Legislator Jurisprudence & Législation
ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.218 ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.218 Généré par l'IA

Court dismisses appeal against prison disciplinary ban, ruling subjective bias insufficient to invalidate decision.

Numéro de cause ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.218
Autorité / Tribunal
Juridiction Belgique (BE)
Date de la décision
Issue du litige Rejeté (Dismissed)

Synthèse Legislator

Généré par l'IA

The Council of State rejected Danny De Winter's appeal against a one-week ban on cultural activities imposed by the prison disciplinary authority. The applicant argued that the disciplinary director lacked impartiality because he was a colleague of the prison director who personally witnessed the alleged discriminatory remarks. The court held that mere subjective impressions of bias do not prove a violation of the impartiality principle, especially since the actual disciplinary proceedings were conducted by a different attaché. Consequently, the disciplinary sanction was upheld as legally valid.

Regeste Legislator

Généré par l'IA

Articles 127 § 1 and 127 § 3 of the Basic Law on the Prison Service; A subjective impression of bias by a detainee does not constitute proof of a violation of the impartiality principle when the disciplinary authority acts with required objectivity.

Mots-clés

Généré par l'IA
prison disciplinary authority impartiality principle subjective bias colleague relationship tuchtsanctie Council of State administrative appeal régime pénitentiaire

Dispositions légales citées

Généré par l'IA
Article 127, § 1 of the Basic Law on the Prison Service
Article 127, § 3, first paragraph of the Basic Law on the Prison Service
Article 127, § 3, second paragraph of the Basic Law on the Prison Service
Généré par l'IA

Vous souhaitez savoir comment cet arrêt s'applique à votre dossier ?

Analysez cette décision avec la législation fédérale, le droit cantonal, la doctrine et la jurisprudence subséquente dans Legislator AI.

Ouvrir dans Legislator →

Texte complet

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

XIVe KAMER

nr. 237.218 van 31 januari 2017

in de zaak A. 209.654/XIV-35.151

In zake : Danny DE WINTER

bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdend te 8000 Brugge Koolkerkse Steenweg 154

bij wie woonplaats wordt gekozen

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 31 juli 2013, strekt tot de nietigver-

klaring van “de beslissing tot tuchtsanctie dd. 18.07.2013, uitgaande van de gevangenis te Brugge” waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van “verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband […]: individuele wandeling” gedurende één week wordt opgelegd van 19 juli 2013 tot en met 25 juli 2013.

II. Verloop van de rechtspleging

2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld.

XIV-35.151-1/7

Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend.

De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2016.

Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht.

Advocaat Emilie Lingier, die loco advocaat Mathieu Langerock verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord.

Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven.

Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

III. Feiten

3.1. Verzoeker is op het ogenblik van de feiten opgesloten in de gevangenis te Brugge.

3.2. Op 11 juli 2013 stelt de gevangenisdirecteur B. V. D. L. lastens verzoeker een rapport aan de directeur op met daarin de volgende vaststellingen:

“De betrokken gedetineerde, De Winter Danny, stond in de deuropening van de wachtzaal, samen met enkele andere gedetineerden. De wachtzaal is nagenoeg recht tegenover mijn bureau. Bij het verlaten van mijn bureau hoor ik De Winter Danny tegen enkele andere gedetineerden zeggen en ik citeer ‘dat is de directeur die discrimineert op basis van handicap’. Ik negeer betrokkene. Ongeveer een vijftal minuten later keer ik terug naar mijn bureau. Betrokkene De Winter Danny herhaalt wat hij eerder had gezegd en doet teken met zijn handen (wegzwaaibeweging met de pols) en adresseert zich daarna rechtstreeks naar mij en zegt dat ik hem discrimineer.

XIV-35.151-2/7

Betrokkene werd aangemaand respect te hebben. Aansluitend maakt hij aanstalten om naar mij toe te komen en hij herhaalt wat hij eerder had gezegd. Ik deel hem mee dat hij een tuchtrapport krijgt.

Vermoedelijk verwijst betrokkene naar de weigering om over te kunnen gaan naar de drugvrije afdeling. Betrokkene werd hierrond uitvoerig gezien door de zorgcoördinator. Het betreft een teambeslissing DVA.

Gezien zijn uitingen ongepast zijn, gezien dergelijke houding in de PSD-gang niet wenselijk is, gezien er een herhaling was, gezien zijn houding van weinig respect getuigt besluit ik een rapport op te maken.”

3.3. Op 18 juli 2013 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband […]: individuele wandeling” gedurende “1 week van 19/7/2013 tot en met 25/7/2013”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering:

“De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen het personeel van de strafinrichtingen, hetzij tegen andere gevangenen wordt strenger bewaakt of afgezonderd. (Art. 614 Wetboek van Strafvordering).

Beledigingen verstoren het sociaal klimaat in de inrichting.

Gelet op het feit dat dergelijk gedrag niet getolereerd kan worden.”

Dit is de bestreden beslissing.

