Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.225 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.225 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against dismissal from police rank and awards state party legal costs.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.225
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State dismissed the applicant's appeal seeking annulment of a decision declaring his promotion request inadmissible. The applicant, a police chief, argued that his dismissal from the rank of head commissioner was unjustified and caused severe financial harm. The court found no grounds to overturn the administrative decision regarding his promotion and awarded the state party the legal costs of 700 euros.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 30/1 and 30/1, § 2 of the Coordinated Laws on the Council of State; the Council of State dismisses an appeal against a decision declaring a promotion request inadmissible and awards legal costs to the state party when the applicant fails to demonstrate unreasonable circumstances.

Mots-clés

Généré par l'IA
administrative appeal police promotion legal costs award dismissal of appeal rank of head commissioner allocation d'ancienneté condition de la retraite évaluation de l'incapacité de travail

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 30/1 of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 30/1, § 1, first paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Article 30/1, § 2, first paragraph of the Coordinated Laws on the Council of State
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.225 van 31 januari 2017

in de zaak A. 213.546/XIV-35.922

In zake : Yvôn VERKOYEN

woonplaats kiezend te 9940 Evergem Kalestraat 15

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de vice-eerste minister en minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met de Regie der Gebouwen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2014, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Raad van Beroep van de Algemene Inspectie van 03 juli 2014 (lees: 5 juni 2014) waarbij het verzoekschrift tot beroep tegen een adviesformulier dat een baremische bevordering van verzoeker van de weddenschaal O5 naar O6 als hoofdcommissaris van politie van de Lokale Politiezone Lovendegem/Nevele/Waarschoot/Zomergem (Politiezone LOWAZONE) belet, onontvankelijk wordt verklaard”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

XIV-35.922-1/18

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht.

Verzoeker, die verschijnt in persoon, en advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D'Hooghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Bij koninklijk besluit van 4 maart 2002 wordt verzoeker voor een periode van vijf jaar aangewezen tot korpschef in de lokale politiezone Lovendegem/Nevele/Waarschoot/Zomergem (hierna: lokale politiezone LOWAZONE).

XIV-35.922-2/18

Bij koninklijk besluit van 21 april 2007 wordt het mandaat van verzoeker niet hernieuwd omdat hij geen voldoening schenkt in het ambt.

Verzoeker heeft tegen dit besluit een annulatieberoep bij de Raad van State ingediend (de zaak G/A.184.517/IX-5710), dat werd verworpen bij arrest nr. 217.908 van 13 februari 2012.

Bij koninklijk besluit van 21 april 2007 wordt verzoeker met ingang van 21 maart 2005 benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie van de lokale politiezone LOWAZONE.

3.2. Op 4 mei 2007, in een periode dat er spanningen bestaan omtrent het mandaat van verzoeker, heeft er op de werkvloer een incident plaats waarbij verzoeker verbaal in de clinch is gegaan met een collega. Vanaf 7 mei 2007 wordt verzoeker wegens ziekte vrijgesteld van dienst. Hij heeft sindsdien het werk niet meer hervat.

3.3. Met een brief van 4 maart 2009 aan de korpschef vraagt verzoeker om een baremische weddenverhoging van loonschaal O5 naar loonschaal O6.

Verzoeker stelt in deze brief dat hij op 21 maart 2009 vier jaar de loonschaal O5 heeft genoten en op grond van artikel XII.VII.14 van het RPPol aanspraak kan maken op een loonschaalanciënniteitsbonificatie van twee jaar.

3.4. Met een brief van 24 april 2009 antwoordt de korpschef dat verzoeker weliswaar aan de anciënniteitsvoorwaarde voldoet, doch dat er een probleem rijst wat de voorwaarde betreft dat er geen negatieve evaluatie voorhanden mag zijn. De korpschef overweegt:

“Een hogere loonschaal in de baremische loopbaan wordt niet toegekend indien de laatste evaluatie de eindvermelding “onvoldoende” draagt. De laatste evaluatie van betrokkene betrof de evaluatie als korpschef. Het personeelslid dat

XIV-35.922-3/18

ondertussen herplaatst is en in ziekteverlof is, zal worden geëvalueerd via een advies GPI11bis na zijn terugkeer uit dit verlofstelsel. Bij een positieve evaluatie, krijgt het zijn loonschaalverhoging met terugwerkende kracht op de datum waarop het zijn zes jaar loonschaalanciënniteit had verworven, zijnde op 21 maart 2009.

