Court dismisses urgent suspension request against Infrabel's award of a rail network contract to Dynniq Belgium.
Synthèse Legislator
Généré par l'IAThe Council of State rejected the applicant's request for an urgent suspension of the administrative decision awarding a rail network contract to Dynniq Belgium. The applicant argued that the scoring system involved an illegal double normalization of technical criteria, unfairly favoring the winner. The court found this argument not serious because the scoring method was transparent and did not constitute a double normalization that disadvantaged the applicant.
Regeste Legislator
Généré par l'IAArticles 53 § 1 of the Public Procurement Act of 15 June 2016; The court holds that a scoring system where the best applicant receives maximum points on sub-criteria and scores are proportionally adjusted does not constitute an illegal double normalization.
Mots-clés
Généré par l'IADispositions légales citées
Généré par l'IADécisions connexes
Généré par l'IATexte complet
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER
nr. 237.255 van 2 februari 2017
in de zaak A. 221.134/XII-8287
In zake: de NV ARCADIZ TELECOM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Smet kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwendijkstraat 417
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen:
de NV INFRABEL
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Linde Bevernaege kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25
bij wie woonplaats wordt gekozen
Tussenkomende partij:
de NV DYNNIQ BELGIUM
bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels, Kris Wauters en Stijn Verbeke kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187
bij wie woonplaats wordt gekozen
I. Voorwerp van de vordering
1. De vordering, ingesteld op 4 januari 2017, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de raad van bestuur van de nv Infrabel, genomen op 19 december 2016 om in het kader van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking op Belgisch en Europees niveau voor de aankoop, de installatie en het onderhoud van de
XII-8287-1/24
apparatuur van het toekomstige communicatienetwerk voor bedrijfskritische toepassingen met betrekking tot de veiligheid en de stiptheid van het spoorverkeer (artikel 53 § 1 van de wet op de overheidsopdrachten van 15 juni 2016), zijn goedkeuring te verlenen voor het gunnen van de opdracht aan de firma Dynniq Belgium (ex-Imtech) onder de vorm van een raamovereenkomst voor 10 jaar voor de aankoop en 20 jaar voor het onderhoud voor een bedrag van €13.277.937,74 en de impliciete weigering om deze opdracht aan [de nv Arcadiz Telecom] te gunnen.”
II. Verloop van de rechtspleging
2. De verwerende partij heeft een nota ingediend.
Met een verzoekschrift van 13 januari 2017 heeft de nv Dynniq Belgium gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen.
De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017, om 11.00 uur.
Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht.
Advocaat Evert Vervaet, die loco advocaat Tom De Smet verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Leopold Schellekens en Linde Bevernaege, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaten Kris Wauters en Jolien Van Belle, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord.
Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
XII-8287-2/24
III. Feiten
3.1. De opdracht beoogt het sluiten van een raamovereenkomst voor de aankoop, de installatie en het onderhoud van apparatuur voor het toekomstige communicatienetwerk van het spoorverkeer, meer bepaald voor de levering van 1600 transmissiemachines gespreid over een periode van 10 jaar en het onderhoud ervan gedurende een periode van 20 jaar.
3.2. De opdracht valt onder de toepassing van de regelgeving overheidsopdrachten speciale sectoren en wordt gegund met toepassing van de onderhandelingsprocedure met bekendmaking.
3.3. De opdracht wordt aangekondigd in het Bulletin der aanbestedingen en in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3.4. Naar aanleiding van deze aankondiging, dienen 16
ondernemingen, waaronder ook de nv Arcadiz Telecom en de nv Imtech Telecom, een kandidaatstelling voor deze opdracht in.
Van deze 16 ondernemingen voldoen er 14 aan de selectiecriteria die in de aankondiging van de opdracht zijn vermeld.
3.5. Het bestek wordt op 10 januari 2016 goedgekeurd en op 11 januari 2016 aan de 14 geselecteerde ondernemingen bezorgd.
De technische voorwaarden worden in het bestek onderverdeeld in meer dan 700 eisen. Deze zijn opgesplitst in verplichte (M), facultatieve (O) en informatieve (I) eisen en eisen die verband houden met de kenmerken van de apparatuur (C) – artikel 2.2. op bladzijde 6 van het bestek.
Het toekomstige communicatienetwerk Stone (Safety &
Timeliness Optical Network) zal apparatuur omvatten die wordt onderverdeeld in verschillende “niveaus”, naargelang de aard van de verbindingen zoals grote steden, spoorwegvertakkingen, tractieonderstations.
XII-8287-3/24
Deze verschillende niveaus krijgen elk een eigen gewicht toegewezen voor de evaluatie van de offertes.
De inschrijvers kunnen vrij kiezen uit twee soorten van technologieën : IP-MPLS of MPLS-TP.
Krachtens het bestek zullen de offertes worden beoordeeld aan de hand van twee gunningscriteria met weging: de technische voorwaarden (60 %)
en de financiële voorwaarden (40%).
Het gunningscriterium “technische voorwaarden” wordt nader onderverdeeld in drie subcriteria, met een afzonderlijk gewicht: 70% voor de “common” eisen, 25% voor de specifieke eisen (MPLS-TP of IP-MPLS) en 5%
voor de eisen inzake de “interfaces”.
Rekening houdend met de verschillende niveaus en de drie subcriteria, gebeurt de beoordeling van de ingediende offertes betreffende het gunningscriterium “technische voorwaarden” aldus aan de hand van de volgende matrix:
“
Categorie van de Gewicht/categorie Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3
eisen Common 70 40% 30% 30%
Specifiek (IP MPLS 25 40% 30% 30%
of MPLS TP)
Interfaces 5 34% 33% 33%
.”
De eindscore is de som van de beoordelingen voor elke categorie, teruggebracht op 60, het gewicht van de technische voorwaarden.
