Court dismisses admissibility objection, allowing case to proceed on merits regarding planning permit appeals.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State dismissed the applicant's objection that the case was inadmissible due to lack of a substantive preliminary step. The applicant argued that an advisory opinion from the Strategic Advisory Council was a mandatory prerequisite before filing an annulment action. The court held that such an advisory opinion does not constitute an enforceable administrative decision requiring prior annulment proceedings. Consequently, the court ordered the case to be reopened for a full examination of the merits.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 7 and 12 of the Decree of 7 December 2007; An advisory opinion issued by a strategic advisory council does not constitute an enforceable administrative decision, meaning no prior annulment action is required before challenging the underlying refusal of a planning permit.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VIIe KAMER
nr. 237.259 van 2 februari 2017
in de zaak A. 216.989/VII-39.488.
In zake : de VZW MAAS EN KEMPEN
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 Assebroek (Brugge)
Baron Ruzettelaan 27
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de VLAAMSE GEMEENSCHAP
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partijen :
1. de VZW EMMAUS
2. de VZW AZ AUGUSTINUS VEURNE
3. de VZW SINT-ANDRIESZIEKENHUIS
4. de VZW AZ HEILIGE FAMILIE
5. de VZW WERKEN GLORIEUX
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 32
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van het beroep
1. Het beroep, ingesteld op 17 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van:
“- de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de
VII-39.488-1/9
oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, uitgebaat in associatie tussen de Sint-Jozefkliniek te Bornem-Willebroek en het Algemeen Ziekenhuis Heilige Familie te Rumst en waarbij het toestel opgesteld wordt in het Algemeen Ziekenhuis Heilige Familie te Rumst […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische reso-nantie tomograaf wordt opgesteld in het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jozef te Malle […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld in het Sint-Franciskusziekenhuis te Heusden-Zolder […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld in het Algemeen Ziekenhuis Zusters van Barmhartigheid te Ronse […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, uitgebaat in associatie tussen het Algemeen Ziekenhuis Delta te Roeselare, de Sint-Jozefskliniek te Izegem en het Sint-Andriesziekenhuis te Tielt en waarbij het toestel opgesteld wordt in het Sint-Andriesziekenhuis te Tielt […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, uitgebaat in associatie tussen het Algemeen Ziekenhuis Sint-Augustinus te Veurne en het Algemeen Ziekenhuis Sint-Rembert te Torhout en waarbij het toestel opgesteld wordt in het Algemeen Ziekenhuis Sint-Augustinus te Veurne […];
-de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid betreffende de toekenning van een planningsvergunning voor de oprichting van een dienst medische beeldvorming waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, uitgebaat in associatie tussen het Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart te Leuven en het Algemeen Ziekenhuis Diest te Diest en waarbij het toestel opgesteld wordt in het Regionaal Ziekenhuis Heilig Hart te Leuven […]”.
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend.
VII-39.488-2/9
De tussenkomende partijen hebben verzoekschriften tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 17 december 2015. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend.
Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld.
De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017.
Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Antoon Lust die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Yasmine Vuylsteke, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stefano Geebelen, die loco advocaat Tom De Gendt verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord.
Eerste auditeur Jozef Stevens heeft advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
III. Feiten en juridisch kader
Juridisch kader
3. Artikel 58, tweede lid, van de wet betreffende de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen, gecoördineerd op 10 juli 2008, strekt er toe dat
VII-39.488-3/9
de Koning erkenningsnormen voor medische diensten en medisch-technische diensten kan bepalen, en artikel 60 van dezelfde wet biedt de Koning de mogelijkheid om nadere regelen te bepalen inzake het maximumaantal van zulke diensten.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 houdende vaststelling van het maximum aantal diensten waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, dat uitgebaat mag worden (hierna: programmatiebesluit), zoals gewijzigd door een koninklijk besluit van 25 april 2014 en van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, wordt het aantal erkende diensten op het grondgebied van het Vlaams Gewest bepaald op 55.
De toepasselijke erkenningscriteria zijn vervat in het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst waarin een magnetische resonantie tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend (hierna: erkenningsbesluit).
Artikel 6 van het erkenningsbesluit bepaalt dat diensten die vanaf 1 januari 2015 in de programmatie zoals bedoeld in artikel 1 van het programmatiebesluit opgenomen worden, worden erkend in ziekenhuizen waar op die datum nog geen magnetische resonantie tomograaf (hierna: NMR) is opgesteld.
De ziekenhuizen die een dienst willen laten erkennen waarin een dergelijk toestel staat opgesteld, dienen een planningsvergunning overeenkomstig een besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997 te verkrijgen.
Krachtens artikel 4 van het decreet van 23 mei 2003 betreffende de indeling in zorgregio’s en betreffende de samenwerking en programmatie van gezondheidsvoorzieningen en welzijnsvoorzieningen kan de Vlaamse regering bijkomende programmatiecriteria en erkenningsnormen bepalen met betrekking tot programmatie.
VII-39.488-4/9
Feitelijke gegevens
4. De verzoekende partij vraagt op 11 december 2014 aan het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid om een erkenning voor een NMR-toestel toe te kennen.
In een brief van 17 februari 2015 deelt de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid mee dat vanaf 1 januari 2015 zeven diensten met één NMR-toestel bijkomend kunnen worden erkend. De twee ziekenhuizen van de verzoekende partij voldoen volgens dit schrijven niet aan het substitutieprincipe “aangezien het geen associatie betreft tussen algemene ziekenhuizen”. In de beslissing wordt aangegeven op basis van welke criteria de diensten worden verdeeld over zeven andere ziekenhuizen of ziekenhuisassociaties, en wordt vermeld dat de brief moet worden beschouwd “als een voornemen tot weigering van een planningsvergunning”.