[…]

M.a.w. op dit ogenblik voldoet u niet aan de gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een baremische weddenverhoging aangezien u sinds uw herplaatsing begin mei 2007 nog geen enkele dag bent komen werken en aldus niet kon geëvalueerd worden in deze nieuwe functie.”.

3.5. Met een brief van 4 mei 2009 betwist verzoeker het door de korpschef ingenomen standpunt.

Hij benadrukt dat volgens de zienswijze van de korpschef zijn negatieve evaluatie van mandaathouder, i.e. korpschef, een determinerende rol blijft spelen, terwijl hij niet meer onder het stelsel van de evaluatie van een mandaathouder valt, maar wel onder dat van een herplaatst personeelslid van de lokale politie (artikel 7.1. RPPol). Naar de negatieve evaluatie als korpschef zou volgens hem niet meer kunnen worden verwezen omdat het rechtsregime van deze evaluatie in casu niet van toepassing is.

Verzoeker argumenteert verder dat wanneer, zoals te dezen, geen evaluatie volgens het toepasselijke rechtsregime voorhanden is, de bevoegde overheid een adviesformulier GPI 11bis dient op te stellen. Hij verwijst naar een op 6 april 2009 door de korpschef opgesteld adviesformulier dat hij op 14 april 2009 heeft ontvangen in het kader van zijn deelname aan een selectieproef van korpschef in de politiezone Assenede-Evergem. In dit formulier waarvan verzoeker kennis nam op 14 april 2009 wordt overwogen:

“Gelet op het feit dat betrokkene zijn nieuwe functie, waarin hij herplaatst is geweest, tot op heden nog geen enkele dag heeft waargenomen wegens ziekte en verlof en dit sedert 07 mei 2007 is het uitschrijven van een advies m.b.t. zijn nieuwe functie onmogelijk.”

Aangezien op dit formulier noch de optie ‘goed’, noch de optie ‘onvoldoende’ waarin het voorziet, werd aangekruist, volgt hier volgens verzoeker uit dat er geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’

XIV-35.922-4/18

voorhanden is zodat hij voldoet aan alle voorwaarden om de baremische weddenverhoging toegekend te krijgen. Verzoeker benadrukt nog dat op grond van art. VIII.XI.1 RPPol de toestand van ziekteverlof geen beletsel kan vormen om de baremische loonschaalverhoging toegekend te krijgen.

3.6. In zijn antwoord op deze brief erkent de korpschef dat de negatieve evaluatie van verzoeker in het kader van zijn functie als korpschef en een toestand van ziekteverlof inderdaad niet kunnen worden ingeroepen om hem een baremische bevordering te ontzeggen. De korpschef wijst er evenwel op dat het adviesformulier van 6 april 2009 (cfr. punt 3.5) het volgende vermeldt:

“Aan de hand van een extra vermelding op betrokken formulier, wij citeren:

‘Gelet op het feit dat betrokkene zijn nieuwe functie, waarin hij herplaatst is geweest, tot op heden nog geen enkele dag heeft waargenomen wegens ziekte en verlof en dit sedert 07 mei 2007 is het uitschrijven van advies m.b.t. zijn nieuwe functie onmogelijk.’ werd extra verduidelijkt waarom vooralsnog geen advies GPI

11bis als dusdanig kon worden opgesteld.”.

Vervolgens stelt de korpschef dat de politiezone bij haar standpunt blijft zoals uiteengezet in zijn schrijven van 24 april 2009.

3.7. Met een brief van 10 juni 2009 herhaalt verzoeker zijn standpunt dat hij aanspraak maakt op een baremische bevordering omdat er geen evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ voorhanden is en het adviesformulier van 6 april 2009 niet in zijn nadeel mag worden geïnterpreteerd.

In dit verband benadrukt verzoeker dat voormeld adviesformulier van 6 april 2009 hem toegang heeft verleend tot de selectieproef van korpschef in de politiezone Assenede-Evergem, die als identieke voorwaarde de afwezigheid van een evaluatie met eindvermelding ‘onvoldoende’ vooropstelt.