3.6. Zes geselecteerde ondernemingen dienen een – eerste – offerte in.
De inschrijvers krijgen de mogelijkheid om hun offerte aan te passen en te verduidelijken door te antwoorden op de vragen opgenomen in de
XII-8287-4/24
RFQ2 (“request for quotation”) die op 30 maart 2016 aan de inschrijvers is bezorgd.
Uit de analyse van de offertes, aangepast naar aanleiding van voormelde RFQ2, blijkt dat drie ondernemingen niet beantwoorden aan de verplichte technische criteria van het bestek.
Op 7 juli 2016 zendt Infrabel een RFQ3 naar de drie conforme inschrijvers – Arcadiz, Imtech Telecom (Dynniq) en Dimension Data – om hun de mogelijkheid te bieden hun offerte te verbeteren.
Op 28 september 2016 zendt Infrabel een RFQ4 naar de laatstgenoemde inschrijvers.
3.7. Eén van de inschrijvers, de nv Imtech Telecom, deelt aan Infrabel mee dat zij door een naamwijziging, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 20 september 2016, thans gekend is onder de naam ‘nv Dynniq Belgium’. De overige gegevens blijven evenwel onveranderd.
3.8. Op grond van de finaal ingediende offertes van de drie inschrijvers, verricht Infrabel een beoordeling in het licht van de gunningscriteria.
Wat het gunningscriterium “technische voorwaarden” betreft, komt Infrabel tot de volgende eindscore voor de drie subcriteria:
“3.1.1. Common eisen (…/70)
Arcadiz Dimension Data Dynniq (Imtech)
Common eisen (…/70) 55,11 70 68,88
Rangschikking 3 1 2
.”
De details van de drie offertes en de analyse ervan zijn opgenomen in bijlage 1 bij het gunningsverslag.
XII-8287-5/24
“3.1.2. Specifieke eisen MPLS-TP of IP-MPLS (…/25)
Arcadiz Dimension Data Dynniq (Imtech)
Specifieke eisen 23,91 25 22,36
MPLS-TP of IP-MPLS
(…/25)
Rangschikking 2 1 3
.”
De details van de drie offertes en de analyse ervan zijn opgenomen in bijlage 2 bij het gunningsverslag.
“3.1.3. Eisen inzake interfaces (…/5)
Arcadiz Dimension Data Dynniq (Imtech)
Eisen inzake interfaces 1, 55 5 2,36
(…/5)
Rangschikking 3 1 2
.”
De details van de drie offertes en de analyse ervan zijn opgenomen in bijlage 3 bij het gunningsverslag.
Voormelde quotering leidt tot volgende totaalscore voor het gunningscriterium “technische voorwaarden”:
“3.1.4. Samenvatting van de technische voorwaarden (…/60)
Arcadiz Dimension Data Dynniq (Imtech)
Technische 80, 57 100,00 93,60
voorwaarden(…/60)
Beoordeling op 60 48, 34 60 56,16
Rangschikking 3 1 2
.”
Wat het gunningscriterium “financiële voorwaarden” betreft, ziet de rangschikking er uit als volgt:
“3.2. De financiële voorwaarden (…/40)
XII-8287-6/24
Arcadiz Dimension Data Dynniq (Imtech)
De financiële 10.958.951, 49 € 16.690.985, 97 € 13.277.937, 74 € voorwaarden Beoordeling op 40 40 26, 26 33, 01
Rangschikking 1 3 2
.”
De details van de offerte en de analyse ervan zijn opgenomen in bijlage 4 bij het gunningsverslag.
Dit alles leidt tot de volgende eindscore en uiteindelijke rangschikking:
“
.”
Aangezien Dynniq (Imtech) voor de ingediende offerte als eerste gerangschikt staat met een totaalscore van 89,17 op 100, wordt op 8 december 2016 aan de Raad van Bestuur van Infrabel voorgesteld om de opdracht voor een bedrag van 13.277.937,74 euro te gunnen aan Dynniq (Imtech).
3.9. Op 19 december 2016 verleent de raad van bestuur zijn goedkeuring en wordt de opdracht aan Dynniq (Imtech) gegund.
Dit is de bestreden gunningsbeslissing.
XII-8287-7/24
Infrabel bezorgt de bestreden beslissing, met inbegrip van het gunningsverslag en de bijlagen, per aangetekend schrijven van 19 december 2016
– blijkbaar verzonden op 20 december 2016 – en per e-mailbericht van 20 december 2016 aan de betrokken inschrijvers, waaronder Arcadiz en Dynniq.
IV. Tussenkomst
4. De nv Dynniq Belgium blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd.
V. Schorsingsvoorwaarden
5.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
5.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten’ van toepassing.
Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid.
Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke XII-8287-8/24
onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden.
VI. Onderzoek van het enig middel
6. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan “van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 [‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’], evenals de beginselen van behoorlijk bestuur, met inbegrip van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en het beginsel patere legem quem ipse fecisti”.
Het middel bestaat uit drie onderdelen, die hierna achtereenvolgens worden uiteengezet en beoordeeld.
Uiteenzetting van het eerste middelonderdeel
7. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de in het middel vermelde bepalingen en beginselen werden geschonden doordat de verwerende partij de offerte van de verzoekende partij op een “kennelijk onzorgvuldige wijze” zou hebben beoordeeld, in het bijzonder betreffende de eisen 248 tot 253. Zij wijst er op dat in het bestek, voor deze eisen, gevraagd werd de waarden op te geven in microseconden (µs). Dit zou de gebruikelijke maataanduiding zijn “voor het aangeven van een doorlooptijd voor een node”. Bij de lezing van het gunningsverslag stelt de verzoekende partij vast dat zij een kennelijk materiële vergissing heeft begaan in de opgave van de eisen 248 en 249
aangezien daarin voor haar offerte waarden worden vermeld van 12 ms en 55 ms, en dus waarden met een maateenheid ms, dit is niet microseconde (1 miljoenste van een seconde) maar milliseconde (1 duizendste van een seconde). De verwerende partij heeft bij de beoordeling deze notatie vervolgens overgenomen als zijnde 12.000 µs, respectievelijk 55.000 µs ondanks het feit dat in de technische voorschriften van het bestek werd bepaald dat de opgave diende te gebeuren in µs.