Ze wordt opgelegd door attaché-directeur E.V.

IV. Ontvankelijkheid van het beroep

4. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens middels een laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvanke-

lijkheid van het beroep verzet.

De exceptie wordt verworpen.

XIV-35.151-3/7

V. Onderzoek van het enige middel

Uiteenzetting van het middel

5. Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van het beginsel van onpartijdigheid gelet op het feit dat het tuchtrapport van 11 juli 2013

werd opgesteld door gevangenisdirecteur B. V. D. L. en de tuchtrechtelijke inbreuken later werden beoordeeld door diens collega-gevangenisdirecteur E. V.

Die laatste kon volgens verzoeker niet onpartijdig oordelen over de tuchtin-

breuken, minstens is er sprake van een schijn van partijdigheid aangezien zij een collega is van gevangenisdirecteur B. V. D. L. die persoonlijk betrokken was bij de feiten die tot de tuchtvordering hebben geleid. Zij moest wel het standpunt van B.

V. D. L. volgen omdat de rapporterende collega-gevangenisdirecteur anders gezichtsverlies zou lijden. De collegialiteit tussen beide gevangenisdirecteurs had E. V. ervan moeten weerhouden om te oordelen over de tuchtinbreuken. Verzoeker wijst er op dat zijn raadsman op de tuchtzitting van 18 juli 2013 de schending van het beginsel van onpartijdigheid had opgeworpen, doch E. V. weigerde zich te onttrekken van de beraadslaging.

6. Verzoeker herneemt in de memorie van wederantwoord woordelijk zijn argumentatie uit het verzoekschrift en vult aan dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie van antwoord beweert, uit artikel 127, § 3, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet)

blijkt dat de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe zou leiden dat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid onmogelijk zou worden. Gevangenis-

directeur E. V. had op grond van die bepaling de mogelijkheid om zich te laten vervangen door een hiërarchisch hoger lid van de penitentiaire administratie.

In de laatste memorie beperkt verzoeker zich tot het herhalen van hetgeen hij heeft uiteengezet in de memorie van wederantwoord.

XIV-35.151-4/7

Beoordeling

7. Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.

8. Verzoeker voert aan dat de tuchtrechtelijk optredende gevangenisdirecteur niet onpartijdig kon oordelen over de tuchtinbreuken aange-

zien zij een collega is van gevangenisdirecteur die persoonlijk betrokken was bij de feiten die tot de tuchtvordering leidden. Het betreft aldus de functionele of structurele onpartijdigheid van de als tuchtoverheid optredende gevangenis-

directeur. De onpartijdigheid van de gevangenisdirecteur dient alzo vanuit een objectief oogpunt te worden beoordeeld.

9. De wetgever heeft de gevangenisdirecteur aangewezen als de tuchtoverheid die bevoegd is om aan verzoeker een tuchtstraf op te leggen (artikel 127, § 1 van de basiswet). Uit het feitenrelaas (supra, punt 3.2) blijkt dat de tuchtrechtelijke inbreuk gepleegd werd ten aanzien van gevangenisdirecteur B. V. D. L. . Niet wordt betwist dat die overeenkomstig artikel 127, § 3, eerste lid, van de basiswet zich verder onthield van de tuchtzaak en dat de tuchtrechtelijke bevoegdheid daarop overeenkomstig artikel 127, § 3, tweede lid, van dezelfde wet werd uitgeoefend door attaché-gevangenisdirecteur E. V. Het enkele gegeven dat die een collega-directeur is van de eerstgenoemde gevangenisdirecteur die betrokken was bij de tuchtrechtelijke inbreuk, volstaat niet om te doen veronder-

stellen dat de tuchtoverheid bij de uitoefening van de in artikel 127, § 3 van de basiswet bepaalde bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties, niet meer met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid over het tuchtvergrijp kan oordelen.

Een louter subjectieve indruk van partijdigheid - die verzoeker ontwaart in het feit dat de tuchtrechtelijk optredende gevangenisdirecteur vanuit de collegialiteit

XIV-35.151-5/7

tussen beiden directeurs wel het standpunt van gevangenisdirecteur B.V.D.L.

moest volgen - volstaat bijgevolg niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken.

De repliek in de memorie van wederantwoord dat de regelgeving het toelaat dat de tuchtrechtelijk optredende gevangenisdirecteur E.V. zich laat vervangen, zodat de uitoefening van de tuchtbevoegdheid ook bij haar vervanging nog mogelijk blijft, is niet relevant. Uit wat voorafgaat volgt immers dat er in hoofde van gevangenisdirecteur E.V. het bestaan van partijdigheid niet is aange-

toond.

10. Het enige middel is ongegrond.

BESLISSING

1. De Raad van State verwerpt het beroep.

2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver-

klaring, begroot op 175 euro.

XIV-35.151-6/7

Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend zeventien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit:

Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier.

De griffier De voorzitter

Johan Pas Geert Debersaques

XIV-35.151-7/7

PDF document ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.237.218