3.8. Met een brief van 10 juli 2009 geeft de korpschef te kennen dat de politiezone bij haar eerder ingenomen standpunt blijft.

3.9. Met een aangetekende brief van 6 augustus 2009, waarin zijn standpunt nogmaals wordt uiteengezet, maant de toenmalige advocaat van

XIV-35.922-5/18

verzoeker de lokale politiezone LOWAZONE formeel aan om de weddenschaalverhoging (naar loonschaal O6) met ingang van 1 april 2009 toe te passen.

3.10. Met een brief van 20 augustus 2009 bevestigt de korpschef opnieuw het in de brief van 10 juli 2009 door het politiecollege ingenomen standpunt.

3.11. Met een dagvaarding, betekend op 3 april 2010, beoogt verzoeker zijn baremische bevordering af te dwingen voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. In een vonnis van 4 april 2011 oordeelt de rechtbank hieromtrent:

“De rechtbank volgt deze redenering niet onder verwijzing van het hoger geciteerd advies en is van oordeel dat een baremische verhoging slecht[s] kan verworven worden na een noodzakelijke evaluatie die geen vermelding ‘onvoldoende’ mag dragen;

Doordat de eiser echter sedert zijn herplaatsing begin 2007 zich in een ziektetoestand bevindt die geen evaluatie in zijn nieuwe functie toelaat of mogelijk maakt, dient eerst gewacht op zijn werkhervatting binnen het korps.

De evaluatieperiode van het personeelslid dat tijdens die periode langdurig met verlof is volgens één van de verlofstelsels bedoeld in de artikelen VIII.III. 1 tot VIII.XV.6 wordt dan ook verlengd met de duur van dit verlof zoals bepaald is in artikel VIII.10 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten.

Zonder noodzakelijke evaluatie kan geen uitspraak gedaan worden over de gevraagde baremische verhoging van de eiser.”.

Op 20 juni 2011 stelt verzoeker hoger beroep in tegen dit vonnis.

3.12. Inmiddels wordt verzoeker bij koninklijk besluit van 28 april 2011 ambtshalve op pensioen gesteld met ingang van 1 januari 2011.

Verzoeker stelt tegen dit besluit een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in (de zaak G/A.200.931/IX-7323), die respectievelijk worden verworpen bij arrest nr. 216.359 van 21 november 2011

en arrest nr. 221.740 van 13 december 2012.

XIV-35.922-6/18

Verzoeker heeft tegen het laatstgenoemde arrest een beroep tot herziening ingediend (de zaak G/A.208.661/XIV-36.186). Het verzoek tot herziening is verworpen bij arrest nr. 234.822 van 24 mei 2016.

3.13. Met een brief van 2 april 2012 vraagt verzoeker aan de commissaris-generaal van de Federale politie om de dienst statuten te verzoeken een nieuw advies te formuleren waarin deze dienst stelling zou moeten nemen inzake de toestand waarin hij zich op dat ogenblik bevindt en al dan niet zijn recht op de baremische bevordering met terugwerkende kracht te bevestigen.

Dit schrijven blijft onbeantwoord.

3.14. In een arrest van 27 februari 2014 oordeelt het hof van beroep te Gent omtrent het door verzoeker ingestelde beroep tegen het vonnis van 4 april 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent:

“[…]

Sedert zijn herplaatsing in mei 2007 was Yvon Verkoyen niet terug gaan werken en werd hij dus ook niet geëvalueerd in zijn nieuwe functie. Zonder deze noodzakelijke evaluatie (die tevens niet ‘onvoldoende’ had mogen zijn) kon en kan hij dan ook geen baremische verhoging verwerven.

Anders oordelen (en aannemen dat de baremische verhoging steeds verworven zou zijn zolang er maar geen evaluatie ‘onvoldoende’ voorligt, dus ook als er geen evaluatie voorligt) zou impliceren dat iemand die een evaluatie ‘ongunstig/onvoldoende’ verwacht er gebaat bij is zijn evaluatie gewoon uit te (laten) stellen (omdat de baremische verhoging toch automatisch zou toegekend worden louter op basis van de anciënniteit), hetgeen evident niet de bedoeling kan zijn.