Bovendien werd voor deze twee eisen een quasi nulscore toegekend gelet op de duidelijke discrepantie met de andere offertes, uitgedrukt in µs, wat een determinerende invloed had op de rangschikking.
XII-8287-9/24
De verzoekende partij verwijst voorts naar eis nr. 7 in het bestek, waar werd gevraagd naar de maximale looptijd in één richting en waar de verzoekende partij heeft verklaard dat zij daaraan voldoet en in het antwoordformulier heeft aangegeven dat er “per node een doorlooptijd van 20 à 80 usec wordt gerekend”.
Voorts heeft de verzoekende partij voor de eisen 250 tot en met 253 in haar offerte RFQ4 wel de maataanduiding µs gebruikt. De eisen 252 en 253
zijn bovendien de verdubbelde versies van de eisen 248 en 249 doordat de eisen 248 en 249 geformuleerd worden als de maximale unidirectionele doorlooptijd en de eisen 252 en 253 geformuleerd worden als de maximale bidirectionele doorlooptijd. De opgave van een inschrijver voor de eisen 248 en 249 kan dan ook nooit meer bedragen dan de helft van de opgave van dezelfde inschrijver voor de eisen 252 en 253. Daarvoor verwijst de verzoekende partij naar de technische evaluatieformulieren van Dimension Data en Dynniq waar de opgegeven waarden voor de eisen 248 en 249 precies de helft bedragen van de eisen 252 en 253.
Aangezien er bij de verzoekende partij een zodanige discrepantie bestond tussen de waarden voor de eisen 248/249, enerzijds, en die voor de eisen 252/253, anderzijds, had de verwerende partij moeten opmerken dat het een materiële vergissing betrof. Er kan immers niet worden verklaard dat de unidirectionele doorlooptijd 2000 x langer is dan de bidirectionele doorlooptijd en dat deze waarde in vergelijking met de andere ingediende offertes sowieso 1000 x langer is. Bovendien had de verwerende partij moeten opmerken dat zelfs indien men de opgave in µs zou beschouwen, dit nog steeds niet kon kloppen doordat deze waarden voor de eisen 248 en 249, zelfs in µs groter zijn dan de opgegeven waarden voor de eisen 252 en 253.
De verzoekende partij is van mening dat de verwerende partij, doordat zij de opgegeven waarden manueel heeft overgenomen in haar beoordelingsdocument, zij de materiële vergissing zeker had moeten opmerken.
Voorts meent de verzoekende partij dat zij zelfs helemaal geen maataanduiding had dienen aan te brengen, aangezien in de technische
XII-8287-10/24
specificaties de verwerende partij reeds had aangegeven dat de waarden werden begrepen als opgegeven in µs.
Bijkomend merkt de verzoekende partij op dat de eisen 248-251
de enige eisen zijn waarvoor een puntentotaal van 40 wordt toegekend per opgegeven waarde wat er op zou wijzen dat de verwerende partij deze eisen zwaarder heeft willen laten doorwegen dan andere eisen. Dit had de verwerende partij bijkomend moeten nopen tot een zorgvuldige beoordeling van de opgegeven waarden.
De verzoekende partij is van oordeel dat de verwerende partij haar eigen besteksbepalingen heeft geschonden door zonder de verzoekende partij hieromtrent te interpelleren, de opgegeven waarden, waarvan zij vaststelde dat deze niet in microseconden waren opgegeven, zelf om te zetten en aldus te vergroten met een factor 1000. Nochtans beschikte de verwerende partij binnen een onderhandelingsprocedure over een zekere vrijheid om bijkomende duiding te vragen aan de verzoekende partij omtrent de opgave voor de eisen 248 en 249. In dat verband verwijst de verzoekende partij ook naar de evaluatiefiche van de gekozen inschrijver waar voor de eisen 250-253 telkens wordt opgegeven “please give a value max” wat er volgens de verzoekende partij mogelijks op wijst dat de verwerende partij om verduidelijking en aanvulling heeft verzocht maar Dynniq hier niet is op ingegaan.
Beoordeling
8. Betreffende het middelonderdeel heeft het optredend lid van het auditoraat in haar mondeling advies ter terechtzitting geconcludeerd onder meer wat volgt.
Uit de evaluatietabel met betrekking tot de offerte van de verzoekende partij, gevoegd bij het voorstel tot gunning van de opdracht, blijkt dat de verzoekende partij in het deel van haar offerte dat betrekking heeft op de ‘common eisen’ van het communicatienetwerk voor eis 248: “Maximale unidirectionele doorlooptijd voor frames van 64 bytes” een waarde heeft opgegeven van 12 ms of 12 milliseconde. Voor de eis 249: maximale bidirectionele doorlooptijd voor frames van 1.518 bytes heeft de
XII-8287-11/24
verzoekende partij in haar offerte een waarde van 55 ms of 55 milliseconde opgegeven.
Uit het bestek blijkt dat de eisen 248 en 249 eisen type ‘C’ betroffen, dit zijn eisen die verband houden met de kenmerken van de apparatuur. Op grond van de bepalingen van het bestek diende voor deze eisen een maximale waarde te worden opgegeven in microseconden.
Uit het gunningsverslag blijkt dat voor de beoordeling van de ‘C’-eisen, voor elke te maximaliseren waarde, de score van de inschrijver x vergeleken wordt met de maximale waarde van alle inschrijvers, waarna de inschrijver een score krijgt volgens de regel van drie. Voor de te minimaliseren waarde, wordt de score van de inschrijver x vergeleken met de minimale waarde van alle inschrijvers en krijgt hij eveneens een score volgens een regel van drie.
