Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.219 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.219 Généré par l'IA

Belgian court dismisses disciplinary suspension appeal after pensioner's suspension is deemed legally withdrawn.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.219
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected the applicant's appeal to annul a disciplinary decision extending his suspension and withholding salary. Although the applicant argued he retained moral interest, the court noted that since he retired in 2014, no disciplinary penalty was actually imposed, triggering an automatic withdrawal of the suspension under the Disciplinary Code. Consequently, the contested decision was deemed legally withdrawn, leaving the appeal without a valid subject matter.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Art. 65, 1st para. of the Disciplinary Code of Police Personnel; If no disciplinary penalty is pronounced following a temporary suspension, the suspension is considered withdrawn and withheld wages must be refunded, rendering subsequent appeals against the suspension decision inadmissible due to lack of subject matter.

Mots-clés

Généré par l'IA
disciplinary suspension temporary suspension pensioner status inadmissible appeal withdrawal of suspension Disciplinary Code lack of subject matter décision de ne pas soulever d'objections

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Art. 65, 1st para. of the Disciplinary Code of Police Personnel (wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten)

Jurisprudence citée

Généré par l'IA
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.219 van 31 januari 2017

in de zaak A. 210.793/XIV-35.340

In zake : Joseph VAN LOMMEL

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Elsbeth Loncke kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de POLITIEZONE 5366 GEEL-LAAKDAL-MEERHOUT

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 18 november 2013, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Politiezone Geel-Laakdal-Meerhout van 18 september 2013 waarbij beslist werd de voorlopige schorsing van Joseph Van Lommel te verlengen voor een duur van vier maanden met ingang vanaf 1 oktober 2013 en waarbij beslist werd dat de verlenging van de schorsing die Joseph Van Lommel wordt opgelegd gepaard gaat met inhouding van 25% van het brutowedde”.

II. Verloop van de rechtspleging

2. Bij arrest nr. 227.293 van 7 mei 2014 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen.

XIV-35.340-1/5

Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.

De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld.

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Nick Parthoens, die loco advocaten Koen Geelen en Elsbeth Loncke verschijnt voor verzoeker, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 227.293 van 7 mei 2014. Er wordt naar verwezen.

XIV-35.340-2/5

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

Standpunt van de partijen

4. In de laatste memorie betwist de verwerende partij de ontvan-

kelijkheid van het beroep nu verzoeker sedert 1 januari 2014 op pensioen is. Zij wijst erop dat zij derhalve niet in de mogelijkheid is om enige verdere tuchtmaat-

regel op te leggen en het bevoegde sociaal secretariaat heeft bijgevolg de inhouding van 25 % op verzoekers brutowedde gedurende de periode van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel in zijn geheel terugbetaald. De verwerende partij concludeert dan ook dat verzoeker geen enkel actueel belang meer heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Er is immers geen financiële schade meer voor verzoeker en de bestreden beslissing kan evenmin nog enige belemmering zijn voor zijn verdere professionele carrière. De verwerende partij citeert vervolgens artikel 65, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en besluit dat de vordering niet ontvankelijk is “gelet op de geciteerde bepaling en gelet op het gebrek aan enig actueel belang.”

5. Ter terechtzitting wijst verzoeker er inzonderheid op dat hij nog een moreel belang behoudt ook na zijn pensionering, want de schorsing heeft uitwerking gehad en de beëindiging van zijn loopbaan doet hieraan geen afbreuk.

Beoordeling

6. De verwerende partij oordeelt dat de voorliggende vordering niet ontvankelijk is gelet op artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet. Deze bepaling luidt:

“Art. 65. Indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf waarschuwing of blaam wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze uitgesproken wordt; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingehouden wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.”

XIV-35.340-3/5

Niet wordt betwist dat aan verzoeker geen tuchtstraf is opgelegd.

In acht genomen het feit dat verzoeker sinds 1 mei 2014 is gepensioneerd, kan de verwerende partij na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing, de tuchtprocedure niet meer hernemen. Aldus wordt thans definitief vastgesteld dat de verwerende partij geen enkele tuchtstraf heeft uitgesproken. Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 65, eerste lid, van de tuchtwet, volgt hieruit dat in dat geval de thans bestreden beslissing krachtens de wet als ingetrokken moet worden beschouwd. Het voorliggende beroep heeft bijgevolg geen voorwerp meer.

De omstandigheid dat verzoeker, naar hij betoogt, nog een actueel belang heeft bij het beroep doordat de beslissing feitelijk uitvoering heeft gehad, doet hieraan geen afbreuk, nu vaststaat dat het beroep niet langer voldoet aan de vereiste dat het een eenzijdige, aanvechtbare rechtshandeling tot voorwerp heeft.

7. Uit wat voorafgaat volgt dat de exceptie in de aangegeven mate gegrond is.

Het beroep is niet ontvankelijk.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 375 euro.

XIV-35.340-4/5

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-35.340-5/5

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.219