Desbetreffend kan ook verwezen worden naar art. VII.I.10 van voormeld KB

van 30 maart 2001:

“De evaluatieperiode van het personeelslid dat tijdens die periode langdurig met verlof is volgens één van de verlofstelsels bedoeld in de artikelen VIII.III.1 tot VIII.XV.6, wordt verlengd met de duur van dit verlof.

Na afloop van dat langdurig verlof houden de geëvalueerde en de evaluator een functioneringsgesprek waarin de doelstellingen van de geëvalueerde opnieuw worden omschreven.

Onder langdurig verlof zoals bedoeld in het eerste lid moet worden verstaan elke ononderbroken afwezigheid van vier maanden of meer.”.

Onder “de verlofstelsels bedoeld in de artikelen VIII.III.1 tot VIII.XV.6” valt ook de regeling van het ziekteverlof en van de disponibiliteit wegens ziekte.

Het feit dat de evaluatieperiode geschorst wordt toont aan dat de evaluatie wel vereist is.”.

XIV-35.922-7/18

3.15. Op 11 maart 2014 stelt verzoeker tegen het advies van 6 april 2009 hoger beroep in bij de raad van beroep. Verzoeker omschrijft het voorwerp van het beroep als volgt:

“Hierbij verzoek ik aan de Raad van beroep inzake de evaluatie met eindvermelding onvoldoende te oordelen over het adviesformulier van de lokale politie LOWAZONE door de korpschef opgesteld op 06 april 2009 op mijn verzoek m.b.t. de deelname aan een selectie voor korpschef in de politiezone ASSENEDE - EVERGEM dat aanleiding gaf (bij gebrek aan een specifiek adviesformulier voor de baremische bevordering) tot het verwerpen door het hof van beroep te Gent op 26 feb 2014 van mijn eis tot toekenning van een baremische bevordering van de weddenschaal O5 naar O6.”.

3.16. Op 5 juni 2014 besluit de raad van beroep dat verzoekers beroep niet-ontvankelijk is omdat het bijna vijf jaar na de kennisneming werd verstuurd en de beroepstermijn dus ruimschoots werd overschreden. Deze beslissing overweegt:

“Overwegende dat verzoeker, hoofdcommissaris op rust met een aangetekende brief verzonden op 11 maart 2014 beroep indiende tegen de beslissing van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie, HCP [G.], gedateerd en ter kennis van verzoeker gebracht op 14 april 2009;

Overwegende dat de beslissing van de (eind)verantwoordelijke vermeldt dat tegen deze beslissing een hoger beroep openstaat bij de Raad van Beroep van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie en dat dit beroep om geldig te zijn moet worden ingediend bij een gemotiveerd verzoekschrift, hetzij per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, binnen veertien dagen na de kennisneming van de kennisgeving van het advies;

Overwegende dat de door de verzoeker opgestarte gerechtelijke procedure de administratieve termijnen voor het indienen van het hoger beroep bij de Raad van Beroep niet opschorten;

Overwegende dat het beroepschrift van [verzoeker], hoofdcommissaris op rust bijna vijf (5) jaar na de kennisneming werd verstuurd en de beroepstermijn bijgevolg ruim werd overschreden;”

Dit is de bestreden beslissing, waarvan verzoeker kennis heeft genomen op 8 juli 2014.

3.17. Ingevolge het in punt 3.12. genoemde arrest van de Raad van State nr. 234.822 van 24 mei 2016 is het koninklijk besluit van 28 april 2011

waarbij verzoeker ambtshalve op pensioen is gesteld met ingang van 1 januari 2011, definitief geworden.

XIV-35.922-8/18

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Ambtshalve door het auditoraat opgeworpen exceptie

4. Verzoeker stelt in zijn inleidend verzoekschrift dat het voorwerp van zijn vordering ertoe strekt de nietigverklaring te bekomen van de beslissing van de Raad van Beroep van de Algemene Inspectie van 3 juli 2014

(dit is de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing die dateert van 5 juni 2014) waarbij verzoekers beroep van 11 maart 2014 “tegen een adviesformulier dat een baremische bevordering belet”, ratione temporis niet-ontvankelijk wordt verklaard.