(zie voorstel tot gunning, bladzijde 5).
Om de waarden voor de eisen 248 en 249 van de verzoekende partij te kunnen vergelijken met de waarden die de andere inschrijvers opgaven, heeft de verwerende partij de opgegeven waarden van 12 milliseconden en 55 milliseconden eerst omgezet naar microseconden aangezien de andere inschrijvers, conform het bestek, een waarde in microseconden hadden opgegeven. De verzoekende partij betwist daarbij niet dat de omzetting van milliseconden naar microseconden een vermenigvuldiging vereist met een factor 1000. De verwerende partij nam aldus de waarden van 12.000 microseconden voor eis 248 en 55.000 microseconden voor eis 249 in overweging met betrekking tot de offerte van de verzoekende partij.
De verwerende partij lijkt door deze herberekening haar eigen besteksbepalingen op het eerste gezicht niet te hebben geschonden, aangezien de maataanduidingen objectief vaststaande en algemeen bekende factoren zijn en de omzetting van de ene maataanduiding naar de andere een loutere wiskundige berekening vereist waarbij niemand betwist dat 12 milliseconden identiek is aan 12.000 microseconden.
De verzoekende partij voert nu echter aan dat zij bij het opstellen van haar offerte voor eisen 248 en 249 per vergissing 12 milliseconden en 55
milliseconden opgaf, terwijl dit 12 microseconden en 55 microseconden diende te zijn.
Zij is van oordeel dat de verwerende partij deze vergissing had dienen op te merken bij een zorgvuldig onderzoek van de offertes en dat de verwerende partij haar hieromtrent om verduidelijking had moeten vragen.
In de eerste plaats verwijst de verzoekende partij naar eis 7, waar werd gevraagd om een “looptijd” op te geven “in één richting” en waaromtrent zij in haar antwoordformulier heeft opgemerkt dat er per node een doorlooptijd van 20 à 80 “usec” wordt gerekend. “Usec” zou overeenkomen met “µs” en zou dus ook een maataanduiding zijn voor microseconden. De verwerende partij van haar kant stelt dat er in de betrokken offerte geen correlatie is
XII-8287-12/24
tussen de waarden vermeld in eis 7 en de waarden vermeld in eisen 248 en 249 zodat de verzoekende partij niet dienstig kan verwijzen naar de waarde vermeld in eis 7.
Op het eerste gezicht wordt eis 7 in het bestek vermeld onder het deel “6.
Applicatiebehoeften”, onder de subtitel “6.2 GSM-R”: “7. Looptijd in één richting (max. 6 ms)”.
De eisen 248 en 249 daarentegen worden vermeld onder het deel “14.
technische vereisten”, onder de subtitel “14.5 Kenmerken van het Ethernet”.
Op het eerste gezicht wordt het verband tussen de beide delen in het bestek en dus tussen de beide vereisten door de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet duidelijk toegelicht. Alleen al om deze reden lijkt de Raad van State, zonder technische bijstand, niet te kunnen beoordelen wat de relevantie is van de verwijzing die de verzoekende partij maakt naar de opmerking die zij geeft bij eis 7.
Voorts verwijst de verzoekende partij naar de eisen 252 en 253 waarvoor zij de waarden wel met de meeteenheid µs (microseconden) opgaf. Deze eisen betreffen de bidirectionele doorlooptijd, terwijl de eisen 248 en 249 de unidirectionele doorlooptijd betreffen zodat de eisen 252 en 253 volgens haar eigenlijk de verdubbelde versies zouden zijn van de eisen 248 en 249.
Dit houdt volgens de verzoekende partij in dat de opgegeven waarden van een inschrijver voor de eisen 248 en 249 in beginsel nooit meer kunnen zijn dan de helft van de waarden opgegeven voor de eisen 252 en 253. Zij verwijst hiervoor ook naar de offertes van de twee andere inschrijvers.
Aangezien de verzoekende partij voor de eisen 248 en 249 waarden opgaf die tot 2000 maal groter zijn dan de waarden van de eisen 252 en 253, had volgens haar de verwerende partij bij een zorgvuldig onderzoek moeten vaststellen dat dit niet anders dan een materiële vergissing kon zijn. De verwerende en de tussenkomende partij van hun kant wijzen er op dat het bestek precies vroeg om zowel de waarden van de unidirectionele doorlooptijd als van de bidirectionele doorlooptijd op te geven, zodat hieruit blijkt dat de verwerende partij van oordeel was dat de unidirectionele doorlooptijd niet noodzakelijk de helft bedraagt van de bidirectionele doorlooptijd. Anders had één van beide niet uitdrukkelijk moeten worden opgevraagd. Bovendien wijzen zij er op dat het voor een netwerk dat gebruik maakt van IP-MPLS wel vaak zou kunnen zijn dat de unidirectionele doorlooptijd de helft bedraagt van de bidirectionele doorlooptijd, maar de verzoekende partij bood een netwerk aan dat gebruik maakt van MPLS-TP
waarbij dit meestal niet zo zou zijn.
Een decisieve beoordeling van de aangevoerde argumenten van de verzoekende partij lijkt een technische achtergrondkennis te vereisen die niet van de Raad van State kan worden verwacht. In het kader van een prima facie onderzoek in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt hij te dezen niet bijgestaan door een deskundige – de verzoekende partij heeft ook niet om de aanstelling van een deskundige
XII-8287-13/24
verzocht, laat staan dat zij een deskundige voorstelt die zich bereid verklaart zich in te passen in het korte tijdsbestek dat verbonden is aan een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De verzoekende partij brengt ook geen enkel objectief stuk aan dat haar argumentatie zou kunnen onderbouwen en de klaarblijkelijke evidentie ervan zou kunnen aantonen.