De Vlaamse Adviescommissie voor voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers stelt in haar advies van 25 juni 2015 dat zij er niet voor opteert om de aanvragen dossier per dossier te behandelen “precies omdat de Adviescommissie geen mogelijkheden ziet om tussen veertien ziekenhuizen, die allen over een NMR-toestel zouden moeten beschikken, een selectie door te voeren”. Volgens de commissie is het enige wettelijke criterium dat voorhanden was bij het toewijzen van de erkenningen dat er nog geen NMR in het ziekenhuis mocht beschikbaar zijn. Er moeten volgens haar noodgedwongen bijkomende criteria worden uitgewerkt, maar zij is tevens van oordeel “dat de door het Agentschap gekozen bijkomende criteria niet altijd de finale doelstelling (goede toegankelijkheid voor iedereen, goede spreiding)
ondersteunen”. Zij is er ook van overtuigd “dat het onmogelijk is om criteria op te stellen die deze finale doelstelling ondersteunen”.
VII-39.488-5/9
Op 24 juli 2015 weigert de administrateur-generaal van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid de planningsvergunning aan de verzoekende partij.
Met een e-mail van 8 september 2015 worden de bestreden beslissingen, waarbij aan de tussenkomende partijen een vergunning wordt toegekend, meegedeeld aan de verzoekende partij.
IV. Samenhang
5. De verwerende partij verzoekt om de zaak samen te voegen met andere zaken die de verzoekende partij eveneens heeft ingediend.
De goede rechtsbedeling vereist niet dat de zaken worden samengevoegd.
V. Ontvankelijkheid
Standpunten van de partijen
6. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij twee aanvragen heeft ingediend, namelijk één in associatie met de VZW Revalidatie &
MS Centrum Overpelt en één voor zichzelf alleen, en dat zij tegen het voornemen tot weigering van de aanvraag voor haar alleen, geen beroep heeft aangetekend bij de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers. Ingevolge het niet uitputten van haar beroep zou de verzoekende partij zich niet kunnen verhalen bij de Raad van State.
7. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat er slechts sprake kan zijn van een vooraf verplicht uit te putten beroep wanneer het orgaan tot wie het bezwaar of het beroep moet worden gericht de bevoegdheid heeft tot intrekking, nietigverklaring of wijziging van de initiële beslissing, en dat
VII-39.488-6/9
er slechts sprake kan zijn van een georganiseerd beroep indien de beroepsmogelijkheid wordt ingericht tegen een uitvoerbare beslissing, “een kenmerk dat adviezen en voorstellen van beslissing in principe ontberen”.
8. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie “met de meeste nadruk” naar artikel 6 van het besluit van 18 februari 1997 volgens hetwelk de aanvrager, “op straffe van onontvankelijkheid” tot uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het in artikel 5 bedoelde voornemen bij de administratie tegen dit voornemen met een aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen, gericht aan de administrateur-generaal.
Volgens haar is een bestuurlijk beroep bij een orgaan met een adviserende bevoegdheid wel degelijk een georganiseerd bestuurlijk beroep. Het advies wordt volgens haar doorgestuurd “gezien dit net de toegangspoort vormt om bij de minister een andersluidende beslissing te solliciteren”.
9. De tussenkomende partijen voegen in hun laatste memories daarenboven nog toe dat er minstens sprake is van een substantiële vorm die de verzoekende partij had moeten uitputten om het recht op het instellen van een annulatieberoep niet te verbeuren.
Beoordeling
10. Het besluit van 18 februari 1997 tot vaststelling van de procedure voor het verkrijgen van een planningsvergunning en een exploitatievergunning voor intramurale en transmurale voorzieningen in de gezondheidszorg (hierna:
besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997) voorziet in de mogelijkheid om tegen een voornemen tot weigering van een planningsvergunning een bezwaarschrift in te dienen.
Artikel 7 van dat besluit bepaalt dat het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of ter uitvoering van
VII-39.488-7/9
hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers.
Artikel 12 van dit decreet bepaalt dat die Adviescommissie als opdracht heeft aan de bevoegde minister advies uit te brengen over het bezwaar tegen onder meer het voornemen tot weigering van een vergunning.
Volgens artikel 8 wordt, als geen bezwaarschrift is ingediend binnen de termijn bepaald in artikel 6, binnen een maand na het verstrijken van deze termijn de gemotiveerde beslissing van de administrateur-generaal met een aangetekende brief aan de aanvrager(s) betekend.
Het voornemen tot weigering van een planningsvergunning in toepassing van artikel 9, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 18 februari 1997, vervat in de brief van 17 februari 2015, is geen uitvoerbare beslissing.
Het bezwaar dat tegen een dergelijk voornemen tot weigering van de vergunning kan worden ingediend vormt dan ook geen georganiseerd bestuurlijk beroep tegen een uitvoerbare beslissing dat vooraf, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, moet worden ingediend.
De exceptie is niet gegrond.
De opmerking van de tussenkomende partijen in hun laatste memories in verband met het bestaan van een substantiële vormvereiste wordt niet gestaafd.
Aangezien het auditoraatsverslag beperkt is tot het onderzoek van de exceptie, is er reden om het onderzoek van de zaak voort te zetten.
VII-39.488-8/9
BESLISSING
1. De Raad van State heropent het debat.
2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak.
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee februari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit:
Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier.
De griffier De voorzitter
Bart Tettelin Eric Brewaeys
VII-39.488-9/9
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.259