In het auditoraatsverslag wordt geoordeeld dat uit deze omschrijving van het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring, uit de uiteenzetting van de feiten en van de middelen onomstotelijk blijkt dat verzoeker het belang dat hij heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing, verbindt aan de mogelijkheid om alsnog een loonschaalverhoging te bekomen.

Het auditoraat oordeelt dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing voor verzoeker niet het gewenste voordeel kan opleveren in essentie omdat verzoeker heeft nagelaten tegen de weigering om hem te evalueren dan wel een advies te geven een beroep in te stellen bij de Raad van State en verzoeker thans niet meer over de vereiste hoedanigheid beschikt om alsnog geëvalueerd te worden of het voorwerp uit te maken van een advies en dat terwijl het gewenste voordeel er in is gelegen alsnog een evaluatie of advies die geen eindvermelding “onvoldoende” bevat, te bekomen met het oog op de toekenning van de loonschaalverhoging.

Artikel VIII.XI.1 RPPol op grond waarvan het personeelslid dat wegens ziekte en/of disponibiliteit afwezig is, zijn recht op bevordering en baremische loopbaan behoudt, doet hieraan geen afbreuk omdat het advies van 6 april 2009, gelezen in samenhang met het arrest van 27 februari 2014 van het

XIV-35.922-9/18

hof van beroep te Gent niet als een nieuwe aanvechtbare ‘beslissing’ kan worden aangezien waarvan de beroepstermijn pas zou zijn beginnen lopen op het ogenblik dat verzoeker kennis nam van laatst genoemd arrest. Het arrest van het hof van beroep waarin uitspraak wordt gedaan over verzoekers vordering tot de betaling van intresten en achterstallige wedden, eindejaarstoelagen en vakantiegelden kan immers niet worden gelijkgesteld met een beslissing houdende evaluatie ‘onvoldoende’ zodat dit arrest niet kan worden beschouwd als een beslissing in de zin van artikel VII.I.20 RPPol noch verandert het de rechtsaard van het adviesformulier van 6 april 2009, “in de zin dat waar dit adviesformulier oorspronkelijk niet aanvechtbaar zou zijn geweest voor de Raad van Beroep dit thans, ingevolge van het arrest van het hof van beroep te Gent, wel het geval zou zijn met dien verstande dat de beroepstermijn pas zou aanvangen bij de kennisname van dit arrest”. Een rechterlijke uitspraak over een vordering tot betaling van intresten, achterstallige wedden en gerechtskosten wijzigt de rechtsaard van een akte, uitgaande van een administratieve overheid, niet. Indien verzoeker aldus meende dat hem ten onrechte geen evaluatie of advies met een eindvermelding (‘voldoende’ hetzij ‘onvoldoende’) werd toegekend, diende hij daartegen beroep in te stellen bij de Raad van State.

5. In zijn laatste memorie repliceert verzoeker in essentie dat, in de voorliggende procedure, in het kader van het ontvankelijkheidsonderzoek van zijn vordering, enkel de ontvankelijkheid moet worden onderzocht van zijn annulatieberoep dat is gericht tegen de beslissing van de raad van beroep waarbij deze zich “onbevoegd verklaart omdat de termijn van beroep tegen het adviesformulier van 6 april 2009 niet werd gerespecteerd”. Verzoeker benadrukt dat het voorliggende annulatieberoep geen betrekking heeft op het adviesformulier van 6 april 2009 en de beslissing die erin vervat ligt maar enkel op de niet ontvankelijkverklaring van het beroep ertegen door de raad van beroep.

Dat maakt volgens verzoeker “een groot verschil”: het komt immers de auditeur noch de Raad van State toe zich in de plaats te stellen van de raad van beroep en al uitspraken te doen over de gegrondheid van het administratief beroep om alzo aan te tonen dat “er geen geldig advies meer kan bekomen worden door

XIV-35.922-10/18

verzoeker en hij daardoor geen belang meer zou hebben in de onderhavige annulatieprocedure”.