Integendeel lijkt de verzoekende partij haar eigen argumentatie te verzwakken waar zij vervolgens stelt dat ook de nominale waarden die zij opgaf voor de eisen 248 en 249 niet correct waren, alsook de nominale waarden voor de eisen 252 en 253 (zie verzoekschrift bladzijde 10). In die omstandigheden overtuigt de stelling niet dat de verwerende partij uit de waarden die de verzoekende partij opgaf voor de eisen 252 en 253
klaarblijkelijk had moeten afleiden dat de waarden van 12 milliseconden en 55 milliseconden die ze opgaf voor de eisen 248 en 249 niet anders dan foutief konden zijn.
Ten slotte meent de verzoekende partij nog dat de verwerende partij eigenlijk abstractie had moeten maken van de in haar offerte vermelde maateenheid van milliseconden, aangezien de bepalingen van het bestek oplegden dat de waarden dienden te worden opgegeven in microseconden zodat een vermelding van maateenheid in de offertes niet noodzakelijk was.
Deze argumentatie lijkt niet te kunnen worden gevolgd. Hoewel het bestek inderdaad erin voorzag dat de waarden voor de eisen 248 en 249 dienden te worden opgegeven in microseconden, lijkt de aanbestedende overheid bij de beoordeling van de offertes integendeel te moeten uitgaan van de gegevens vermeld in de offerte en lijkt zij dus rekening te moeten houden met de in de offerte opgenomen maataanduiding, ook al wijkt deze af van het gevraagde in het bestek. Immers, door abstractie te maken van de in de offerte opgenomen maataanduiding, lijkt het dat de aanbestedende overheid de offerte van de verzoekende partij zou wijzigen.
Bijgevolg toont de verzoekende partij niet aan dat de verwerende partij de offertes niet op een zorgvuldige wijze zou hebben onderzocht dan wel dat zij bij dat onderzoek de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten zou zijn gegaan.
Het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig.
9. De Raad van State sluit zich aan bij deze conclusie waarop ter terechtzitting overigens door de verzoekende partij niet is gerepliceerd.
XII-8287-14/24
Uiteenzetting van het tweede middelonderdeel
10. In het tweede onderdeel van haar middel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij bij de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver, de nv Dynniq, kennelijk onzorgvuldig is te werk gegaan.
In het evaluatieformulier voor de inschrijver nv Dynniq wordt immers bij de eisen 250 tot 253 weergegeven: “Please give value max” zonder dat in de tabel in de kolom waar de inschrijvers hun waarden dienden in te vullen, een getal wordt vermeld. Hieruit leidt de verzoekende partij af dat de nv Dynniq in haar antwoordformulier geen specifieke waarde in microseconden heeft opgegeven voor deze eisen. Niettegenstaande dit gebrek aan opgave van specifieke waarden, heeft de verwerende partij echter in de kolommen 10 tot 12 van het evaluatieformulier voor de waarden C1 tot C3 wel specifieke getallen in overweging genomen. De waarden hebben geleid tot een concrete weging en toekenning van punten. Uit het gunningsverslag of het technisch formulier blijkt echter nergens waar de verwerende partij deze getallen vandaan heeft gehaald, nu deze niet werden opgegeven door de nv Dynniq zelf.
De verzoekende partij is dan ook van mening dat de bestreden beslissing niet afdoende wordt gemotiveerd, aangezien noch uit het gunningsverslag noch uit de technische fiche kan worden afgeleid op welke feitelijke elementen de verwerende partij haar beoordeling heeft gesteund.
De vreemde vermelding “please give value max” had de verwerende partij er naar de mening van de verzoekende partij toe moeten brengen een vraag tot aanvulling of verbetering te richten aan de nv Dynniq.
Gelet op het gebrek aan opgave van specifieke waarden voor deze eisen, had de nv Dynniq volgens de verzoekende partij een nulscore moeten krijgen voor deze eisen in plaats van de nu toegekende punten. Ingevolge de toepassing van de regel van drie bij de puntentoekenning voor de technische eisen, heeft deze onzorgvuldige en onredelijke beoordeling van de verwerende partij de puntentoekenning beïnvloed wat van belang is gelet op het geringe puntenverschil
XII-8287-15/24
tussen de offerte van de verzoekende partij en de offerte van nv Dynniq, namelijk 0,83%.
Beoordeling
11. In het auditoraatsadvies is betreffende dit middelonderdeel vastgesteld onder meer wat volgt.
Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat in het evaluatiedocument van de gekozen inschrijver, nv Dynniq, voor de eisen 250
tot 253, in de kolom waar de inschrijvers hun waarden voor die eis voor de drie verschillende niveaus van het netwerk moeten invullen, geen getal werd ingevuld, maar telkens de vermelding “please give a value max”. Dit lijkt de tekst te zijn die stond voorgedrukt in de tabel zoals die aan de inschrijvers werd gestuurd om in te vullen en waarbij de inschrijvers deze tekst dus telkens dienden te vervangen door de door hen op te geven waarden.
Niettegenstaande de nv Dynniq voor de eisen 250 tot 253 de voorgedrukte tekst niet heeft vervangen door haar eigen waarden, heeft de verwerende partij inderdaad in de laatste kolommen van deze tabel, waar de waarden worden vermeld die zij in aanmerking heeft genomen voor de beoordeling van de offerte van de nv Dynniq, wel degelijk waarden vermeld voor de eisen.
De door de inschrijver nv Dynniq ingevulde tabel die aan de verwerende partij werd bezorgd als finale offerte en dus als antwoord op de RFQ4 die op 28 september 2016 aan de inschrijvers werd gezonden, werd door de verwerende partij neergelegd in het administratief dossier als vertrouwelijk stuk.
De verwerende partij wijst er in haar nota op dat de eisen 250 en 251
betrekking hebben op de maximale jitter voor de frames van respectievelijk 64 en 1.518 bytes. Zij licht toe dat jitter in IP-netwerken de variërende vertraging vormt in het afleveren van data pakketten. In het bestek wordt dit als volgt omschreven:
“Jitter is de storing van een signaal. In de digitale dataoverdracht en met name bij seriële verbindingen betekent jitter het fluctueren van een signaal.
