring prior administrative appeal.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's objection regarding the inadmissibility of the administrative appeal. The applicant argued that a prior motivated objection to the administration's proposal was mandatory before filing the suit. The court determined that the proposal to refuse the planning permit was merely an advisory opinion and not an executable decision. Consequently, the requirement for a prior administrative appeal did not apply, and the case was reopened for further examination.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 6 and 8 of the Decision of 18 February 1997; Advisory opinions and proposals for decisions are not executable decisions; therefore, a prior administrative appeal is not required for their challenge.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.263 van 2 februari 2017
in de zaak A. 217.064/VII-39.499.
In zake : de VZW MAAS EN KEMPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 Assebroek (Brugge)
Baron Ruzettelaan 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 17 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid van 24 juli 2015 betreffende de weigering van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf (hierna: NMR) wordt opgesteld in het ziekenhuis Maas en Kempen te Maaseik.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-39.499-1/8
Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Antoon Lust, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yasmine Vuylsteke, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.
Eerste auditeur Jozef Stevens heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten en juridisch kader
Juridisch kader
3. Artikel 58, tweede lid, van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008
(hierna: ziekenhuiswet), strekt er toe dat de Koning erkenningsnormen voor medische diensten en medisch-technische diensten kan bepalen, en artikel 60 van dezelfde wet biedt de Koning de mogelijkheid om nadere regelen te bepalen inzake het maximumaantal van zulke diensten.
VII-39.499-2/8
Overeenkomstig artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 houdende vaststelling van het maximum aantal diensten waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, dat uitgebaat mag worden (hierna: programmatiebesluit), zoals gewijzigd door een koninklijk besluit van 25 april 2014 en van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, wordt het aantal erkende diensten op het grondgebied van het Vlaams Gewest bepaald op 55.
De toepasselijke erkenningscriteria zijn vervat in het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend (hierna: erkenningsbesluit).
Artikel 6 van het erkenningsbesluit bepaalt dat diensten die vanaf 1 januari 2015 in de programmatie zoals bedoeld in artikel 1 van het programmatiebesluit opgenomen worden, worden erkend in ziekenhuizen waar op die datum nog geen NMR is opgesteld.
De ziekenhuizen die een dienst willen laten erkennen waarin een dergelijk toestel staat opgesteld, dienen een planningsvergunning overeenkomstig een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 te verkrijgen.
Krachtens artikel 4 van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio’s en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen kan de Vlaamse regering bijkomende programmatiecriteria en erkenningsnormen bepalen met betrekking tot programmatie.
Feitelijke gegevens
4. De verzoekende partij vraagt, in associatie met de VZW Revalidatie & MS Centrum Overpelt, op 11 december 2014 aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid om een erkenning voor een NMR-toestel toe te
VII-39.499-3/8
kennen. De aanvraag wordt op 15 januari 2015 “aangevuld en gepreciseerd”, in hoofdorde namens de associatie en in subsidiaire orde door de verzoekende partij alleen.
In een brief van 17 februari 2015 deelt de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid aan de verzoekende partij mee dat vanaf 1 januari 2015 zeven diensten met één NMR-toestel bijkomend kunnen worden erkend. De twee ziekenhuizen van de verzoekende partijen voldoen volgens dit schrijven niet aan het substitutieprincipe “aangezien het geen associatie betreft tussen algemene ziekenhuizen”. In de beslissing wordt aangegeven op basis van welke criteria de diensten worden verdeeld over zeven andere ziekenhuizen of ziekenhuisassociaties, en wordt vermeld dat de brief moet worden beschouwd “als een voornemen tot weigering van een planningsvergunning”.
Er wordt tevens gewezen op de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen, conform artikel 9, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997), bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers, op de termijn waarin het bezwaarschrift dient te worden ingediend, en op het feit dat een definitieve beslissing groepsgewijs voor alle dossiers zal worden genomen na afhandeling van de ingediende bezwaarschriften conform de voorgeschreven procedure.
Op 24 juli 2015 weigert de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid de planningsvergunning.
Dit is de bestreden beslissing.
VII-39.499-4/8
IV. Samenhang
5. De verwerende partij verzoekt om de zaak samen te voegen met andere zaken die de verzoekende partij eveneens heeft ingediend.
De goede rechtsbedeling vereist niet dat de zaken worden samengevoegd.
V. Ontvankelijkheid
Standpunten van de partijen
6. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij twee aanvragen heeft ingediend, namelijk één in associatie met de VZW Revalidatie & MS Centrum Overpelt en één voor zichzelf alleen, en dat zij tegen het voornemen tot weigering van de aanvraag voor haar alleen, geen beroep heeft aangetekend bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers. Ingevolge het niet uitputten van haar beroep zou de verzoekende partij zich niet kunnen verhalen bij de Raad van State.
7. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat het feit dat zij zich niet in beroep heeft voorzien bij de Adviescommissie volstrekt irrelevant is, “nu het procedurebesluit van 18 februari 1997 voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg geenszins voorziet in een vooraf uit te putten vorm van administratief beroep, noch voorziet in de verplichting om een bewaarschrift in te dienen tegen de voorgenomen beslissing”.
8. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat er slechts sprake kan zijn van een vooraf verplicht uit te putten beroep wanneer het
VII-39.499-5/8
orgaan tot wie het bezwaar of het beroep moet worden gericht de bevoegdheid heeft tot intrekking, nietigverklaring of wijziging van de initiële beslissing, en dat er slechts sprake kan zijn van een georganiseerd beroep indien de beroepsmogelijkheid wordt ingericht tegen een uitvoerbare beslissing, “een kenmerk dat adviezen en voorstellen van beslissing in principe ontberen”.
9. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie “met de meeste nadruk” naar artikel 6 van het besluit van 18 februari 1997 volgens hetwelk de aanvrager, “op straffe van onontvankelijkheid” tot uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het in artikel 5 bedoelde voornemen bij de administratie tegen dit voornemen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen, gericht aan de administrateur-generaal.
Volgens haar is een bestuurlijk beroep bij een orgaan met een adviserende bevoegdheid wel degelijk een georganiseerd bestuurlijk beroep. Het advies wordt volgens haar doorgestuurd “gezien dit net de toegangspoort vormt om bij de minister een andersluidende beslissing te solliciteren”.
Beoordeling
10. Het besluit van 18 februari 1997 voorziet in de mogelijkheid om tegen een voornemen tot weigering van een planningsvergunning een bezwaarschrift in te dienen.
Artikel 7 van dat besluit bepaalt dat het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers.
VII-39.499-6/8
Artikel 12 van dit decreet bepaalt dat die Adviescommissie als opdracht heeft aan de bevoegde minister advies uit te brengen over het bezwaar tegen onder meer het voornemen tot weigering van een vergunning.
Volgens artikel 8 wordt, als geen bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn bepaald in artikel 6 binnen een maand na het verstrijken van deze termijn de gemotiveerde beslissing van de administrateur-generaal met een aangetekende brief aan de aanvrager(s) betekend.
Het voornemen tot weigering van een planningsvergunning in toepassing van artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997, vervat in de brief van 17 februari 2015, is geen uitvoerbare beslissing.
Het bezwaar dat tegen een dergelijk voornemen tot weigering van de vergunning kan worden ingediend vormt dan ook geen georganiseerd bestuurlijk beroep tegen een uitvoerbare beslissing dat vooraf, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, moet worden ingediend.
De exceptie is niet gegrond.
Aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van de exceptie, is er reden om het onderzoek van de zaak voort te zetten.
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
VII-39.499-7/8
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.499-8/8
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.263