Verzoeker volhardt in zijn standpunt dat op grond van de overgangsmaatregelen voorzien in Deel VII van Titel XII RPPol die uiteindelijk deels werden hernomen in het koninklijk besluit van 20 december 2007 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten’ dat de volledige procedure van de periodieke evaluatie in Deel I van Titel VII herneemt, bij gebrek aan periodieke evaluatie, een advies moet worden opgesteld telkenmale dit is vereist in de statutaire bepalingen zoals, te dezen, bij een aanvraag om baremische bevordering. Het argument van de justitiële rechter dat er conform artikel VII.I.10

RPPol een uitstel moet zijn tot de evaluatie kan doorgaan (bv. na ziekteverlof)

geldt enkel voor de periodische evaluatie maar ontheft de politieoverheid niet van de “verplichting (want voorzien in de overgangsmaatregelen) een advies(formulier) op te stellen wanneer dat statutair noodzakelijk is zoals bij een baremische bevordering”. Verzoeker gaat er daarbij van uit dat het genoemde koninklijk besluit van 20 december 2007 in zijn artikel 15 (dat krachtens artikel 19 van datzelfde besluit uitwerking heeft op 1 april 2005) “nog maar eens duidelijk maakt” dat “bij het ontbreken van een periodieke evaluatie het personeelslid ofwel een reeds toegekend advies in het kader van een baremische bevordering behoudt ofwel de korpschef, wanneer dit er niet is, verplicht een advies op te stellen zodat de bevordering bij een ‘voldoende’ kan plaatsvinden, ofwel bij een ‘onvoldoende’ beroep ertegen mogelijk is”. Bij een verzoek tot baremische bevordering moet een advies worden uitgebracht zonder uitstel en dit zelfs bij de toestand van ziekteverlof zoals expliciet voorzien in artikel XII.VII.4

RPPol (dat handelt over de baremische bevordering en de verplichting een advies uit te brengen vanaf het in voege gaan van de periodieke evaluatie op 1 april 2005). Aangezien verzoeker bij koninklijk besluit van 21 april 2007 retroactief, dit is met ingang van 21 maart 2005, is benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie van de lokale politiezone LOWAZONE

(cfr. punt 3.1.), hij in die functie niet periodiek is geëvalueerd en dat er geen

XIV-35.922-11/18

adviesformulier met een vermelding “onvoldoende” voorlag, kon verzoeker er ook geen administratief beroep tegen instellen bij de raad van beroep. Zijn beroep zou immers geen voorwerp hebben gehad omdat geen beslissing “onvoldoende”

voorlag wat nochtans een noodzakelijke vereiste is om een dergelijk (administratief) beroep bij de raad van beroep te kunnen instellen. Het is pas met de uitspraak van het hof van beroep te Gent dat aan het adviesformulier van 6 april 2009 “dezelfde gevolgen toekent als de vermelding “onvoldoende” nml de verwerping van de toekenning van de gevorderde baremische verhoging” dat het administratief beroep bij de raad van beroep, zij het vijf jaar later, wel mogelijk is geworden.

Verzoeker benadrukt in zijn laatste memorie dat het dat “statutair recht” is dat verzoeker toegepast wil zien “door een standpunt ten gronde van de Raad van Beroep wanneer zij daartoe door uw Raad verplicht wordt.”

Tot slot, stelt verzoeker in zijn laatste memorie nog dat indien de Raad van State dat standpunt niet volgt “omwille van de verwijzing naar de uitspraak van de reguliere rechtbank-Hof”, verzoeker duidelijk wil stellen dat “het uitstel van advies van de korpschef wel definitief is geworden en zo een definitieve niet toekenning van de baremische bevordering heeft veroorzaakt op het ogenblik dat verzoeker ambtshalve op pensioen werd gesteld door een beslissing van de politieraad van 30 maart 2011 en wat aanleiding gaf tot het koninklijk besluit van ambtshalve pensioen van 28 april 2011 dat nog steeds het voorwerp is van de reeds aangemelde procedure van herziening”. Verzoeker voegt daaraan toe: “Het is pas dan dat het aangekondigde en tot dan uitgestelde advies door de korpschef niet meer mogelijk is want verzoeker is niet meer in dienst” en, nog, “[i]n het geval het beroep tot herziening zou leiden tot een vernietiging van het ambtshalve pensioen, dan zal verzoeker de dienst hernemen en vervalt het enige argument van de auditeur om onderhavige procedure onontvankelijk te verklaren”.