Deze fluctuatie kan een faseverschuiving of een temporele dispersie zijn. Het gaat dan onder andere om fouten bij de uitgang bij het recupereren van de gegevens.”
De verwerende partij licht voorts in haar nota toe dat de doorlooptijd de tijd is die gemeten wordt tussen, enerzijds, het ogenblik van het vertrek van het pakket met informatie en, anderzijds, het tijdstip waarop het aankomt op haar bestemming. De verwerende partij stelt dat de maximale jitter noodzakelijk
XII-8287-16/24
lager ligt dan de maximale unidirectionele doorlooptijd, hetgeen de verzoekende partij ook nergens lijkt te betwisten. Dit houdt in dat de maximale doorlooptijd steeds rekening houdt met een maximale jitter. In die hypothese lijkt de verwerende partij terecht te hebben kunnen aannemen dat de maximale jitter in het netwerk van de nv Dynniq niet hoger kan zijn dan de maximale doorlooptijd, zodat zij voor het bepalen van de maximale jitter, lijkt te hebben kunnen rekening houden met de door nv Dynniq opgegeven maximale doorlooptijd, zonder de overige inschrijvers hierdoor te benadelen.
Aangezien de verzoekende partij bij onderzoek van de evaluatietabel kon vaststellen dat de verwerende partij voor de offerte van nv Dynniq voor de eisen 250 en 251 dezelfde waarden in acht genomen heeft als voor de eisen 248 en 249, lijkt de verzoekende partij, gelet op het voorgaande, afdoende op de hoogte te zijn geweest van de oorsprong van deze waarden en lijkt de formele motiveringsplicht op dit punt niet geschonden doordat niet nader werd toegelicht in het gunningsverslag hoe de verwerende partij deze waarden voor de eisen 250 en 251 voor de offerte van nv Dynniq had bepaald.
De verzoekende partij toont dan ook niet aan welk belang zij heeft bij haar middelonderdeel voor zover zij daarin de schending van de zorgvuldigheidsplicht inroept, omdat ten onrechte geen nadere uitleg werd gevraagd aan de nv Dynniq omtrent deze waarden, aangezien een vraag tot toelichting enkel tot een lagere in aanmerking te nemen waarde en dus een betere puntenscore voor nv Dynniq lijkt aanleiding te hebben kunnen geven.
Wat de eisen 252 en 253 betreft, heeft de gekozen inschrijver, de nv Dynniq, in de tabel evenmin een waarde ingevuld, maar eveneens een opmerking opgenomen. Met betrekking tot deze eisen, merkt de nv Dynniq in de tabel op:
“les 2 directions d’une communication bidirectionelle sont transportées indépendamment l’une de l’autre.”
Dit wordt door de verwerende en de tussenkomende partij vertaald als :
“de twee richtingen van een bidirectionele communicatie worden onafhankelijk van elkaar vervoerd.”
Hieruit heeft de aanbestedende overheid afgeleid dat de waarde voor de bidirectionele doorlooptijd overeenstemt met het dubbele van de waarde voor de unidirectionele doorlooptijd. Dit zou volgens de verwerende en de tussenkomende partij een typische stijlformule zijn in de technische wereld, die vaker wordt gehanteerd. Het zou dan ook meteen voor de verwerende partij duidelijk zijn geweest welk specifiek getal de nv Dynniq wenste op te geven.
XII-8287-17/24
De verzoekende partij brengt geen overtuigende argumentatie aan die deze verklaring, die niet verstoken lijkt van enige logica, tegenspreekt.
De Raad van State valt deze conclusies bij. De ingeroepen onzorgvuldigheid en het gebrek aan motivering lijken niet aangetoond.
Ter terechtzitting daartoe verzocht, affirmeerde de verzoekende partij voorts niet dat de aanvulling van de offerte van de gekozen inschrijver op zichzelf genomen onrechtmatig was.
12. Wat voorts de aangevoerde ongelijke behandeling betreft, is de inhoud van beide offertes anders: bij de gekozen inschrijver waren er geen waarden voor de besproken eisen ingevuld terwijl er wel waarden waren ingevuld bij de verzoekende partij, zodat geen sprake lijkt te kunnen zijn van vergelijkbare situaties.
13. Het tweede onderdeel is niet ernstig.
Uiteenzetting van het derde middelonderdeel
14. In een derde onderdeel van haar middel voert de verzoekende partij aan dat de beoordelingsmethode die werd toegepast voor het tweede subgunningscriterium “specifieke eisen (MPLS-TP of IP-MPLS)” bij het kwalitatieve gunningscriterium “technische voorwaarden”, geleid heeft tot een ongelijke behandeling van de offertes.
Zij herinnert eraan dat het bestek de inschrijvers de mogelijkheid liet zelf te kiezen of zij MPLS-TP aanboden, dan wel IP-MPLS. Voor elk van deze systemen werden afzonderlijke eisen opgenomen in het bestek.
Voorts wijst zij er op dat in het gunningsverslag met betrekking tot de beoordelingsmethode wordt toegelicht dat de inschrijver die de beste technische quotering per categorie krijgt, 100% krijgt van de punten die zijn toegewezen voor die categorie en de anderen een score in verhouding tot hun resultaten. De 25 punten die werden toegekend aan de categorie MPLS-TP of
XII-8287-18/24
IP-MPLS werden volgens het gunningsverslag toegekend in functie van de door de inschrijver voorgestelde technologie. Vervolgens zou dan in tegenstrijd hiermee in het gunningsverslag worden gemotiveerd dat de drie inschrijvers voor het subgunningscriterium ‘specifieke eisen’ samen worden beoordeeld, gewogen en gerangschikt. Nochtans zou de beoordeling en puntentoekenning gebeuren per categorie. Bovendien werden ongelijke offertes, die immers een verschillende technologie aanboden, toch gelijk behandeld door ze met elkaar te vergelijken en in verhouding tot elkaar te quoteren.