XIV-35.922-12/18

Wat, tot slot, het standpunt van het auditoraat betreft dat zelfs indien aangenomen wordt dat de aanmaning van verzoekers raadsman in zijn brief van 6 augustus 2009 (cfr. punt 3.9) tevens een aanmaning inhoudt tegen de weigering om verzoeker te evalueren dan wel een advies te geven en dat deze aanmaning conform artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gebeurde, (ook) in dat geval de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring is verstreken, repliceert verzoeker dat dit niet het voorwerp is van onderhavig annulatieberoep.

Beoordeling

6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang.

Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.

Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij zijn beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH

30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3).

7. Te dezen verzocht verzoeker in zijn beroepschrift de raad van beroep zich “uitdrukkelijk en ondubbelzinnig uit te spreken over de eindvermelding op dit adviesformulier (het kan maar één van de twee

XIV-35.922-13/18

mogelijkheden zijn voorzien in de vakjes) zodat het duidelijk is of ik nu al dan niet recht heb op deze baremische bevordering”.

In het voorliggende inleidend verzoekschrift tot nietigverklaring van de bestreden beslissing zet verzoeker uiteen dat het voorwerp van zijn vordering ertoe strekt de nietigverklaring te bekomen van de beslissing van de Raad van Beroep van de Algemene Inspectie van 3 juli 2014

(dit is de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing die dateert van 5 juni 2014) waarbij verzoekers beroep van 11 maart 2014 “tegen een adviesformulier dat een baremische bevordering belet”, (ratione temporis)

niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het genoemde adviesformulier betreft het adviesformulier van 6 april 2009 (cfr. punt 3.5) waarop wordt vermeld dat omwille van het feit dat verzoeker zijn nieuwe functie, waarin hij herplaatst is geweest, tot op de dag waarop het document werd opgesteld, dit is op 6 april 2009, nog geen enkele dag heeft waargenomen wegens ziekte en verlof en dit sedert 7 mei 2007, het uitschrijven van een advies m.b.t. zijn nieuwe functie onmogelijk is. Hij vecht dat “advies” aan bij de Raad van Beroep met een beroepschrift van 11 maart 2014 omdat, naar de bewoordingen van dat beroepschrift, met het arrest van het hof van beroep te Gent van 27 februari 2014

“voorlopig het doek valt over het niet toekennen van de baremische bevordering van O5 naar O6 omwille van het ontbreken van een evaluatie (voldoende of onvoldoende?) waardoor deze de facto en de jure gelijkgesteld wordt met een evaluatie onvoldoende (want één van de voorwaarden tot toekenning van de baremische bevordering is op dit ogenblik niet vervuld). Omdat deze beslissing pas nu definitief gevallen is ben ik van mening dat ik er pas nu beroep kan tegen aantekenen bij uw Raad (voordien was de voorwaarde in het enige beschikbare adviesformulier niet vervuld vermits het vakje onvoldoende niet was aangekruist)

en dit binnen de 14 dagen nadat ze definitief vastgesteld is (in dit specifiek geval door een rechtscollege) zoals het RPPol dit voorziet in zijn artikel VII.I.44). Dit statutair recht (RPPol VII.I.42 t/m 46) van beroep tegen een evaluatieformulier met eindvermelding onvoldoende kan mij dan ook niet ontzegd worden zelfs al

XIV-35.922-14/18

zijn de omstandigheden van die aard dat het pas nu kan gebeuren en ik reeds ambtshalve met pensioen ben gesteld”.

Verzoeker bevestigt dit door hem nagestreefde voordeel ook in zijn laatste memorie waar hij stelt dat het dat “statutair (beroeps)recht” is dat verzoeker toegepast wil zien. Hij beoogt namelijk een uitspraak ten gronde van de Raad van Beroep wanneer hij daartoe “door uw Raad verplicht wordt.”

8. Verzoeker is bij koninklijk besluit van 28 april 2011 ambtshalve op pensioen gesteld vanaf 1 januari 2011. Bij arrest nr. 221.740 van 13 december 2012 heeft de Raad van State het door verzoeker ingestelde vernietigingsberoep tegen het genoemde koninklijk besluit verworpen. Bij arrest nr. 234.822 van 24 mei 2016, dat is tussengekomen na de bestreden beslissing die dateert van 5 juni 2014, heeft de Raad van State het beroep tot herziening van het arrest van nr. 221.740 van 13 december 2012 verworpen. Verzoeker is derhalve definitief ambtshalve op rust gesteld met ingang van 1 januari 2011 waardoor zijn ambtelijke status en dus, zijn hoedanigheid van personeelslid, op die datum onherroepelijk is beëindigd.

Uit hetgeen in punt 7 is uiteengezet blijkt dat verzoeker met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de vernietiging wil bekomen van de bestreden beslissing van de Raad van Beroep opdat deze zich, na vernietiging van die beslissing, ten gronde zou uitspreken over het door verzoeker ingestelde bestuurlijk beroep.

Dat voordeel kan hij evenwel door zijn ambtshalve opruststelling onmogelijk nog bekomen.

Krachtens het op de voorliggende zaak toepasselijke artikel VII.I.25 van het RPPol kan bij de Raad van Beroep hoger beroep tegen de evaluatie worden ingesteld met dien verstande dat het hoger beroep om geldig te zijn bij gemotiveerd verzoekschrift moet worden ingediend, hetzij per

XIV-35.922-15/18

aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs, bij de inspecteur-generaal en dit binnen de veertien dagen na kennisneming van de evaluatie die de betrokkene wil bestrijden. De Raad van Beroep bedoeld in artikel VII.I..27 van het RPPol kan ofwel de bestreden evaluatie bevestigen, ofwel geheel of gedeeltelijk wijzigen.

De beslissing van de Raad van Beroep wordt vervolgens zonder verwijl ter kennis gebracht van de geëvalueerde en van de eindverantwoordelijke voor de evaluatie.

Evenwel, zowel uit artikel I.II.1 van het RPPol dat bepaalt dat tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, dit besluit van toepassing is op de personeelsleden, als uit de artikelen VII.I.1. e.v. van het RPPol die de evaluatie betreffen (m.i.v. de beroepsprocedure voor de Raad van Beroep) en uit de overgangsbepalingen betreffende de evaluatie, moet worden afgeleid dat de beroepsprocedure, evenals de bevoegdheid van de Raad van Beroep personeelsleden betreft, wat verzoeker door zijn ambtshalve op pensioensstelling niet langer is.

Verzoeker lijkt dat ook zelf te beseffen waar hij in zijn laatste memorie stelt dat “[i]n het geval het beroep tot herziening zou leiden tot een vernietiging van het ambtshalve pensioen, dan zal verzoeker de dienst hernemen en vervalt het enige argument van de auditeur om onderhavige procedure onontvankelijk te verklaren”. Doordat het ambthalve pensioen definitief is geworden, heeft verzoeker de dienst evenwel niet hernomen.

Het beroep is niet ontvankelijk.

V. Kosten

9. In haar laatste memorie vraagt de verwerende partij verzoeker te veroordelen tot betaling van de gerechtskosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro.

10. In zijn laatste memorie vraagt verzoeker om indien de kosten en de rechtsplegingsvergoeding door hem moeten worden gedragen, ernstig rekening te houden met de “onomstotelijke vaststelling (ook wanneer het beroep

XIV-35.922-16/18

omwille van procedurele redenen niet zou worden behandeld ten gronde) dat de administratieve overheid het statutair recht van verzoeker op die baremische bevordering en de substantiële vergoeding die eraan verbonden is ontzegt heeft wat op zich al voldoende ernstige financiële consequenties heeft gehad[…]”. Hij meent dat dit “zonder twijfel [pleit] voor verzachtende omstandigheden die kunnen leiden tot het toekennen van het minimumbedrag”.

Beoordeling

11. Overeenkomstig artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verwerende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd.

12. Wat betreft de begroting van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding, bepaalt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State:

“§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met:

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.”

Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. De opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag.

XIV-35.922-17/18

In de gegeven omstandigheden toont verzoeker de kennelijk onredelijke aard van de situatie niet aan. Bovendien kende de zaak zijn normale procedureverloop zodat er geen elementen zijn die wijzen op de noodzaak om lastens verzoeker aan de verwerende partijen een lagere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan het basisbedrag van 700 euro.

13. Aan de verwerende partij wordt de door haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toegekend.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-35.922-18/18

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.225