Aangezien de verzoekende partij de enige resterende inschrijver was, die had gekozen voor MPLS-TP, had de verzoekende partij bij de weging 25
punten moeten krijgen, aangezien zij de beste was voor die technologie.
Ten overvloede merkt de verzoekende partij nog op dat de behaalde scores op het gunningscriterium technische voorwaarden tweemaal worden “genormaliseerd”, namelijk op de subgunningscriteria en het gunningscriterium zelf. Hierdoor worden inschrijvers die in globo goed scoren op dit gunningscriterium bevoordeeld ten opzichte van andere inschrijvers. De verzoekende partij zou geen ander bestek kennen waar de technische onderdelen tweemaal “genormaliseerd” worden.
Beoordeling
15. De Raad van State valt, wat dit middelonderdeel betreft, de hiernavolgende conclusies bij van het optredend lid van het auditoraat, die ter terechtzitting in haar mondeling advies onder meer vaststelde hetgeen volgt.
Te dezen werden de offertes getoetst aan twee gunningscriteria, namelijk de ‘technische voorwaarden’, met een weging van 60% en de ‘financiële voorwaarden’ met een weging van 40%.
Het gunningscriterium ‘technische voorwaarden’ werd nader onderverdeeld in drie subgunningscriteria; het bestek (zie laatste blad van bijlage 4 bij het bestek) noemt dit drie categorieën. De categorieën worden nogmaals uitgesplitst naar de drie niveaus van het netwerk die dienden te worden voorzien. Dit geeft volgende verdeling:
XII-8287-19/24
categorie Gewicht Gewich Gewich Gewich categori t niveau t niveau t niveau e 1 2 3
common 70 40 30 30
Specific 25 40 30 30
(IP
MPLS or MPLS-T
P
Interface 5 34 33 33
Omtrent de technologiekeuze wordt in het bestek bepaald:
“IP/MPLS en MPLS-TP zijn de enige technologieën die door Infrabel zijn geselecteerd en die mogen worden toegepast voor het STONE-netwerk. Elke andere door de inschrijver voorgestelde technologie dan de MPLS-technologie maakt de offerte niet-conform.
Vanuit een functioneel oogpunt zijn zowel de IP/MPLS als de MPLS-TP-technologie geschikt om aan de vereisten van het STONE-netwerk te voldoen. Infrabel heeft dus geen bijzondere voorkeur voor de ene of de andere technologie en laat de inschrijver vrij kiezen welke technologie hij het meest gepast acht rekening houdend met: […]”.
Vervolgens wordt in het bestek, in het gedeelte met de technische vereisten (deel 14) een titel “14.7 gemeenschappelijk gedeelte MPLS” opgenomen waaronder een reeks vereisten worden opgegeven. Vervolgens bevat het bestek een deel “14.8 Specifiek deel MPLS-TP”, waaronder 68 eisen worden vermeld met betrekking tot MPLS-TP. Daarnaast bevat het bestek een gedeelte “14.9 Specifiek deel IP/MPLS”, waaronder 109 eisen werden opgenomen met betrekking tot IP/MPLS.
In het gunningsverslag wordt omtrent de beoordeling van de offertes weergegeven:
“Het lastenboek bepaalt optionele technische eisen “O” (een voorbeeld is de aanwezigheid van een monitoring van de temperatuur van de uitrusting voorzien van een ventilator) en karakteristieke eisen “C”
(voorbeelden zijn: de maximale capaciteit van een uitrusting, het electrisch verbruik van een uitrusting).
De methodologie die wordt gebruikt voor de evaluatie van deze eisen is de volgende:
Voor de “O” (optionele eisen):
• 0: geen antwoord of antwoord niet conform het bestek • Het totaal aantal punten toewezen aan het criterium (1, 2, 5 of 20
punten in functie van het gewicht van het criterium): antwoord is conform het bestek.
XII-8287-20/24
Voor alle “C” eisen (karakteristieken) houdt de score rekening met de maximale of minimale waarde van de eis:
• Voor elke te maximaliseren waarde (MAX, bv. de maximale capaciteit van de apparatuur), wordt de score van inschrijver x vergeleken met de maximale waarde van alle inschrijvers en krijgt een score volgens een regel van 3.
• Voor elke te minimaliseren waarde (MIN, bv. het electrisch verbruik van de apparatuur) wordt de score van inschrijver x vergeleken met de minimale waarde van alle inschrijvers en krijgt een score volgens een regel van 3.
De firma die de beste technische quotering per categorie krijgt 100%
van de punten die zijn toegewezen aan de categorie, de andere krijgen een beoordeling in verhouding tot hun resultaten. De eindscore is de som van de beoordelingen voor elke categorie, teruggebracht op 60, het gewicht van de technische voorwaarden.
De 25 punten voor de specifieke categorie MPLS-TP of IP-MPLS
worden toegekend in functie van de door de inschrijver voorgestelde technologie.”
Met betrekking tot het tweede subcriterium ‘specifieke eisen MPLS-TP of IP-MPLS’ werd voor elk van de inschrijvers beoordeeld in welke mate het aangeboden systeem voldeed aan de voor die technologie vooropgestelde eisen. Voor de verzoekende partij werd beoordeeld in welke mate de offerte voldeed aan de vereisten die in het bestek werden bepaald voor de technologie MPLS-TP, aangezien de verzoekende partij deze technologie aanbood. Dit gaf voor de verzoekende partij een score van 34 op 36
(gemiddelde rekening houdende met het gewicht van de score voor elk niveau van het netwerk), wat vervolgens werd teruggebracht naar een percentage om te kunnen vergelijken met de overige inschrijvers, aangezien er voor de technologie MPLS-TP een score op 36 punten werd toegekend, terwijl er voor IP-MPLS een score op 334 werd toegekend. Voor de verzoekende partij werd de score herleid tot 94,44 %. Voor de gekozen inschrijver, nv Dynniq, en de derde inschrijver, nv Dimension Data, werd beoordeeld in welke mate de offerte voldeed aan de vereisten die in het bestek werden gesteld voor de technologie IP-MPLS aangezien zij deze technologie aanboden. Voor de nv Dynniq gaf dit een score van 295 op 334, wat werd teruggebracht naar een percentage, namelijk 88,32 %. Voor de derde inschrijver, de nv Dimension Data, gaf dat een score van 329,8 op 334
wat ook werd teruggebracht naar een percentage, namelijk 98,74 %. De drie inschrijvers werden aldus onderling vergeleken op de mate waarin ze voldeden aan de eisen die voor de door hen voorgestelde technologie in het bestek werden bepaald. Aangezien de nv Dimension Data procentueel gezien het beste beantwoordde aan de eisen (98,74 %) kreeg deze inschrijver 100%
van de voor deze categorie toe te bedelen punten, te weten 25 punten. De overige twee inschrijvers kregen punten in verhouding tot hun resultaat, te weten 23,91 van de 25 punten voor de verzoekende partij en 22,36 van de 25 punten voor de gekozen inschrijver, de nv Dynniq.
XII-8287-21/24
Voor het bepalen van de score van iedere inschrijver, werd uiteraard enkel rekening gehouden met de mate waarin de inschrijver beantwoordde aan de specifieke eisen voor het door hem aangeboden systeem. In die zin worden de inschrijvers vergeleken “in functie van de door de inschrijver voorgestelde technologie”. Deze laatste parafrasering lijkt niet in te houden, zoals de verzoekende partij meent te begrijpen, dat het subcriterium ‘specifieke eisen’ nader zou worden opgesplitst en dat de inschrijvers die de MPLS-TP technologie aanboden afzonderlijk van de inschrijvers die de IP-MPLS technologie aanboden, vergeleken zouden worden, waarna dan zowel aan de hoogst scorende op de eisen voor de MPLS-TP technologie als aan de hoogst scorende op de eisen voor de IP-MPLS technologie 25 punten zouden worden toegekend. Er valt op het eerste gezicht ook geen steun te vinden in het bestek voor de interpretatie van de verzoekende partij. De verzoekende partij toont ook niet aan hoe zij door de beoordeling die werd gehanteerd in het gunningsverslag ‘gepenaliseerd’ zou worden. De interpretatie die de verzoekende partij voorstaat zou juist tot een ongelijke beoordeling leiden aangezien in dat geval de inschrijver die als enige een bepaalde technologie aanbiedt, steeds 25 punten zou krijgen, ongeacht de kwaliteit van de geleverde technologie, terwijl voor de inschrijvers die de andere technologie aanbieden dan geldt dat een inschrijver die niet als beste beantwoordt aan de voor hem gestelde eisen, maar wel in betere mate dan de verzoekende partij, een lagere score dan de verzoekende partij zou krijgen.
Er valt op het eerste gezicht dan ook geenszins een tegenstrijdigheid in de motivering van het evaluatieverslag op te merken, noch toont de verzoekende partij aan dat er sprake zou zijn van een ongelijke behandeling.
In zoverre de verzoekende partij ten slotte nog opmerkt dat er een ongelijke behandeling zou zijn omdat de behaalde scores op het gunningscriterium ‘technische voorwaarden’ tweemaal worden “genormaliseerd”, namelijk op het niveau van de subgunningscriteria en op het niveau van het gunningscriterium zelf, geeft zij niet aan wat zij bedoelt met de term “normaliseren”. In de mate dat zij hiermee bedoelt dat op twee niveaus aan de beste inschrijver het maximum van de punten wordt toegekend, en de overige inschrijvers slechts een score in verhouding daarmee krijgen, lijkt zij op het eerste gezicht uit te gaan van een verkeerde voorstelling van de feiten.
Immers, zoals de verzoekende partij aangeeft, werden de scores op het niveau van de subcriteria inderdaad op die wijze toegekend dat degene die als beste werd beoordeeld, het maximum van het aantal toe te bedelen punten voor dat subcriterium kreeg, terwijl de overige inschrijvers in verhouding werden gequoteerd. Echter, er lijkt niet ook nog een “normalisering” te hebben plaatsgevonden op het niveau van het gunningscriterium ‘technische voorwaarden’ zelf. De scores voor de drie subcriteria werden opgeteld, waardoor men een score verkreeg op 100 punten. Deze verkregen scores op 100 punten werden enkel herleid naar een score op 60 punten, aangezien dit het gewicht was dat was toegekend aan het gunningscriterium ‘technische voorwaarden’. De inschrijver die een score van 100 op 100 behaalde op de subcriteria, kreeg uiteraard een score van 60 op 60 op het gunningscriterium.
XII-8287-22/24
De score van de verzoekende partij van 80,57 op 100 werd eenvoudigweg omgezet naar een score van 48,34 op 60. Er valt niet in te zien hoe er daarbij sprake zou zijn van “tweemaal worden genormaliseerd” waarbij dan de inschrijvers die in globo goed scoren op dit gunningscriterium bevoordeeld zouden worden ten opzichte van de andere inschrijvers.
16. Het middelonderdeel is niet ernstig.
VII. Besluit en kosten
17. Het enig middel is niet ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.
18. Er is te dezen grond om met toepassing van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, de verwerende partij de door haar gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro toe te kennen, nu zij door de verwerping van de vordering tot schorsing als in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.
BESLISSING
1. Het verzoek van de nv Dynniq Belgium tot tussenkomst wordt ingewilligd.
2. De Raad van State verwerpt de vordering.
3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verwerende partij.
De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro.
XII-8287-23/24
Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 februari 2017, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit:
Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier.
De griffier De voorzitter
Silja Doms Dierk Verbiest
XII-8287-24/24
PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.255